Vlaamse uitdrukkingen N -P
Neerhoflopers : deze beneming werd gebruikt op menu’s om gebraden kippen aan te duiden.
Negerinnentetten : Mello-cake. Een koekje met daarop een bolletje marshmallow-achtig vulsel en overgoten met een chocoladelaagje. Nederlands : negerzoenen.
Neuzekes : een soort snoepgoed, bloedrood en kegelvormig. Waarschijnlijk gemaakt op een gombasis; het binnenste van het snoepje is vrij kleverig en kan zelfs tot draden trekken. Heet officieel :Cuberdon.
Nobblewitjes : Een kermisgebak ; een soort poffertjes , maar verdwenen uit de Vlaamse eetcultuur . Vond je blijkbaar op de “Sinksenfoor”. Ook “hobbelewitjes”
Nonnenbillen : zie maskesvlees;
Okkernoten : walnoten. Ook gewoon noten genoemd, bestaan er misschien andere ??
Paardengerookt : paarden gerookt vlees . Specialiteit van Vlaanderen. Wordt als broodbeleg gebruikt. Komt verder niet veel aan bod in de keuken.
Paardenoog : Hét beschaafde woord voor” peerdoog “ in’t Antwaarps en een “pjeirenoog “ int’ Mechels . Het is gewoon een spiegelei .
Passe-vite : een roerzeef. Dit handig toestel is een Belgische, Waalse, uitvinding. Het werd uitgevonden door ene Victor Simon in 1928.
Patatten: Aardappels
Patattenbloem :aardappelzetmeel. Het bindmiddel bij uitstek in de oude Vlaamse keuken, het werd zelfs als stijfsel gebruikt tijdens de oorlogsjaren ( 40-45). Pattatenbloem werd toen gemaakt door bedorven aardappelen te raspen en er het zetmeel uit te wassen.
Pateeke : een taartje. Een pasteibakker wordt ook wel eens pateekesbakker genoemd. ’s Namiddags gaan de dames kaffekletsen en pateekes eten. De Vlaamse pateekes zij ten andere onovertrefbaar !!! Een deugniet wordt ook wel een pateeke genoemd.
Peekes : wortelen, peen. Peeën.
Peerdegerookt : paarden gerookt vlees. Paardenrookvlees.
Peerdedju: Paardenbiefstuk.
Peerdoog : Spiegelei. ( Zie ook paardenoog )
Perdje : zie paardengerookt…
Pekelharing : in zout geconserveerde haring die ontzouten word en nadien in azijn opgelegd met uien.
Pellepatatten : aardappelen in de schil. Gekookt of gaar gemaakt in de as van het haardvuur. Werd gegeten met pekelharing. Nu op de barbecue.
Petatten: aardappels
Petattenschelderke: aardappelmesje
Pensen : bloedworsten. Er bestaan zeer veel versies van deze worst. Word normaal gemaakt van allerlei resten van het varken na de slacht: longen, tong, keel, en uiteraard varkensbloed. Ze worden gaar gemaakt in heet water van 80° C. Nadien gebakken en opgediend met gebakken appelen of appelmoes en pureeaardappelen.
Er bestaan zowel zwarte als witte. Een kookworst. De zwarte bevatten bloed, de witte zijn gemaakt van kalfsvlees (?) melk en brood. Bloedworst is de beschaafde naam. Of de witte ook in Nederland bekend zijn weet ik niet. Ook beuling genoemd, triepen, bloedtriepen. In de witte versie zijn vooral de Luikse worsten zeer gekend. Deze bevatten peterselie.
Het Franse woord "boudin" en het Nederlandse woord "pudding" zijn verwant. De bloedworst heet in het Engels dan ook ; blackpudding ! Ook de Limburgse balkenbrij is een versie van bloedworst.
Pepernoten : taaie anijsgebakjes. Werden vroeger en nu nog, verkocht in Scherpenheuvel en op andere bedevaartplaatsen en kermissen. Kleine bolletjes deeg die tijdens het bakken aan mekaar klitten.
Pepersosies : salami. Ook “Boulogne” een soort salami die gemaakt wordt van paardenvlees, niet in een darm verpakt maar in “goudvlies”, één of ander duister element dat uit één of ander dier gehaald wordt. Dit vlies wordt ook gebruikt om perkament van te maken.
Het spul wordt nog steeds verkocht en heeft geen ronde maar een vierkant en vrij donker snijvlak. Kwatongen beweren dat er ezelvlees in de boulogne gedraaid wordt ! “Bloende” in ’t Gents.
Piccolo’s : langwerpige harde broodjes. Vooral gebruikt om er sandwiches van te maken of als brood aan tafel bij banketten.
Pickles : een typisch Belgisch product van de firma Devos-Lemmens. Er bestaan ook andere merken. Stukjes groente in een zure groen gele kruidige saus. Oorspronkelijk veel gegeten bij frieten.
