Naar de inhoud

HUISMUJE'S TRIESTE JEUGD

IK HEB GEEN SPIJT VAN DE DINGEN DIE IK DEED!
ENKEL SPIJT VAN DE DINGEN DIE IK NALIET TE DOEN!
akke.beakke.be

Archief

MIJN EEUWIGE NOODLOT.

Alles liep weer op rolletjes... in zoverre er rolletjes aanwezig waren in mijn leven dan toch.
Een ideale situatie was het niet, maar ik stelde mij er tevreden mee.
Door de week overdag werken op de fabriek en 's avonds naar de kamer van Mon. Elke vrijdagavond werken in het café in het statie kwartier en om de twee weken 's zaterdags op bezoek bij mijn pleegouders. Wel elke zaterdag naar mijn Moederke natuurlijk want die kon ik geen twee weken missen.
Op zondag soms helpen in het restaurant, anders lekker onderuit gezakt een boek lezen of luisteren naar muziek.
Lezen was mijn favoriete bezigheid want ik had er vrijwel nooit de kans toe gekregen
Boeken waren er in het huis van mijn pleegouders niet en voor de bibliotheek kreeg ik geen geld. Uiteraard!
Het enige leesvoer waren de kinderboeken en stripverhalen van mijn pleegbroer of de week en maandbladen van mijn pleegmoeder.
(Jaren later kon ik merken ik dat mijn pleegvader ook een verwoed boeken lezer was. Toch gedurende zijn leven samen met mijn pleegmoeder heb ik hem nooit een boek weten vasthebben. De krant was al wat hij toen las, en dan most dat nog op de wc gebeuren, anders was het boel.)
Ik was mijn gezapige leventje al danig gewend toen de zoveelste tegenslag als een donderslag bij heldere hemel uit de lucht kwam vallen.

Op een dag werd ik op de fabriek omgeroepen omdat er telefoon voor me was.
Dat was al heel uniek want ik bezat zelf geen telefoon, mijn pleegouders ook niet, en Mon telefoneerde enkel op zondag naar het restaurant. Als hij al telefoneerde want dat scheen super duur te zijn en ook niet altijd mogelijk van op zee.
Maar het was de baas van het restaurant zelf die me belde met ontstellend nieuws.
Of ik onmiddellijk kon komen want er was brand uitgebroken in de keuken van het restaurant. Onze kamer lag daar vlak boven.
Of er iets was dat hij zeker uit de kamer moest redden?
Ja, mijn brieven! Ik vertelde hem waar hij ze kon vinden. Raar aan wat op zulk moment denk, en aan  wat je vergeet te denken.
Die brieven was mijn hoogste prioriteit. Dat ik ook nog een som geld in de la had liggen kwam op dat moment niet in me op.
Toen werden lonen nog cash uitbetaald. Zichtrekeningen bij de bank waren voor ons gewone arbeiders vrijwel onbekend.
Trouwens, ik zou in die tijd toch geen rekening hebben kunnen openen wegens minderjarig.
Maar ik dacht niet aan het geld, enkel aan mijn brieven. Gelukkig vond de baas ook mijn geld in de la.
Ik vertelde aan de baas van de fabriek wat er gebeurd was en mocht meteen stoppen met werken.
Maar het duurde nog bijna een uur voor ik aan onze kamer aankwam.

Daar aangekomen kreeg ik een hallucinant beeld voor ogen.
Een massa volk op de straat, brandweer en politieauto's, de straat onder water, een vieze brandgeur en een hoop rook.
(Ik kan mij die brandgeur nu nog voor de geest halen).
Op de stoep voor het restaurant lag een wirwar van meubelen en huisraad die gered waren geworden.
Het duurde even voor ik de baas tussen de ramptoeristen vond. (Hij moest mij de doorgang toezeggen want de politie hield mij tegen en ik kon en mocht natuurlijk niet zeggen dat ik daar woonde).
Met begeleiding van een brandweerman mocht ik dan toch naar de kamer om wat spullen te halen.

De kamer was om te huilen, alles  zag zwart van de rook, het water liep van de murenen het behang hing in flarden naar beneden.
Men gaf mij enkele kartonnen dozen en ik pakte zo goed en zo kwaad als het kon zoveel mogelijk van onze spullen in. Maar veel was onze kleding niet meer waard, alles stonk naar de rook en die geur het is er ook nooit meer uitgegaan.
De eigenaar had ook reeds de waardevolste spullen van Mon, zoals meet materiaal, studieboeken en waardevolle souvenirs meegebracht van zijn reizen, uit de brand gesleept.

Maar wat moest ik nu? Waar moest ik slapen?
En waar moest ik die spullen opbergen? De brieven, mijn geld?
Maar mijn Moederke bracht nog maar eens redding, ik kon alles bij haar bergen, enkel een slaapplaats had zij niet voor mij, ze had zelf drie grote kinderen, elk met een lief. Het was daar in het kleine appartement boven het café al overbevolkt.
Dus ging ik node nog maar eens aankloppen bij mijn pleegouders.
Het ging hen niet van harte, maar in feite hadden zij geen andere keuze dan mij weer op te nemen.
En zo was ik weer terug bij af!

