De bruine winterjuffer (Sympecma fusca) is een kleine Europese pantserjuffer, die zeldzaam tot vrij zeldzaam in België en Nederland voorkomt.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Vander Linden (Pierre Léonard Vander Linden was een Belgisch entomoloog.) in 1820.
De soort komt voor in Midden- en Zuid-Europa tot in Midden-Azië.
Engels : Common Winter Damselfly, Winter Damselfly Duits : Gemeine Winterlibelle Frans : Le Leste brun, Brunette hivernale
Bruine winterjuffer (vrouwtje)
auteur : Rixonrixon CC 3.0
De bruine winterjuffer heeft een lengte van 34 - 39mm.
Een lichtbruin lichaam, met donkere bronskleurige tekening op achterlijfsrug en borststuk (bij jonge dieren met groene glans).
De donkere figuurtjes op het achterlijf zijn torpedovormig.
In het voorjaar vaak veel donkerder gekleurd, hierdoor effen donkerbruin lijkend.
De ogen hebben dan vaak blauwe berijping.
Pterostigma’s (een verdikt en opvallend gekleurd vlekje dat bestaat uit een of meerdere vleugelcellen in de vleugel van een insect) lang en bruin en in de voorvleugels dichter bij de top geplaatst dan in de achtervleugels.
In rust worden de vleugels alle vier aan één kant van het lichaam samengehouden.
De donkere strepen op de borststukrug hebben een rechte onderkant.
De donkere streep op de zijkant van het borststuk (onder de schoudernaad) is relatief breed.
Sympecma fusca (vrouwtje)
auteur : Minutemen CC 3.0
Gelijkende soorten zijn de Noordse winterjuffer en vrouwtjes van de watersnuffel.
In België is ze zeldzaam in de Antwerpse Kempen, in Nederland vrij algemeen in de duinem en op zandgronden.
De soort is aan een opmars bezig en wordt vrij algemeen aangetroffen op warme heideterreinen en rond vennen.
Zijn habitat zijn vennen, duinplassen, overige plassen en poelen met goed ontwikkelde verlandingsvegetatie.
Sporadisch ook in laagveen. Overwinteringshabitat : beschutte plaatsen in heide en halfopen bossen.
De bruine winterjuffer overwintert als imago (volwassen dier) in op heideterreinen goed verborgen tussen de vegetatie en wordt actief bij de eerste warme dagen, soms al in maart of april.
De voortplanting is in april en mei en in het zuiden van het verspreidingsgebied kan overlap optreden tussend de overwinterde en de nieuwe generatie.
De jonge winterjuffers komen tevoorschijn vanaf augustus en vliegen tot in de herfst.
Elk jaar zijn er dus twee generaties te zien, één in het vroege voorjaar en één in de zomer.
De eieren worden afgezet in stengels van drijvende, rottende planten in ondiep water.
De dieren vormen meestal een tandem voor de paring en de eileg.
Het vrouwtje boort met haar legboor gaatjes in de stengel, en plaatst vervolgens in ieder gaatje een eitje.
bruine winterjuffer (mannetje)
auteur : Piet Spaans CC 3.0
Samen met noordse winterjuffer de enige Europese libel die als imago overwintert.
De imago’s kunnen daardoor uitzonderlijk oud worden, tot wel tien maanden.
In het vroege voorjaar vindt de voortplanting plaats en worden de eitjes afgezet.
Vervolgens ontwikkelen de larven zich binnen drie maanden tot imago’s, die in de nazomer verschijnen.
Wanneer het kouder wordt begint de overwintering.
(Gr.) sym-pyknos=nauwsluitend; verwijst naar de in rust gesloten vleugels, in tegenstelling tot de half open gehouden vleugels van de gelijkende pantserjuffers; door een leesfout van het oorspronkelijke manuscript is het bedoelde Sympycna in druk verschenen als Sympecma
De bruine wapendrager (Clostera curtula) is een vlinder uit de familie van de tandvlinders (Notodontidae), die
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Linnaeus (Carl Linnaeus was een Zweeds arts, plantkundige, zoöloog en geoloog.) in 1758.
Deze tandvlinder komt verspreid over Europa voor tot aan Siberië.
Engels : Chocolate-tip Duits : Erpelschwanz-Rauhfussspinner Frans : le Courtaud , la Hausse-queue blanche Oude Nederlandse naam : bruin matje, kleinste wapendrager
Bruine wapendrager
auteur : H.Baas op www.freenatureimages.eu
Hij heeft een spanwijdte van 27 tot 35 mm.
