Zij - Uvi
Zij
Ik tel de ochtend af.
Tegen het telraam
van het licht. Tegenlicht.
Ik meet de wolken.
En de hemel.
Tot hier beneden.
Waar zij straks
tegen mij aan ligt.
Onder het deken. Tepeldicht.
En de tijd heel even een gedicht wordt.
Uvi
Zij
Ik tel de ochtend af.
Tegen het telraam
van het licht. Tegenlicht.
Ik meet de wolken.
En de hemel.
Tot hier beneden.
Waar zij straks
tegen mij aan ligt.
Onder het deken. Tepeldicht.
En de tijd heel even een gedicht wordt.
Uvi
Herfstdag
Heer, het is tijd. Het was een grootse zomer.
Leg nu uw schaduw op de zonnewijzers
en laat de wind over de velden komen.
Gebied de vruchten vol te zijn,
verleen hun nog twee zuidelijke dagen,
stuw ze naar de voldragenheid en jaag
de laatste zoetheid in de zware wijn.
Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer,
wie nu alleen is, zal het nog lang blijven,
zal waken, lezen, lange brieven schrijven
en rusteloos de lanen op en neer
gaan als de wind de blaren voort zal drijven.
Rainer Maria Rilke
Een ondoordachte vraag
Zij slaapt in mij
zoals een ondoordachte vraag
haar adem baadt door mijn verlangen
zoent de hitte van de zomer
plukt de koelte van een bries
zij lijkt een ansichtkaart
zo verkleedt ze haar gemis
ik leg een komma
aan haar voeten
opdat de jamben trager
zouden vloeien
dan het licht
dat haar bewaakt
als een jaloerse minnaar.
Uvi
Als iemand mij laat kiezen
tussen de stippels
in de atlas van de hemel
of de leegte van dit witte blad papier,
zal niemand tijd verliezen:
er is geen plek waar ik
mijn adem liever heb dan hier.
Bart Moeyaert, Uit: Verzamel de liefde, 2008
THUIS
Alsof je een plek bereikt.
Om je heen kijkt en weet
dat je thuis bent.
Een weiland, vergeten
langs duinen en bosrand,
iemand buigt tussen jou
en een feest - op zoek
naar de wijn, een gezicht
wordt zijn eerste woorden,
wat geschreven werd voor jou
door een nooit gevoelde hand.
Alsof je dit al kende
voor je het zag. Er geweest was
voor je er zou komen.
Zo thuis
Kees Spiering
TOEKOMST
Weggaan. En terugkomen.
Dromen. En niet meer dromen.
En niet meer weggaan.
En echte weemoed, niet om hoe het vroeger was
maar om hoe het ook vroeger nooit is geweest.
De herinnering aan wat nooit heeft bestaan.
Ik steek nog even een sigaar
niet op, drink nog even niet van een glas Marc,
wacht nog even op wat ik heb, bedachtzamer.
Want we hebben de tijd.
Je bent in mij als schemer in de kamer.
We hebben de verleden tijd.
Herman de Coninck
Uit: Met een klank van hobo
Afwezig
Als zij weggaat trekt het huis zich terug.
Zij wuift nog en ik woon er al niet meer,
om mij heen verstrakken muren tot een zaak
van steen. Alles wacht op haar om ook van mij
te zijn. Een stoel heeft mij herleid tot
mijn gewicht, kasten staan, raam heeft zicht.
Ik zit aanwezig, nog verbonden met mijn ik.
Tot zij thuiskomt van de wereld houdt
de wereld op. Zij vestigt waar zij gaat,
en wat zij achterlaat, het huis en ik,
blijft van haar over, op haar ingericht.
Bernard Dewulf
Uit: Waar de egel gaat. (1995)

.

POËZIE
Ik rijg kleine
stille woorden
synoniemen van verdriet
aan een draad van
ragfijn zilver
en haast niemand
die het ziet
ik draag ze als
het zoete ritme
van een vederlicht gedicht
omdat ik zo alleen
kan noemen
dat wat altijd
naast me ligt
ik bewaar die
krans van zachtheid
in de ziel van mijn bestaan
zodat het als een
kwetsbaar heimwee
altijd met me
mee kan gaan
pareltjes van
mooie zinnen
halssnoer van gebroken taal
zodat ik even
vast kan houden
even alles
helemaal
Margreet Jansen

.

Mijn hart is zo
Als 'n piano,
Die luid klinkt en toch zacht
Haar klanken strooit over de mensen,
Die langs de vensters van het salet
Voorbij gaan, in trage tred.
De piano, zij klinkt alleen
Voor de mens die haar bespeelt,
Voor die over haar zijn vingers heen
En weer laat lopen, haar bestreelt.
Paul van Ostaijen (Uit: Nieuwe weg 2)
GETIJ
Nog ligt de dag open.
Nog gaan wij
naast elkaar
en zeggen namen
als liefkozing en licht.
Zullen wij als rotsen verweren,
als een brekend schip vergaan
of spoelen wij met ons getij
als wrakhout zonder gewicht
als vogels over donker water
voorbij-
Ankie Peypers