©Huismusje

SNELTREINVAART

Mijn negentiende verjaardag ging voorbij zonder noemenswaardige feiten. De daarop volgende maanden echter zouden voortrazen met een sneltreinvaart.
Allereerst kreeg ik bericht dat Mon zijn reis zou onderbreken wegens de brand. Hij moest enkel wachten tot zijn plaatsvervanger aan boord was. En ik wachtte vol ongeduld op hem.

De laatste tijd zat ik vaak afwezig te dromen. Ik merkte weinig of niets van mijn omgeving en dat was ook maar best zo. De noodgedwongen logeerpartij bij mijn pleegouders was zoals vanouds immers geen pretje. Ik kon voor mezelf die droomtoestand echter niet verklaren. Meestal was ik immers de nuchterheid zelve.

Ik werkte op een koffiebranderij.
Wanneer ik iets te vroeg was dan stapte ik een halte vroeger van de tram en wandelde op mijn gemak naar de fabriek toe.
Je hoefde enkel je neus te volgen om de fabriek te vinden want de geur van gebrande koffie kwam je al van ver tegemoet. Het een geur die mij anders niet meer opviel, maar nu nam ik hem duizendmaal meer waar en ik vond hem hoe langer hoe onaangenamer.
Die geur werd zo onaangenaam dat ik er letterlijk kotsmisselijk van werd.
Eens ik op de fabriek was werd het er niet beter op,.en ik bracht het eerste uur dan ook meestal op het toilet door.

Toen Mon eindelijk thuis kwam bekeek hij me met pretlichtjes in zijn ogen.
" Jij bent zwanger" zei hij. Ik antwoordde dat hij getikt was.
Hoe hij het bij het eerste moment dat hij me zag kon weten is mij nu nog een raadsel. Maar hij had het wel bij het rechte eind.
Ik was zwanger!

©Huismusje

PUZZEL BIJNA AF (3)

Ik logeerde nog altijd bij mijn pleegouders wegens de brand. Ik was zwanger, maar dat vertelde ik hen niet. 
Ik kon daar gelukkig nog terecht, maar voor Mon lag het anders. Hij kon niet logeren bij zijn ouders wegens geen plaats. Zelf wou hij dat ook niet omdat hij al vele jaren vroeger uit zijn ouderlijk huis was gegaan. Eerst naar de zeevaartschool en daarna op kamers. Die jarenlange zelfstandigheid kon en wou hij niet opgeven.  En ook al omdat hij niet zo best kon opschieten met zijn vader. Dat een echte despoot, één wiens woord wet was en at botste vaak. (Wat trouwens niet afdeed aan het respect dat hij voor zijn vader had, maar toch). Dus was de oplossing een woonst zoeken waar wij ons konden settelen met het nakende huwelijk in het vooruitzicht.

Een woonst zoeken en vinden zou vlug moeten gaan. Ik had overdag geen tijd om te zoeken. Mon had dan wel verlof aangevraagd en gekregen, maar dat zou ook niet eeuwig duren.
Ik at mijn dagelijkse warme maaltijd op de fabriek. Goedkoop en erg lekker bovendien. Maar Mon ging 's avonds bij zijn ouders eten en dat waren ook verloren uren.
Ten eerste had hij een bloedhekel aan de manier waarop zijn ouders bleven proberen hem op andere gedachten te brengen wat ons huwelijk betrof. "Samenwonen kon toch ook en zou goedkoper zijn wanneer het mis liep in onze relatie...etc".
Gelukkig voor mij stond zijn besluit vast. Wat ik anders zou gedaan hebben weet ik niet.
Bovenop al mijn ellende ook nog eens alleenstaande moeder zijn.
Trouwens het waren toen andere tijden en het zou allemaal niet zo simpel verlopen zijn zoals nu.
Heel waarschijnlijk was ik in die tijd terecht gekomen in een tehuis voor ongehuwde moeders. Wat er dan van mij en mijn kind zou geworden zijn, daar durf ik niet aan denken.
Dat was echter nu niet aan de orde want Mon trof alle voorbereidingen voor ons huwelijk.

Hij vond een benedenverdieping in Deurne.
Het was niets bijzonder maar het voldeed tot we wat beters vonden.
Nu was het enkel nog kwestie van het te bemeubelen.
Op mijn pleegouders moesten we niet rekenen om iets te krijgen en mijn vorige inboedel waar ik zo hard voor gespaard had was in beslag genomen door de ouders van R.
Maar met kleine beetjes werd ons stekje toch gevuld.
Kieskeurig waren we niet en we hadden ook niet veel van doen.
Zo kochten we links en rechts wat tweedehands spullen.

