NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Woordenboek Westends Dialect
Inhoud blog
  • Woordenlijst Nr 26: Gereedschap Materialen Bouw Allerlei
  • Woordenlijst Nr 26: Gereedschap Materialen Bouw Allerlei
  • Woordenlijst Nr 26: Gereedschap Materialen Bouw Allerlei
  • Woordenlijst Nr 15 Beweging Handelingen
  • Woordenlijst Nr 14: Kledij Juwelen

    Zoeken in blog


    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     


    Laten we dat niet verloren gaan
    21-03-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woordenlijst Nr 26: Gereedschap Materialen Bouw Allerlei


    Aamur: hamer

    Aksju: haakje
    Alaam: gereedschap

    Alumienjom: alluminium

    Arduun: arduin

    Asjhun: as
    Baksju: bakje

    Bakuliet: bakeliet

    Bakursoovn: bakkersoven

    Bakploötu: bakplaat

    Bakvormu: bakvorm

    Balaänsu: balans
    Baladeuzu: looplamp

    Baskuulu: bascule

    Basing: grote kuip

    Bazasu: rugzak

    Bielu: bijl

    Blek: blik

    Blekndoozu: blikken doos
    Bloksju: blokje

    Boöku: balk

    Bobienu: bobijn

    Boeërukaru: boerenkar

    Booöru: boor

    Bowkroönu: bouwkraan

    Brantslangu: brandslang

    Bratpanu: braadpan

    Breinaaldu: breinaald

    Briekuljong: steenafval

    Brikiezur: breekijzer

    Buuldoozur: bulldozer
    Buuzu: buis

    Dermu: slang
    Dieng: dingen
    Dienk: ding

    Drendul: lange draad

    Droöt: draad

    Ekn: hekken

    Gasmasjien(u): grasmachine

    Gasmoöjur: grasmaaier

    Gassjhoöru: grasschaar

    Gravee: grind
    Iezur: ijzer

    Iezurdroöt: ijzerdraad

    Iezurzaagu: ijzerzaag

    Kajtjoe: caoutchou

    Karbongpapier: carbonpapier
    Kartong: karton

    Kartongdoozu: kartonnen doos

    Kasiestein: kasseien

    Katukop: meervoudig stopcontact
    Keësu: kaars

    Keetn: ketting
    Kobujaagur: ragebol

    Koerang: stroom    Fr  courant

    Koesju: laag (verf)   Fr couche

    Koevoeët: koevoet

    Kolu: lijm     Fr colle
    Kontrolulamtju: controlelampje
    Kork: kurk

    Kortuwaagn: kruiwagen

    Kripu: crèpe

    Kroönu: kraan

    Lakvervu: lakverf

    Lanteërn: lantaarn

    Latu: lat

    Leiru: ladder

    Liem: lijm

    Masjienu: machine

    Moenteuru: monture

    Nulu (u): deksel
    Nulutju (u): een dekseltje

    Oetunaamur: houten hamer

    Oetuwerk: houtwerk

    Oogspaniengu: hoogspanning
    Oolievervu: olieverf

    Ooparluür: luidspreker                            Fr haut parleur

    Otomoöt: automaat
    Piejosju: pikhouweel                   Fr pioche

    Pielampu: zaklamp

    Pielu: batterijtje

    Poönu: fluweel

    Posturtju: beeldje op schouw of tafeltje
    Pulu: bidon

    Puuneisu: duimspijker                       Fr punaise
    Rekul: elastiek
    Roendilu: rond metaaltje om vijzen vaster te helpen aanspannen
    Rusor: veer                               Fr ressort

    Seulu: emmer
    Sjetu: breigaren

    Sjhaavu: schaaf

    Sjheurpapieër: scheurpapier

    Sjhievu: schijf

    Sjhoöru: schaar

    Sjhoeblienk: schoensmeer

    Sjhroevu: schroef

    Sluutspelu: veiligheidsspeld, toespeld

    Spaa: spade

    Staaku: staak
    Staksju: staakje

    Stekurdroöt: prikkeldraad

    Stofoösju: materiaal
    Stoksju: stokje

    Stoovoet: stoofhout
    Supapu: ventiel                                    Fr soupape
    Toernavies: schroevendraaier                    Fr tournevis

    Toespelu: sluitspeld

    Trekiezur: magneet

    Trektuür: tractor                        Fr tracteur
    Up travoo: op de werf                         Fr travaux

    Vakboent: vakbond

    Vee-anduloöru: veehandelaar

    Veiliengu: veiling

    Verukiekur: verrekijker

    Vervu: verf

    Vervubustul: verfborstel

    Veugulkooöju: vogelkooi

    Vielu: vijl

    Vienguroeët: vingerhoed

    Viezu: vijs

    Vintielatuür: ventilator        Fr ventilateur

    Visbenu: vismand

    Visjhurieë: visserij

    Viskaru: viskar

    Vismart: vismarkt

    Visristorang: visrestaurant

    Visvangstu: visvangst

    Viswienkul: viswinkel

    Vlieëguvangur: vliegenvanger

    Vulpenu: vulpen

    Vurnisjhun: vernissen

    Vuulkaru: vuilkar
    Wasspelu: wasspeld

    Wiezur: wijzer

    Wulu: wol

    Zaagu: zaag

    Zeisu: zeis

    Zikul: sikkel
    Zil: zeil

     

     

    21-03-2019, 18:24 geschreven door stammer

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woordenlijst Nr 26: Gereedschap Materialen Bouw Allerlei

    Aamur: hamer
    Aksju: haakje
    Alaam: gereedschap
    Alumienjom: alluminium
    Arduun: arduin
    Asjhun: as
    Baksju: bakje
    Bakuliet: bakeliet
    Bakursoovn: bakkersoven
    Bakploötu: bakplaat
    Bakvormu: bakvorm
    Balaaänsu: balans
    Baladeuzu: looplamp
    Baskuulu: bascule
    Basing: grote kuip
    Bazasu: rugzak
    Bielu: bijl
    Blek: blik
    Blekndoozu: blikken doos
    Bloksju: blokje
    Boöku: balk
    Bobienu: bobijn
    Boeërukaru: boeren
    karBooöru: boor
    Bowkroönu: bouwkraan
    Brantslangu: brandslang
    Bratpanu: braadpan
    Briekuljong: steenafval
    Brijnaaldu: breinaald
    Brikiezur: breekijzer
    Buuldoozur: bulldozer
    Buuzu: buis
    Dermu: slang
    Dieng: dingen
    Dienk: ding
    Drendul: lange draad
    Droöt: draad
    Ekn: hekken
    Gasmasjien(u): grasmachine
    Gasmoöjur: grasmaaier
    Gassjhoöru: grasschaar
    Gravee: grind
    Iezur: ijzer
    Iezurdroöt: ijzerdraad
    Iezurzaagu: ijzerzaag
    Kajtjoe: caoutchou
    Karbongpapier: carbonpapier
    Kartong: karton
    Kartongdoozu: kartonnen doos
    Kasieë: kassei
    Kasiesteeën: kasseisteen
    Katukop: meervoudig stopcontact
    Keësu: kaars
    Keetn: ketting
    Kobujaagur: ragebol
    Koerang: stroom    Fr  courant
    Koesju: laag (verf)  Fr couche
    Koevoeët: koevoet
    Kolu: lijm     Fr colle
    Kontrolulamtju: controlelampje
    Kork: kurk
    Kortuwaagn: kruiwagen
    Kripu: crèpe
    Kroönu: kraan
    Lakvervu: lakverf
    Lanteërn: lantaarn
    Latu: latLeeëru: ladder
    Liem: lijm
    Masjienu: machine
    Moenteuru: montureNulu (u): deksel
    Nulutju (u): een dekseltje
    Oetunaamur: houten hamer
    Oetuwerk: houtwerk
    Oogspaniengu: hoogspanning
    Oolievervu: olieverf
    Ooparluür: luidspreker                            Fr haut parleur
    Otomoöt: automaat
    Piejosju: pikhouweel                   Fr pioche
    Pielampu: zaklamp
    Pielu: batterijtje
    Poönu: fluweel
    Posturtju: beeldje op schouw of tafeltje
    Pulu: bidon
    Puuneisu: duimspijker                       Fr punaise
    Rekul: elastiek
    Roendilu: rond metaaltje om vijzen vaster te helpen aanspannen
    Rusor: veer                               Fr ressort
    Seulu: emmer
    Sjetu: breigaren
    Sjhaavu: schaaf
    Sjheurpapieër: scheurpapier
    Sjhievu: schijf
    Sjhoöru: schaar
    Sjhoeblienk: schoensmeer
    Sjhroevu: schroef
    Sluutspelu: veiligheidsspeld, toespeld
    Spaa: spade
    Staaku: staak
    Staksju: staakje
    Stekurdroöt: prikkeldraad
    Stofoösju: materiaal
    Stoksju: stokje
    Stoovoet: stoofhout
    Supapu: ventiel                                    Fr soupape
    Toernavies: schroevendraaier                    Fr tournevis
    Toespelu: sluitspeld
    Trekiezur: magneet
    Trektuür: tractor                        Fr tracteur
    Up travoo: op de werf                         Fr travaux
    Vakboent: vakbond
    Veiliengu: veiling
    Verukiekur: verrekijker
    Vervu: verf
    Vervubustul: verfborstel
    Veugulkooöju: vogelkooi
    Vielu: vijl
    Vienguroeët: vingerhoed
    Viezu: vijs
    Vintielatuür: ventilator        Fr ventilateur
    Visbenu: vismand
    Visjhurieë: visserij
    Viskaru: viskar
    Vismart: vismarkt
    Visristorang: visrestaurant
    Visvangstu: visvangst
    Viswienkul: viswinkel
    Vlieëguvangur: vliegenvanger
    Vulpenu: vulpen
    Vurnisjhun: vernissen
    Vuulkaru: vuilkar
    Wasspelu: wasspeld
    Wiezur: wijzer
    Wulu: wol
    Zaagu: zaag
    Zeisu: zeis
    Zikul: sikkel
    Zil: zeil

     

    21-03-2019, 16:54 geschreven door stammer

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    20-03-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woordenlijst Nr 26: Gereedschap Materialen Bouw Allerlei


