Naar de inhoud

Wie Weet

bloggen om te leren
akke.beakke.be
waaroemni-805px.png

Categorie: dieren

Bunzing (slot)

Bunzing 3
Bun
B     b    B     b    21  n 6(c)
Bunzing (slot)

De bunzing wordt ook wel gewone- of Europese bunzing genoemd.
Daarnaast wordt de oudere naam fis soms gebruikt.

In de Achterhoek staat het dier bekend als ulk en in Zuid-Nederland ook wel als ulling.
Vooral in het water waar het beestje voorkomt, wordt een bunzing vaak een ulling genoemd.
Het woord ulling wordt lokaal ook wel gebruikt als vriendelijke scheldnaam.
Dan refereert het aan het stinkdier.
In het Wijchense boek: Wanne Proat en Allenig op een benkske, staat de ulling verder vernoemd als oud Wijchens woord.
In het oud Vlaams vindt men het woord fissauw of fiesjow terug als benaming voor de bunzing.

De bunzing werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Carolus Linnaeus in 1758.
Later werd de soort in het ondergeslacht Putorius geplaatst.
De verwante steppebunzing (Mustela eversmanii) werd door sommigen als een variatie beschouwd waaruit de gedomesticeerde fret is ontstaan.
De verouderde naam van de fret is dan ook Mustela eversmanii furo.
Dit wordt echter beschouwd als achterhaald en de steppebunzing wordt niet meer als oudersoort gezien.
De fret wordt soms wel als een aparte soort beschouwd, dan wordt de naam Mustela furo gebruikt.


1481644-9a7d48e37c21c304074263ff4585af13.jpg
Mustela putorius
auteur : foto op www.natuurenbos.be

De bunzing behoort tot de orde van de roofdieren (Carnivora) en de familie marterachtigen (Mustelidae).
Het is een van de soorten kleine marters uit het geslacht Mustela.

De bunzing en met name de ondersoort fret wordt al eeuwenlang gebruikt bij de jacht op konijnen.
De bunzing wordt gezien als een nuttige soort vanwege het dieet van knaagdieren.
In vroeger tijden echter werden ze als ongedierte beschouwd en genadeloos afgeslacht.
Tegenwoordig zijn belangrijke menselijke bedreigingen het onopzettelijk vangen in klemmen en vergiftiging door stoffen die bedoeld zijn om knaagdieren te doden.

De bunzing werd vroeger wel bejaagd om zijn vacht te verwerken als bont in exclusieve kleding.
De soort is echter nooit zo populair geweest als andere marterachtigen zoals bijvoorbeeld de nerts, die hierdoor bijna werd uitgeroeid.
Tegenwoordig wordt de bunzing beschermd in veel landen en is het verboden om de dieren te doden.

Vroeger leefden ze soms ook in boerderijen en boerenschuren, waar ze getolereerd worden omdat ze niet jagen in de naaste omgeving van hun nest en andere roofdieren op een afstand houden.
De bunzing staat wel bekend als een plaagsoort voor kippenfokkerijen.
Dit komt omdat ze voedselvoorraden aanleggen en veel meer kippen doden dan ze op kunnen eten en de rest van de prooien wegslepen.
Tenslotte is de bunzing een mogelijke drager van hondsdolheid, dat mensen en huisdieren kan besmetten en ziek maken.
Tenslotte kan de hondenziekte worden overgebracht op honden en kan de bunzing verkoudheid verspreiden.

De bunzing is berucht vanwege de stank die kan worden verspreidt via de anaalklieren.
Het dier duikt op in het gezegde stinken als een bunzing, wat betekent dat iemand een ergerlijke stank verspreidt.


1481644-5de0a6387ec62e6c2cf2a44ca7776401.jpg
bunzing als bandiet
foto op www.donschley.nl

De bunzing is een felle rover die naast muizen, ratten en kikkers ook een (veel groter) konijn niet uit de weg gaat.
Konijnen worden tot in hun hol achtervolgd.
Ook vogels worden gegeten zoals weidevogels en de bunzing kan met gemak een veel grotere kip aan.
De bunzing maakte vroeger voornamelijk konijnen buit, maar door de ziekte myxomatose zijn konijnen in delen van het areaal vrijwel uitgeroeid.
Tegenwoordig eet de bunzing daarom vooral andere knaagdieren en kikkers maar ook vogels, vissen, regenwormen, insecten, hagedissen en aas worden gegeten.

Ondanks het voornamelijk carnivore dieet worden soms ook wel vruchten gegeten.
De bunzing heeft een voorkeur voor knaagdieren, alleen als deze schaars zijn wordt overgeschakeld op het eten van andere dieren en fruit.
Het spijsverteringsstelsel van sommige andere roofdieren zoals beren is aangepast op een dergelijke omschakeling, maar bij de bunzing ontbreekt een dergelijk vermogen.
Het menu van de bunzing is deels afhankelijk van de geografische omstandigheden.
In graslanden worden vooral konijnen gegeten, in moerassen worden meer kikkers buitgemaakt.

De bunzing spoort zijn prooi op met behulp van het goed ontwikkelde reukvermogen, en niet zozeer op zicht.
Een prooidier wordt meestal in de nek gebeten en vervolgens heen en weer geschud om het te doden.
Jonge exemplaren oefenen hierop door elkaar tijdens het spelen zachtjes in de nek te bijten.
Bij grotere prooien zoals fazanten wordt de nek geheel afgebeten.

De bunzing legt voedselvoorraden aan.
Soms kunnen enkele tientallen dode of verlamde kikkers en padden worden aangetroffen vlakbij het hol van een bunzing.
Ook het massaal doden van kippen komt voor als het dier de kans krijgt.