Waar ik wel op stond was dat alle baby spullen nieuw waren.
Achteraf beken misschien niet zo slim van mij maar zo ben je als je jong bent en voor de eerste keer moeder wordt.
En het moest dan ook nog eens het beste van het beste zijn! Met minder nam ik geen genoegen.
Zo had ik een prachtige kinderwagen gezien, de Rolls-Royce onder de kinderwagens. Die zou en moest  ik hebben.
Dat ik daarvoor nog niet toekwam met een maandloon maakte mij ietwat kregelig.
Mijn gedachten gingen daarbij naar het geld van de verzekering die mijn pleegouders hadden opgestreken.
Geld dat mij toekwam en geld dat ik nu goed zou kunnen gebruiken.
Meer en meer had ik moeite om hen dit alles voor de voeten te gooien.
Om hen te confronteren met wat ik wist en de brieven als bewijsstukken onder hun ogen te brengen.
Maar Mon weerhield mij daarvan. Hij verwees naar het gesprek dat we gehad hadden met zijn vriend, de rijkswacht commandant.....
Wordt vervolgd...

©Huismusje

DE RIJKSWACHTCOMMANDANT

Het gesprek met de rijkswachtcommandant en goede vriend van Mon, verliep in een heel gemoedelijke sfeer.
Ik ging er wel naartoe met een heel klein hartje want ik had in het verleden immers niet zo'n goede herinneringen aan politiemannen en rijkswachters.
Die enkele keren dat ik met hen te maken kreeg had dat trieste gevolgen gehad voor mij.
En dan ook nog al die keren dat ik als klein meisje de straat werd op gesmeten door mijn pleegmoeder en waarbij ze zei dat de politie mij wel zou oppakken en wegsteken, en dat in mijn tienerjaren ook werkelijk gebeurde. Dat alles maakte dat ik geen vertrouwen had in het blauw. De politie was niet mijn vriend.

Maar nu was ik bijna volwassen, hoewel nog niet meerderjarig. Het gevaar was heel reëel dat men me alsnog kon plaatsen in een of ander gesticht. Die angst zat diep ingeworteld en dat kon Mon niet uit me praten. Maar mijn angst was totaal overbodig, de bevriende rijkswachtkommandant stond ons heel vriendelijk te woord. En hij had ook al wat voorbereidend werk verricht.

De man liet ons weten dat de verzekering dik in de fout was gegaan. Zij hadden dat geld nooit aan mijn pleegouders mogen uitbetalen, ook al stond de polis op hun naam.
De verzekering had twee mogelijkheden gehad, ofwel het geld aan mijn wettelijke moeder uitbetalen (iets dat ook geen goede optie was geweest), ofwel het geld beheren tot ik meerderjarig was geworden om het vervolgens aan mijzelf uit te betalen.
Dat was wat de wet vertelde.
Een derde mogelijkheid was om mij meerderjarig te laten verklaren, maar die procedure zou veel tijd in beslag nemen en overbodig zijn daar ik automatisch meerderjarig zou worden na mijn huwelijk.Maar hij zou alles in het werk stellen opdat ik alsnog mijn geld zou krijgen.


Om te beginnen zou hij meteen de verzekeringsmaatschappij aanschrijven en de Procureur des Koning (mijn wettelijke voogd) op de hoogte stellen.
"Binnen dit en een maand ga je van één van beide horen" zei hij.
En ik dacht; "O-ye, dan gaan ten huize van de poppen weer aan het dansen...dan zou ik moeten bekennen dat ik die brieven in mijn bezit had...en de procureur, die gaat mij zeker weer doorverwijzen naar mijn jeugdrechter... en die op zijn beurt...
maar de commandant onderbrak mijn negatieve gedachtegang en stelde mij gerust.
Ik zou zo vlug mogelijk in onze woonst intrekken. De jeugdrechter zou mij daarbij geen duim breed in de weg leggen mij niets meer maken daar ik zwanger was en er een huwelijk zou volgen, temeer daar hij voor dat huwelijk al zijn fiat had gegeven.
Het was dus voor mij enkel bang afwachten tot de dag van de confrontatie.

©Huismusje

MIJN TRIOMF

Op een dag was het dan zover en gingen de poppen  aan het dansen.
Het was een gewone weekdag voor velen, maar in mijn herinnering zal hij altijd bijzonder blijven.
Om wat voor reden ik die dag niet gaan werken was weet ik niet meer, maar al bij al was het goed dat ik die dag in het huis van mijn pleegouders was.

Er werd gebeld en ik ging opendoen. Voor mijn neus stond J.
J. was de verzekeringsagent.
Om de hoek van onze straat was in die tijd nog een ziekenfondskantoor.
J was daar loketbediende maar na zijn uren verkocht hij verzekeringen.
Hij was een grote struise man met kalend voorhoofd en dikke grijze krullen op de rest van zijn schedeldak.
Ik moest de man niet. Steeds wanneer hij de kans schoon zag maakte hij altijd van die dubbelzinnige opmerkingen tegen elke vrouw die voor zijn loket stond.
De man beantwoorde volledig aan het gezegde: "Gekrulde haren zijn gekrulde zinnen."