    Aamur: hamer

    Aksju: haakje

    Alaam: gereedschap

    Alumienjom: alluminium

    Arduun: arduin

    Asjhun: as

    Baksju: bakje

    Bakuliet: bakeliet

    Bakursoovn: bakkersoven

    Bakploötu: bakplaat

    Bakvormu: bakvorm

    Balaänsu: balans

    Baladeuzu: looplamp

    Baskuulu: bascule

    Basing: grote kuip

    Bazasu: rugzak

    Bielu: bijl

    Blek: blik

    Blekndoozu: blikken doos

    Bloksju: blokje

    Boöku: balk

    Bobienu: bobijn

    Boeërukaru: boerenkar

    Booöru: boor

    Bowkroönu: bouwkraan

    Brantslangu: brandslang

    Bratpanu: braadpan

    Breinaaldu: breinaald

    Briekuljong: steenafval

    Brikiezur: breekijzer

    Buuldoozur: bulldozer

    Buuzu: buis

    Dermu: slang

    Dieng: dingen

    Dienk: ding

    Drendul: lange draad

    Droöt: draad

    Ekn: hekken

    Gasmasjien(u): grasmachine

    Gasmoöjur: grasmaaier

    Gassjhoöru: grasschaar

    Gravee: grind

    Iezur: ijzer

    Iezurdroöt: ijzerdraad

    Iezurzaagu: ijzerzaag

    Kajtjoe: caoutchou

    Karbongpapier: carbonpapier

    Kartong: karton

    Kartongdoozu: kartonnen doos

    Kasiestein: kasseien

    Katukop: meervoudig stopcontact
    Keësu: kaars

    Keetn: ketting
    Kobujaagur: ragebol

    Koerang: stroom    Fr  courant

    Koesju: laag (verf)   Fr couche

    Koevoeët: koevoet

    Kolu: lijm     Fr colle

    Kontrolulamtju: controlelampje

    Kork: kurk

    Kortuwaagn: kruiwagen

    Kripu: crèpe

    Kroönu: kraan

    Lakvervu: lakverf

    Lanteërn: lantaarn

    Latu: lat

    Leiru: ladder

    Liem: lijm

    Masjienu: machine

    Moenteuru: monture

    Nulu (u): deksel

    Nulutju (u): een dekseltje

    Oetunaamur: houten hamer

    Oetuwerk: houtwerk

    Oogspaniengu: hoogspanning

    Oolievervu: olieverf

    Ooparluür: luidspreker                            Fr haut parleur

    Otomoöt: automaat

    Piejosju: pikhouweel                   Fr pioche

    Pielampu: zaklamp

    Pielu: batterijtje

    Poönu: fluweel

    Posturtju: beeldje op schouw of tafeltje

    Pulu: bidon

    Puuneisu: duimspijker                       Fr punaise

    Rekul: elastiek

    Roendilu: rond metaaltje om vijzen vaster te helpen aanspannen

    Rusor: veer                               Fr ressort

    Seulu: emmer

    Sjetu: breigaren

    Sjhaavu: schaaf

    Sjheurpapieër: scheurpapier

    Sjhievu: schijf

    Sjhoöru: schaar

    Sjhoeblienk: schoensmeer

    Sjhroevu: schroef

    Sluutspelu: veiligheidsspeld, toespeld

    Spaa: spade

    Staaku: staak

    Staksju: staakje

    Stekurdroöt: prikkeldraad

    Stofoösju: materiaal

    Stoksju: stokje

    Stoovoet: stoofhout

    Supapu: ventiel                                    Fr soupape

    Toernavies: schroevendraaier                    Fr tournevis

    Toespelu: sluitspeld

    Trekiezur: magneet

    Trektuür: tractor                        Fr tracteur

    Up travoo: op de werf                         Fr travaux

    Vakboent: vakbond

    Vee-anduloöru: veehandelaar

    Veiliengu: veiling

    Verukiekur: verrekijker

    Vervu: verf

    Vervubustul: verfborstel

    Veugulkooöju: vogelkooi

    Vielu: vijl

    Vienguroeët: vingerhoed

    Viezu: vijs

    Vintielatuür: ventilator        Fr ventilateur

    Visbenu: vismand

    Visjhurieë: visserij

    Viskaru: viskar

    Vismart: vismarkt

    Visristorang: visrestaurant

    Visvangstu: visvangst

    Viswienkul: viswinkel

    Vlieëguvangur: vliegenvanger

    Vulpenu: vulpen

    Vurnisjhun: vernissen

    Vuulkaru: vuilkar

    Wasspelu: wasspeld

    Wiezur: wijzer

    Wulu: wol

    Zaagu: zaag

    Zeisu: zeis

    Zikul: sikkel

    Zil: zeil

    Zwienuboeër: varkensboer

     

    20-03-2019, 17:10 geschreven door stammer

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    18-03-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woordenlijst Nr 15 Beweging Handelingen

    Aänsjhuuvn: aanschuiven
    Afuseern: goed vooruitgaan
    Agtruut: achteruit
    Agtruut goön: achteruit gaan
    Agtur(gu)loop: naloop, moeite nadien
    Agturloopn: nalopen
    Aguntur: naar daar
    Ajaagn: haasten, opjagen
    Aksju: actie
    Ali voruut: allez vooruit
    Anang: aanhangen
    Anbrieng: aanbrengen
    Ankomn: aankomen
    Ankomstu: aankomst
    Bagoözju: bagage
    Bagoözjukluuzu: bagagekluis
    Bieng: binden
    Biesprieng: bijspringen
    Binaaln: binnenhalen
    Binbrieng: binnenbrengen
    Binkomn: binnenkomen
    Binoedn: binnenhouden
    Binustubuutn: binnenste buiten
    Boenkn: bonken
    Boezjeern: bewegen
    Booötreizu: bootreis
    Boswanduliengu: boswandeling
    Bresu: bres
    Bugun: beginnen
    Bukiekn: bekijken
    Burietboör: berijdbaar
    Burieën: berijden
    Bustemiengu: bestemming
    Bustemulienk: bestemmeling
    Bustormiengu: bestorming
    Buuklandiengu: buiklanding
    Buutngoön: buitengaan
    Buutnkomn: buitenkomen
    Buutnzetn: buitenzetten
    Buweegiengu: beweging
    Buzetiengu: bezetting
    Buzigtugiengu: bezichtuging
    Buzieën: bekijken
    Buzu geevn: versnellen, buitengewoon zijn best doen
    Dadit gin brooöt: dat eet geen brood, dat is niet dringend
    Deurkruusjhn: doorkruisen
    Deurloopn: doorlopen
    Deurubreekn: doorbreken
    Deurudrievn: doordrijven
    Deurudrieng: doordringen
    Deurudroajn: doordraaien
    Deurudrukn: doordrukken
    Deurugeevn: doorgeven
    Deurugoön: doorgaan
    Deurujaagn: doorjagen
    Deurukiekn: doorkijken
    Deuruknipn: doorknippen
    Deurukomn: doorkomen
    Deurukriegn: doorkrijgen
    Deurukruupn: doorkruipen
    Deuruloötn: doorlaten
    Deuruloopn: verder lopen
    Deurureizn: doorreizen
    Deururieën: doorrijden
    Deurusnieën: doorsnijden
    Deuruspoeëln: doorspoelen
    Deurusteekn: doorsteken
    Deurustootn: doorstoten
    Deurutrekn: doortrekken
    Deuruvoeërn: doorvoeren
    Deuruvurwiezn: doorverwijzen
    Deuruzetn: doorzetten
    Deuruzoekn: verder zoeken
    Deurzoekn: doorzoeken
    Djokn of u djok geevn: duwen
    Doeël: doel
    Doeën: doen
    Dretsn: doelloos rondlopen
    Drievn: drijven
    Driln: op stap gaan
    Droöj: draai
    Droöj mo ju karu: ga maar terug, keer maar om
    Du pootn vanoendur ju gat loopn: zijn uiterste best doen
    Du zulu platloopn: veel op de drempel van hetzelfde huis staan (om iets te bekomen)
    Dur vanoendur trekn: weggaan of weglopen
    Durnoörtoe: daarnaartoe
    Eemul en eërdu vurzetn: alles doen wat mogelijk is
    Eevoluusju: evolutie
    Flisju: richtingspijl
    Frotn: wrijven
    Frutn: weglopen
    Furuln: doelloos rondlopen
    Gartuki: ga eens opzij
    Gukruust: gekruist
    Gutoogt: getoond
    Gif mo buzu: ga er maar snel op los
    Gif mo goözu: ga er maar snel op los
    Gif mo sjetu: vlieg er maar inGïin zitunt gat en: altijd in beweging willen zijn
    Gletsn: glijden
    Gugrogt: geraakt, aangekomen
    Gupriseert zien: haastig zijn, haast hebben
    Ieduln: ledigen, leegmaken
    Iïn vieër eën vlamu: in vuur en vlam: erg enthousiast
    Iïn vulu galoo ofkomn: in volle vaart
    Ikuputjikn (lopen al) …: lopen al hinkend
    In troendu: in het rond
    Jogn: joggenJu karu droajn: terugkeren
    Ju karu keeërn: terugkeren
    Ju sjhupu ofkuusjhn: weggaan
    Kemu guweërt: ik heb me gehaast, ik heb mijn best gedaan, ik heb goed weerstand geboden
    Keeërt u ki weeru: kom eens terug
    Kena bugost: ik ben al begonnen
    Kloörspeeln: klaarspelen
    Kloörstoön: klaarstaan
    Komdu ki: kom eens
    Komu kik: ik kom
    Kruusjhn: kruisen
    Kzien a bugun: ik ben al begonnen
    Landiengu: landing
    Lik u pielu uut u boogu: snel vertrekken
    Meedrievn: meedrijven
    Mee-eëpn: meehelpen
    Meegoön: meegaan
    Meekriegn: meekrijgen
    Meeloopn: meelopen
    Meeneemn: meenemen
    Meereizn: meereizen
    Meerieën: meerijden
    Meesleepn: meeslepen
    Meevlieëgn: meevliegen
    Meewerkn: meewerken
    Miegroösju: migratie
    Mienguln: mengen
    Moöjn: maaien
    Moönuraketu: maanraket
    Mu goön no verumetjus: we gaan naar niet meegedeelde bestemming
    Mu goön u ki goön kiekn  … want mu kunt nie zieën va nieër: wij gaan eens kijken, want we kunnen het niet zien van hieruit
    Mu zien sjhampavu: we zijn verdwenen
    Noözn: dichterbij komen
    Oöstju mo: haast je maar
    Oöstug zien; haast hebben
    Ofroln: afrollen
    Ofsjheurn: afscheuren
    Ofsloovn: afsloven
    Ofsluutn: afsluiten
    Ofsmietn: afwerpen
    Ofsnieën: afsnijden
    Ofspan: afspannen
    Ofsprieng: afspringen
    Ofspuitn: afspuiten
    Oftrapn: aftrappen
    Oftrekn: aftrekken
    Ofvaagn: afvegen
    Ofvoeërn: afvoeren
    Ofzoekn: afzoeken
    Ofzoendurn: afzonderen
    Omubloözn: omblazen
    Omuduwn: omduwen
    Omoogusteekn: omhoogsteken