1481644-85dc97554fd4673b6163f50d6b584782.jpg
Mustela putorius
auteur : Dieder Plu   foto op www.natuurfotoalbum.eu

Belangrijke vijanden van de bunzing zijn honden, vossen en slangen.
Bij een confrontatie met een roofdier wordt een blazend geluid gemaakt.
De bunzing is zeer wendbaar en kan zowel voor- als achteruit lopen om aan vijanden te ontkomen.
De huid van de bunzing is voorzien van een elastisch bindweefsel dat niet makkelijk te doorboren is.
De huid biedt hierdoor enige bescherming tegen de tanden van roofdieren.

Als het dier in het nauw wordt gebracht richt het de achterzijde op de vijand en spuit het een melkachtig vocht uit de erwtgrote geurklieren aan de staartbasis.
Deze straal kan ongeveer 50 centimeter ver reiken.
De geur ervan verspreidt zich echter veel verder en staat bekend als verschrikkelijk stinkend.
Deze afscheiding wordt ook gebruikt om het territorium te markeren.
De wetenschappelijke naam Mustela putorius verwijst hiernaar en betekent vrij vertaald stinkende wezel.


1481779-21e7a4e9373f772a1d61c708200a1774.jpg
Albino bunzing
auteur : Luciano Bernardi    CC 3.0

Al vroeg in het voorjaar begint voor de bunzing de paartijd, ook wel roltijd genoemd.
Deze duurt van maart tot juni. Het mannetje is geslachtsrijp tussen maart en mei, het vrouwtje eind maart, begin april.
Gedurende deze tijd zijn de mannetjes agressief tegen elkaar en achtervolgen elkaar al schreeuwend.
Dit kan ook op klaarlichte dag gebeuren, waarbij de dieren zich niets aantrekken van andere dieren.

De draagtijd varieert van 40 tot 45 dagen, deze kan oplopen tot 65 dagen.
Ook het aantal jongen verschilt, gemiddeld worden drie tot acht jongen geboren per worp en meestal zijn het er vijf tot zes.
Een vrouwtje produceert in de regel een enkel nest per jaar.
Als het nest verloren gaat kan ze nog een tweede keer jongen werpen.
De vroegste nestjes komen rond eind april, begin mei.

In het wild worden bunzings maximaal vier tot vijf jaar oud.
Veel exemplaren vinden vroegtijdig de dood door predatie of menselijke activiteiten.
In gevangenschap zou de bunzing tot 14 jaar kunnen worden, maar dit is nooit officieel vastgesteld.
Het oudste in gevangenschap gehouden exemplaar werd iets ouder dan 11 jaar.

Bron :  - Wikipedia    CC 3.0
            - tinternet
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 09:51 Reageer op dit bericht

Bunzing 2

Bunzing vervolg
Bun
B     b    B     b    21  n 6(b)
Bunzing (vervolg)

De bunzing kan een totale lichaamslengte van 45 tot 65 centimeter bereiken.
Er is een sterke seksuele dimorfie; de mannetjes worden aanzienlijk groter en zwaarder dan de vrouwtjes.
Een mannetje heeft een kop-romplengte van ongeveer 33 tot 45 cm en een staartlengte van 12 tot 18 centimeter.
Een mannetje kan een gewicht bereiken van 500 gram tot 1,8 kilo.
Het vrouwtje heeft een kop-romplengte van ongeveer 28 tot 38 cm en een staartlengte van 11 tot 15 centimeter.
Het vrouwtje kan een gewicht bereiken van 300 tot 900 gram.


1481644-cc830a63471dd6c6eb1ae20ae3840d59.jpg
Jonge bunzing
auteur : foto op www.natuurhulpcentrum.be

De bunzing heeft een dikke vacht, die bruin tot zwart van kleur is.
De zichtbare vacht aan de bovenzijde bestaat uit dikkere dekharen die een zwart uiteinde hebben of geheel zwart van kleur zijn.
De ondervacht is korter en is veel lichter tot geelbruin van kleur.
In de winter echter overgroeit de dan dikkere ondervacht de zwarte dekharen.
De bunzing heeft hierdoor in de zomer een donkerbruine kleur en in de winter een lichtbruine kleur.
Door deze wintervacht lijkt de bunzing veel dikker.
De poten en de staart zijn wel altijd zwart behaard.

De kop van de bunzing is deels wit tot witgeel of grijs behaard.
Zowel het voorhoofd, de randen van de oren en de kin hebben een afstekende lichte beharing.
Op het midden van de voorzijde van de kop loopt een donkere band tussen de ogen, die het gezicht een duidelijk masker geeft.
Bij sommige exemplaren zijn de lichtere delen aan de kop kleiner, en bestaan slechts uit twee lichte vlekken onder de ogen en een witte snuitpunt.
De keel en buikzijde zijn niet wit gekleurd, zoals bij enkele gelijkende marterachtigen voorkomt. De neus is altijd donker gekleurd.


1481644-f6f2f742cd624abe89f1016178d83b34.jpg
Bunzing
foto op www.zoogdieratlas.nl

De schedel van de bunzing is in vergelijking met andere marters enigszins hondachtig van bouw.
De schedel heeft een scharnierend deel waardoor de schedel als een soort tang kan worden gesloten zonder dat hierbij veel spierkracht hoeft te worden gebruikt.
Hierdoor heeft de bunzing een zeer krachtige beet.
De bunzing is hierdoor niet alleen in staat om een prooi snel dood te bijten, maar kan deze ook stevig in de bek bergen als de prooi naar het nest wordt vervoerd.
Dit doet enigszins denken aan een apporterende hond.
Zelf uit de bek van een dode bunzing is een prooidier hierdoor zeer moeilijk te verwijderen.

De poten zijn relatief kort maar zijn zeer krachtig.
De nagels aan het uiteinde van de poten -de klauwen- zijn niet intrekbaar. De nagels spelen een rol bij het graven van holen.

