Aardappelbloem: aardappelzetmeel, werd vroeger en nu nog in België veel gebruikt als bindmiddel voor sausen en vleesbereidingen.
Ajuin: Ui, ook juin, andjoen, wordt ook wel verward met sjalot. De inwoners van Aalst in België worden ajuinen genoemd. Arjuinsaus of sjalottensaus werd veel gegeten in Vlaanderen.
Américain préparé: term waarvan de oorsprong absoluut nog niet achterhaald is. Bestaat uit gehakt rauw rundvlees met gehakte ui, kapertjes, peterselie, Worcestersaus , eigeel of mayonaise en wat mosterd. Altijd geserveerd met frieten. In Nederland : Tartaar!
Aperitieven : borrelen. Een aperitiefje drinken voor de maaltijd, soms ook wel eens zonder maaltijd, soms ook wel eens wat meer dan één. Liefst met enkele hapjes erbij.
Appelbollen : worden speciaal gebakken op verloren maandag, dit is de maandag na 6 januari, het feest van de drie koningen. Vooral in Antwerpen wordt dit gebruik zeer in ere gehouden. In elke zich respecterende herberg, café of kroeg, is er voor de mannen een worstenbrood en voor de vrouwen is er een appelbol voorzien; gratis !
Beide baksels bestaan uit een soort gerezen bladerdeeg met ofwel een appel ofwel een worst gemaakt van varkensgehakt.
Appelkok: Oud Antwerps woord voor een witte perzik.
Appelsien : sinaasappel, appel van China…
Appelspijs : appelmoes, ook wordt er moes gemaakt van abrikozen, rabarber, pruimen of van andere zachte vruchten. Men spreekt ook van amandelspijs maar dat is weer wat anders. Spijs is moes, plat geklopt tot spijs…
Arjuin : een dialectvorm die niet overal voorkomt maar wel in de Kempen. Vele andere woorden werden uitgesproken met deze overtollige “R”..
Arzijn : zie arjuin
Babbelaars : karamellen, meer algemeen ; allerlei snoepjes. Zie ook; warme rek.
Babbelutten : snoepgoed gemaakt van kandijsiroop (stroop) en waarschijnlijk ook boter. Babelutten werden en worden veel verkocht aan de Belgische kust. Veurnse babelutten zijn gemaakt in Veurne.
Baguette , baget : verbastering van het Franse woord “Baguette”, deze broden worden nu veel gebruikt om er belegde sandwiches of belegde broodjes van te bereiden. Zijn meestal voorgebakken broodjes die “ à fur et à mesure” afgebakken worden ttz als het nodig wordt er gebakken zodat er steeds zeer verse broodjes in voorraad zijn. Over de kwaliteit van deze broodjes zal er nog veel inkt vloeien ! Wordt in Nederland veelal stokbrood genoemd .
Ballekes : tomatensoep zonder “ballekes”, is ondenkbaar voor de Vlaming. Het zijn kleine, zeer kleine zelfs, balletjes van varkens of kalfsgehakt afzonderlijk gaargekookt en worden op het einde van de bereiding van de soep er aan toegevoegd. Ietwat groter worden ze gebakken en opgediend met compote van krieken of met lekkermetten of in tomatensaus.
Hele dikke “ballekes” noemt men bouletten. Boulette = bolletje.
Barbe à papa : suikerspin, vooral verkocht op markten en kermissen. Suikerdraden op een stokje. De draden kleven al snel in je haar en gezicht.
Blackpan: Door de scheepskok in een grote pan bijeen gebrachte en opgewarmde restjes van de maaltijd . ( Vroeger bestemd voor de “dokwerkers” = havenarbeiders . ) : Een kliekjespan of prakjespan met inhoud . Het woord “ Black” komt van de kleur die de pan langs de buitenkant heeft .
Beenhouwer : slager. Slachter, wordt ook gebruikt, maar dat is eigenlijk de persoon die dieren naar de andere kant helpt.
Bees : een bes, bijvoorbeeld aardbei, kruisbes, aalbes enz…Kan ook een zoen betekenen en zelfs nog wat meer… van het Franse “baise” : kus…
Belgische brol : gehaktballen
Bertennestjes : vis gefruit in een frituurdeeg. Wordt koud verkocht op markten.
Bitterpeeën : cichorei, gebrande wortels van de cichoreiplant, zeer lang een populair surrogaat geweest voor koffie. Tijdens de jaren vijftig werd koffie zelfs half om half gemengd met bitterpeeën.
Blauwkoppen : asperges die de zon gezien hebben en daardoor een blauwe top gekregen hebben.