Ik liet hem in de woonkamer en mijn pleegmoeder keek heel verwonderd op. Hij stak meteen van wal:
Ik heb slecht nieuws voor jullie...het verzekeringsgeld van de juffrouw hier is onterecht uitbetaald aan jullie... jullie moeten het volledige bedrag terugstorten aan de maatschappij binnen de dertig dagen...anders zul je door de maatschappij worden aangeklaagd wegens fraude... ik kom het jullie maar even  persoonlijk zeggen... maar er zal nog een aangetekend schrijven volgen één dezer dagen.
Zo min of meer ging dat gesprek.

Mijn pleegmoeder kreeg alle kleuren van de regenboog en zakte ietwat beduusd neer op haar stoel.
"Hoe, wat en waar" hoorde ik haar stamelen. Ik zweeg in alle talen maar zette mij schrap tegen wat eventueel zou kunnen volgen. En het kwam.
J. liet weten dat ik klacht had neergelegd omdat ik meende recht te hebben op het geld. En terecht, liet hij er op volgen.
Jullie hadden nooit die claim mogen ondertekenen met jullie naam, ging J.verder. Mij treft geen schuld want ik was niet van op de hoogte dat de juffrouw niet jullie wettelijke dochter was.
(Zo dekte hij zich meteen in natuurlijk, maar in feite was zijn bewering een grove leugen want hij was als loketbediende van het ziekenfonds wel degelijk al jaren op de hoogte van de situatie. Maar ja, net als zovele anderen al die jaren daarvoor, bemoeide hij zich liever niet en deed alsof zijn neus bloedde.

Nadat J verdwenen was bleef mijn pleegmoeder perplex op haar stoel zitten.
Ik wilde mij zo vlug als mogelijk uit de voeten maken, maar dat was buiten de waard gerekend.
Plots barstte zij los en vraagde hoe ik wist van dat geld en hoe de verzekering op de hoogte was van de feiten?
Ik biechtte alles eerlijk op. Met veel schrik maar ook een beetje triomfantelijk omdat ik haar eindelijk te baas was. Omdat ik haar eindelijk kon laten voelen dat zij niet meer kon doen met mij wat ze al die jaren had gedaan.

De scheldpartij die daarop volgde was er een van groot kaliber. Ik was een dief... een achterbakse teef.. een ondankbare rotzak... en nog zoveel meer.
Plots sprong ze op mij af, maar ik had dat verwacht en zien aankomen. Toch was ik nog net niet vlug genoeg om mij uit de voeten te maken.
Zij sloeg, beet, stampte en stompte waar ze mij maar raken kon. Ze sleurde mij bij mijn haren de ganse kamer door.
Maar ik liet mij niet meer doen... ik sloeg ongenadig en hard terug.
Het werd een vrouwen gevecht in regel, twee woeste tijgerinnen die vechten bij het leven.
Een klein moment was ik haar te baas en vluchtte naar buiten.
Nog maar eens...voor de zoveelste keer liep ik noodgedwongen de straat op.
Maar ditmaal wist ik waarheen... ditmaal zou ik geen uren meer doelloos moeten ronddolen... niet wetend van welk hout pijlen maken.

'k had ondanks de slagen die ik nog maar eens had moeten incasseren een goed gevoel.
Het was een gevoel dat mij bewust maakte van mijn zijn. Dat ik iemand was waar men rekening mee moest houden.
Ik had gezegevierd tegenover een jarenlange onderdrukking. En het voelde zo heerlijk!

En dat triomferende gevoel heb ik behouden tegenover mijn pleegmoeder tot op de dag dat ze stierf.

©Huismusje

EINDELIJK TOEKOMST

Voor de tweede keer in mijn leven woonde ik op mijn eigen stekje en had ik mijn eigen spulletjes.
Veel was het niet. In tegenstelling tot nu had ik toen nog veel ruimte over.
Wel hadden we een spiksplinternieuwe en moderne slaapkamer gekocht.
De baby spulletjes waren ook allemaal nieuw want daar stond ik op.
Voor de rest waren het meestal tweedehands  meubeltjes, maar nog wel heel mooi.
Een tv toestel hadden we niet en het radiotoestel kon je met recht en reden antiek noemen Maar er kwam geluid uit en dat voldeed voor ons. En dan was er ook nog de bandopnemer van M. Zo een groot en zwaar bakbeest waarvan het deksel dienst moest doen als luidspreker en met banden die bijna zo groot waren als een rol  pelliculefilm. (Op een van die banden had M. een live optreden staan van Edith Piaf in het Olympia in Parijs. Niet nodig zeker dat ik vertel dat ik die grijs gedraaid heb)!
Maar waar ik bijzonder fier op was dat was op mijn telefoontoestel. Het was er nog een van bakeliet   met een draaischijf en loodzwaar in vergelijking met de toestellen van nu.
Het was mijn allereerste telefoonaansluiting. Van Belgacom kreeg ik toen tien voorgedrukte kaartjes met onze naam op en telefoonnummer. Goh, wat voelde ik mij rijk en voornaam!
Het toestel werd dan ook liefdevol ingepakt in zo'n fluwelen hoesje met aan het afdekplaatje van de draaischijf een kwastje.
Oerlelijk vind ik nu, maar toen vond ik het prachtig.