De bunzing is één van de zeven soorten marterachtigen in Nederland.
Een achtste soort, de Europese nerts is door menselijk toedoen verdwenen.
Ook de Amerikaanse nerts (Mustela vison) komt voor maar dit is een exoot.
Het is de grootste familie van rovende landzoogdieren in de Lage Landen.
In de onderstaande uitklapbare tabel zijn de belangrijkste verschillen weergegeven.


1481644-97eeb5e115352121050a8de0d2c6c083.jpg
Mustela putorius
foto op www.zoogdieratlas.nl

De bunzing is een bodembewoner die zelden klimt, ook zwemmen doet het dier niet graag.
De bunzing is minder behendig dan zijn verwanten zoals de hermelijn en de wezel.
De bunzing beweegt zich door afwisselend te lopen en te springen en nu en dan stil te staan op de achterpoten.
De voortbeweging van de bunzing is opmerkelijk snel en lijkt van de zijkant bezien meer op een zwemmende beweging.
Dit komt omdat de bunzing de voor- en achterpoten beide tegelijk gebruikt bij de voortbeweging.
Het lichaam wordt dichtbij de grond gehouden en de kop en nek worden vooruit gestoken. De rennende bunzing heeft hierdoor van de bovenzijde af gezien wel iets weg van een slang.

Het dier is nachtactief, overdag wordt gescholen in holen.
De bunzing kan zelf holen graven maar gebruikt ook wel bestaande holen van andere dieren zoals vossen en konijnen.
Meestal wordt tijdens de avondschemering gejaagd.
Van vrouwtjes die hun jongen leren jagen is bekend dat ze zich overdag laten zien.
Ook in de winter is de bunzing meer overdag actief dan in de zomer.

De bunzing kent een vorm van vocale communicatie.
Er worden verschillende geluiden gemaakt afhankelijk van de gemoedstoestand.
De zeer jonge dieren brengen een gepiep voort dat lijkt op het tjirpen van krekels.
Volwassen dieren maken zacht grommende, piepende of klok-klok achtige geluiden en als ze boos of opgewonden zijn kunnen harde geluiden worden geproduceerd.
Bij een confrontatie met een vijand of een concurrerende soortgenoot worden blazende en gillende geluiden gemaakt.

Bron :  - Wikipedia    CC 3.0
            - tinternet
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 09:52 1 reactie Reageer op dit bericht

Bunzing

Bunzing
Bun
B     b    B     b    21  n 6(a)
Bunzing

De bunzing (Mustela putorius) is een roofdier dat behoort tot de familie marterachtigen (Mustelidae).
Het is een van de zeven inheemse soorten marterachtigen in België en Nederland.
De bunzing komt voor in grote delen van Europa tot in westelijk Azië en uiterst noordoostelijk Afrika.

De bunzing werd wetenschappelijk beschreven door Linnaeus (Carolus Linnaeus, een Zweeds arts, plantkundige, zoöloog en geoloog.) in 1758.

Engels : European polecat, black polecat, forest polecat
Duits : Europäische Iltis, Waldiltis
Frans : Mustela putorius, le putois, le furet

1480318-3ebc78e317470629568b7fa903cf6d46.jpg
Bunzing vrouwtje
auteur : Peter Trimming CC 2.0

De bunzing is naaste familie van de wezel en de hermelijn.
Over het algemeen zijn de drie soorten goed te onderscheiden maar er komen soms kleurvariaties voor die de identificatie bemoeilijken.
De bunzing is daarnaast de wilde voorvader van de fret (Mustela putorius furo), die als een ondersoort wordt beschouwd.
Het is een echte bodembewoner die veel graaft en niet vaak klimt.

De bunzing werpt eenmaal per jaar jongen, dit zijn er ongeveer 5 per keer.
Na vier maanden zijn ze zelfstandig en na zes maanden zijn ze volwassen.
De bunzing wordt ongeveer vier jaar oud.
De bunzing is een zeer actief roofdier dat leeft van prooien als kleine tot middelgrote gewervelde dieren zoals konijnen en vogels.
Er worden voedselvoorraden aangelegd.
Ook geleedpotige dieren en fruit worden soms gegeten.


1480318-a785b9a3ece4199142f25550fedce730.jpg
Bunzing
foto/artikel de Bistedokter op www.wergea.com

Vijanden zijn andere roofdieren zoals slangen en vossen.
De mens heeft een negatieve invloed op de bunzing, voornamelijk doordat vele dieren worden doodgereden door het verkeer.
De bunzing wordt beschouwd als een algemeen voorkomende marterachtige die niet wordt gezien als bedreigd, in tegenstelling tot verwante soorten zoals de nerts.

De bunzing wordt beschouwd als een nuttig dier vanwege de gewoonte om op knaagdieren te jagen.
De bunzing kan echter ook ziektes dragen als hondsdolheid of de hondenziekte en deze ook overbrengen op mens en dier.

Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen.
Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen.
In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van boerderijen.
Het verspreidingsgebied omvat echter ook uitgesproken droge streken zoals steppen en zandduinen, bergstreken worden echter vermeden.


1480318-dddd22e8a837cd14bfe67ea5ad8f821f.jpg
bunzingen - Mustela putorius
auteur : Malene Thyssen CC 2.0

De bunzing komt voornamelijk voor in Europa en verder in Turkije en een klein deel van het verspreidingsgebied is te vinden in noordelijk Afrika in Marokko.
De oostelijke grens ligt bij de Oeral. Ze komen op bijna het gehele Europese vasteland voor.
Op de Britse eilanden is de bunzing zeldzaam en op Ierland ontbreekt de soort.
In Schotland kwam vroeger de ondersoort Mustela putorius caledoniae voor maar deze wordt beschouwd als uitgestorven.
De bunzing is hier onlangs herontdekt maar uit genetische analyse bleken deze populaties te zijn uitgezet.