Pikken : Turnhouts dialectwoord voor harde snoepjes, karamellen
Pillen of pille : brokken, stukken , bollen…
Pilleke kaat : een ijsje. Kaat , staat voor koud.
.
Pillepap : Pap met brood of stukken beschuit noemde men hier vroeger ; brokkenpap. In Oost-Vlaanderen spreekt men over pillepap Er gaat zelfs een verhaaltje over een kikker die in de pot met pap sprong de boer at de kikker toch maar op, alhoewel hij het maar een rare brok vond… Een ander versie zegt volgende :
Aardappelpuree maken , gewone groene sla fijn snijden en spek goed doorbakken.
Eerst de warme puree in een bord doen en dan de groene sla erover en daarop een goede laag gebakken spek doen samen met het vet van de pan.
In West-Vlaanderen spreekt men van “taatjespap”, vertaling : aardappelpap. Karnemelk met aardappelen en zuring, misschien ook wel met spek. Sommige gereputeerde koks maken het nu nog maar noemen het wel anders.
Pillepap is ook bekend als slappe vanillepap met gekookte macaroni . Deze pap word gemaakt door “puddingpoeder” te koken met melk en suiker. Dit puddingpoeder kennen de Nederlanders misschien onder de naam ; custard(poeder) ?
Pint : Vlamingen drinken geen pilsjes van 20 cl. Wij willen een pint (25 cl al is dat eigenlijk fout, want dit is slechts ongeveer de helft van een Engelse pint) of een "drieëndertiger". Een smalle, hoge pint is een "fluit" of "fluitje". De Koninck, het Antwerps bier bij uitstek, drink je in een fluitje, een prinske of een bolleke. Santé.
Pirrewit : te dunne asperge, kan voor soep gebruikt worden.
Pitterselle, pieterselie: Peterselie.
Pistolet : hard rond broodje. Wordt typisch gegeten op zondagmorgen, krakend vers. Sommige bakkers bakken enkele keren per dag om steeds verse pistolets te hebben. Vraag in Frankrijk nooit om pistolets want dan zou je wel eens gevolgd kunnen worden door de politie. Het woord komt vermoedelijk van het geldstuk dat men vroeger nodig had , “een pistool”, om een klein broodje te kopen.
Plat water : Spa blauw. Mineraal water van Spa zonder koolzuurgas.
Platen : schollen, pladijzen, scharren , platvissen.
Platte kaas : kwark. Werd gemaakt door een deel karnemelk te mengen met een deel volle verse melk. Dit werd lichtjes verwarmd tot de zaak begon te stremmen, niet te heet want dan werden de korreltjes te hard en niet meer aangenaam om te eten. Nadien door een uitgewassen doek gieten om de kaas te laten uitlekken.
Ploâte : West-Vlaams voor pladijs. Zie platen.
Podommeke : roggebroodje, al dan niet met rozijnen. Ook roggeverdommeke.
Poepegatteke : snoepgoed, rond, met een gleuf midden er in. Op gombasis.
Poepgelei : Appel of perenstroop. Typische Hagelandse specialeit. Ook gemaakt in het Luikse. Wordt gebruikt als broodsmeersel. Nu door de grote chefs gebruikt als begeleiding bij kaasgerechten of in sommige nagerechten.
Polders : bloemige aardappel die zoals het woord het zegt in poldergrond gekweekt wordt.
Pontekoek: Typisch Antwerps woord voor peperkoek . Komt van de uitdrukking pondkoek, die dan weer komt van het Engelse “pound cake”. Van alles evenveel. Frans : quatre-quart.
Potjesvlees : specialiteit uit de westhoek. Een geleibereiding waarin de 3 ka’s ( Niet K3 ) zijn verwerkt; kip, kalf en konijn (Alhoewel misschien toch ). Dit wordt gekookt , het kookvocht gebonden met gelatine en lichtjes aangezuurd.
Potverdoemmeke: roggebroodje, altijd met rozijnen.
Praniel : praline, een bonbon. Eén van België’s paradepaardjes. De verkeerde uitspraak wordt in vele Vlaamse streken gebruikt.
Prinske : een kleiner model bierglas van de brouwerij De Koninck. Wordt gebruikt om De Koninck van een flesje in te serveren.
Proper : zuiver, net !
Pulfricas : kan zowel kippen als kalfsvlees zijn dat verwerkt werd tot een blanke ragout. Komt van : poulet fricassée…in stukjes gesneden kippenvlees. Ook het Nederlandse poelet stamt hiervan. Dialect van de Antwerpse kempen.
Puddingpoeder : custardpoeder. Zetmeel met kleurstof en vanille – aroma.
Oplossen in wat koude melk en bij kokende melk met suiker gieten om te doen binden.














