De bruinkopgors (Emberiza bruniceps) is een als dwaalgast in West-Europa voorkomend lid van de gorzenfamilie.
De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Brandt (Johann Friedrich von Brandt was een Duits natuuronderzoeker en zoöloog.) in 1841.
De bruinkopgors komt vooral voor in Azië ten oosten van de Kaspische Zee.
In Nederland en België worden ook wel eens waarnemingen gedaan.
Engels : Red-headed Bunting Duits : Braunkopfammer Frans : Le Bruant à tête rousse
Bruinkopgors
foto op www.complete-encyclopedie.nl
De bruinkopgors meet van het puntje van de snavel tot het uiteinde van de staart 16,5 centimeter.
De mannetjes van de soort hebben een kastanje-bruine kop en keel, een lichtgele borst en buik en groenige bovendelen.
De vrouwtjes lijken op die van de huismus.
Emberiza bruniceps
foto op www.air-internet-arnhem.net
De bruinkopgors Prefereert droge warme woestijnachtige gebieden met weinig dichte vegetatie.
Ze zijn vaak te vinden in gebladerte van struiken, hij zingt van op de top van een struik.
Hij nestelt vaak in de nabijheid van menselijke bewoning en kan tot 200 meter hoog worden aangetroffen.
Bruinkopgors
auteur : Alistair Rae op www.vogelsbekijken.be CC 3.0
De bruinkopgors staat als niet bedreigd op de rode lijst van de IUCN.
De bruinkopbijeneter (Merops leschenaulti) is een bijeneter die voorkomt in Zuid-Azië, van India tot Indonesië.
De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Vieillot (Louis Jean Pierre Vieillot was een Frans ornitholoog.) in 1817.
De bruinkopbijeneter is inheems op het Indische subcontinent van Oost-Indië tot Zuidoost-Azië , met inbegrip van Thailand , Maleisië en Indonesië.
Engels : Bay-headed Bee Eater, Bay-headed Bee-eater, Chestnut headed Bee eater, Chestnut-headed Bee Eater Duits : Blaukehlspint, Braunkopfspint, Malaienspint Frans : Le Guêpier de Leschenault
Het is - zoals alle bijeneters - een felgekleurde vogel met overwegend een groene kleur, met een lichtblauwe romp en onderbuik.
Geel onder de snavel en een zwarte oogstreep.
De kop en nek hebben een bruine kastanjekleur.
Mannetjes en vrouwtjes zijn gelijk gekleurd, jonge vogels zijn niet zo fel van kleur.
Megalaima zeylanica
auteur : p.supat op ibc.lynxeds.com
De bruinkopbijeneter broedt in het subtropische open woud, meestal in de nabijheid van waterpartijen.
Veelal terug te vinden in hoger gelegen gebieden.
Zoals de naam doot vermoeden zijn het insecteneters, voornamelijk bijen, wespen en hoornaars, die worden gevangen in de vlucht.
Ze nesten in grote kolonies op zanderige gronden, ze maken een relatief lange tunnel waarin ze vijf of zes witte eieren leggen die voornamelijk worden uitgebroed ddor zowel het mannetje als het vrouwtje.
Bruinkopbijeneter
auteur : sohnjoo's photography/aviangallery op mountainsbeyond.org/
De bruinkopbijeneter heeft een enorm groot verspreidingsgebied en daardoor alleen al is de kans op uitsterven uiterst gering.
De grootte van de populatie is niet gekwantificeerd maar lijkt toe te nemen.
Om deze redenen staat deze bijeneter als niet bedreigd op de rode lijst van de IUCN.
De bruinkopbaardvogel (Megalaima zeylanica) is een baardvogel die voorkomt in India en Sri Lanka.
De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Gmelin (Johann Friedrich Gmelin was een Hannovers natuurwetenschapper, botanicus, malacoloog en entomoloog.) in 1788.
Vóór 1990 werden de bruinkopbaardvogel en de gestreepte baardvogel (M. lineata) ook wel beschouwd als ondersoorten van dezelfde soort.
Het soorttoevoegsel zeylanica slaat op Zeylon, Ceylon, het huidige Sri Lanka.
Engels : Brown headed Barbet, Brown-headed Barbet, Green Barbet, Large Green Barbet, Oriental Green Barbet Duits : Braunkopf-Bartvogel Frans : Le Barbu à tête brune
De bruinkopbaardvogel is 27 cm lang.