De voorvleugellengte bedraagt 13 tot 18 millimeter.
Heeft globaal hetzelfde uiterlijk als de beide andere inheemse Clostera-soorten.
Karakteristiek is de brede, scherp afgetekende donkerbruine met roodbruine vlek die aan de buitenzijde van de dikke witte buitenste dwarslijn ligt en daarmee sterk contrasteert.
De bruine wapendrager lijkt veel op de donkere wapendrager (C. pigra), deze is kleiner en heeft bij de vleugelpunt een veel kleinere en lichtere roodbruine vlek, die niet duidelijk afgetekend is.
Gelijkt ook op de kleine wapendrager (C. anachoreta), deze heeft een duidelijk afgetekende bruine vlek bij de vleugelpunt van de voorvleugel die wordt doorsneden door de witte buitenste dwarslijn. Opvallend zijn de (meestal) twee zwarte vlekjes bij de binnenrandhoek.
Een gewone soort die verspreid over het hele grondgebied van Nederland en België voorkomt.
Zijn habitat zijn bossen, struwelen, populierenaanplanten en windsingels, ook parken en tuinen.
De waardplanten van de bruine wapendrager zijn (ratel)populier en wilg.
Rups van de bruine wapendrager
auteur : Harald Süpfle CC 3.0
De vliegtijd is half april-half september in twee generaties.
De vlinders komen op licht, meestal laat in de avond.
De rups : mei-begin oktober.
De rups verbergt zich overdag tussen samengesponnen bladeren en komt ´s nachts tevoorschijn om te foerageren.
De verpopping vindt plaats tussen samengesponnen bladeren van de waardplant.
De poppen van de herfstgeneratie vallen met de bladeren op de grond en overwinteren.
Meer over de Nederlandse naam : Wapendrager is een al lang bestaande naam en wordt al gebruikt door Ter Haar in 'Onze vlinders'.
Wat achter wapendrager gezocht moet worden is onduidelijk. Bij de Clostera's zou het betrekking kunnen hebben op het in rust boven de vleugels uitstekende lichaamsuiteinde.
Het is ook goed mogelijk dat met wapen een medaille wordt bedoeld. De wapendragers hebben alle een medaille in de punt van de voorvleugel.
Bruine verwijst naar de mooie bruine kleur van de voorvleugelpunt van deze soort.
Clostera : kloster = een spoel, naar de vorm van het abdomen die slank is en taps toeloopt in de anale segmenten.
curtela : kurtos = gebogen, gebocheld, naar de rups die Linnaeus omschrijft als 'turrita' met torens of bochels. Pickard en Macleod houden het op curtus, afgehakt, een omschrijving van de bruine punt op de voorvleugel.
De bruine wants (Eurygaster testudinaria) is een wants uit de familie Pentatomidae.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Geoffroy (Étienne Geoffroy Saint-Hilaire was een Frans natuurvorser die het principe van homologieën tussen verschillende soorten ontdekte.) in 1785.
Bruine wants
auteur : James Lindsey at Ecology of Commanster CC 2.5
De wants is meestal bruin van kleur, maar groene, rode en zelfs gele exemplaren komen ook voor.
De maximale lengte is ongeveer 11 millimeter, en het lichaam is bijna rond van vorm, de kleur is bruin met lichtere, brede dwarsstrepen op de rug.
Deze soort wordt soms ook wel schildpadwants genoemd, vanwege het scutellum dat het hele achterlijf bedekt, maar bij veel andere soorten wantsen veel kleiner blijft.
Een typisch kenmerk zijn de twee uit-stekende punten van het rugschild vooraan bij de kop.
De bruine wants leeft op planten als grassen en zuigt de sappen op waar hij van leeft, liefst in wat vochtige omgevingen als graslanden.
De soort komt in heel Europa voor en omdat de wants polyfaag is en meerdere plantenfamilies lust is de soort niet zo schadelijk als sommige andere soorten wantsen.
Ter verdediging kent de bruine wants een stinkende afscheiding die te vergelijken is met die van de groene stinkwants (Palomena prasina).
De eitjes worden aan de onderzijde van bladeren afgezet, de nimfen vervellen vijf keer voor ze volwassen zijn.
De bruine vuurvlinder (Lycaena tityrus of Heodes tityrus) is een dagvlinder uit de familie Lycaenidae, de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Poda in 1761.
De vrij kleine vlinder komt in graslanden, heiden en venen voor in heel Centraal- en Zuid-Europa.