De bunzing komt in Scandinavië alleen in het zuiden voor.
In warme delen van zuidelijk Europa is de soort eveneens te vinden, zelfs op geïsoleerde eilanden zoals Corsica en Sicilië.
De populaties in Marokko werden vroeger beschouwd als groepen ontsnapte fretten maar in 2011 werden fossielen gevonden van de bunzing.
Tegenwoordig gaat men er van uit dat de bunzing mogelijk al die tijd inheems is geweest in noordelijk Afrika.

In België wordt de soort beschouwd als algemeen voorkomend, hoewel de populatiedichtheden sterk kunnen verschillen.
In de regio rond Antwerpen komt de bunzing veel meer voor dan in de provincie West-Vlaanderen.
In de Belgische provincies Waals-Brabant, Henegouwen, Luik, Luxemburg en Namen wordt de bunzing als zeldzaam beschouwd.

In Nederland komt de bunzing verspreid over het land voor en wordt beschouwd als vrij algemeen.

Bron :  - Wikipedia    CC 3.0
            - tinternet
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 12:53 Reageer op dit bericht

Bulvleermuizen

Bulvleermuizen
Bul
B     b    B     b    21  l 24
Bulvleermuizen

Bulvleermuizen (Molossidae) zijn een familie van vleermuizen die in de hele wereld voorkomt, maar vooral in de tropen.
Ze zijn nauw verwant aan de gladneusvleermuizen (Vespertilionidae).

Deze soort werd voor het eerst wetenschappelijke beschreven door Paul Gervais, een Frans paleontoloog en entomoloog, in 1856.

Engels : Molossidae, free-tailed bats
Duits : Bulldoggfledermäuse
Frans : Les Molossidae

1474583-83c11a01c8c6c614efafd73f0cb95293.jpg
Eumops auripendulus
auteur : © Roberto Leonan Morim Novaes op morcegosdobrasil.blogspot.be

Bulvleermuizen hebben een korte, brede snuit, met brede, vlezige lippen.
De oren zijn kort, breed en vaak naar voren gebogen.
De ogen zijn ook klein. De vleugels zijn lang en smal, zodat ze zeer wendbaar zijn.
Ze hebben een korte dichte vacht die meestal rood, bruin of zwart van kleur is.
De leden van het geslacht Cheiromeles zijn echter nauwelijks behaard.
De staart is lang; hij steekt ver uit het uropatagium, de vlieghuid tussen de benen.

De staart wordt door vele soorten als tastoorgaan gebruikt.


1474583-6ed6dbb7aa05dd473053ad3f24d6c0d3.jpg
Mimon crenulatum
auteur : © Roberto Leonan Morim Novaes op morcegosdobrasil.blogspot.be

Zoals de meeste vleermuizen zijn bulvleermuizen 's nachts actief; als slaapplaatsen gebruiken ze holen, gebouwen of grotten.
Vaak slapen ze in grote groepen met honderdduizenden dieren, veel soorten leven echter ook alleen.
Soorten in koudere gebieden houden geen winterslaap, maar trekken naar warmere gebieden.
Alle soorten zijn insecteneters.
Ze vliegen vaak op grote hoogte.

Hun ecologische equivalenten overdag zijn zwaluwen (Hirundinidae) en gierzwaluwen (Apodidae).

Bron :  - Wikipedia    CC 3.0
            - tinternet
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 10:23 Reageer op dit bericht

Bultrug

Bultrug
Bul
B     b    B     b    21  l 23
Bultrug

De bultrug (Megaptera novaeangliae) is een walvis die behoort tot de onderorde van baleinwalvissen.

De bultrug komt in alle wereldzeeën voor.
In Europa wordt hij regelmatig gezien in de Golf van Biskaje.
De populaties op het noordelijk halfrond leven gescheiden van die op het zuidelijk halfrond.
Naar schatting leven er 33.000 tot 35.000 bultruggen.
In het noorden zijn er volgens de schatting tussen 16.000 en 20.000 exemplaren, vooral in het noordwesten van de Atlantische Oceaan en het noordoosten van de Stille Oceaan.
In het zuiden gaat het om minstens 17.000 exemplaren, waarvan 2.500 in de Zuidelijke IJszee.
Er vindt slechts weinig uitwisseling van genen plaats tussen noordelijke en zuidelijke exemplaren.

Deze soort werd voor het eerst wetenschappelijke beschreven door John Edward Gray een Brits zoöloog, in 1846.

Engels : Humpback Whale, Hump Whale, Hunchbacked Whale, Bunch
Duits : Buckelwal
Frans : Rorqual Du Cap, Baleine À Bosse, Baleine À Taquet, Jubarte, Mégaptère, Rorqual À Bosse

1474563-c467dcf5bd9177de7a1b770d1840e0c9.jpg
Bultrug
auteur : Wanetta Ayers  -  vrije foto

De bultrug is gemakkelijk herkenbaar. Hij heeft een gedrongen lichaamsbouw en is deels zwart van boven.
De kop en de onderkaak zijn bedekt met knobbels (haarzakjes).
De borstvinnen, met een lengte van een derde van de lichaamslengte, zijn zwart-wit.
De staartvinnen, die hoog worden opgetild tijdens het onderduiken, hebben golfvormige uiteinden, en een uniek patroon op de onderzijde waaraan een individuele bultrug kan worden herkend.
Het is een van de grotere walvissoorten met een maximale lengte die kan variëren van 12 tot 15 meter.
Het wijfje wordt groter dan het mannetje. Een volwassen exemplaar weegt 25 tot 30 ton.
Als een bultrug onderduikt wordt de rug sterk gekromd en komt de kleine rugvin als een soort bult boven water. Vandaar de naam bultrug.

