Night and day - Virginia Woolf


Never are voices so beautiful as on a winter's evening,
when dusk almost hides the body,
and they seem to issue from nothingness
with a note of intimacy seldom heard by day.
Virginia Woolf
uit: Night and Day


Never are voices so beautiful as on a winter's evening,
when dusk almost hides the body,
and they seem to issue from nothingness
with a note of intimacy seldom heard by day.
Virginia Woolf
uit: Night and Day
Misschien vergis ik me wel
Mijn lief,
jij laat me sterven dus
nu ik door jou vergeten ben
geen ogenblik
geen geur
geen licht gemis
dat mij voor even maar
laat leven
in een streling door je haar
of een aarzeling
van je stem
je lippen
o, regen wil jij dan voor mij wenen
o, wind wil jij huilen in de bomen
o, zee wil jij in twijfel je even terugtrekken
misschien vergis ik me wel.
Uvi
Waakvlam
Warrig zucht de vrouw om wat er is:
niet meer de nachten die een man vol vuur
voor haar verzon, maar de lakens
van een witte slaap. Ze leest
een blad in deinend licht, telt af
en toe een schaap en ademt dieper
opdat kalmte om haar dicht.
Maar het duister blijft breed als de borst van de man
die ze mist, en het bed is een boek
waarin de vrouw zich keer op keer
van pagina vergist.
Reine De Pelseneer
Uit: Aan alles vast
Zonder vraagteken
Hoe hark ik me samen
in de herfst van m'n jaren.
Wat valt er te oogsten.
Hoe hard zal de winter zijn.
Kunnen mijn dagen nog trager.
Wie zal er mij dragen.
Als de ochtend en de avond
één zullen zijn.
Voor het venster achtergelaten.
Wie zal er mij nog iets vragen.
Uvi
Verhouding
Wij kwamen aan mijn oude bos, maar
wat er stond had omvang van een oog-
opslag. Een man die er zicht op had
gaf te verstaan - nooit was er gerooid.
Mijn zoon versprong van stam naar stam
en terug, verwisselde de handvol bomen.
Zo zag hij hout voor heel wat staan,
het schoot tot woud op in zijn ogen.
Wat hij voor huilen van wolven
hield was wind die, vlaagziek
als in polder, aan je oren trok.
Hoe ik ook wilde, ik zag niet meer
dan wat er was. Ik werd mijn vader
die de maat der dingen kende.
Victor Vroomkoning
Kier
Laat dit niet alles zijn, dit leven stil en donker
Als het maandelijkse bloeden van de vrouwen.
Laat mij van iemand zijn, maar ook niet zo volstrekt
Dat ik verdwijn, in haar, in hem, of weg moet gaan
Omdat geen mens mijn menselijk gewicht kan tillen.
Uit schrik voor mijn gezicht schrijf ik dit op.
Altijd ben ik onderweg. Ik vind geen rust
Bij mij, ben bang als jij mijn trage stap hoort branden
Op de koude tegels in de gang naar jou.
De deur gaat open. En zoenend en stom onderzoeken je lippen
De sombere man die jou zwijgend staat aan te blaffen
Met liefdesgedichten. Geef hem je bed.
Laat alle deuren
Op een kier.
Leonard Nolens
Uit: Liefdes verklaringen


En nu
nu dat ik je nog enkel herken
in de kleur
van een herfstblad
de geur van de ochtend
je parfum
overstemt
en je gebroken bent
in de rimpelingen
van een plas water
hoe schrijf ik je
weer hier
in het nu.
Uvi
link naar "Dagboek van de onvoltooid verleden tijd"
Zachtheid, zachtheid is het woord van muziek:
Het is of je op een groenen heuvel toeft,
Een fabel leest, of ziet een mozaïek -
En 't hart ontvangend wat het hart behoeft,
Niet meer van pijn verbijsterd, niet meer ziek,
Vergeet - een glimlach lang -
wat het bedroeft.
laatste twee strofen uit "Fuguette"
Martinus Nijhoff
Nu
Ik adem niet, ik zing.
zelfs als ik zucht, klinkt het
per ongeluk alsof ik
een paar noten neurie
die me vannacht, terwijl
ik sliep, zijn voorgezongen.
Het is alsof de lucht
mijn deken is en ik
mijn hoofd het liefst
te rusten leg op het kussen
van mijn longen, de plek
waar ik mijn hartslag hoor
in vierkwartsmaat:
dat ik besta, dat ik besta.
Bart Moeyaert
uit: Gedichten voor gelukkige mensen
Alleen de liefde
Wij kruipen met weerloze verlangens
tussen krakende lakens
en ademen elkaars hunker en honger
naar het licht van de maan.
Als de duisternis ooit valt
zullen we elkaar lezen
langzaam en voorzichtig
met ogen als sneeuw
zo zacht.
Claire vanden Abbeele