De bruine vuurvlinder vliegt van zeeniveau tot 2500 meter in berggebied.
De bruine vuurvlinder is een schaarse standvlinder die in Nederland de noordgrens van zijn areaal bereikt.
Engels : Sooty Copper Duits : Brauner Feuerfalter, Schwefelvögelchen Frans : l'Argus Myope, le Cuivré fuligineux Oude Nederlandse naam : bruin vuurvlindertje
Bruine vuurvlinder (mannetje)
auteur : Olaf Leillinger CC 3.0
De voorvleugellengte bedraagt ongeveer 14 millimeter.
De onderkant van de achtervleugel heeft in tegenstelling tot de andere vuurvlinder-soorten een geelbruine grondkleur.
Zowel op de voor- als op de achtervleugel bevinden zich oranje achterrandvlekken die scherp zwart zijn afgezet.
De bovenkant van de voorvleugel van het mannetje is bruin met enkele zwarte vlekken, langs de achterrand bevinden zich oranje vlekjes.
Bij het vrouwtje is de bovenkant van de voorvleugel oranje met zwarte vlekken.
De bruine vuurvlinder lijkt veel op de kleine vuurvlinder.
parende bruine vuurvlinders (vrouwtje boven)
auteur : Loz (L. B. Tettenborn) CC 3.0
In Nederland komt de vlinder voor op de zandgronden van de Veluwe, in Drenthe en delen van Twente.
Zijn habitat zijn enerzijds droge gebieden op de zandgronden, zoals kruidenrijke heide en droge, schrale, bloemrijke graslanden, anderzijds vochtige gebieden, zoals schraal kruidenrijk grasland in laagveenmoerassen.
De waardplanten van de bruine vuurvlinder zijn diverse soorten zuring, waaronder vooral schapenzuring en veldzuring.
Bruine vuurvlinder (vrouwtje)
auteur : Kenraiz CC 3.0
De vliegtijd is begin mei-eind juni en begin juli-eind augustus in twee generaties.
De vlinders besteden relatief veel tijd aan het zoeken van nectar.
Vlinders van de eerste generatie zijn vooral te vinden op braam, die van de tweede generatie op struikhei, gewone dophei en akkerdistel.
De mannetjes verschijnen enkele dagen eerder dan de vrouwtjes en verdedigen een territorium vanaf een nectarplant.
De rups : half augustus-begin mei en begin juni-half juli.
De soort overwintert als halfvolgroeide rups in de strooisellaag.
De verpopping vindt plaats in op de bodem tussen strooisel.
tityrus : Tityus is de naam van een schaapsherder genoemd in de Eclogues van Virgilius.
In Nederland staat de bruine vuurvlinder op de rode lijst vermeld als zeldzaam.
Vrij opvallend is de duidelijke dubbele vlek in het zoomveld, dicht bij de vleugelpunt, bij de meeste verwante soorten is deze vlek minder duidelijk of afwezig.
Een ander tamelijk constant kenmerk is de meestal heldere tekening en de duidelijke witte afzetting aan de buitenzijde van de vaak bleke purperachtige middenband.
Het lichte bandje dat hier nauw aan grenst, is vrij breed en contrasteert scherp met de grondkleur van de vleugelzoom.
De vierbandspanner (X. ferrugata) lijkt veel op de bruine vierbandspanner.
Algemeen wordt aangenomen dat exemplaren met een diep zwarte middenband altijd behoren tot de vierbandspanner (X. ferrugata) en exemplaren met een bleke purperachtige middenband tot de bruine vierbandspanner (X. spadicearia).
Xanthorhoe spadicearia
auteur : James Lindsey at Ecology of Commanster CC 3.0
De kleur- en contrastvormen die elkaar in het midden raken leveren echter vaak een groot probleem op bij de determinatie.
Vaak wordt genoemd dat de vierbandspanner een duidelijkere inkeping aan de binnenzijde van de middenband heeft, dicht bij de voorrand, maar dit kenmerk wordt door anderen in twijfel getrokken.
Ook zou de onderkant van de achtervleugel minder getekend zijn.
Beide soorten zijn variabel en sommige exemplaren zijn zonder genitaliënonderzoek niet van elkaar te onderscheiden.
Zijn habitat zijn vooral tuinen, bossen, struwelen, graslanden, moerassen, natte heiden en duinen.
De waardplanten van de bruine vierbandspanner zijn diverse kruidachtige planten.