Bultruggen leven meestal solitair, maar vrouwtjes komen elke zomer samen in vaste sociale groepen tussen leeftijdsgenoten.
De groepen blijven enkele jaren dezelfde.


1474563-945962420f2bd2bceac0a56cc684bbde.jpg
Megaptera novaeangliae
auteur : U.S. National Oceanic and Atmospheric Administrations  -  vrije foto

Bultruggen leven van vis en krill.
Ze jagen op vis door deze aan te vallen of door met hun vinnen op het water te slaan.
Een groep bultruggen legt een cirkel van luchtbellen om een school vis en slaat dan toe.

Om vrouwtjes te verleiden brengt het mannetje van de bultrug een complex lied voort dat wel drie kwartier kan duren en kilometers ver te horen is.
De zang is afhankelijk van de regio waarin het mannetje leeft, en hij kan het jarenlang onthouden.

Geschat wordt dat tijdens de walvisjacht ongeveer 250.000 bultruggen zijn gedood.
Naar schatting leefden er in 1966, toen de jacht werd verboden, nog slechts 1400 dieren.
In 2008 werd bekendgemaakt dat hun aantal in de noordelijke Stille Oceaan weer was aangegroeid tot bijna 20.000 dieren.


1474563-2035de7b6157e7175403fb65b9a81943.jpg
Bultruggen onder water
auteur : Dr. Louis M. Herman van het U.S. National Oceanic and Atmospheric Administrations  -  vrije foto

De meeste bultruggen trekken in de winter meer richting evenaar.
Ze voeden zich in de lente en zomer in kouder water.
In de zomer trekken ze naar tropische gebieden om te paren en te kalven; ze eten er niet.
Per seizoen migreert een bultrug tot 16.000 km, met als verst gemeten afstand een tocht van minstens 9.800 km, van Brazilië tot Madagaskar.
Deze afstand is ook de grootste migratieafstand ooit gemeten voor een zoogdier.

Op het noordelijk halfrond volgen de populaties de volgende patronen:

  • Bultruggen uit de noordelijke Atlantische Oceaan paren in de Caraïben. In de lente trekken ze naar het westen van de oceaan, in de zomer naar de voedselrijke gebieden van de Golf van Maine en IJsland.
  • Een kleinere populatie trekt tussen Noorwegen, West-Afrika en de Kaapverdische Eilanden.
  • Populaties uit het noorden van de Stille Oceaan kalven rond Hawaï, Zuid-Japan en de kust van Mexico. Hun voedsel zoeken ze aan de noordelijke kusten van de oceaan.

Op het zuidelijk halfrond:

  • Paren gebeurt van juni tot oktober nabij tropische kusten en rond eilandjes in de Stille Oceaan. In de zomer trekken ze richting Antarctica.

In de Arabische Zee leeft een populatie die niet trekt. Daar is heel het jaar rond voldoende voedsel beschikbaar.

Bron :  - Wikipedia    CC 3.0
            - tinternet
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 10:38 Reageer op dit bericht

Quagga

Quagga
achtergrondafbeelding 12 augustus
Quagga

De quagga (Equus quagga quagga) is een uitgestorven ondersoort van de steppezebra (Equus quagga).
De Afrikaanse naam "kwagga" is afgeleid van het blaffende geluid dat zebra's maken en werd door de Afrikaanssprekende bevolking in Zuid-Afrika gebruikt voor alle zebrasoorten in het gebied.

De quagga was bijzonder getekend.
Het dier had niet over het hele lijf de kenmerkende zwart-wittekening zoals bekend is bij zebra's.
Zijn kop was zwart-witgestreept en zijn poten wit of gelig. Het achterlijf was bruinig gekleurd.
De witte strepen zijn daar donkerder geworden, waardoor het daar egaal bruin kleurt.

Het is moeilijk vast te stellen waar de quagga precies leefde.
Er zijn namelijk geen goede of betrouwbare gegevens over vindplaatsen en dergelijke.
Waarschijnlijk was hun leefgebied tussen de noordwestgrens van de Oranjerivier en de Vaalrivier in het oosten; de zuidoostelijke begrenzing wellicht de Grote Keirivier.
Ze leefden waarschijnlijk op de vlakten in de drogere delen van Zuid-Afrika.

Rond 1800 leefden er nog grote groepen quagga's. De blanke kolonisten jaagden op deze dieren.
Ze consumeerden het vlees en gebruikten de huiden.
De overbegrazing van hun leefgebied door vee verergerde de situatie.
In 1870 werd voor de laatste keer een quagga gevangengenomen en mogelijk hebben ze tot 1878 nog in het wild geleefd.
De laatste quagga in gevangenschap stierf op 12 augustus 1883 in Artis.

Het uitsterven van de quagga wekt vooral verbazing, omdat de dieren gemakkelijk in gevangenschap waren te houden.
Op Zuid-Afrikaanse boerderijen, maar bijvoorbeeld ook in de London Zoo werden quagga's gebruikt om karretjes te trekken.
Als er toen een fokprogramma was opgezet, had de soort wellicht gered kunnen worden.

Er zijn steppezebra's die kenmerken hebben van een quagga.
Waarschijnlijk hebben de laatste quagga's zich gemengd met de steppezebra.
Uit DNA-onderzoek is gebleken dat de quagga nauw verwant is aan de steppezebra's ten zuiden van de Zambezi.
Er wordt een fokprogramma opgezet om de quagga weer zuiver uit de gemengde steppezebra te krijgen.
Hoewel op deze wijze wellicht een op de quagga gelijkende steppezebra gefokt kan worden, is het onmogelijk op deze manier een echte quagga terug te krijgen.