Minpunt van dit alles was dat ik nog steeds officieel ingeschreven stond op het adres van mijn pleegouders en dus al mijn briefwisseling naar daar ging.
We zaten we nog steeds te wachten op een toelating van de rechtbank om te mogen trouwen.
Dat vroeg van mij enorm veel geduld en als je jong bent heb je dat niet. Trouwens, met gebrek aan geduld kamp ik nu nog steeds, :-)
Mijn pleegouders deden er meestal het zwijgen toe wanneer ik achter mijn post kwam. Het was koude oorlog tussen ons, maar bij mijn weten hebben ze nooit een brief achter gehouden, ik denk dat ze dat niet meer aandurfden.

Jaren later zei mijn pleegmoeder mij eens dat ik mij in die periode zeer hautain gedroeg tegenover haar, en ik wil haar daar best in geloven. Want het feit dat ze mij niets meer konden maken deed mij zweven.

En op een dag was het dan zover, de brief van de Procureur des Koning met de toelating voor ons huwelijk viel eindelijk in de bus.
Maar voor ik die bewuste brief in handen had moest ik eerst weer een aanslag plegen op mijn geduld.

Het was een aangetekende zending. Het was een grote en dikke bruine briefomslag. Mijn pleegmoeder die niet wist wat de inhoud van die zending was, ik ook niet trouwens op dat moment, wilde eerst die zending zelf gaan ontvangen op het postkantoor. Maar ze kreeg het niet zonder mijn paspoort of volmacht en daar was ze spinnijdig voor geworden op het postkantoor.
Nu wou het toeval dat diezelfde loketbediende een vaste klant is van het café van mijn Moederke. En natuurlijk vertelde hij het ganse gebeuren. hij doet mij het relaas.
Ik dus sito presto naar mijn pleegouders om die zending te gaan ophalen. Eerst gebaarde mijn pleegmoeder van kromme haas, maar toen ik haar zei wat de postbeambte me had vertelt, gaf ze mij het bewijs. Puur getreiter was het van haar, maar ook totaal verloren moeite. Ik had de lijvige brief in handen.

  De zending was bijna een half wetboek en stond vol met artikels sus en zoveel van het Belgische wetboek. Maar wat ons het meest interesseerde was  het prachtig opgemaakte document met aan de onderkant een resem stempels en enkele mooie zwierige handtekeningen waaronder een van onze toenmalige koning himself.
Ik heb spijt dat ik dat document niet meer bezit doordat we het bij onze ondertrouw moesten afgeven.

Op een van de andere papieren stond te lezen dat wij verplicht waren om een eenmalige aangetekend schrijven te richten aan mijn biologische moeder met daarin datum en uur van de ondertrouw, samen met een uitnodiging om daar te verschijnen. Maar dat was puur protocollair want ook zij kon ons niets meer in de weg leggen.
Ik stak (pochen) ons naamkaartje met telefoonnummer bij in de aangetekende zending.
Nooit gedacht dat we antwoord zouden krijgen... maar dat kregen we dus wel.
Mijn moeder liet via de telefoon weten dat wanneer we haar met de auto kwamen ophalen zij haar handtekening zou zetten. En hoewel haar handtekening totaal overbodig geworden was, zijn we haar toch gaan ophalen. Omdat ik haar nog eens wou zien. Omdat ik misschien een verklaring zou krijgen van het vroegere gebeurde. Omdat ik hoopte dat we verder zouden kunnen gaan als moeder en dochter.
Maar het was ijdele hoop want ze bekeek ons amper en sprak onderweg geen woord. We hebben haar dan ook stilzwijgend weer aan haar deur afgezet, Diezelfde deur waar ik jaren gelden  met een kloppend hart mijn vinger op de bel drukte en haar voor de allereerste keer zag staan terwijl ze de ramen stond te lappen. Trouwens dat beeld komt me nu na zovele jaren nog steeds voor ogen wanneer ik aan haar denk.
Ik zal wel nooit weten waarom ze gekant was tegen mijn huwelijk.

Maar eind goed, al goed, we konden een datum vastleggen en we konden vooruitkijken.
De huwelijksdag zou 7 december worden. We hadden niet veel tijd meer om alles te regelen, ik was ondertussen vijf maand zwanger.
Maar ik kon eindelijk vooruit blikken. Na bijna twintig jaar een aaneenschakeling van leed, miserie, narigheden en trieste gebeurtenissen te hebben doorlopen, had ik eindelijk toekomst perspectief.