    Omukantuln: omkantelen
    Omukeeërn: omkeren
    Omukloojn: omvervallen
    Omurieën: omverrijden
    Omutoeër: omweg
    Omverurieën: omverrijden
    Oopnsloön: openslaan
    Oopnsnieën: opensnijden
    Oovurbrieng: overbrengen
    Oovurentweeru loopn: heen en weer lopen
    Opduukn: opduikenPaseern: voorbijkomen
    Proboösju: poging
    Regtu vo ju kiekn: recht voor je kijken
    Reizu: reis
    Riebudubie: weg, vertrokken
    Rigtiengu: richting
    Robuln: rollen
    Roentdeeëln: ronddelen
    Roentdraagn: ronddrage
    Roentdroöjn: ronddraaien
    Roentfureln: doelloos rondlopen
    Roentrieësturn: onrustig van het één naar het ander gaan of lopen
    Roenttjooln: rondzwerven
    Roentwareern: rondlopen
    Saluu en du wiend vanagtru: trap het maar af
    Sjetu geevn: snel vooruitgaan
    Sjhampavu: verdwenen
    Sjhievurn: glijden
    Sliengurn: slingeren
    Sluupn: sluipen
    Smeetu: worp
    Smietn: smijten
    Snuusturn: snuisteren
    Spriengplanku: springplank
    Steptju: stapje
    Stepunoöf: met haastige tred
    Stik mo ju bultu uut: begin maar te werken
    Stoempn: duwen
    Stoe
    mpu: actie van het stoempen
    Stuupn: zich bukken
    Tendunoösum: buiten adem
    Tertn (op): trappen op
    Tis goe jagt: het gaat vooruit
    Tjakuut tjakin: in alle richtingen, chaotisch
    Tjooln: zwerven
    Tleevn is voe du rappu: het leven is aan de durvers
    Toepasiengu: toepassing
    Toetan: tot aan
    Toogn: tonen
    Tu vieërklowu: rap
    Tuusbluuvn: thuisblijven
    U boeër zit zo langu nie up zu nofstee: het duurt te lang
    U gat in du lugt spriengn: een gat in de lucht springen, enthousiast/blij zijn
    U noek ofsteekn: een kortere weg nemen
    U steptju in du weërult zetn: uitgaan (op café, ...)
    U toertju doeën me ju vieloo: en toertje doen met de fiets
    U vroenk dran geevn: omwringen
    U wanduliengsju doeën: een wandelingetje doen
    Up du karu spriengn: meedoen, deelnemen (aan een project)
    Up du nuutkiek stoan: uitkijken
    Up eeëtu kooln zitn: op hete kolen zitten, ongeduldig wachten
    Up u loptju: haastig
    Up zu dooju gumak: op zijn gemak
    Upaaln: ophalen
    Upbloözn: opblazen
    Updrievn: opdrijven
    Upplakn: opplakken
    Uutbloözn: uitblazen
    Uutdeeëln: uitdelen
    Uutdoeën: uitdoen
    Uutgank: uitgang
    Uutguglotsn: uitgegleden
    Uutgletsn: uitglijden
    Uutgoön: uitgaan
    Uutkipn: uitladen
    Uutloötn: uitlaten
    Uutoedn: uithouden
    Uutspriengn: uitspringen
    Uutvaagn: uitvegen
    Uutwiezn: uitwijzen
    Vaagn: vegen
    Van kromu noös guboörn: doen alsof, niet reageren
    Van Pieër no Pol guzon wordn: van het kastje naar de muur gezonden worden
    Van u noözu gupoept zien: haastig zijn
    Vastunaaguln: vastnagelen
    Verdurgoön: verdergaan, vooruitgaan
    Vietisupilu: pil om een beweging of een actie te doen versnellen
    Voöksvuruuziengu: volksverhuizing
    Voögn: volgen
    Vooörndoeën: voordoen
    Vooörngoön: voorgaan
    Vooörnsteekn: voorsteken
    Vorsdoeën: verder doen
    Vorsgoön: weggaan, verdergaan
    Voruut: vooruit
    Voruutduwn: vooruitduwen
    Voruutgank: vooruitgang
    Voruutgoan: vooruitgaan
    Voruutsteekn: vooruitsteken
    Vruuzn: verhuizen
    Vulpompn: volpompen
    Vurbiegoan: voorbijgaan
    Vurbiekomn: voorbijkomen
    Vurbieloopn: voorbijlopen
    Vurbiesteekn: voorbijsteken
    Vurdapurn: sneller gaan
    Vurdigtn: verdichten, naderen
    Vurdooln verdwalen
    Vurdwien: verdwijnen
    Vurguniengu: vergunning
    Vurkeniengu: verkenning
    Vurkoop: verkoop
    Vurloötn: verlaten
    Vurplatsn: verplaatsen
    Vursjhafn: verschaffen
    Vursjhuuvn: verschuiven
    Vursleepn: verslepen
    Vursneliengu: versnelling
    Vurtraagiengu: vertraging
    Vurvoeër: vervoer
    Vurvoeërn: vervoeren
    Wandulienksju: wandelingetje
    Wareern: weg en weer gaan, verblijven al spelend, …
    Weërju mo: haast je maar, doe maar je best
    Weerubrieng: terugbrengen 
    Weerugubrogt: teruggebracht
    Weeruguvoeng: teruggevonden
    Weerukeeërn: terugkeren
    Weerukomn: terugkeren
    Weeruvieng: terugvinden
    Weeruzieën: weerzien
    Weg moeëtn: weg moeten, een verplichting hebben
    Wegang: weghangen
    Wegbloözn: wegblazen
    Wegbluuvn: wegblijven
    Wegbrieng: wegbrengen
    Wegfrutn: weglopen
    Woar istn gublon: waar is hij naartoe
    Wupn: wippen
    Zeeëru: snel, rap
    Zeeëru afuseern: rap vooruitgaan

    Zeëfbudieniengu: zelfbediening
    Zil zetn: haast maken
    Zu sjhipu ofkuusjhun: zijn schop afkuisen, weggaan
    Zuugiengu: zuiging
    Zuugn: zuigenZwoajn: zwaaien

                                          


                                                

    18-03-2019, 00:00 geschreven door stammer

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    11-03-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woordenlijst Nr 14: Kledij Juwelen

    Aakn e noogn: haken en ogen
    Aaänguklit: aangekleed
    Aaängutjootult: raar of slecht aangekleed
    Aaänsjhoeë: handschoen
    Aaänsjhoen: handschoenen
    Agturbeuzu: achterzak
    Alpingsju: muts
    Alsbant: halsband
    Andoeën: aandoen
    Angurtju: hangertje
    Anklein: aankleden
    Anen: aanhebben
    Anpasn: aanpassen
    Antasu: handtas
    Baretu: baret
    Batkostuumu: badpak
    Batmutsu: badmuts
    Biekienie: bikini
    Bievakmutsu: bivakmuts
    Bijbiedol: babydoll, nachtkleding voor de vrouw, sexy lingerie
    Bijbieklirtjus: babykleertjes
    Binubeuzu: binnenzak
    Binuzak: binnenzak
    Blienk: schoensmeer
    Bloeëzu: bloes
    Bloezong: korte jas       Fr blouson
    Boerka: kledingstuk gedragen door Islamitische vrouwen; bedekt heel het lichaam, inclusief gezicht
    Boerkienie: boerkini; zwemoutfit dat enkel handen, voeten en gezicht vrijlaat
    Boksaaänsjhoeën: bokshandschoenen
    Boloeët: bolhoed
    Boöj: trui
    Botienu: hoge schoen                   Fr  bottine
    Braaänzulee of Braaänzjulee: armband
    Brijn: breien
    Broekbeuzu: zak van de broek
    Broeksju: broekje
    Broekspuupu: broekspijp
    Brosju: speld                      Fr broche
    Burgurkleeërn: burgerkleren
    Djieëns: jeans
    Djirsee: jersey, katoen of wollen machionaal gefabriceerde stof
    Duukpak: duikerspak
    Emdu: hemd    =>  u nemdu: een hemd
    Falaar: sluier, hoofddoek                Fr foulard
    Flieës: fleece, vacht, gebreide en geruwde stofsoort
    Frak: jas
    Gabardjinu: regenjas in lichte stof    Fr gabardienne
    Getn: beenstukken (vroeger van militairen)       Fr guetrons
    Goedn ketienk: gouden ketting
    Goedn orloozju: gouden uurwerk
    Goeduwerk: juwelen, sieraden, goud
    Kajuutn: rubberen pantoffels waarin de voeten geweldig zweetten, wat tot zweetvoeten leidde
    Kanadjinu: overjas                 Fr canadienne
    Kapootu: mantel met kap              Fr capote
    Kapu: kap
    Kapuusjong: kap vastgemaakt aan de jas        Fr capuchon
    Katoeën: katoen
    Kazuuvul: kazuifel, mouwloos opperkleed gedragen door de priester als hij de mis opdraagt
    Ketienk: ketting
    Kiemonoo: kimono; Japans kledingstuk. Losse mantel of japon met wijde mouwen die met een ceintuur wordt dichtgebonden
    Kiendurkleeërn: kinderkleding
    Klaksju: klakje
    Klaku: klak, petKlein met u laptju: met welke kledij ook, er goed uitzienKleeërbustul: kleerborstel
    Kleeërn: kleren, kledij
    Kleeërn voe du vijlugijt: veiligheidskleding
    Kleeërn voe tu feeëstn: feestkleding
    Kleeërn voe tu werkn: werkkleing
    Kleeërn voer in du vrieju tiet: vrijetijdskleding
    Kleeërn voer int guvegt: gevechtskleding
    Kleeërn voer uut tu goön; uitgangskleding
    Kleeërn voet snagts: nachtkleding
    Kloefn: klompen
    Knoptju: knoopje
    Koentukletsur: pitteleer
    Koesn: kousen
    Koesn die slookurn: kousen die afzakken
    Kokmutsu: koksmuts
    Komuunizong: onderjurk             Fr combinaison
    Kopspelu: kopspeld
    Korsee: keurslijf                       Fr   corset
    Kostuumu: pak
    Kotieln broek: fluwelen broek
    Kroontju: kroontje
    Krosjteern: haken met een haakpen           Fr crochete
    Kultun: kleren
    Leëzn: laarzen
    Linun: linnen
    Maaänsjetu: manchet                     Fr manchette
    Maaänsjetuknoop: manchetknop
    Masjhur: masker
    Mieniekienie: minikini
    Monookienie: monokini, bikini zonder bovenstuk
    Mutsu: muts
    Naaldu: naald
    Nagtemdu: nachthemd
    Neegliezjee: gemakkelijk ochtendgewaad            Fr négligé
    Niekam: nikam
    Nielong: nylon
    Nielongs: nylonkousen
    Noerujaagurtju (u): strikdas, vlinderdasje
    Noöt: naad
    Noöjmasjien(u): naaimachine
    Noöjn: naaien
    Nunukleeërn: religieuze kleding van een non
    Oarmbant: armband
    Oeët: hoed     => Noeët (u): een hoed
    Oendurbroek: onderbroek
    Oendurgoeët: ondergoed
    Oendurlief: onderhemd
    Oendurlievutju: onderhemdje
    Oerujaagurtju: strikje
    Ooörbelu: oorbel
    Ooörrieng: oorbellen
    Ooörrienk: oorbel
    Oovral: overall
    Oovurgoojur: overgooier, wijde mouwloze jurk zonder taille die over het hoofd wordt aangetrokken
    Orloozjubantju: uurwerkbandje
    Paltoo: mantel, overjas                     Fr paletot
    Pardusuu: mantel                      Fr pardessus
    Pasturkleeërn : religieuze kleding van priester
    Peërul : parel
    Pelsun frak: pelsmantel
    Piekubestu  => up zu piekubestu guklit zien: piekfijn gekleed zijn
    Piewantn: wanten
    Pinwaar: peignoir, ochtendjas meestal gedragen bij het opstaan en vóór het slapengaan
    Plastrong: das                    Fr plastron
    Ponsjoo: poncho, van origine Zuid-Amerikaans kledingstuk, rechthoekige doek met in het midden een gat om het hoofd door te steken
    Reegnkaptju: regenkapje
    Reegnmantul: regenmantel
    Rieëmtju: riempje
    Rieëmu: riem
    Riekooördu: schoenveter
    Rieleëzun: rijlaarzen
    Rowkleeërn: rouwkleding
    Sandaaln: sandalen
    Sandaalu: sandaal
    Satien: satijn
    Savatn: pantoffels
    Senteuru: riem             Fr ceinture
    Sjakosju: handtas            Fr sacoche
    Sjarpu: sjerp                                  Fr écharpe
    Sjetu: sajette, wol
    Sjhabu: schort
    Sjhortu: schort
    Sjort: short
    Slepu: hemd     =>    in zu slepn roentloopn: rondlopen zonder broek, in zijn hemd
    Sletsn of Slufurs: pantoffels
    Sliep: onderbroek
    Slieptju: slipje
    Smookieng: smoking
    Snelzeikr: open vrouwenbroek
    Soetjeën: bustenhouder         Fr soutien
    Soetoönu: soutane, onderdeel priesterkleding
    Stofu: stof
    Streksju: strikje
    Striekiezur: strijkijzer
    Striekn: strijken
    Strieng: string, soort onderbroek of zwembroekje dat schaamstreek bedekt en verder bestaat uit een touwtje of smal stukje stof om het middel en door de bilspleet
    Taal a ju gat ang: al je geld uitgeven aan kledij
    Talongs: hoge hakken                       Fr talon
    Tanga : tanga, damesslip
    Tieritu: rits                   Fr tirette
    Tooga : toga, kledij van de rechter
    Tuulu: mazenweefsel (doorzichtig)
    U boöj brijn: een trui breien
    Upgutietumatooit: opgemaakt/opgezet
    Uunieformu: uniform
    Uutloötn: uitlaten, vergroten of verlengen van kleding
    Uutrustiengu: uitrusting
    Uutstriekn: uitstrijken
    Veln mantul: bontjas
    Vestubeuzu: zak van de jas
    Viengurrienk: vingerring
    Vlindurdasju: vlinderdasje, hoerenjagertje
    Vrowukleeërn: vrouwenkleren
    Vuliengu: (op)vulsel
    Vurklindurn: verkleinen, inpakken
    Vursjhooön: verschonen, verversen (baby)
    Wienturkleeërn: winterkleren
    Wulu: wol
    Wuuvukleeërn: vrouwenkleren
    Zeulu: zool  (van u sjhoeë: van een schoen)
    Ziedu: zijde
    Zilvurn ketienk: zilveren ketting
    Zilvurn orloozju: zilveren uurwerk
    Zjartiln: jarretellen, onderdeel van het damesondergoed ter voorkoming van het afzakken van de kous
    Zjielee: vest                        Fr  gilet
    Zokn: sokken
    Zoksju: sokje
    Zoomurkleeërn: zomerkleren
    Zunuklaksju: zonnepetje
    Zuutwestur: zuidwester, hoofddeksel gedragen door zeevaarders