Hij is — net als de andere Aziatische baardvogels — vrij plomp van bouw en van boven groen gekleurd.
Hij heeft een forse, rood gekleurde snavel met borstels aan de basis.
Hij lijkt op de gestreepte baardvogel, want heeft ook een gestreepte borst, nek en kop.
De gele oogring is bij hem veel duidelijker en de kop oogt donkerder bruin.
De bruinkopbaardvogel is een standvogel op het Indische Subcontinent, waar hij wijdverspreid voorkomt, ook in Bangladesh en op Sri Lanka.
Het is een bosvogel die voorkomt in diverse types bos en zich gemakkelijk aanpast aan gebieden waar mensen wonen.
Deze baardvogel wordt ook gezien in parken, tuinen en verstedelijkte gebieden en in boomgaarden met mango, papaja, banaan et cetera.
De bruinkopbaardvogel heeft een enorm groot verspreidingsgebied en daardoor alleen al is de kans op uitsterven uiterst gering.
De grootte van de populatie is niet gekwantificeerd.
Er is aanleiding te veronderstellen dat de soort in aantal stabiel blijft.
Om deze redenen staat deze baardvogel als niet bedreigd op de rode lijst van de IUCN.
De bruinkeelortolaan (Emberiza caesia) is een als dwaalgast in West-europa voorkomend lid van de gorzenfamilie.
De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Cretzschmar (Giovanni Antonio Scopoli was een Italiaanse arts en bioloog.) in 1827.
De soort broedt in zuidoost Europa en een deel van Azië van Albanië en Macedonië in het westen tot in Syrië in het oosten. Daarnaast is er een geïsoleerde populatie in Marokko.
Engels : Blue-headed Ortoloan Bunting, Cretzchmar's Bunting, Cretzschmar's Bunting Duits : Grauortolan Frans : Le Bruant cendrillard
Zijn habitat : droge, stenige hellingen met verspreide struiken. Ook vaak in boomgaarden.
Hij fourageert voornamelijk op de grond.
Eet meestal zaden, ook insecten.
De roep klinkt als tsip, de zang bestaat uit 3 of 4 keer pioe met de klemtoon op de laatste in de reeks.
Bruinkeelortolaan
auteur : Bernard Spaans op knnvhaarlem.waarneming.nl
De Bruinkeelortolaan broedt in het open landschap op de grens van de woestijn en op rotsachtige flanken van heuvels met spaarzaam struikgewas.
Het nest wordt op de grond gebouwd, vaak aan de voet van een struik en bestaat uit een kommetje van takjes, gevoerd met fijn materiaal zoals haar.
Het legsel bestaat uit 4 of 6 vuilwitte of grijsblauwe donkerder gevlekte eitjes die 19 millimeter groot zijn.
Er worden per jaar twee broedsels grootgebracht.
De bruinkeelhoningzuiger (Anthreptes malacensis) is een soort honingzuiger (Nectariniidae).
De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Scopoli (Giovanni Antonio Scopoli was een Italiaanse arts en bioloog.) in 1786.
De bruinkeelhoningzuiger komt voor in Zuidoost-Azië.
Engels : Brown-throated Sunbird, Plain-throated Sunbird Duits : Braunkehl-Nektarvogel Frans : Le Souïmanga è gorge brune, Souimanga malais
Bruinkeelhoningzuiger
auteur(s) : NatureAtYourBackyard ltshears CC 2.0
Zoals andere honingzuigers voeden ze zich hoofdzakelijk op nectar, hoewel ze ook op insecten foerageren, vooral als ze jongen hebben.
Ze hebben een snelle, directe vlucht en zij kunnen net als een kolibrie in de lucht op één plek blijven fladderen om nectar uit een bloem te halen, meestal strijken ze onder aan de bloem neer om bij de nectar de komen.
De bruinkeelhoningzuiger is een relatief grote honingzuiger, met een forse snavel.
Hij is 14 centimeter lang en weegt 7,4 tot 13,5 gram.
Net als bij de meeste honingzuigers is het mannetje kleurrijker dan het vrouwtje.
Het mannetje is iriserend groen en paars van boven, kastanjebruin op de vleugeldekveren en de schouderveren.
De keel is lichtbruin en de buik is voornamelijk geel.