PS: Buiten enkele nabeschouwingen is dit het einde van mijn jeugd verhaal.
©Huismusje

PUZZEL COMPLEET (1)

Dinsdag 7 december 1971, een doodgewone. Voor mij echter een heel speciale dag waar ik lang naar uitgekeken had.
Vandaag was onze huwelijksdag. Straks zou ik vrij en onder het juk van mijn pleegouders vandaan zijn.

Een koude regendag, grijze wolken en geen straaltje zon te bespeuren
Geen bloemen op onze huwelijksdag. Er waren zelfs geen aankondigen verzonden. Enkel mondeling was er een enkeling op de hoogte gebracht. Het was zeker geen huwelijk zoals elk jong meisje in gedachten heeft. Geen tijd voor een goede voorbereiding, teveel problemen moeten oplossen.

Twee getuigen en de ouders van Mon met zijn jongste zus. Mon in een gewoon blauw pak, ik in een donkerbruine wintermantel. Niemand die in ons een bruidspaar zou herkennen.
Dat zag men trouwens in het gemeentehuis van Deurne ook niet in ons. Toen wij aankwamen, met onze eigen auto en een taxi voor mijn toekomstige schoonouders, waren de poetsvrouwen de trappen van de inkomhal aan het poetsen. Men verbood ons de toegang en toen we zeiden dat wij kwamen om te trouwen werd er duchtig gevloekt want men was dat vergeten te melden. Ook de schepen van de Burgerlijke stand wist van niets, hoewel we toch al zes weken in het 'kastje' hingen. Pas, nadat we zeker een halfuur op de trappen hadden staan wachten, kwam die man op zijn duizenden gemakken  aan gewandeld.
Mijn toekomstige schoonvader had een fototoestel om zijn nek hangen, en het eerste en enige dat de ambtenaar ons wist te vertellen was dat er geen foto's mochten getrokken worden in de trouwzaal of in het gemeentehuis. Want dat recht was verpacht  aan een vaste fotograaf. Geen blik, geen hand of excuses naar ons toe.
Mijn schoonvader, niet gewend van gedwarsboomd te worden, begon de man meteen zijn gedacht te zeggen: "Niemand kan mij beletten om foto's te maken van het huwelijk van mijn enige zoon!" Maar dat konden ze dus wel. Men waarschuwde hem dat men zijn toestel in beslag zou nemen en dat men hem zelfs zou verwijderen indien nodig.
"Wilden we wachten op de bevoegde fotograaf?" Ja, dat zouden we dan maar doen, en we mochten nog eens twintig minuten wachten, dit keer in een lege trouwzaal.
Leuk begin!

De getuige van Mon was uiteraard zijn beste vriend Gabriël, voor mij was dat mijn pleegvader, en dat kwam zo...
Yvonne ( uit mijn vorige verhalen) zou mijn getuige zijn, maar twee dagen voor ons huwelijk moest zij opgenomen worden in het ziekenhuis. Yvonne stierf op 13 januari 1972 aan longkanker.
Dat maakte dat ik weinig keuze had. Mijn schoonmoeder weigerde want was tegen ons huwelijk, idem dito zijn zusters. Mijn Moekerke deed voor ons een feestje en zij had haar zaak, het was voor haar te kort dag. Bleef dus over één van mijn pleegouders. Radeloos ging ik het hen maar vragen, maar mijn pleegmoeder, nog steeds razend kwaad voor de klacht die ik had neergelegd wegens hun onterecht ontvangen verzekeringsgeld, zei njet. Zij verbood het ook mijn pleegvader, maar voor de eerste keer in mijn en zijn leven, ging hij tegen haar in, en stemde toe.

Van de huwelijksvoltrekking weet ik nog weinig af, ik beleefde het als in een roes, gelukkig en verdrietig tegelijk.
Gelukkig omdat ik geloofde in een mooie toekomst. Verdrietig omdat ik familie miste, omdat ik mijn huwelijk zo helemaal anders had voorgesteld.
Wanneer we terug buiten stonden en Mon aan zijn vader vroeg om enkele foto's te trekken in het nabijgelegen park, weigerde hij. "Geen zin meer" murmelde ie.
Al wat hij nog wilde was een koffie gaan drinken in het café op de hoek en een taxi bestellen om naar huis te gaan.
Geen proficiat, geen omhelzing, geen "welkom in de familie meisje." Zelfs op die dag was ik ongewenst.
In het café speelde men op een bepaald moment het liedje van de Rightheous Brothers: "Unchained Melodie" en R nam me bij de hand en we dansten onder de verbaasde blikken van de kaarters en biljarders. Dit was onze huwelijksdans.
Ondertussen was de taxi voor mijn schoonouders gearriveerd en zij vertrokken zonder boe of ba.
Wij brachten eerst mijn pleegvader naar huis om daarna wat te gaan eten en drinken met Gabbe tot het tijd was om naar het feestje te gaan dat mijn Moederke voor ons gaf. Maar toen we stopten aan de voordeur van mijn pleegouders, wenkte mijn pleegmoeder ons om binnen te komen.....