Rups van de bruine vierbandspanner
auteur : James Lindsey at Ecology of Commanster CC 3.0
De vliegtijd is van half april-half oktober in twee, soms drie generaties.
De vlinders zitten overdag vaak op bladeren en zijn gemakkelijk op te jagen uit struiken en lage vegetaties.
Ze vliegen vanaf de schemering en komen op licht, bij het neerstrijken op het laken houden ze vaak hun vleugels opgeklapt.
De rups : juni - augustus.
De soort overwintert als pop in een cocon in de strooisellaag.
Een woordje bij de Nederlandse naam : De bandspanners hebben een bandtekening dwars over de vleugels. Er zijn drie soorten in het Genus Xanthorhoe die aangeduid worden met vierbandspanner . Hier gaat het om de meest bruine van deze drie.
De grondkleur van deze soort is, zeker bij de eerste generatie, bruin.
Xanthorhoe : xanthos = geel en rhoe = een stroom, een rivier; verwijzend naar de gelige kronkellijnen die een aantal soorten van dit genus kenmerken. spadicearia : spadix = een bruintint; de kleur van de mediane dwarsband. Deze naam zou meer geschikt geweest zijn voor X. ferrugata.
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- vlindernet
- tinternet
De bruine sprinkhaan (Chorthippus brunneus) is een rechtvleugelig insect uit de familie veldsprinkhanen (Acrididae), onderfamilie Gomphocerinae.
De soort wordt ook wel tot het geslacht Glyptobothrus gerekend.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Thunberg in 1815.
De bruine sprinkhaan is in vrijwel heel Europa algemeen en komt overal in Nederland en België voor.
Engels : common field grasshopper Duits : Braune Grashüpfer Frans : le Criquet duettiste
De bruine sprinkhaan lijkt sterk op de snortikker en de ratelaar.
Qua geluid zijn de drie soorten goed uit elkaar te houden maar omdat de vrouwtjes geen geluid maken zijn deze moeilijk op naam te brengen.
De habitat bestaat uit verschillende begroeide omgevingen van wegbermen tot open plekken in het bos en graslanden, er is niet echt een voorkeur wat waarschijnlijk het grote verspreidingsgebied verklaart.
Chorthippus brunneus (mannetje)
auteur : Jörg Hempel CC 3.0
De kleur is overwegend bruin maar kan soms ook groen zijn.
Het lichaam is relatief sterk gevlekt.
Het halsschild is lichter van kleur, de zijkielen zijn wit en zijn naar elkaar toe geknikt.
De bruine sprinkhaan is langgevleugeld, de vleugels hebben een chorthippuslobje en reiken bij beide seksen tot voorbij de achterlijfspunt.
De achterlijfspunt is meestal rood gekleurd, zowel bij de mannetjes als de vrouwtjes.
Mannetjes bereiken een lengte van 12 tot 17 millimeter, de vrouwtjes zijn 18 tot 25 mm lang.
bruine sprinkhaan (vrouwtje)
auteur : G.-U. Tolkiehn CC 3.0
De bruine sprinkhaan is als volwassen insect te zien van juni tot september en is vooral actief tussen negen uur in de ochtend en zeven uur in de avond.
De zang bestaat uit losse ratels, ongeveer zes per tien seconden.
Het is tot op zo'n tien meter te horen en wordt alleen voortgebracht in de zon.
De bruine snuituil (Hypena proboscidalis) is een middelgrote donkerbruine, slankgebouwde nachtvlinder uit de familie van de spinneruilen (Erebidae)
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Linnaeus in 1758.
Wijdverbreid in Europa, van het Iberisch schiereiland via Frankrijk, Italië en de Balkan tot Griekenland en Turkije.
De Middellandse zee vormt de zuidgrens.
Naar het noorden tot bij de poolcirkel en naar het oosten tot Japan.
Engels : The Snout Duits : Nessel-Schnabeleule Frans : la Noctuelle à museau , l'Hypène proboscidale Oude Nederlandse naam : snuitvlinder
De voorvleugellengte bedraagt tussen de 15 en 19 millimeter.
De 'snuit', die deze uil gemeen heeft met de andere Hypena-soorten en verwante uilen is door de extra lange, omhoog gerichte palpen zeer opvallend.
Het lichaam is slank en de voorvleugel is breed met een naar achter buigende vleugelpunt.
De grondkleur varieert van bruin tot dof grijsachtig bruin of donker purperachtig bruin.
Over de vleugel lopen twee donkerbruine dwarslijnen.