Het vrouwtje is olijfgroen boven en geel van onder.
Anthreptes malacensis (mannetje)
auteur : HowardB CC 3.0
Hij komt voor in een groot aantal laaglandbiotopen (minder de 900 m boven de zeespiegel) zoals halfopen bosland met ondergroei en struikgewas en mangrovebossen aan de kust, kokosplantages en tuinen in Zuidoost-Azië van Birma tot de Kleine Soenda-eilanden en het westen van de Filipijnen.
Bruinkeelhoningzuiger (vrouwtje)
auteur : HowardB CC 3.0
De bruinkeelhoningzuiger heeft een groot verspreidingsgebied en daardoor alleen al is de kans op uitsterven uiterst gering.
De grootte van de populatie is niet gekwantificeerd, maar er is geen aanleiding te veronderstellen dat de soort in aantal achteruit gaat.
Om die redenen staat deze honingzuiger als niet bedreigd op de rode lijst van de IUCN.
De bruinkapspecht (Dendrocopos moluccensis, protonym Picus moluccensis) is een kleine soort specht uit de familie spechten (Picidae) die voorkomt in de Indische Archipel.
De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Gmelin (Johann Friedrich Gmelin was een Hannovers natuurwetenschapper, botanicus, malacoloog en entomoloog.) in 1788.
De bruinkapspecht komt op het schiereiland Malakka, Sumatra, Borneo, Java en de Kleine Soenda-eilanden.
Engels : Brown-capped Woodpecker, Sunda Woodpecker, Sunda Pygmy Woodpecker Duits : Braunscheitel-Specht, Braunscheitelspecht Frans : Le Pic nain
De bruinkapspecht lijkt sterk op de grijskapspecht.
De bruinkapspecht is iets kleiner (13 cm).
Beide soorten lijken een beetje op de in Europa voorkomende kleine bonte specht, met hetzelfde formaat en dezelfde zwartwittekening op de rug.
De koptekening is anders, beide soorten hebben een witte wenkbrauwstreep en een zwarte oogstreep.
Het vrouwtje van de bruinkapspecht heeft een bruine kap en de grijskapspecht heeft een grijze (vaak zwart lijkende) kap.
Het opvallendste verschil is het verenkleed aan de onderzijde.
De bruinkapspecht heeft een gespikkelde borst op een witte ondergrond en de grijskapspecht is daar okerkleurig met zwarte streepjes.
Er is aanleiding te veronderstellen dat de soort in aantal toeneemt.
Om deze redenen staat de bruinkapspecht als niet bedreigd op de rode lijst van de IUCN.
De bruine taling lijkt sterk op de aucklandtaling en werd vroeger wel als een ondersoort beschouwd.
De vogel is 48 cm lang.
Zowel het mannetje als het vrouwtje zijn bruin gekleurd.
Het mannetje heeft in de broedtijd een groenachtige glans op de kop en de hals.
Beide seksen hebben een witte oogring, het oog zelf is zwart.
Op de vleugel is een groen gekleurde spiegel, afgebiesd met een smalle witte band.
De snavel heeft een grijze metaalkleur met zwart op de bovensnavel.
De poten zijn donkergrijs.
De bruine taling kwam tot 1890 overal in Nieuw-Zeeland voor.
Tussen 1890 en 1930 kromp het leefgebied enorm in door het droogleggen van draslanden en door een onverminderde jachtdruk.
Dit laatste ondanks een jachtverbod dat in 1921 werd ingesteld.
Daarna kwamen er nieuwe bedreigingen in de vorm van ingevoerde predatoren zoals kat, hond en marterachtigen die vaak ook 's nachts actief zijn.
De bruine taling is 's nachts actief omdat er dan minder van de oorspronkelijk op Nieuw-Zeeland aanwezige roofdieren (vooral vogelsoorten) op jacht zijn.
In de het Maori, wordt deze vogel aangeduid als Pāteke.
De bruine taling voedt zich met ongewervelde dieren zoals waterinsecten, hun larven, schaaldieren en weekdieren.
Met zijn spiermaag is hij in staat om schelpen te malen.
Rond 2004 komen alleen aanzienlijke populaties van de bruine taling voor op Great Barriereiland (600 exemplaren), Northland (600 ex.) en Coromadel (700 ex.).