     

    11-03-2019, 00:00 geschreven door stammer

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    04-03-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woordenlijst Nr 13: Geld Financies

    Aalmoeëzu: aalmoes
    Aksjus: acties, aandelen
    Al slaapundu rieku wordn: al slapend rijk worden, er niets moeten voor doen
    Andeeëln: aandelen
    Andeeëloedur: aandeelhouder
    Bankbieljet: bankbiljet
    Bankbrieftju: bankbriefje
    Bankgugeim: bankgeheim
    Bankkluuzu: bankkluis
    Bankkoörtu: bankkaart
    Bankleeëniengu: banklening
    Bankofsjhriftu: bankafschrift
    Bankreekniengu: bankrekening
    Bankroeët: bankroet
    Banktugoeët: banktegoed
    Batju: koopje
    Beeteewee: BTW belasting op de toegevoegde waarde
    Beuzu: beurs (instelling en zak)
    Biebutaaliengu: bijbetaling
    Biedraagu: bijdrage
    Bielegn: bijleggen
    Biepasn: bijpassen
    Bievurdieën: bijverdienen
    Bievurdieënstu: bijverdienste
    Binbrieng: binnenbrengen (als bijdrage aan gezinskosten, bvb)
    Boekoediengu: boekhouding
    Boekoedn: boekhouden
    Borgsteliengu: borgstelling
    Brantkasu: brandkast
    Brieftju: briefje (van twintig euro bvb)
    Budervn: bederven
    Budriefsbulastiengu: bedrijfsbelasting
    Bukostugiengu: bekostiging
    Bukostugun: bekostigen
    Bulastboör: belastbaar
    Bulastieng: belastingen
    Bulastieng oentduukn: belastingen ontduiken
    Bulastiengaängiftu: belastingsaangifte
    Bulastiengefiengu: belastingsheffing
    Bulastiengoftrek: belastingsaftrek
    Bulastiengsjhievu: belastingsschijf
    Bulastingsiestiïm: belastingssysteem
    Bulastiengvrie: belastingsvrij
    Bulegiengu: belegging
    Bulegur: belegger
    Bulooniengu: beloning
    Bumiduln: bemiddelen
    Buslaglegiengu: beslaglegging
    Buspoöriengu: besparing
    Busteediengu: besteding
    Butaalboör: betaalbaar
    Butaaliengu: betaling
    Butaalkoörtu: betaalkaart
    Butaaln: betalen
    Buzitieng: bezittingen
    Buzoldiegiengu: bezoldiging
    Dadis giïn gelt: dat is goedkoop
    Dieëru: duur
    Dieëzn: duurder worden
    Dran toesteekn: geld verliezen op een door jou betaalde zaak
    Drienkgelt: drinkgeld
    Dur gelt uutsloön: winst maken
    Dur warmtjus iïn zitn: er warmpjes inzitten, veel geld hebben
    Erfunisu: erfenis
    Ervn: erven
    Fajiet(u): bankroet
    Fortuunu: fortuin
    Garaaänsju: waarborg
    Gasboeëtu: gasboete, opgelegd door de gemeente
    Gelt moe roln: geld moet rollen
    Gelt rieëkn: geld ruiken, voelen dat er iets te verdienen is
    Gelt uut utwieën zu zak klopn: iemand te veel doen betalen
    Gelt vurdieën lik sliek: op gemakkelijk manier veel geld verdienen
    Gelt vurdoeën: geld uitgeven
    Geltzak: rijke
    Gin rostu kluutu en: niets bezitten
    Gupast gelt: gepast geld
    Ienkulgelt: muntstukken, kleingeld
    Iepoteeku: hypotheek
    Infloösju: inflatieInt zwart werkn: in het zwart werken
    Ju gelt plaseern: je geld vastzetten op termijn
    Ju gelt vastu zetn: je geld vastzetten
    Ju ku gin kei vloön: je kunt niets ontnemen aan iemand die niets heeft
    Ju mag ut up ju buuk sjhrievn: je zult nooit betaald worden
    Kapietaal: kapitaal
    Kasu: kassa
    Kiendurgelt: kindergeld
    Kluturgelt: kleingeld
    Kluutu: tien centiem oud Belgisch geld
    Kluuzu: kluis in de bank
    Kortiengu: korting, afslagKoruupt zien: korrupt zijn
    Krebu bietn: armoe, hongerlijden
    Kroozn (va ju gelt): rente
    KrotEënKompanjieë: grote armoede
    KrotEnOörmoeë: grote armoede
    Krotu: armoede
    Lamurn: geld geven
    Leeëniengu: lening
    Leeflooön: leefloon
    Leevun van du dis: onderhouden worden door het OCMW
    Leevun van zu rentn: leven van de opbrengst van zijn geld
    Meeërweërdu: meerwaarde
    Met u fursjetu sjhrievn: te veel aanrekenen
    Ne gi naagul voe zu gat tu krabuln: hij bezit niets en hij heeft geen geld
    Nis me zu gat in du butur guvoln: hij is in een rijke familieterechtgekomen
    Nu biet u frang in tweeën: het is een gierigaard
    Nu zit op zu geld: hij is gierig
    Ofbieën: afbieden
    Obliegoösju: obligatie
    Oenkostn: onkosten
    Ofbutaaln: afbetalen
    Ofkortn: een schuld afbetalen
    Ofslag: korting
    Oftrekn van ju bulastieng: aftrekken van je belastiengen (gedane onkosten, forfait)
    Oftrogln: aftroggelen
    Ofpriezn: afprijzen
    Ofslag: afslag
    Oörmoeë: armoede
    Oörmoeë troef: daar heerst armoede
    Oovursjhot: overschot
    Oovursjhrieviengu: overschrijving
    Otomoöt: geldautomaat
    Parkeerboeëtu: parkeerboete
    Parkeergelt: parkeergeld
    Poenku: spaargeld (verdoken)
    Portufuju: portefeuille
    Portumonee: geldbeugel        Fr portemonnaie
    Pronostiekn: een pronogstiek invullen
    Reeguulariezoösju: regularisatie
    Riekdom: rijkdom
    Rieku stienkur: rijke stinker/man
    Rinuweern: ruinere
    Rusuu: ontvangstbewijsn
    Rutu: blut
    Senteuru doeën: de riem toehalen om te besparen                    Fr ceinture
    Sentn: centen
    Sjhaavurgoeëdiengu: schadevergoeding
    Sjhatbuwoördur: schatbewaarder
    Sjhatkistu: schatkist
    Sjhatrieku: schatrijk
    Sjhuldn: schulden
    Sjhuldn maakn: schulden maken
    Sjhuldn ofbutaaln: schulden afbetalen
    Sjik: cheque
    Sjikboek: chequeboek
    Sliek van deërdu: geld   
    Smooörrieku: zeer rijk
    Speelsjhuldn: speelschulden
    Spoörboeksju: spaarboekje
    Spoörgelt: spaargeld
    Spoörkasu: spaarkas
    Spoörn: sparen
    Spoörn voe ju noedun dag: sparen voor de oude dag
    Spoörreekniengu: spaarrekening
    Sponsurn: sponsteren, steunen met geld
    Steeg: stijf
    Steeg van ofgoön: gierig zijn
    Steeënrieku: steenrijk, zeer rijk
    Stortiengu: storting
    Suukurtantu: suikertante, rijke tante zonder kinderen
    Teëru doeën: verteren, geld uitgeven
    Tgelt deur deurun en viïnsturs smietn: geld door deuren en vensters gooien
    Tgelt dur deuru jaagn: veel en snel geld uitgeven
    Tgelt groejt nie up mu rik: het geld groeit niet op mijn rug, ik ben spaarzaam want ik moet er hard voor werken
    Tis eeën me kluutn: één met kluiten, een rijke
    Toar zoet deur ju klaku groejn: je geld zou ervan op geraken
    Tu nieëtu goön van tgelt: waardevermindering van het geld
    Tvolt va nie oogu: het is niet duur
    Tzoet up ju patatn nie vurdieën: heel weinig verdienen
    U fluutu van u sent: een kleinigheid
    U kleeën peënsjoeëntju: een klein pensioen
    U kostlik batju: een dure aangelegenheid
    U lotju koopn: een lot kopen
    U neuroo: een euro
    U neezul en die geld sjhiet: over onuitputtelijke geldbron beschikken
    U nomaaliengu doeën: geld inzamelen
    U zak gelt en: rijk zijn
    Up du poef koopn: kopen op afbetaling
    Up gin frang/euroo kiekn: het komt niet op een frank/euro
    Up ju geld zitn: gierig zijnUp zwart zoat zitn: op zwart zaad zitten, geen financiële mogelijkheden meer hebben
    Upbrieng: opbrengen
    Upbriengstu vaju gelt: opbrengst, rente
    Upslag: opslag
    Uutspoörn: uitsparen
    Vakaaänsugelt: vakantiegeld
    Van zu gelt klapn lik u boer van zu kleeënu patatjus: van zijn geld spreken zoals een boer van zijn kleine aardappelen
    Voe gin gelt van du weeërult: voor geen geld van de wereld, wat je ook mag bieden
    Voe tzeëfstu gelt: voor hetzelfde geld
    Vraagn kost giïn gelt: vragen kost geen geld, toch vragen als er weinig kans op slagen is
    Vraagpries: vraagprijs
    Vrie van taks: vrij van belastingen
    Vurdieën: verdienen
    Vurdieënstu: verdienste
    Vureurn: verhuren
    Voöksupvoeëdiengu: volksopvoeding
    Voe nietn: gratis, kosteloos
    Voer u napul en u nei: zeer goedkoop
    Vooördeeël: voordeel
    Vooördeeëlug: voordelig
    Vooörnsjhieëtn: voorschieten
    Vooörsjhot: voorschot
    Vurdoeën: uitgegeven => aal zu gelt vurdoëen aaän snoep
    Vurgoeëdiengu: vergoeding
    Vurkoopupbriengstu: verkoopopbrengst
    Vurkwistiengu: verkwisting
    Vurlieës: verlies
    Vurlieëzn: verliezen
    Vurigtiengu: verrichting (op bankrekening)
    Vuriekn: verrijken
    Vurspiliengu: verspilling
    Wediengu: wedding
    Wedn: wedden
    Witwasjhun: witwassen
    Woekurn: te veel geld vragen
    Woekurpries: veel te hoge prijs
    Woekurwiïnstu: woekerwinst, te veel verschil tussen waarde en gevraagde prijs
    Woörborgu: waarborg
    Zo rieku of datu zeeë diepu is: zo rijk als de zee diep is, zeer rijk
    Zo woörmu lik djop: zo arm als job, zeer arm
    Zoöjn no du zak: de tering naar de nering zettenZu broek draän sjheurn: zijn broek eraan scheuren, verlies lijden
    Zu gelt dur deurujasn: snel veel geld uitgeven
    Zu gelt zit in u koesu: hij heeft geen vertrouwen in de banken
    Zu slepn draan sjheurn: verlies lijden bij een zaak
    Zwart geld: niet aangegeven geld
    Zwem int gelt: rijk zijn