Vlinders van de tweede generatie zijn duidelijk kleiner en vaak ook donkerder.
In Nederland en België is de bruine snuituil een heel gewone soort die verspreid over het hele land voorkomt.
Zijn habitat zijn bossen, struwelen, heiden, ruige graslanden, rivieroevers, natte weilanden en tuinen.
De waardplant van de bruine snuituil is brandnetel
Rups van de bruine snuituil
foto : Jeroen Voogd op ukmoths.org.uk
De vliegtijd is van begin mei-half oktober in twee generaties.
De vlinders rusten overdag tussen de waardplant of andere vegetatie en zijn gemakkelijk op te jagen.
Ze vliegen vanaf de schemering boven de waardplant en bezoeken bloemen, ze komen zowel op licht als op smeer.
De rups : juli - mei.
De rups is ´s nachts actief en verbergt zich overdag tussen samengesponnen bladeren van de waardplant, jonge rupsen zitten vaak met meerdere exemplaren bij elkaar.
De soort overwintert als rups en verpopt zich in een cocon tussen de bladeren van de waardplant.
Een woordje bij de Nederlandse naam : De snuituilen hebben opvallend naar voren uitstekende palpen (de snuit) op de kop van de vlinder.
De grondkleur van deze soort is, zeker bij de eerste generatie, bruin.
Hypena : hypene = een snor of een baard, naar de behaarde labiale palpen en mogelijk ook naar de haarborsteltjes die op de poten van een aantal soorten zitten. Hypena had aanvankelijk de status van een familie. proboscidalis : proboscis = een olifantenslurf, naar de lange, vooruitgestoken palpen. Het is logischer om de twee palpen aan te duiden met olifantenslurf dan met mondgedeelte. Een slurf is een neus die ook gebruikt wordt als arm, terwijl een haustellum een mond is. Neus en mond zijn verschillende organen.
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- vlindernet
- tinternet
De voorvleugellengte bedraagt tussen de 13 en 15 millimeter.
Deze uil heeft een tamelijk slank gebouwd lichaam.
De warme grijsachtig bruine, vaak lila getinte voorvleugel heeft langs de achterrand bij de vleugelpunt een grote roestbruin gekleurde vlek.
De achterrand van de voorvleugel heeft een karakteristieke dubbele uitholling met halverwege een stompe punt en de vleugelpunt is scherp.
Kenmerkend zijn de twee fijne donkergerande geelachtig bruine dwarslijnen, die grofweg recht over de voorvleugel lopen en bij de voorrand een scherpe hoek maken.
Tussen deze centrale dwarslijnen liggen twee zwarte vlekjes. Ook over de achtervleugel loopt een donkergerande lichte dwarslijn.
Laspeyria flexula
foto : G. Tuinstra op www.vlinderwerkgroepfriesland.nl
In Nederland en België is de bruine sikkeluil een zeldzame soort die verspreid over het hele gebied wordt waargenomen.
Zijn habitat zijn bossen, struwelen, parken en oude boomgaarden.
De waardplanten van de bruine sikkeluil zijn korstmossen op loofbomen en naaldbomen;
uit kweekexperimenten blijkt dat de rupsen ook algen eten.
Rups van de bruine sikkeluil
foto : Philippe Mothiron op www.lepinet.fr
De vliegtijd is van begin juni tot half augustus in één generatie.
De vlinders vliegen vanaf de schemering; ze komen op smeer en in mindere mate op licht. Overdag rusten de vlinders op een boomstam of op naalden op de grond; ze zijn gemakkelijk te verstoren.
De rups : juli - mei.
De rups is vooral ´s nachts actief. De soort overwintert als jonge rups en verpopt zich in een stevige cocon op een tak van de waardplant.
Een woordje bij de Nederlandse naam : De gegolfde achterrand van de voorvleugel eindigt in een sikkelvorm en de grondkleur van de vleugels is bruin.
Laspeyria : laspeyria is een eerbetoon aan J.H. Laspeyres (1769 - 1809), een beroemde Duitse entomoloog die juist was gestorven. Laspeyres is ook burgemeester van Berlijn geweest. flexula : flexulus is een verkleining van flexus = gebogen, naar de gebogen vormen van de vleugelachterrand.
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- vlindernet
- tinternet
De voorvleugellengte bedraagt tussen de 17 en 23 millimeter.
Deze uil is in rusthouding te herkennen aan de brede driehoekige vorm. Over de bruine voorvleugel loopt een brede getailleerde lichte middenband, die grijsachtig bruin of rozeachtig grijs van kleur is. In de vleugelpunt liggen twee, vaak samengevloeide donkerbruine vlekken.