(Wordt vervolgt)

©Huismusje

©Huismusje

PUZZEL COMPLEET (vervolg)

Toen mijn pleegmoeder teken deed dat we moesten binnenkomen, verwachte ik daar niets goeds van.
Maar groot was onze verbazing, ook die van mijn pleegvader (zeker die van mijn pleegvader) toen we de mooie gedekte tafel zagen.
Zij had broodjes en een taart gekocht. Eveneens had ze een mooi boeket bloemen gekocht voor me. En als geschenk kreeg ik een pakket bad en keukenhanddoeken en een mooi wit damasten tafelkleed.
Ik, nee wij vier liever, stonden perplex. Ze kon mij zo niet laten gaan, zei ze, niet met lege handen, ze werd als het ware heel emotioneel en ze wenste ons proficiat met drie kussen.

Na het eten ging de conversatie weer richting verzekeringsgeld, en Mon en ik stonden al gelijk in de startblokken om het hazenpad te kiezen.
Ik kreeg nog maar eens haar visie te horen over mijn verblijf bij hen.
"Hadden ze mij niet grootgebracht ...hadden ze mij ooit echt in de steek gelaten ...hadden ze mij niet steeds weer binnen gepakt.....en dit allemaal gratis"? Andere pleegouders zouden het hen niet zo gauw nadoen, want pleegouders worden betaald voor hun diensten, en zij hadden nooit wat gekregen!"
"Wacht maar tot jouw kind geboren wordt, dan zal je pas weten wat het allemaal kost". "Wij hebben nooit een eigen huis gehad, nooit een auto gehad".
Al wat ik eruit kon verstaan was dat hun gebrek aan materiële dingen allemaal door mij kwam. In mijn schoenen werd geschoven. Maar ik zweeg, ik wilde geen ruzie vandaag. Elke tegenwerping zou toch verloren moeite zijn.
Enige opmerking kon ik toch niet laten: "Ik had niet gevraagd om bij hen terecht te komen, ik had niet gevraagd om bij hen te mogen blijven, ik had simpelweg geen andere keuze gehad, zij wel."
Maar mijn pleegmoeder was er heilig van overtuigd dat zij een edele en onbaatzuchtige taak op zich had genomen en naar behoren had voltooit.

Plots haalde ze enkele brieven te voorschijn die moest ik lezen van haar, met o.a  een brief van een deurwaarder.
In die brief stond te lezen dat zij binnen een korte termijn het aan hen onterechte verzekeringsgeld moesten terugbetalen aan de verzekering of hun goederen zouden worden aangeslagen.
In weer een andere brief stond te lezen dat zij vervolgd konden worden voor fraude met gevangenisstraf tot gevolg.
Er volgde een grote jammerklacht.: "Wij hebben dat geld niet meer om terugbetalen....en wat een schande moeten wij dan doormaken....en je pleegvader gaat zijn werk verliezen, en dan hebben we niets meer....en wat gaat er dan van je pleegbroer worden,  ocharme........ik hang mij nog liever op".

Dit alles en nog veel meer kreeg ik over mij heen.
Ik kon dat alles ongedaan maken wanneer ik mijn eis teniet zou doen, wanneer ik mijn klacht zou intrekken, liet ze mij weten.
"Is dat niet je plicht na alles wat wij voor jou hebben gedaan"?
Ik keek naar mijn pleegvader en zoals gewoonlijk zei hij niets, maar hij leek mij nog kleiner te worden dan hij al was. Hij zat gebogen op zijn stoel, zijn blik bedroeft op mij gericht.Trouwens hij had de ganse dag al een zeer bezorgde blik gehad, dat viel mij nu ineens op.
En mijn hart brak voor deze man die al zijn ganse leven hard had geploeterd en er geen greintje respect of liefde had voor teruggekregen van zijn vrouw.
Nee, dat wilde ik niet, dat was het mij allemaal niet waard, en ik stemde toe om mijn klacht en mijn eis in te trekken. Gevangenisstraf had ik hen nooit toegewenst, noch het verlies van hun inboedel. Dat het allemaal zo'n proporties zou aannemen dat had ik mij niet kunnen inbeelden en had daar niet bij stilgestaan.
Meteen werd er briefpapier en pen boven gehaald. Het ijzer smeden als het heet is, moet ze hebben gedacht. Nou ja, dat was niet eens zo absurd natuurlijk, en ik stemde ermee in om alles te laten vallen waar ik in feite recht op had. Maar Mon stond erop om alles rustig te doen. Later.
Enige dagen later heb ik dan met behulp van J de verzekeringsagent officieel laten weten dat ik mijn eis introk. De bevriende rijkswacht commandant van Mon heeft de rest voor ons opgelost. Maar hij liet me wel weten dat hartstikke gek was. Maar ik heb er nooit spijt van gehad. Mijn gerust gemoed was me meer waard dan dat geld.  