     

    04-03-2019, 00:00 geschreven door stammer

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    25-02-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woordenlijst Nr 12: Gemoedstoestand Gevoelens

    Agturdogtug: achterdochtig
    Ambjaaänsu: stemming                        Fr ambiance
    Andagtug: aandachtig
    Ankurn: hevig verlangen
    Barmertug: barmhartig
    Bendig: nieuwgierig, hevig naar iets uitkijkend
    Beu lik koedu pap: iets zeer beu zijn
    Biebudoeëliengu: bijbedoeling
    Bleëtn: wenen
    Bliedu of blieë: blij
    Blietsjhap: blijdschap
    Bliekboör: blijkbaar
    Bloeëtstolunt: bloedstollend
    Braavu zien: braaf zijn
    Brimstug: geil, bronstig
    Budoeëliengu: bedoeling
    Budoeëln: bedoelen
    Budwieng: bedwingen
    Bugoeftu: behoefte
    Bukn: koppig zijn
    Bukomuriengu: bekommering
    Bukooriengu: bekoring
    Bukrompn: bekrompen
    Bulachuluk: belachelijk
    Bulang: belang
    Bulangsteliengu: belangstelling
    Buleedugt: beledigd
    Buleiriengu: belering
    Bulemuriengu: belemmering
    Buletsul: beletsel
    Bumoeëdurn: bemoederen
    Bunowt zien: bang zijn
    Buproeviengu: beproeving
    Burustiengu: berustingBusjhaamt zie: beschaamd zijn
    Busjhowiengu: beschouwing
    Buwoöjt: scheel van de goesting (naar eten)
    Da werkt op mu zilmus: dat werkt op mijn zenuwen
    Dankboör: dankbaar
    Deegoe: afkeer          Fr dégoût
    Deeliekoöt: delikaat             Fr délicat
    Dinu doeën: er niet goed van zijn
    Droomweirult: droomwereld
    Drukdoeëndurieë: drukdoenderij
    Du kituls en: gevoelig voor kriebels
    Du krul kriegn: zeer hard op de zenuwen gewerkt
    Dul zien: kwaad zijn
    Dur geërn bie zien: er graag bij zijn
    Dur nie goeët vaän zien: er niet goed van zijn
    Dur tertu van iïnzien: er het hart van in zijn
    Durvan braakn of spuugn: er genoeg van hebben
    Eeënzaam: eenzaam
    Eëk weërt em: iedereen doet zijn best
    Eëk zu goestu: ieder zijn wil, zijn goesting
    Eemulstuvroet: zeer kwaad
    Enuvleis: kippenvel (rilling van ontroering, van ‘t verschieten)
    Ertulik: hartelijk
    Espres: opzettelijk                    Fr exprès
    Foeëln: voelen
    Froöj zien: braaf zijn
    Gamuuzeert: geamuseerd
    Gintriseert: geïnteresseerd
    Goestu: goesting     
    Goestu en: goesting hebben
    Groeën van zjaloezieë: groen van jaloezie
    Guboöriengu: doen alsof, iets gebaren, veinzen
    Guboejt: geboeid
    Gubrookn: gebroken
    Gukwetst: gekwetst
    Gulukug zien: gelukkig zijn
    Guneërn: amuseren
    Guwoöru wordn: gewaarworden
    I ju gat gubeetn zien: verbolgen zijn over iets
    In u vroedu koleeru sjhieëtn: koleriek reageren
    In zu broek doeën: bang zijn
    Intoesjast: enthousiast
    Jankn: huilen als een hond
    Jeun: genieten
    Ju juünstu toogn: tonen dat je iets wil doen
    Ju karu keeërn: van mening veranderen
    Ju kasu upfretn: zich vervelen, ongeduldig zijn
    Ju kazaku droöjn: van gedacht veranderen, overlopen
    Ju kluts kwiet zien: van niets meer weten
    Kajietn: uitschreeuwen van de pijn
    Kalmtu: kalmte
    Kalmu: kalm
    Kanuguluk: geluk dat er voor jou nog wat overgebleven is
    Ken dur gunoeg van: ik heb er genoeg van
    Ken dur mu klaku vaan vul: ik heb er genoeg van
    Ken dur mu kot in: ik geniet ervan
    Koeroözju: moed          Fr courage
    Kompasju: medelijden
    Kontentument: tevredenheid, voldoening           Fr contentement
    Koönfjeënsju: vertrouwen   Fr confiance
    Koönfort: comfort                    Fr confort
    Kopug: koppig
    Kriegn dur kieëkuvel van: ik krijg er kippenvel van
    Kriesjhn: wenen
    Ksien dul: ik ben kwaad
    Kurjeus: nieuwsgierig              Fr curieux
    Kurjeuzuneuzn en vraagsteërtn: nieuwsgierig zijn
    Kurjeuzuteit: nieuwsgierigheid
    Kutent: content, tevreden
    Kuumn: niets zeggen
    Kwetsboör: kwetsbaar
    Kwieln: kwijlen
    Kwitzoendur of: ik ben benieuwd of
    Kwoöt zien: kwaad zijn
    Kzient zo moewu lik aaängubrandu pap: ik ben het heel erg moe
    Lachun: lachen
    Lank gat (met u): tegen de goesting iets doen
    Leeg: lui
    Leegoört: luiaard
    Liebur: vrij                      Fr libre
    Lieburtijt: vrijheid              Fr liberté
    Lieën: lijden
    Lujugeit: luiheid
    Malsjaaänsu en: ongeluk hebben     Fr malchance
    Me ju pies in du wient stoön: verslagen, geen raad meer weten
    Meegoöndu: gewillig, sympathiek
    Meeleevn: meeleven
    Meënsjhuluk: menselijk
    Meefoeln: meevoelen
    Meevoln: meevallen
    Meewiln: meewillen
    Meezitn: meezitten
    Met du poepurs zitn: bang zijn
    Met u lank gat: met tegenzin
    Mien bobienu is of: in ben doodop
    Moeë: moe
    Moeëduloos: moedeloos
    Moeëdurertu: moederhart
    Moeëdurlieëfdu: moederliefde
    Moentzieënt: we zien er tegenop
    Mu zoendur kloör upstoön: het zou niet goed zijn als we dat deden
    Nie va wantn weetn: nergens iets van afweten
    Nis dul, zisdul: hij is kwaad, zij is kwaad
    Nis/zis goeët vanertu wi: hij/zij heeft een goed hart, hoor
    Nooötgudwoeng: noodgedwongen
    Oedjan tgas: bereid je er maar op voor
    Nu jeunt em doö: hij voelt zich daar goed
    Oenaaängunaam: onaangenaam
    Oenduvroet zien: heel erg boos zijn
    Oeëngudult: ongeduld
    Oeënguduldug: ongeduldig
    Oeënguluk: ongeluk
    Oeëngulukug: ongelukkig
    Oeëngurust: ongerust
    Oeënpusjentug: ongeduldig           Fr impatient
    Oeënsjaänsu: ongeluk, tegenvallend
    Oeënvrieënduluk: onvriendelijk
    Oeënzeekru: onzeker
    Oeërusjaänsu: veel geluk
    Oentmoeëdugt: ontmoedigd
    Oentroeëriengu: ontroering
    Oentroeërt: ontroerd
    Ofvraagn: afvragen
    Oorndul: geschift, getikt
    Oovurguvoeëlug: overgevoelig
    Op zu sjieku bietn: zich inhouden
    Peizn: peinzen, denken  => kpeizn: ik denk
    Pieëpn: schreeuwen
    Pienluk: pijnlijk
    Poepurs: schrik 
    Poeër: pit
    Preus: fier
    Preus lik veeërtug: zeer fier
    Pusjeënsju: geduld         Fr patience
    Pusjentug: geduldig             Fr patient
    Riliengu: rilling
    Roesputeern: misnoegen uiten         Fr rouspéter
    Rooj: last
    Rooöt van sjhamtu: rood van schaamte
    Roözunt van koleeru: razend van woede
    Ruksju: reukje
    Rutuln: misnoegdheid uiten
    Seënsoösju: sensatie
    Sjaänsu: geluk, meeval                Fr chance
    Sjhieë: bevlieging
    Sjhien: schijn
    Sjhietur: bangerik
    Sjhiln: schelen
    Sjhreimn: wenen
    Sjhruwuln: zeer luid schreeuwen
    Spietug: spijtig
    Stilu: stil
    Surjeus: ernstig                        Fr sérieux
    Tertu durvan iïn zien: er het hart van in zijn
    Tienkt mien da: me dunkt dat
    Tis mu juustu gliek: het is mij om het even
    Tis voe bie tu bleëtn: je zou erdoor wenen
    Tka mu nie sjhiln: het kan me niet schelen
    Toed an du rebn: het is straffe kost
    Tsloeg da mu nertu: ik verschoot
    Tspek a ju klooötn en: het zitten hebben, het slachtoffer zijn
    Twerkt up mu zilmus: het werkt op mijn zenuwen
    U noent zoet rieëkn: het was te verwachten
    U sjheetu lachn: plezier hebben
    U vroedu koleeru: erg kwaad zijn
    Ulpuloos: hulpeloos
    Up ju peërt zitn: kwaad zijn
    Up ju weeroedn zien: afwachten en voorzichtig zijn
    Upgulugt: opgelucht
    Upguwekt: opgewekt
    Upoedn: ophouden
    Utwa doeën met u lank gat: iets doen tegen zijn goesting
    Utwa geeëstug vieng: iets leuk vinden
    Utwoö dinu van zien: ergens niet goed van zijn, ontgoocheld zijn
    Uutbundug: uitbundig
    Uutguloötn: uitgelaten
    Uutoedn: uithouden
    Uutpluuzn: uitpluizen
    Uutgupluust: uitgeplozen
    Van u noözu gupoept zien: haast hebben, haastig zijn
    Vijandug: vijandig
    Voeëlboör: voelbaar
    Voeëliengu: voeling
    Vooörguvoeël: voorgevoel
    Vooörkeuru: voorkeur
    Vooörlieëfdu: voorliefde
    Vooörooördeeël: vooroordeel
    Vooörproevutju: voorproefje
    Vooörsmaksju: voorsmaakje
    Vorspelboör: voorspelbaar
    Vorspeliengu: voorspelling
    Vraagteikn: vraagteken
    Vreeësuluk: vreselijk
    Vriedom: vrijheid
    Vrieënduluk: vriendelijk
    Vriegeevug: vrijgevig
    Vriejeit: vrijheid
    Vriejuut: vrijuit
    Vriewilug: vrijwillig
    Vroegiengu: wroeging
    Vroet: kwaad
    Vrowunertu: vrouwenhart
    Vuldoön: voldaan
    Vurboöziengu: verbazing
    Vurdrieët en: verdrietig zijn
    Vurdwoöst: verdwaasd
    Vurlang: verlangen
    Vurleidiengu: verleiding
    Vuroendursteliengu: veronderstelling
    Vurasiengu: verrassing
    Vurneeduriengu: vernedering
    Vurneedurt: vernederd
    Vursjhieëtagtug: die gemakkelijk schrikt of verschiet
    Vursjhrikt zien: verschrikt, zeer bang
    Vursmagtn: verstikken
    Vurstievn: verstijven (van angst bv)
    Vurvuliengu: vervulling (wens)
    Vurwerkiengu: verwerking (van een tegenslag)
    Vurwoenduriengu: verwondering
    Vurwoendurn: verwonderen
    Vurwoendurt: verwonderd
    Walgiengu: walging
    Wanoopug: wanhopig
    Weënsjhn: wensen
    Weigur zien oovr utwa: zorg dragen over iets
    Wit van koleeru: wit van woede
    Zis nie zindlik: ze kijkt niet nauw, ze is niet kieskeurig
    Zjaloeës zien: jaloers zijn
    Zjaloezieë: jaloezie
    Zoendu: zonde
    Zu booöntjus tu weeëku legn: azen op iets
    Zu gat sjhuufult: hij is zenuwachtig, op zijn ongemak
    Zu jeun undur doö: ze voelen zich daar goed
    Zu jeunt eur doö: ze voelt zich daar goed
    Zu lipu loötn ang: ongelukkig, verdrietig zijn
    Zu toopu sloön: bang zijn
    Zu zit met du poepurs/sjhieturs: ze is bang