Er vormen zich op kleinere eilanden nieuwe populaties.
Rond 2012 lijken de aantallen te stabiliseren en iets te te nemen.
De IUCN handhaaft de status bedreigd omdat ze er nog niet 100% zeker van zijn dat dit herstel duurzaam is.
De bruine spoorkoekoek of andamanspoorkoekoek (Centropus andamanensis) is een koekoek die alleen voorkomt op de Andamaneilanden.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Beaven in 1867.
De bruine spoorkoekoek komt voor op de Andamaneilanden en de Kokoseilanden daar ten noorden van die tot Myanmar behoren.
Engels : Andaman Coucal, Brown Coucal Duits : Andamanenkuckuck Frans : Le Coucal des Andaman
Bruine spoorkoekoek
auteur : T. R. Shankar Raman CC 3.0
De bruine spoorkoekoek is een grote koekoek.
Deze soort wordt inclusief staart 38 tot 42 centimeter.
De vleugels en de mantel zijn kastanjebruin.
De buik is niet zwart maar eerder bruin zonder metaalglans en ook de kop is bruin.
De snavel en de poten zijn zwart en de iris is bleek bruin.
De bruine spoorkoekoek werd vroeger als een ondersoort van de Chinese spoorkoekoek (C. chinensis) beschouwd.
Centropus andamanensis
auteur : Jonathan Hornbuckle op jonathanhornbuckle.webs.com
Het is een algemene vogel van bossen, struikgewas, secondair bos, bosranden, mangrove, rijstvelden en tuinen.
Net als de andere spoorkoekoeken is deze soort geen broedparasiet, maar bouwt zelf een nest en broedt de eigen eieren uit.
bruine spoorkoekoek
auteur : Vijay Cavale op orientalbirdimages.org
De bruine spoorkoekoek heeft een beperkt verspreidingsgebied.
De grootte van de populatie is niet gekwantificeerd.
Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de soort in aantal achteruit gaat, daarom staat deze spoorkoekoek als niet bedreigd op de rode lijst van de IUCN.
De bruine sikkelsnavel (Epimachus meyeri) is een paradijsvogel met een lange staart met een lengte totale lengte tot 100 cm.
De soort werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Finsch in 1885.
De bruine sikkelsnavel komt voor in het centrale bergland van Nieuw-Guinea maar niet op Vogelkop of het schiereiland Huon (Papoea-Nieuw-Guinea).
Deze vogel werd ontdekt door Carl Hunstein in 1884 en vernoemd naar Adolf Bernard Meyer (1840-1911), directeur van het Museum für Tierkunde in Dresden, Duitsland.
Engels : Brown Sicklebill, Brown Sickle-billed Bird-of-Paradi, Brown Sickle-billed Bird-of-paradis, Brown Sickle-billed Bird-of-Paradise, Long-tailed Sicklebill, Meyer's Sicklebill, Meyer's Sickle-billed Bird-of-paradis Duits : Schmalschwanz-Paradieshopf Frans : Épimaque brun, Paradisier de Meyer
Bruine sikkelsnavel (vrouwtje)
auteur : markaharper1 CC 2.0
Bruine sikkelsnavel is eigenlijk een lelijke naam voor deze prachtige paradijsvogel met zijn blauwgroene, iriserende verenkleed.
De vogel heeft een bruine borst, een sikkelvormige snavel en het oog heeft een lichtblauwe iris.
Het mannetje heeft sierveren aan beide zijden aan het onderlijf.
De middelste staartveren zijn sabelvormig uitgegroeid, waardoor de vogel een lengte tot wel één meter kan hebben.
Deze staartveren zijn een gewild object ter versiering bij de papoea's.
Het vrouwtje is een roodbruin met geelbruine borst met donkere horizontale streping.
Het mannetje is schuw, maar wordt wel vaak gehoord.
Hij maakt vooral vroeg in de ochtend een mechanisch geluid : Tak-tak-tak..., dat lijkt op het geluid van een drilboor of een mitrailleur.
Vrouwtjes en jonge vogels zijn minder schuw en worden daardoor vaker gezien.
Epimachus meyeri (man)
auteur : markaharper1 CC 2.0
Het leefgebied lig in vochtige, met mossen begroeide bergwouden op een hoogte tussen de 2000 en 3100 m.