Herfst
Herfst is de tijd van vermoeden, niet van weten.
Van tasten, niet van grijpen. Van eerst met mijn duim
het waas wegvagen van een purperen pruim
en van voelen en van dàn pas eten.
Herfst is rustig doende, niet als zomer doende was,
met dat druk ondernemen, proclameren en oprichten
en met uitbreiden en met weer iets anders stichten.
Herfst vertraagt een ogenblik de pas.
Een krekel zit nog vol te houden in het gras.
En op de grintweg snort een laatste bij.
Wat vorig jaar nog komen moest, is nu voorbij.
Maar de geest is vrij.
Om te berekenen en te weerleggen en te ijken.
En om te rangschikken en te bevragen, te beschouwen en te kijken.
Herman de Coninck
Uit: Ter ere van de goedertieren maan.

.

De zoon
Hij heeft geen eigen naam meer.
Draagt véél namen
van hen die gingen en niet wederkwamen
naar waar hun jeugd maar schier begonnen was.
Hij ligt alleen of ligt met velen samen
in zijn vergeten graf onder het gras.
Wie denkt aan hem die verder leven
die met hun droom en toekomst overbleven
en rechtdoor liepen op hun eerste weg?
Hij werd niet méér dan een herinnering, even,
een foto bij zijn brieven neergelegd.
De ouders zijn mét hun verdriet gestorven
de broers en zusters in hun kleine dorpen
teruggetrokken met zorg en gezin,
de vrienden, weergekeerd of weggezworven,
dreven de maalstroom van het leven in.
Soms, op zijn zerksteen, maakt de zomerregen
de bijna uitgewiste lettertekens een ogenblik weer leesbaar,-en de wind
legt er bewegelijk een bloemtak tegen.
De hemel is de aarde goedgezind.
Anton van Wilderode
Zacht Gesprek
je leert mij wennen aan mijn ledematen
je neemt mijn hand en wandelt naast mij voort
je leert mij wennen aan mijn eindeloos praten
omdat je ook nog naar mijn zwijgen hoort
en als wij 's avonds saam de dag verlaten
dan zeg je slapend haast een laatste woord
om mij zelf niet met mijzelf alleen te laten
zo ga je door de slaap nog naast mij voort.
Max Croiset - 13 augustus 1912 - 7 april 1993
o, ik weet het niet
o, ik weet het niet,
maar besta, wees mooi.
zeg: kijk, een vogel
en leer me de vogel zien
zeg: het leven is een brood
om in te bijten
en de appels zien rood
van plezier, en nog,
en nog, zeg iets.
leer me huilen,
en als ik huil
leer me zeggen:
het is niets.
Herman de Coninck
Uit: 'De lenige liefde'
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck uit: Met een klank van hobo
Als zwaargezwollen zaad
waarin de wortels wachten.
Een vastgesloten hand
samengebalde krachten.
Gevangen in een schaal
die niet wil openbreken
is het geladen hart
dat zich niet uit kan spreken.
Agnes Vaessens: uit Schaduwbeeld
Vader
Vader, wat zou ik er voor willen geven
als je er af en toe nog eens kon zijn
en een zondag kwam zitten in mijn leven
bij mijn werk en mijn boeken en mijn wijn.
Soms zie ik nog mannen van vijfentachtig
(je weet wel waar) met een gezicht vol zon
en zin, en dan denk ik: godallemachtig
als ik hem zo nog eens meenemen kon.
Want op de een of de andere manier
leef ik toch ook nog steeds voor jou: jouw ogen
wil ik, met hun aandacht, pret en mededogen
bij mijn geploeter, mijn huis en mijn hier:
en ik zag ze zo graag een keer genieten
van al wat ze met tranen achterlieten.
Michel van der Plas
Wij maken lange dagen
Jij blijft mijn grote liefde
In de maak, jij maakt
Mijn nachten wachtenwit
Als dit papier, jij maakt me
Zwart als het gat in het blad
Gebrand van dit gedicht,
Een vergezicht van niets.
Zo blijven wij vervuld
Van al het onvervulde
Jij bent mijn vraag, jij bent
Mijn bange vragen voor.
Wij maken lange dagen.
Die staan hier in een koor
Van hoog tot laag bijeen
Te dansen in mijn keel.
Ik neem hier geen verhaal
Op jou, ik haat het hiaat
Dat ons heeft afgesproken.
Ik blijf je grote liefde
In de maak, ik maak
Je nachten wachten wit
Als dit papier, ik maak je
Zwart als een gat in het blad
Gebrand van dit gedicht.
Leonard Nolens
Je naam
Dat wij hem blijven noemen,
naam voor naam.
En dat gemis
geen leegte is.
Maar levende herinnering
die als een sterrenhemel
boven ons blijft schijnen.
Kris Gelaude