    25-02-2019, 00:00 geschreven door stammer

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    18-02-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woordenlijst Nr 11: Liefde Huwelijk of andere relatie

    Aaängutrowt: aangetrouwd
    Aavunturtju: avontuurtje, korte vlucht uit de relatie
    Afeëru: buitenechtelijke relatie            Fr affaire
    Agtur utwieën zu gat loopn: altijd bij iemand willen zijn, ook als die dat niet wil
    Aliementoösju: voorziening     Fr alimentation
    Amang: aanhouder, lover      Fr amant
    Anbidur: aanbidder
    Ankurn agtur utwieën: niet zonder iemand kunnen
    Anoedur: minnaar maar ook iemand die blijft aandringen => dun anoedur wint
    Asan ruuzju maakn: altijd ruzie maken
    Bieslaap: bijslaap
    Biezit: bijzit
    Broek vul goestiengu (of goestu): geil zijn
    Bruuloft: bruiloft
    Buturbrieftju: boterbriefje, bewijs dat men getrouwd is
    Dijtn: daten, afspreken
    Eereksju: erectie
    Ertrown: hertrouwen
    Flikur: flikker, homo
    Flirtn: flirten
    Fuftug joör gutrowt: vijftig jaar getrouwd, gouden bruiloft
    Geërn zieën: houden van        => van utwieën, van utwadu
    Goeët int bedu: goed in bed
    Guluk int spil, oeënguluk in du lieëfdu: geluk in het spel, ongeluk in de liefde
    Gusjhit: gescheiden
    Gusjhit van taaflenbedu: gescheiden van tafel en bed
    Gutrowt zien voe tgelt: niet getrouwd zijn uit liefde maar omdat de partner rijk is
    I roetu zien met utwieën: een relatie hebben met iemand
    Ju vint/wuuf budrieëgun: je man/vrouw bedriegen
    Kapootu: condoom
    Kenisun: een relatie aangegaan hebben, vrijen
    Kiendurloos: relatie zonder kinderen
    Kiendurweëns: kinderwens
    Kloarkomn: klaarkomen, orgasme krijgen
    Knufuln: knuffelen
    Koedan warmu lieëfdu: koude handen, warme liefde
    Kopul: koppel 
    Leeërn rieën up u noedu vielo: door een oudere (getrouwde) vrouw ingewijd worden in de liefde
    Leevn lik kat e noent: slecht overeenkomen
    Lekn: kussen
    Lieëf: lief     
    Lieëfdu: liefde       => 
    Lieëfdu makt blint: liefde maakt blind
    Lieëfdu up teeërstu guzigt: op het eerste gezicht
    Lisbiejinu: lesbische vrouw
    Luduvudu: liefdeverdriet
    Met du mantul van du lieëfdu budekn: met de mantel van de liefde bedekken, vergeven
    Minoöru: minnaar
    Minoresu: minnares
    Mitrisu: minnares           Fr maîtresse
    Moku: meisje of verloofde
    Monookienie: monokini
    Mu lieëf: mijn lief
    Mukoör geërun zieën: houden van elkaar
    Mukoör misun: elkaar missen
    Mukoör nie kun misun: elkaar niet kunnen missen
    Munoögu: huishouden             Fr ménage
    Net/zet durmee tu doeën: hij/zij heeft er een relatie mee
    Net u nandru: hij heeft een andere
    Neukn: neuken, de liefde bedrijven
    Nie van du stroötu gugrogt: niet van de straat geraakt, (nog)nooit een relatie gehad hebben
    Nis of zis nog nie van du stroötu: nog niet verloofd of getrouwd
    No doeërn goön: naar een hoerenkot gaan
    Od u noedu sjheuru in brandu vlieëgt: als een oudere verliefd wordt
    Oedn van mukoör: houden van elkaar
    Oedu lieëfdu roeëst nie: oude liefde roest niet
    Oeërujaagur: hoerenjager
    Oeërukot: hoerenkot
    Oentrow: ontrouw, bedriegen van partner
    Oentugt: ontucht
    Ofmaakn: verbreken (van vrijage)
    Ofspraaku: afspraak
    Oftrekn: masturberen
    Omelziengu: omhelzing
    Oomooguuwuluk: homohuwelijk
    Oörmenoörmu goön: arm en arm gaan
    Oovurspil: overspel
    Orgasmu: orgasme
    Ovreeënkomn: overeenkomen
    Palufun: liefkozen
    Peenies: penis
    Pieëpurn: kussen
    Poepn: neuken
    Pot: lesbienne
    Randeevoe(tju): afspraak(je)                Fr rendez-vous
    Rieku gutrowt zien: getrouwd zijn met een rijke man of vrouw
    Ruloösju: relatie
    Siks: sex
    Sjharul: scharrel, losse verkering
    Sjhatju: schatje
    Sjhidiengu: scheiding
    Sjhijdn of sjkheeën: scheiden
    Sjhooönbroeëru: schoonbroer
    Sjhooönmoeëdru: schoonmoeder
    Sjhooönvoödru: schoonvader
    Sjhooönzustru: schoonzuster
    Sjhooten up utwieën: iemand in de gaten hebben om er een relatie mee aan te gaan
    Sleep: onderste van trouwkleed dat langs de grond sleept en daarom opgeheven wordt
    Smooörvurlieëft: smoorverliefd
    Speelvajoögu: huwelijksreis
    Stiefmoeëdru: stiefmoeder
    Stiefvoödur: stiefvader
    Streeëliengu: streling
    Swietu: gevolg bij een chique huwelijksplechtigheid
    Teegn ju zjielee trekn (utwieën): iemand aanhalen, tegen de borst drukken
    Tetuzot: man die van borsten houdt
    Tis of: de relatie is verbroken
    Tis weeran: de relatie is er weer
    Tjestug joör gutrowt: zestig jaar getrouwd, diamanten bruiloft
    Toopu weun: samenwonen
    Topuzot: zeer verliefd
    Totju: kusje
    Trow: huwelijk
    Trowfeeëstu: trouwfeest
    Trowfotoo: huwelijksfotoTrowkleeët: trouwkleed
    Trown voe du kerku: kerkelijk huwelijk
    Trown voe du wet: wettelijk huwelijk
    Trowrienk: trouwring
    Tugoaruweun: samenwonen
    U nartnen: een stijve hebben
    U noar in du butur: een haar in de boter
    U noent met u noeët an: zegt men van een vrouw die er niet goed uitziet maar toch de interesse van de man opwekt
    U noeëru lik u peërt: een vrouw die heel wat minnaars had/heeft
    U sjheivu sjhatsu rieën: vreemd gaan
    U sjhooön kopul: een mooi koppel
    Up u nandur goön: vreemdgaan, scheve schaats rijden
    Veuguln: de liefde bedrijven
    Vint: man
    Vooörspil: voorspel
    Vrieguzel: vrijgezel
    Vrieoözju: vrijage
    Vrijn: vrijen
    Vrimdu goön: vreemdgaan
    Vurlang: verlangen
    Vurlieëft: verliefd
    Vurlooviengu: verloving
    Vuroediengu: verhouding
    Vuroovriengu: verovering
    Vursieëriengu: versiering
    Vursieërn: versieren
    Vuuvuntjestug joör gutrowt: vijf en zestig jaar getrouwd, briljanten bruiloft
    Vuuvuntwientug joör gutrowt: vijf en twintig jaar getrouwd, zilveren bruiloft
    Wuuf: vrouw
    Wuuvuzot: vrouwenzot
    Zet u nandreeën: ze heeft iemand anders
    Zet utwieën andurs: ze heeft iemand anders
    Zis i roetu me: ze heeft een relatie met
    Zjuubielee: jubileum
    Zorgun voe mukoör: voor elkaar zorgen
    Zot zien van utwieën: verliefd zijn op iemand
    Zu lieëfdu vurkloörn: zijn liefde verklaren
    Zu zien weg van mukoör: ze zijn niet meer samen                    

    18-02-2019, 00:00 geschreven door stammer

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    11-02-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woordenlijst Nr 10: Gebouwen – Bouwwerken - Woningen en onderdelen ervan - Wonen