Bron :     - Wikipedia    CC 3.0
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 17:59 1 reactie Reageer op dit bericht

Nijlpaard

Nijlpaard
achtergrondafbeelding 28 juli
Nijlpaard

Het nijlpaard (Hippopotamus amphibius) is de grootste en algemeenste soort uit de familie der nijlpaarden (Hippopotamidae).
De andere soort is het dwergnijlpaard (Hexaprotodon liberiensis).
Het is tevens een van de grootste landzoogdieren.
Slechts de olifanten en sommige neushoornsoorten zijn groter.
Het is de enige levende soort van het geslacht Hippopotamus, dat onder andere ook enkele uitgestorven soorten uit Madagaskar en de Pleistocene Europese soort Hippopotamus antiquus omvat.
Ondanks de naam heeft het geen enkele relatie tot het paard, het heeft wel dezelfde voorouders als de walvis.

Nijlpaarden leven in en om het water, in rivieren, plassen, meren en moerassen in een groot deel van Afrika, oorspronkelijk van de Nijldelta tot de Kaap.
Ze komen oorspronkelijk in ieder gebied voor waar voldoende water is om in te baden en gras om van te grazen.
In bergen kunnen ze tot op 2000 meter hoogte worden gevonden.

Nijlpaarden zijn een belangrijk onderdeel van hun ecosysteem.
Er zijn meren die zonder nijlpaarden zo goed als levenloos zouden zijn, bijvoorbeeld doordat ze uit vrijwel steriel bronwater voortspruiten, maar door de bemesting door dit dier een hele levensgemeenschap ondersteunen.

Het nijlpaard heeft een groot, rond lichaam, korte poten en een grote kop met een brede snuit.
De staart is kort en dik.
Ze hebben geen vacht, slechts enkele borstelharen op de staart en het gezicht.
De zachte, glimmende huid is paarsgrijs, bruin en/of blauwig zwart.
De onderzijde, oren en bek zijn meer roze.
In de huid zitten klieren die een op bloed lijkende afscheiding uitscheiden.
Deze afscheiding dient onder andere als zonnebrandcrème, ontsmettingsmiddel en parfum.
De ogen, oren en neusgaten zijn hoog op de kop geplaatst, zodat ze boven water blijven terwijl de rest van het lichaam onder water is.
De snijtanden zijn zeer groot en dienen voornamelijk om te vechten.
Bij mannetjes zijn de hoek- en snijtanden groter dan bij vrouwtjes.
De tanden kunnen een lengte krijgen tot maar liefst 50 cm.
De tanden blijven scherp doordat de tanden van de onderkaak en bovenkaak tegen elkaar aan schuren.

Bugs maakte zijn officiële debuut in het filmpje A Wild Hare uit 1940. De reden dat dit als Bugs' eerste officiële optreden wordt gezien, is omdat hij in dit filmpje voor het eerst lijkt op de Bugs Bunny zoals mensen hem tegenwoordig kennen. Zijn naam werd pas vermeld in het erop volgende filmpje, Elmer's Pet Rabbit. Beide filmpjes waren een groot succes, en Bugs werd een van de bekendste personages van de Looney Tunes. Rond 1942 was Bugs de ster van de Merrie Melodies-serie geworden. Nadien is hij in veel filmpjes te zien geweest.

Bugs werd ook buiten de filmpjes populair. Hij werd de mascotte voor Warner Bros, zoals Mickey Mouse de mascotte van Disney was. Van 1943 tot 1946 was Bugs Bunny ook de mascotte van het Kingman Army Air Field in Arizona.

Het nijlpaard heeft een kop-romplengte van 280 tot 350 centimeter en een schouderhoogte van 130 tot 165 centimeter.
De staart is 35 tot 50 centimeter lang.
Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes.
Vrouwtjes wegen over het algemeen 510 tot 2500 kilogram, mannetjes 650 tot 3200 kilogram.
De mannetjes blijven veelal hun hele leven groeien.

Nijlpaarden worden in gevangenschap circa 50 jaar oud en in het wild zo'n 40 jaar.
De hoogst geregistreerde leeftijd van een nijlpaard in gevangenschap is 62 jaar.

Bron :     - Wikipedia    CC 3.0
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 00:00 3 reacties Reageer op dit bericht

Buidelmarters

Buidelmarters
Bui
B     b    B     b    21  id 7
Buidelmarters

De buidelmarters (Dasyurus) zijn een geslacht van buideldieren, behorende tot de roofbuideldieren.
Op de Tasmaanse duivel na zijn ze de grootste nog levende roofbuideldieren.
Ze vullen de niche in die op andere plaatsen in de wereld wordt ingenomen door marterachtigen en mangoesten.
Buidelmarters worden in Australië aangeduid als "quolls".

De buidelmarter (Gastrotheca marsupiata) werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1796 door Étienne Geoffroy Saint-Hilaire,
een Frans natuurvorser die het principe van homologieën tussen verschillende soorten ontdekte.

Engels : Quoll
Duits : Beutelmarder
Frans : dasyures, chat marsupial

1419332-89b3eb9cdb40f158f4e6676abe9111c7.jpg
Grote buidelmarter (Dasyurus maculatus)
foto : op crazy-zoologist.livejournal.com

Buidelmarters zijn kleine tot middelgrote carnivoren, de grote buidelmarter (Dasyurus maculatus) wordt zo groot als een flinke huiskat.
De buidelmarters komen voor in Australië, Nieuw-Guinea, Tasmanië en op enkele Aru-eilanden, in regenwouden, gematigde bossen, savannes en graslanden.
Ze jagen op insecten, kikkers, hagedissen, vogels en kleine en middelgrote zoogdieren als knaagdieren, klimbuideldieren en wallaby's.
De prooi wordt gedood met een beet in de nek of de achterzijde van de kop.
Ook aas en vruchten worden gegeten.