In streken waar zowel de zwarte sikkelsnavel als de bruine sikkelsnavel voorkomen, leeft de zwarte sikkelsnavel in lagere regionen, tussen de 1300 en 2500 m boven de zeespiegel.
Het dieet van deze paradijsvogel bestaat voornamelijk uit fruit en kleine ongewervelde en gewervelde dieren.
Over de grootte van de populatie zijn geen exacte cijfers, maar er wordt door de IUCN verondersteld dat de drempel voor het criterium kwetsbaar niet wordt bereikt, dat wil zeggen dat de populatie groter is dan 10.000 volwassen individuen en binnen het beschreven gebied min of meer stabiel is (niet daalt met een snelheid van meer dan 10% in tien jaar) en dus veilig is.
Hoewel de Raggi's paradijsvogel staat afgebeeld op de nationale vlag van Papoea-Nieuw-Guinea en ook het symbool is van de nationale luchtvaartmaatschappij Air Niugini, droegen stewardessen van de luchtvaartmaatschappij in 1984 nog een prachtig geborduurde bruine sikkelsnavel op het rugpand van hun uniform.
De bruine raafkaketoe (Calyptorhynchus lathami), soms ook bruine roodstaartkaketoe genoemd behoort tot de familie der kaketoes en het geslacht der raafkaketoes.
De soort is voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Temminck in 1807.
De vogel wordt aangetroffen in Queensland, Nieuw-Zuid-Wales en Victoria in Australië.
Engels : Glossy Black Cockatoo, Casuarina Black Cockatoo, Leach's Black-Cockatoo, Leach's Red-tailed Cockatoo, Nutcracker Duits : Braunkopfkakadu Frans : Le Cacatoès de Latham, Cacatoès noir étincelant
Bruine raafkaketoe
auteur : Didier B (Sam67fr) CC 3.0
Een volwassen exemplaar wordt tussen de 46 tot 50 centimeter lang.
Net zoals met de roodstaartraafkaketoe is ook het verenkleed bij de bruine raafkaketoe bij mannetjes als vrouwtjes verschillend.
De veren van het mannetje zijn overwegend zwart met een chocoladebruine kop en rode vlekken.
Het vrouwtje heeft een doffe donkerbruine kleur met gele vlekjes in de kraag en op de staart.
Het mannetje heeft enkele rode staartveren die aan de onderzijde duidelijk zichtbaar zijn.
Deze kleur is bij het vrouwtje eveneens doffer.
De stevige snavel is donkergrijs.
Calyptorhynchus lathami (man)
auteur : Aviceda CC 3.0
Op het menu van de vogel staan met name de zaden van verschillende Casuarina en Allocasuarina bomen.
Het menu wordt aangevuld met bessen, vruchten en af en toe insecten en larven.
Voor zijn nest maakt deze vogel gebruik van holen in grote Eucalyptus bomen.
Het nest is ongeveer 1 tot 2 meter diep en heeft een doorsnede van 25 tot 50 centimeter.
Hierin legt het vrouwtje tussen maart en augustus 1 of 2 witgekleurde eieren die na een broedperiode van ongeveer 30 dagen uitkomen.
De aandacht van het vrouwtje gaat over het algemeen in zijn geheel uit naar het eerstgeboren exemplaar.
Het tweede jong komt hierdoor in de meeste gevallen te overlijden.
Bruine raafkaketoe (vrouw)
auteur : Aviceda CC 3.0
De bruine raafkaketoe werd voor het eerst beschreven door de Nederlandse zoöloog Coenraad Jacob Temminck in 1807.
Hij vernoemde de vogel naar de Engelse ornitholoog John Latham die onder meer de aan deze vogel nauw verwante roodstaartraafkaketoe voor het eerst heeft beschreven.
Van de bruine raafkaketoe zijn momenteel drie ondersoorten erkend, de C. l. lathami, de C. l. erebus en de C. l. halmaturinus.
Ondanks dat de ondersoorten C. l. lathami en C. l. halmaturinus beide staan aangeschreven als bedreigd is de bruine raafkaketoe als soort op zich zelf niet bedreigd.
Momenteel bestaat de totale populatie nog uit meer dan 17.000 exemplaren.
Zaken als illegale handel in exotische vogels en eieren vormen echter wel een bedreiging voor deze vogel zoals geld voor vele papegaai- en kaketoeachtigen.