    Aaänbusteediengu: aanbesteding
    Agturdeuru: achterdeur
    Agturkaamur: achterkamer
    Agtruut: tuin of grond achter het huis
    Alee: overloop               Fr allée
    Alukuupu: beerput
    Alupit: beerputArduun: arduin
    Asaänsuür: lift                              Fr ascenseur
    Baksteeën: baksteen
    Balatom: balatum
    Balkong: balkon
    Baluustraadu: balustrade, leuning van een balkon
    Batkaamur: badkamer
    Beërpit: beerputBelu: bel
    Biebown: bijbouwen
    Biedong: beton
    Biedongblok: betonblok
    Biedongmeuln: betonmolen
    Biedongrot: betonrot
    Biegubow: bijgebouw
    Bieldieng: building
    Binudeuru: binnendeur
    Binumeur: binnenmuur
    Blaf(u)teuru: vensterluik
    Boeërdurieë: boerderij
    Boeërof: boerderij
    Boeërofstee: hoeve
    Bojlur: boiler, waterverwarmer
    Boöku: balk
    Bowbudrief: bouwbedrijf
    Bowgroent: bouwgrond
    Bowjoör: bouwjaar
    Bown: bouwen
    Braku: barak  => nu/zu weunt in u braku                 Fr baraque
    Brantvijlugijt: brandveiligheid
    Brieku: baksteen
    Briekn: bakstenen                      Fr briques
    Brievubusu: brievenbus
    Bubown: bebouwen
    Buklidiengu: bekleding
    Buneen: beneden
    Burguruus: burgerhuis
    Buteeguliengu: betegeling
    Buungalow: bungalow
    Buuro: studie- of werkkamer        Fr  bureau
    Buutudeuru: buitendeur
    Buutugeevul: buitengevel
    Buutumeur: buitenmuur
    Buutuvurbluuf: buitenverblijf
    Buuzu: buis
    Buweunboör: bewoonbaar
    Buweunur: bewoner
    Bwatu: brievenbus                     Fr boîte aux lettres
    Dalu: de hal
    Dampukapu: dampkap
    Deebara: opbergruimte     Fr débarras
    Dek: dak
    Dekbudekiengu: dakbedekking
    Derdu vurdieëp: derde verdiep
    Deuru: deur
    Deurugat: deuropening
    Diepoo: depot
    Diestriebuusju: verdeling, bezorging    Fr distribution
    Doeëniengu: hofstede, huis
    Doeëniengsju: kleine hofstede
    Droöjtrap: draaitrap
    Dubulu deuru: dubbele deur
    Dweësboöku: dwarsbalk
    Eestu vurdieëp: eerste verdiep
    Eërdiengu: aarding
    Eërt: haard
    Eetaazju: verdieping                    Fr étage
    Eetkaamru : eetkamer
    Fasoödu: gevel      Fr façade
    Fondoösju: fundament        Fr fondation
    Gank : gang
    Garaazju : garage
    Garaazjupooörtu : garagepoort
    Garu: opening => du deuru stoat up u garu: voor een stuk geopend
    Geevlu: gevel
    Gootsteeën: gootsteen
    Goözu: gas
    Groent: grond
    Groentwoötur: grondwater
    Grooötu kuustu: de grote schoonmaak
    Guliekvloeërs: gelijkvloers
    Iepoteeku: hypotheek
    Iezoloösju: afdeklaag, isolatie    Fr isolation
    Iïrkoo: air conditioning
    Ilutriek: elektriciteit
    Ilutriekdroöt: elektrische draad
    Ipurstu: bovenste verdieping
    Kaavu: schoorsteen
    Kaburdoesju: cafeetje (met rood licht)
    Kaliju: klei
    Karwiju: karwei
    Kasien: vensterbank
    Keldru: kelder
    Kiendurkaamur: kinderkamer
    Klienku: deurklink
    Koeër: koer
    Koök: kalk
    Koönstruuksju: bouw, constructie       Fr construction

    Kornisju of Kornisu: dakgoot
    Kortsluutiengu: kortsluiting
    Kuusjhiengu: grote kuis
    Kuustu: kuis
    Latustooörs: rolluiken
    Lavaboo: lavabo
    Leuniengu: leuning
    Lievieng: woonkamer, living
    Liftu: lift
    Lijdiengu: leiding
    Lugt: verlichting
    Maaänsardu: gebroken dak   FR mansarde
    Mazoetpit: mazouttank
    Meur: muur
    Netspaniengu: netspanning
    Nof (du): de tuin
    Nuus (u): een huis
    Oedumanuus: rusthuis
    Oeëngusjhikt: ongeschikt
    Oenbuweunboör: onbewoonbaar
    Of: tuin
    Ofloop: afloop
    Ofstee: boerderij
    Oftrekn: afbreken (van een huis)
    Ogstu vurdieëp: hoogste verdiep
    Omijniengu: omheining
    Oogbow: hoogbouw
    Opurvlaktu: oppervlakte
    Ovutju: tuintje    => u novutju: een tuintje
    Paljee: overloop                Fr palier
    Papier plakn: papier plakken, behangen
    Plaaänsjee: houten vloer
    Plafong: zoldering       Fr plafond
    Plintu: plint
    Plong: zekering           Fr plomb
    Pit: put
    Plat dek: plat dak
    Pompu: pomp
    Pooörtu: poort
    Radiatuür:  radiator, verwarmingselement            Fr radiateur
    Riejooln: riolen
    Riejoolu: riool
    Rookmeldru: rookmelder
    Ruutn: ruiten
    Salamaänzjee: eetkamer   Fr salle à manger
    Salong: woonkamer, zitkamer, ontvangstruimte       Fr salon
    Sieteërn: waterput     Fr citerne
    Sjambrang: deuromlijsting      Fr chambranle
    Sjhaavulieng: schaverlingen
    Sjhapstal: schaapstal
    Sjheuru: schuur (voor hooi of stro)
    Sjhowu: schoorsteen
    Sjofaazju: verwarming                           Fr chauffage
    Sjofaazjukeetlu: chauffageketel
    Sjofaazjukeldru: chauffagekelder
    Slapkaamur: slaapkamer
    Steliengu: stelling
    Stoörs: rolluiken
    Stopkontakt: stopcontact
    Stortbat: stortbad
    Studentukaamur: studentenkamer
    Sument: mortel
    Teegul(s): tegel(s)
    Terupapieër: teerpapier
    Tirasu: terras                               Fr terrasse
    Tirmoostaat : thermostaat
    Toetuuzunt: bij ons thuis
    Toru: toren
    Trap(n): trap(pen)
    Tu nuutkantu: op de buiten  
    Tu nuutkantu weun: op de buiten wonen
    Tuus: thuis
    Twalet: toilet
    Twidu vurbluuf: tweede verblijf
    Twidu vurdieëp: tweede verdiep
    Twiwuünstu: dubbel huis
    Up du buutn weun: op de boerenbuiten wonen
    Uprit: oprit
    Uptrekn (van huis): verdieping(en) bijbouwen
    Uus: huis
    Uutbreidiengu: uitbreiding
    Vastgoeët: vastgoed
    Ventieloösju: ventilatie     Fr ventilation
    Vieërtoru: vuurtoren
    Vielawiek: villawijk
    Vielookot : fietsenberging
    Viïnstur: venster
    Viïnsturkasien: vensterkozijn
    Viranda: veranda
    Vloeër: vloer
    Vloeërbudekiengu: vloerbedekking
    Vloeërn: vloeren leggen
    Vloeërvurwarmiengu: vloerverwarming
    Vogtugijtsgroöt: vochtigheidsgraad
    Volsjhu plafong: vals plafond
    Vooördeuru: voordeur
    Vooörplatsu: voorkamer
    Vruuzn: verhuizen
    Vurandriengu: renovatie, wijziging
    Vurbluuf: verblijf
    Vurdieëpiengu: verdieping
    Vureuriengu: verhuring
    Vureurn: verhuren
    Vurlugtiengu: verlichting EN verluchting
    Vurpagtn: verpachten
    Vurpagtiengu: verpachting
    Vurtrek: WC
    Vurwarmiengu: verwarming
    Vurzakiengu: verzakking
    Weun: wonen
    Weunkaamur: woonkamer, living
    Woöturkroanu: waterkraan
    Woöturpit: waterput
    Woöturtoru: watertoren
    Wuünstu: woning
    Ziedeuru: zijdeur
    Zjaloezieë: vliegenraam
    Zoldru: zolder
    Zoomuruus: zomerhuis
    Zoomurvurbluuf: zomerverblijf
    Zu weun in tol van fluutol: ze wonen afgelegen op de buiten
    Zulu: drempel
    Zwoöjdeuru: zwaaideur

     

    11-02-2019, 00:00 geschreven door stammer

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    04-02-2019
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woordenlijst Nr 9: Oneerlijkheid Diefstal Misdaad

    Aaängiftu doeën: misdrijf aanmelden bij de politie
    Aaänrandiengu: aanranding
    Aaänrandiengu up du eeërboörijt: aanranding op de eerbaarheid
    Aaänslag: aanslag (op het leven van een persoon)
    Aaliebie: alibi  u naaliebie en, ginaaliebie en
    Agtur slot en grendul: opgesloten, achter slot en grendel
    Agturvoögun: achtervolgen
    Andnols brieng: kapotmaken
    Andoeën: aandoen (iemand iets)
    Andul in blanku slavin: handel in blanke slavinnen
    Anoediengu: aanhouding
    Anoedn: aanhouden
    Antboejn: handboeien
    Arandiengu: aanranding
    Arest: arrest
    Asiezunof: assisenhof
    Avukoöt: advokaat
    Bak: gevangenis > in du bak zitn: in de gevangenis zitten
    Bandieët: bandiet
    Bandieëtustreeku: bandietenstreek
    Bandietiesmu: banditisme
    Bankoovurvol: bankoverval
    Bie du kraagu vatn: bij de kraag vatten
    Bie tveeërtieënstu zetn: misleiden, bedriegen
    Biegamie: bigamie, twee keer gehuwd
    Binbreekn: binnenbreken
    Blankoo strafblat: blanco strafblad
    Blintdoekn: blinddoeken
    Bloeën: bloeden
    Bloeët: bloed
    Bloeëtbat: bloedbad
    Bloeëtproef: bloedproef
    Bloeëtsjhandu: bloedschandeBlown: smokkelen
    Bloözun int zaksju: blazen in het zakje, alcoholtest 

    Boeëtu: boete
    Boeëtudoeëniengu: boetedoening
    Bomaaänslag: bomaanslag
    Bommeldiengu: bommelding
    Bomoto: bomauto
    Bomoentplofiengu: bomontploffing
    Brantkasu: brandkast
    Brantstigtiengu: brandstichting
    Brazuletn: handboeien
    Budrieëgluk bankroet: bedrieglijk bankroet
    Budrieëgn: bedriegen
    Budrieëgur: bedrieger
    Budrieëgurieë: bedriegerij
    Budrijgiengu: bedreiging
    Budrijgn: bedreigen
    Budrog: bedrog
    Budwelmiengu: bedwelming
    Buken: bekennen
    Bukentmaakiengu: bekendmaking
    Bukentunisu: bekentenis
    Buleedugiengu: belediging
    Bunowt maakn: bang maken
    Bunowt zien: bang zijn
    Burooviengu: beroving
    Busjhermdu gutuugu: beschermde getuige
    Busjhermiengu: bescherming
    Busjhieëtiengu: beschieting
    Busjhuldugiengu: beschuldiging
    Bustrafiengu: bestraffing
    Butastiengu: betasting
    Buteugliengu: beteugeling
    Butoogiengu: betoging
    Butraapn: betrappen
    Buwieslast: bewijslast
    Buwiezun: bewijzen
    Buzwoör: bezwaar (tegen een straf)
    Dagvoördiengu: dagvaarding
    Deugnietrieë: deugnieterij
    Dieëf: dief
    Dieëfstal: diefstal
    Doödur: dader
    Dooötbloeën: doodbloeden
    Dooötdoeën: vermoorden, uitschakelen
    Dooötsbudrijgiengu: doodsbedreiging
    Dooötsguvoör: doodsgevaar
    Dooötsjhieëtn: doodschieten
    Dooötrieën: doodrijden
    Dooötslag: doodslag
    Dooötsloön: doodslaan
    Dooötvoln: doodvallen
    Doöku: dolk
    Drijgbrieëf: dreigbrief
    Drugdieëlur: drugdealer
    Druggubruuk: druggebruik
    Drugandul: drughandel
    Du keelu oovursnieën: de keel oversnijden
    Dwangbuuzu: dwangbuis
    Dwangsomu: dwangsom
    Eeërstu aaänleg: eerste aanleg
    Eeëturdoöt: heterdaad
    Eerowienu: heroine
    Eetoflegiengu: eedaflegging
    Fliek: politieagent
    Foefuln: foefelen
    Foejeern: aftasten, fouilleren
    Frodeern: fraude plegen
    Froodu: fraude
    Gangstur: gangster
    Geeliengu: heling
    Geltstrafu: geldstraf
    Giezuliengu: gijzeling
    Goözumasjhur: gasmasker
    Gowdieëf: gauwdief
    Grafsjhendiengu: grafschennis
    Gublintoekt: geblintdoekt
    Gumasjhurt: gemaskerd
    Gumeeëntupoliesju:gemeentepolitie
    Guregt: gerecht
    Guregtuluk vurleedn: gerechtelijk verleden
    Gusjhoept: gestolen
    Gutuugu(n): getuige(n)
    Gutuugu tun lastu: getuige ten laste