De buidelmarters hebben een bruine vacht met kleine of grotere witte vlekken.
De buikzijde is lichter van kleur.
De buidel is enkel in de draagtijd volledig ontwikkeld.
De voortplanting bij buidelmarters kenmerkt zich door "superfoetatie", wat inhoudt dat er meer jongen worden geboren dan er daadwerkelijk grootgebracht kunnen worden.
Tot dertig jongen worden geboren, terwijl een vrouwelijke buidelmarter slechts zes tepels heeft.
De overtollige jongen sterven binnen 48 uur na de geboorte.
Het fenomeen van "superfoetatie" is overigens zeldzaam onder buideldieren.


1419332-c8c38345d19babb8ef4c7c2f86e8011b.jpg
Gevlekte buidelmarter (Dasyurus viverrinus).
foto : op crazy-zoologist.livejournal.com

Het zijn solitaire nachtdieren, die zich overdag schuilhouden in boomstronken en ondergrondse holen.
Ze hebben een vast woongebied, en zijn niet territoriaal.

Buidelmarters worden bejaagd omdat ze pluimvee zouden roven.
De belangrijkste bedreiging vormt echter de habitatvernietiging en -versnippering.
Vuur en schapenkudden kunnen struiken en andere schuilplaatsen vernietigen, waardoor de buidelmarters gevoelig worden voor predatie door geïntroduceerde roofdieren als katten en vossen.
Vooral de vos vormt een grote bedreiging.

Er zijn zes soorten:

  • Nieuw-Guinese gevlekte buidelmarter (Dasyurus albopunctatus)
  • Zwartstaartbuidelmarter of westelijke buidelmarter (Dasyurus geoffroii)
  • Dwergbuidelmarter of noordelijke buidelmarter (Dasyurus hallucatus)
  • Grote buidelmarter (Dasyurus maculatus)
  • Dasyurus spartacus
  • Gevlekte buidelmarter of oostelijke buidelmarter (Dasyurus viverrinus)

De fossiele soort Dasyurus dunmalli is bekend uit het Plioceen van Queensland.

Bron :  - Wikipedia    CC 3.0
            - tinternet
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door waaroemni om 15:07 1 reactie Reageer op dit bericht

Buideldieren(vervolg)

Buideldieren (vervolg)
Bui
B     b    B     b    21  id 2
Buideldieren (vervolg)

Eurazië en Noord-Amerika

De voorouders van de buideldieren en placentale zoogdieren splitsten zich waarschijnlijk van elkaar af in het Jura.
Het oudst bekende fossiel komt echter uit het Krijt.
Sinodelphys szalayi leefde 125 miljoen jaar geleden in de huidige Chinese provincie Liaoning.
Mogelijk hebben de buideldieren zich vanuit Eurazië verspreid naar Noord-Amerika.
Het oudst bekende Noord-Amerikaanse buideldier, Kokopellia juddi, leefde ongeveer 100 miljoen jaar geleden in Utah.
Het Krijt van Noord-Amerika laat een grote soortenrijkdom zien, met verscheidene families in het Laat-Krijt.
In deze periode ontstonden onder andere de buidelratten (Didelphimorphia).
De buideldieren stierven hier uit in het Mioceen, 15 tot 20 miljoen jaar geleden.

Via landbruggen verspreidden de Noord-Amerikaanse buideldieren zich weer naar andere continenten, Europa en Zuid-Amerika.
De Noord-Amerikaanse buideldieren vestigden zich in het Eoceen in Europa en verspreidden zich vervolgens naar Noord-Afrika en Oost-Azië.
Alhoewel deze kolonisatie niet leidde tot veel soorten, stierven de buideldieren hier pas uit in het Mioceen.
Tegenwoordig zijn er geen inheemse buideldieren in Europa, Afrika en het Aziatische vasteland.


1414952-c0594f5b36cedae3ef36e68414ed6e8c.jpg
reconstructie van de Sinodelphys szalayi
afbeelding door Mark A. Klingler/CNMH op wonderfulseaworld.blogspot.be

Zuid-Amerika

Een buideldier wordt veel vroeger geboren dan de meeste andere zoogdieren, meestal ongeveer dertig dagen na de bevruchting, en bij de spitsneusbuideldas zelfs al na 10 dagen.
Het jong klautert dan tussen de haren van de moeder door naar de tepel.
Het diertje is op dat moment niet groter dan een kleine worm.
Als het de tepel niet snel bereikt zal het sterven.

Eenmaal aan de tepel reist het jonge dier met de moeder mee.
Als het jong van een buideldier met buidel groot genoeg is verlaat het de buidel, maar het zal er terugkomen om te drinken en uit te rusten.
Wanneer het jong niet meer in de buidel past, drinkt het toch nog een tijdlang de melk en duikt daarbij met zijn snuit in de buidel.


1414952-1b9f416334ae21bef1bdf32f7e72aed6.jpg
afbeelding van de borhyaena
afbeelding op carnivoraforum.com

Antarctica & Australië

Genetisch onderzoek bevestigt dat de Australische buideldieren afstammen van Zuid-Amerikaanse dieren.
Aan het begin van het Paleoceen waren Zuid-Amerika, Antarctica en Australië nog met elkaar verbonden, het laatste overblijfsel van het supercontinent Gondwana.
Van Antarctica zijn weinig fossielen bekend.
Op Seymour Island zijn fossielen gevonden van buideldieren uit het Eoceen en zijn verwant aan soorten die op dat moment in Zuid-Amerika voorkwamen.
Toentertijd had Antarctica een warm, vochtig klimaat en groeiden er Nothofagus-bomen.

