Als ik God was geweest


dan groeiden de kinderen aan de bomen...
Dan kon je ze plukken...
en laten rijpen...
tot volwassen mensenfruit.
Geen vrouw had zoveel pijnen
en weeën hadden niet bestaan...
Ze konden de vruchten laten rijpen
in die onbevlekte moederschoot...
tot (h)eerlijke kleine mensjes.
De vaders zouden moeten wroeten,
om 't vrouwenleed van vroeger...
Voor hun kroost moesten ze zwoegen,
Maar God ben ik dus nooit geweest.
om zoveel leed en barensweeën.
En voor die hechte moeder-kinderband