    Guvang: gevangenis
    Guvangunisu: gevangenis
    Guvlugt: gevluchtGuwaapunt: gewapend
    Guwelt gubruukn: geweld gebruiken
    Ieleegaal: illegaal, onwettelijk
    Ienkulbant: enkelband
    In buroep goön: in beroep gaan
    Kanabies: cannabis
    Kasoösju: cassatie, verbreking
    Kiendurregtur: kinderrechter
    Klagt indieën: klacht indienen
    Kloroformu: chloroform
    Kluuzu: kluis
    Kokajienu: cocaïne
    Kokuduukn: vermoorden
    Komusoörus: commissaris
    Kortgudieng: kortgeding
    Koruupsju: corruptie
    Kwetseuru: kwetsuur
    Kwoöwiluwerk: wat gedaan wordt met slechte intenties
    Lastur: laster
    Leuguns: leugens
    Lieëgn: liegen
    Liekiedeern: liquideren
    Lieksjhowiengu: lijkschouwing
    Mafia: maffia
    Marieguwaana: marihuana
    Martuliengu: marteling
    Meedupligtug: medeplichtig
    Meeliburn: op sluikse manier meenemen
    Meënsjhusmokul: mensensmokkel
    Messteeku: messteek
    Mijneet: meineed
    Misanduliengu: mishandeling
    Misanduln: mishandelen
    Misbruuk maakn: misbruik maken
    Misbruukn: misbruiken
    Misdoeën: misdoen
    Misdoöt: misdaad
    Misdoötfielmu: misdaadfilm
    Misdoötromang: misdaadroman
    Misdrief: misdrijf
    Misplatst: misplaatst
    Mooört: moord
    Mooörtaaänslag: moordaanslag
    Mooörtpoogiengu: moordpoging
    Mooördunoöru: moordenaar
    Mosliemtiroriest: moslimterrorist
    Nagtgrugtu: nachtlawaai
    Neerusjhieëtn: neerschieten
    Neerusteekn: neersteken
    Neeruvoln: neervallen
    Nootguval: noodgeval
    Nootweer: noodweer
    Oeëngudektu sjik: ongedekte cheque
    Oeënguvoörluk: ongevaarlijk
    Oeënsjhult: onschuld
    Oeënsjhuldug: onschuldig

    Oenbutrowboör zien: onbetrouwbaar zijn
    Oendurmien: ondermijnen
    Oendurweërult: onderwereld
    Oentduukn van bulastieng: ontduiken van belastingen
    Oentoereekuniengsvatboör: ontoerekenigsvatbaar
    Oentslag uut du bak: vrijkomen
    Oentsnapiengu: ontsnapping
    Oentsnapn: ontsnappen
    Oentsnapt: ontsnapt

    Oentugt: ontucht
    Oentvoeëriengu: ontvoering
    Oereern: hoereren
    Ofkiekn: afkijken (bij examen)
    Ofpakn: afpakken
    Ofpersn: afpersen
    Ofpersiengu: afpersing
    Ofsjhrievn: afschrijven (bij examen)
    Ofslagtiengu: afslachting
    Ofstrafiengu: afstraffing
    Ofstrafn: afstraffen
    Oftapn: aftappen (elektriciteit bvb)
    Oftroguln: aftroggelen
    Ofzetn: afzetten, bedriegen in geldzaken
    Omsienguln: omsingelen
    Omukoopn: omkopen
    Ooggutuugu: ooggetuige
    Oösumtest: ademtest
    Oovurmeeësturn: overmeesteren
    Oovurtreediengu: overtreding
    Oovurvol: overval
    Oovurvoln: overvallen
    Opspooriengu: opsporing
    Parket: parket
    Patroeju: patrouille
    Pesturieë: pesterij
    Piek-poket: zakkenroller
    Piekn: wegpakken
    Plofkraak: een geldautomaat tot ontploffing brengen
    Plunduriengu: plundering
    Poliesjunoent: politiehond
    Poliesjuregtur: politierechter
    Potju brikt, potju butaalt: wie iets breekt moet het ook betalen (ook figuurlijk)
    Priesong: gevangenis
    Proses: proces-verbaal
    Prostietuusju: prostitutie
    Purzoeënsjen up utwieën: iemand verdenken
    Rijsun: racen
    Reesiedieviest: residivist, iemand die in herhaling valt na een of meerdere misdrijfgevallen
    Regtbank: rechtbank
    Regtspraaku: rechtspraak
    Regtur: rechter
    Rieën oendur iïnvloeët: rijden onder invloed
    Rieftju Raftju: minderwaardig, gemeen volk
    Ruklaseeriengu: reclassering
    Rukoönstruuksju: reconstructie
    Sanksju: sanctie
    Seeponeern: seponeren
    Selu: cel
    Sieriïnu: sirene
    Sjhaakiengu: schaking
    Sjantaazju: chantage, afpersing
    Sjhaaduloossteliengu: schadeloosstelling
    Sjheeëfsloön: stelen
    Sjhieëtn: schieten
    Sjhieëtpartieë: schietpartij
    Sjhoepn: stelen
    Sjhoolu van vurbeeturnisu: opvoedingsschool
    Sjhootn losn: schoten lossen
    Sjhult: schuldSjhuldug:  schuldig
    Sjhurk: schurk
    Sjhurkustreekn: schurkenstreken
    Slagtofur: slachtoffer
    Sluukstortn: sluikstorten
    Smaat: smaad
    Smokuln: smokkelen
    Smokuloöru: smokkelaar
    Smokulwoöru: smokkelwaar
    Speuroent: speurhond
    Spiejonaazju: spionage
    Spooörwegpoliesju: spoorwegpolitie
    Stoakiengu: stalking
    Stoeër doeën: stoer doen
    Strafblat: strafblad
    Strafboör: strafbaarStrafu: straf
    Stroopurieë: stroperij
    Tguregt: het gerecht
    Tiroriest: terrorist
    Toereekuniengsvatboör: toerekenigsvatbaar
    Traalies: tralies
    U brantkasu kraakn: een brandkast kraken
    U katju in tdoenkur niepn: een katje in het donker knijpen, iets in ’t geniep doen
    U koptju klindur maakn: vermoorden, een kopje kleiner maken
    U proses a ju beeën en: een proces-verbaal oplopen
    U ruutu iïnsloön: een ruit inslaan
    U slot forseern: een slot forceren
    U strafu uutzitn: een straf uitzitten
    Up du boek guzet: een bon krijgen van de politie
    Up du vlugt: op de vlucht
    Upang: ophangen
    Upligtiengu: oplichting
    Upligtru: oplichter
    Upligturieë: oplichterij
    Uproeërpoliesju: oproerpolitie
    Upsluutn: opsluiten
    Upspooriengu: opsporing
    Utwadu of utwieën up ut spoor zien: iets of iemand op het spoor zijn
    Uuszoekiengu: huiszoeking
    Uutstel: uitstel
    Vandaliesmu: vandalisme
    Veedieëf: veedief
    Vermooördn: vermoorden
    Viengurofdruk: vingerafdruk
    Vlieëgtuugkaapur: vlieguigkaper
    Vlugtmisdrief: vluchtmisdrijf
    Vlugtn: vluchten
    Vlugtpoogiengu: vluchtpoging
    Voeëtspooör: voetspoor
    Volsjheit in gusjhriftu: valsheid in geschrift
    Volsmuntur: valsmunter
    Volsmunturieë: valsmunterij
    Volsu sjik: valse cheque
    Vonis: vonnis
    Voöksupstant: volksopstand
    Voöksvuroödur: volksverrader
    Vooörarest: voorarrest
    Vooöroendurzoek: vooronderzoek
    Vooörtvlugtug: voortvluchtig
    Vooörwoörduluku strafu: voorwaardelijke straf
    Vrieloötn: vrijlaten
    Vriespraaku: vrijspraak
    Vurantwooördiengu moeëtn oflegn: verantwoording moeten afleggen
    Vurbeurtvurkloöriengu: verbeurdverklaring
    Vurdagtu: verdachte
    Vurdenkiengu: verdenking
    Vurduusturiengu: verduistering
    Vurgeëldiengu: vergelding
    Vurgeevn: vergiftigen
    Vurgiftugiengu: vergiftiging
    Vurgriep: vergrijp
    Vurjoöriengu van u misdrief: verjaring van een misdrijf
    Vurkeeërspoliesju: verkeerspolitie
    Vurkragtiengu: verkrachting
    Vurmoeëdn: vermoeden
    Vurmooördn: vermoorden
    Vurnieëliengu: vernieling
    Vurnieëtugiengu: vernietiging
    Vurooördeeëliengu: veroordeling
    Vurooördeeëln: veroordelen
    Vurooörn: verhoren
    Vuroödur: verrader
    Vuroödurluk: verraderlijk
    Vursmagtn: versmachten
    Vurvolgiengu: vervolging
    Vurvolsjhun: vervalsen
    Vurvolsjhiengu: vervalsing
    Vurvoögn: vervolgen
    Vurweërn: verweren
    Vurwoeëstiengu: verwoesting
    Vurwoendiengu: verwonding
    Wegvursperiengu: wegversperring
    Werkstrafu: werkstraf
    Wet:wet
    Wienkuldieëfstal: winkeldiefstal
    Witubooördunkriemienalietijt: witteboordencriminaliteit
    Witwasjhun: witwassen (van geld)
    Woöreit: waarheid
    Wurgn: wurgen
    Wurgiengu: wurging
    Zeedunfijtn: zedenfeiten
    Zeedunpoliesju: zedenpolitie
    Zeëfmooört: zelfmoord
    Zeëfvurdeediegiengu: zelfverdediging
    Zitiengu: zitting (van gerecht)
    Zjuuzju: onderzoeksrechter                        Fr juge
    Zwartwerk: zwartwerk
    Zweërn: zweren
    Zwoöjlugt: zwaailicht van de politieauto of van de ziekenwagen

     

    04-02-2019, 00:00 geschreven door stammer

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Archief per week
  • 18/03-24/03 2019
  • 11/03-17/03 2019
  • 04/03-10/03 2019
  • 25/02-03/03 2019
  • 18/02-24/02 2019
  • 11/02-17/02 2019
  • 04/02-10/02 2019
  • 28/01-03/02 2019
  • 21/01-27/01 2019
  • 14/01-20/01 2019
  • 07/01-13/01 2019
  • 01/01-07/01 2018
  • 24/12-30/12 2018
  • 17/12-23/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 19/11-25/11 2018
  • 12/11-18/11 2018

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!