Australië was via Antarctica verbonden met Zuid-Amerika, tot het zich ongeveer 45 tot 55 miljoen jaar geleden losmaakte.
Over de eerste Australische buideldieren is weinig bekend.
Het oudst bekende buideldier van Australië is Djarthia murgonensis, die 55 miljoen jaar oud leefde in Zuidoost-Queensland.
Uit de daaropvolgende 30 miljoen jaar zijn geen fossielen bekend.
De eerstvolgende vondsten, daterend uit het late Oligoceen en vroege Mioceen, laten zien dat de buideldieren zich hebben ontwikkeld tot een zeer diverse fauna, waaronder leden van alle grote hedendaagse Australische buideldierenordes.
Op dat moment was Australië voornamelijk bedekt met bossen.
Gedurende het Mioceen werden graslanden echter dominant in Australië, wat kansen bood aan grazende groepen als de kangoeroes, waarvan verscheidene soorten ontstonden.
De boombewonende soorten moesten uitwijken naar de kustwouden en de bossen van Noordoost-Queensland en Nieuw-Guinea, waar het pas gevormde hoogland een klimaat creëerde dat geschikt was voor de groei van regenwouden.


1414952-98bb8cba86cb84531314d0711b21cdf3.jpg
buidelleeuw (Thylacoleo carnifex)
afbeelding : Nobu Tamura    CC 3.0

Uitsterven van de megafauna

In het Pleistoceen leefde in Australië een megafauna, waaronder Diprotodon, met een geschat gewicht van 2 ton het grootste buideldier ooit, Procoptodon, een kangoeroe van 2 m hoog, en Thylacoleo, de buidelleeuw.
Deze stierven tussen 51.000 tot 38.000 jaar geleden uit, tijdens de komst van de Aborigines.
Mogelijk was de combinatie van klimaatverandering en overbejaging door de mens de oorzaak van het uitsterven van de megafauna.

Bron :  - Wikipedia    CC 3.0
            - tinternet
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 09:17 Reageer op dit bericht

Buideldieren

Buideldieren
Bui
B     b    B     b    21  id 2
Buideldieren

Buideldieren (Metatheria of Marsupialia) zijn een infraklasse van zoogdieren waarvan de vrouwtjesdieren twee baarmoeders hebben.
Vaak, maar lang niet altijd, bezitten vrouwtjesdieren een buidel.
Deze buidel is een soort huidplooi, waarin de tepels van het dier liggen en het jong in wordt gedragen.
Tot de bekendere buideldieren behoren onder andere de kangoeroes, de koala, de Tasmaanse duivel en de buidelratten.
De meeste buideldieren komen voor in Australië, Nieuw-Guinea en oostelijk Indonesië.
Drie families, waaronder de buidelratten, komen enkel voor in de Nieuwe Wereld.

Van de meer dan 340 soorten buideldieren komen de meeste (ongeveer 240) voor in Oceanië: in Australië, op Nieuw-Guinea en op de Molukken en Sulawesi.
Ook in Amerika komen buideldieren voor.

Engels : Marsupials
Duits : Beutelsäuger, Beuteltiere
Frans : marsupiaux, marsupialia, marsupium

1414799-8cb599418deac5c83554b97a57af0f70.jpg
Moeraswallabie met jong in buidel
foto ©Marco Luyken op marcoalpha.blogspot.be

Een buideldier wordt veel vroeger geboren dan de meeste andere zoogdieren, meestal ongeveer dertig dagen na de bevruchting, en bij de spitsneusbuideldas zelfs al na 10 dagen.
Het jong klautert dan tussen de haren van de moeder door naar de tepel.
Het diertje is op dat moment niet groter dan een kleine worm.
Als het de tepel niet snel bereikt zal het sterven.

Eenmaal aan de tepel reist het jonge dier met de moeder mee.
Als het jong van een buideldier met buidel groot genoeg is verlaat het de buidel, maar het zal er terugkomen om te drinken en uit te rusten.
Wanneer het jong niet meer in de buidel past, drinkt het toch nog een tijdlang de melk en duikt daarbij met zijn snuit in de buidel.


1414799-6623dbdb1b04622f7bbc08414b490ce5.jpg
beerkoeskoes
foto vbalen op www.nationalgeographic.nl

Binnen de zoogdieren worden drie hoofdgroepen onderscheiden: de cloacadieren of eierleggende zoogdieren, met het vogelbekdier en de mierenegels, de buideldieren en de placentale zoogdieren, de grootste zoogdiergroep.
De onderlinge relatie tussen deze groepen was lang een discussie onder taxonomen.
Op basis van morfologisch en moleculair-genetisch bewijs worden de placentale zoogdieren en buideldieren tegenwoordig als zustergroepen beschouwd en gezamenlijk in de onderklasse Theria ingedeeld.


1414799-18dccd40dcc6335922a6f9a2f40c159a.jpg
fotocollage van buideldieren
foto op evodisku.multiply.com

Er zijn meer dan 340 soorten buideldieren bekend.
De laatste tijd neemt het aantal (beschreven) soorten snel toe, omdat nieuwe inzichten ervoor zorgen dat men steeds meer soorten onderscheidt.
De levende soorten worden verdeeld over zeven ordes:

  • Opossummuizen (Paucituberculata)
  • Opossums (Didelphimorphia)
  • Microbiotheria (de monito del monte is de enige levende soort)
  • Roofbuideldieren (Dasyuromorphia)
  • Buideldassen (Peramelemorphia)
  • Buidelmollen (Notoryctemorphia)
  • Klimbuideldieren (Diprotodontia)

Daarnaast bestaat er nog een aantal uitgestorven ordes, waarvan die van de Sparassodonta de bekendste is.

Bron :  - Wikipedia    CC 3.0
            - tinternet
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 08:54 1 reactie Reageer op dit bericht

Naar boven

Meer van Wie Weet

↑ Terug naar de berichten