Door deze karakteristieke tekening onderscheidt de soort zich van alle andere in Nederland voorkomende uilen.
De grondkleur van de voorvleugel is variabel en loopt uiteen van middenbruin tot donkerbruin met soms een paarsachtige tint. Over het midden van de achtervleugel loopt een smalle diagonale vuilwitte dwarsband.
Dysgonia algira
auteur : Peter Skacel - vrije foto
In Nederland en België is de bruine prachtuil een zéér zeldzame soort die slechts af en toe wordt waargenomen.
In het buitenland komt deze uil voor in steengroeven en op het zuiden gerichte hellingen met een extreem warm microklimaat.
De waardplanten van de bruine prachtuil zijn diverse loofbomen en struiken, waaronder braam, wilg en sleedoorn.
Rups van de bruine prachtuil
auteur : Jeroen Voogd op www.vlindernet.nl
De vliegtijd is van eind april-half oktober in twee generaties.
De vlinders komen op licht.
De rups : juni-juli en september-oktober.
Er zijn geen rupsenvondsten bekend uit Nederland. De soort overwintert als pop.
Een woordje bij de Nederlandse naam : De grondkleur van deze mooi getekende uil is grijsbruin. De totale indruk van deze vlinder is prachtig.
Dysgonia : dus- is een voorvoegsel dat iets zieks aanduidt, met problemen; zoals b.v. in dyslexie en gonia = een hoek. Hübner omschrijft een onregelmatige postnediane lijn; de preciese betekenis van het voorvoegsel is niet geheel duidelijk. algira : Algerije is de plaats waar het type exemplaar werd gevonden.
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- vlindernet
- tinternet
De bruine oogspanner (Cyclophora quercimontaria) is een nachtvlinder uit de familie van de spanners, de Geometridae.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Bastelberger in 1897.
De soort komt voor in een groot deel van Europa.
Engels : Cyclophora quercimontaria Duits : Gelbroter Eichen-Gürtelpuppenspanner Frans : l'Acidalie de Bastelberger
Bruine oogspanner
auteur : Marko Mutanen, University of Oulu - vrije foto
De voorvleugellengte bedraagt tussen de 11 en 14 millimeter.
Deze soort is op grond van vleugelkenmerken nauwelijks te onderscheiden van de gestippelde oogspanner (C. punctaria).
De bruine oogspanner is over het algemeen wat kleiner dan de gestippelde oogspanner, heeft nooit een roodachtige of donkere vlek in het zoomveld en de donkerrode middenlijn is sterker en dikker dan bij de gestippelde oogspanner. Belangrijk kenmerk is het contact van deze middenlijn met de voorrand van de voorvleugel, die bij de bruine oogspanner duidelijk afbuigt en bij de gestippelde oogspanner in de meeste gevallen recht doorloopt.
Cyclophora quercimontaria
auteur : Frank Rämisch op www.lepiforum.de
In Nederland en België is de bruine oogspanner een zeer zeldzame soort die slechts af en toe wordt waargenomen.
De waardplant van de bruine oogspanner is eik.
Rups van de bruine oogspanner
auteur : Frank Rämisch op www.lepiforum.de
De vliegtijd in het buitenland: eind april-eind mei in één generatie; soms een partiële tweede generatie van eind juli-begin augustus.
De rupsen van de Cyclophora-soorten zijn zeer variabel. Per soort zijn er diverse (kleur)varianten: er zijn rupsen met een soort ‘zijstrepen’, er zijn vrijwel egale groene varianten en vrijwel egaal bruinoranjeachtige varianten.
De variant met zijstrepen van deze soort lijkt op gemarmerde oogspanner (Cyclophora pendularia), berkenoogspanner (Cyclophora albipunctata), gestippelde oogspanner (Cyclophora punctaria) en oranjerode oogspanner (Cyclophora puppillaria).
N.B.: vergelijk behalve de uiterlijke kenmerken ook de tijd van het jaar waarin de rupsen voorkomen, het habitat en de waardplant(en).
Een woordje bij de Nederlandse naam : Oogspanners hebben alle een meer of minder duidelijk oog op de voorvleugels. Deze oogspanner heeft soms een bruine tint.
Cyclophora : kuklos = een ring en phoreo = dragen. De discale vlekken op de voorvleugels van een aantal soorten.
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- vlindernet
- tinternet