Blinde vinken : een dun sneetje, bij voorkeur kalfsvlees , gevuld met hetzelfde gehakt. Word met een touwtje dichtgemaakt. Ook vogels zonder kop genoemd. Of gewoon : vinken!
Bloas oat : gebakken eiwitschuim. Meringue. Liers dialect en omgeving.
Bloemsuiker : poedersuiker, steeds gemengd met 3 % zetmeel om het klonteren tegen te gaan.
Boekske : kan een ijsje zijn tussen twee wafeltjes maar ook een tompoes of tom-pouce, dus een bladerdeeg gebakje waartussen een laag banketbakkersroom zit.
Boerentenen : pronkboon, Spaanse boon. Dikke boon, veel gebruikt om soep van te maken, met tomaat. Niet te verwarren met tuinboon.
Boerreke : een bierglas gelanceerd door Maes - pils. Een elegant glas voor dames.
Bokking : gerookte haring. Het woord bok…komt van beuk, het ideale hout om vissen over te roken.
Bolleke : een typisch Antwerpse uitdrukking. Het bier van de brouwerij “De Koninck” word in diepe kuipglazen geserveerd, dat zijn bollekes. Een ander bier in hetzelfde glas is geen bolleke. Zie ook prinskes, fluitjes…
Bollekes : een hard snoepje. Kan van allerlei aard zijn. Ook babbelaars.
Boning : een gezouten en gedroogde wijting. Ook zijn er “gedroâgde ploâte”, dit zijn gedroogde scharren. Meestal vrij zout. Ze worden meegenomen naar het voetbal of in cafés gegeten bij bier om de dorst wat aan te wakkeren.
Boterhammenworst : een gekookte oranjerode snijworst van meestal laag allooi. Wordt gebruikt als broodbeleg. De slager geeft een dun sneetje ervan aan de kinderen die bij hem wat komen kopen of die gewoon met moeder zijn meegekomen.
Boterkoeken : diverse baksels, klein gebak, worden vooral gegeten op zondagmorgen.
Het zijn ook verplichte koeken bij “uitvaarten”en “begrafenisfeesten”. Ook koffiekoeken genoemd. Vrij zware maar lekkere gebakjes. Gemaakt van gegist bladerdeeg maar ook van zoet gistdeeg. Er bestaan vele versies; met banketbakkersroom, met appel, met “appelspijs” of “abrikozenspijs”, met frangipane, met rozijnen, bolussen, enz…
Botermelk : karnemelk; het product dat overblijft na het karnen van room. Nu niet erg meer gekend omdat er niet meer thuis gekarnd word. Wordt ook in het Frans, babeurre genoemd. Met volle melk en botermelk kon men “platte kaas” maken, zie aldaar.
Boterpistolets : zie bij ; pistolet. Boterpistolets bevatten boter en worden na het bakken glanzend. Gewone “vloerpistolets” zijn mat.
Bouletten : zie frikadellen.
Boulogne : soort salami gemaakt van paardenvlees en daardoor donker van uitzicht.
Boulogne is niet rond maar vierkant. In Gent “bloende” genoemd. Zie ook pepersosies.
Brokkenpap : pap die vroeger gegeten werd, vooral bij de landbouwers. Bestond uit gekookte melk met daarin diverse “brokken”. Dit kon zowel oud brood zijn als stukken beschuit of zelfs deegwaren zoals macaroni. Komt een beetje overal voor. Een verhaaltje gaat dat er een kikker in de pap sprong terwijl iedereen aan tafel zat en de boer de kikker opschepte en zegde dat het een rare brok was maar hem wel opat…
Dit soort pap is in Oost-Vlaanderen en blijkbaar ook in Nederland en West-Vlaanderen gekend als een aardappelpuree met sla of andijvie of zuring…In de West-Vlaamse “taatjespap” gaat er zuring en karnemelk.
Bruin brood : niet wit brood. Met zemelen of ongebuild meel.
Bruine paters : een soort “spek” omhuld met een dun laagje chocolade. Zie :spek.
Bruine suiker : cassonade, kandijsuiker, enz. Het is moeilijk om uit te maken wat eigenlijk wat is..Het product in België nog steeds zeer populair om over pap, pannenkoeken, wafels, rijstpap en dergelijke te strooien. Nu veel gebruikt op “crème brulée”. er bestaat ook een lichtkleurige versie; meelsuiker, “kinnekenssuiker” of zoiets genoemd…soms met een zeer specifieke smaak. Elke suikerraffinaderij heeft haar eigen product.
Brusselse straatloper : gebraden kip wordt werd wel eens op het menu vermeld onder deze naam. de Brusselaars worden in België “kiekefretters” genoemd.
Buikspek : speklappen