Later, op het feestje die avond,  hadden Mon en ik onze eerste echtelijke kwebbels.* "Ze heeft je mooi ingepakt" zei Mon.  "Dure broodjes en taart zijn dat geworden!"
Maar ik zag het anders, ik had een zwaar schuldgevoel afgekocht, en ik kon hen en iedereen te allen tijde recht in de ogen kijken.
Ik kon met een zuiver geweten bouwen aan mijn nieuwe toekomst.
(* meningsverschil, woorden hebben.)

©Huismusje

EINDE VAN MIJN JEUGD (slot)

Ons huwelijk was zuiver een detail geweest. Hoewel ik het helemaal anders gedroomd had, net als elk ander jong meisje, maalde ik er niet om dat het anders gelopen was. Ik was gelukkig met het feit dat getrouwd was met de man die ik innig liefhad en die de vader van mijn kind (eren) zou worden.

Kort na mijn huwelijk ging ik in zwangerschapsverlof en zoals het toen nog min of meer de gewoonte was keerde ik na de geboorte van onze zoon niet meer terug naar de koffiebranderij, maar werd voltijds huisvrouw.

  Ik had dan ook alle tijd om mijn jeugdjaren te herdenken en alles rustig te overlopen. Nu ikzelf moeder zou worden besefte ik dat mijn jeugd voorgoed voorbij was.
In feite had ik nooit een jeugd gehad.
Och ja, er waren enkele mooie herinneringen. Zoals  de vakanties met het "'t Pleintje" bijvoorbeeld. Dit  enkel en alleen dank zij het kordate optreden van de onderpastoor, Menner Heylen, tegenover mijn pleegmoeder. Daar tegenover stonden dan weer andere vakanties waarbij ik als elfjarig kind  dienstmeid moest gaan spelen in een joods gezin, zogezegd om de onkosten te vergoeden van mijn verblijf bij mijn pleegouders. En op nog jongere leeftijd tomaten moest plukken bij de toenmalige  naburige boer.
Ook een leuke herinnering was de periode dat ik majorette was in de harmonie. Ik beleefde er mijn eerste kalverliefde.
Later zou ik dan via diezelfde harmonie mijn eerste grote liefde leren kennen Maar dat bracht uiteindelijk ook het eerste grote liefdesverdriet.
Nader bekeken en welbeschouwd waren mijn kind-en jeugd-jaren een grote treurnis geweest.
Een grote "stuggle for life". Mijn hoofd boven water houden om niet te verzuipen onder de kwellingen van mijn pleegmoeder en de laksheid van mijn pleegvader.
Vaak heb ik er de brui willen aan geven, tweemaal er effectief ook een poging toe gedaan.

Maar dat was nu allemaal voorbij. Ik stond aan een nieuw begin. Het begin van een toekomst die er heel rooskleurig en veelbelovend uitzag,
Eindelijk had ik mijn leven in eigen handen. Ook al bleek dat achteraf heel relatief te zijn. Je kunt tenslotte je noodlot niet ontlopen heb ik moeten ondervinden. Ach er is nog zoveel onheil, onrecht, en verdriet op mijn weg gekomen. Zoveel waar ik tegen vechten moest.
Zoveel waarover ik gestruikeld ben en diep over in de put heb gezeten. Maar dat kon ik toen nog niet weten. En misschien gelukkig maar.

Ik had al die narigheden doorstaan en overleefd, en was er sterker uitgekomen. Tijd nu om dat alles achter mij te laten en te bouwen aan een nieuwe toekomst Onze toekomst!
Mijn man, mijn kind, wat klonk dat hemels!

En met dit ben ik aan het einde gekomen van dit blog.
Wat gebeurt is, is gebeurt en daar kan geen mens wat aan veranderen.

Ik heb lang getwijfeld om dit blog aan te maken en hier mijn verhaal te doen. En kijk, ik heb er geen moment spijt van moeten hebben. Ik wil jullie daarvoor allemaal heel erg bedanken!  Voor alle troost en medeleven. Voor alle lieve woorden. Voor jullie steun die mij de moed en de kracht gaven om mijn verhaal te kunnen doen tot aan het einde toe.

Jullie hebben geen vermoeden hoeveel dit voor mij betekent.

BEDANKT!!!

©Huismusje

NET ALS HANS & GRIETJE

Ik herinner mij dat wanneer ik ongeveer een drie a vier jaar oud was, wij een grote brede witte kachel hadden. Het zou natuurlijk kunnen dat hij in mijn herinnering en gezien met mijn kinderogen groter lijkt dan hij werkelijk was, maar toch, hij nam behoorlijk wat plaats in.
Op die kachel werd het eten gekookt, maar werd ook de was afgekookt en het badwater op verwarmd. Er waren ook verschillende openingen op de kookplaat. Met een ijzeren haak die steeds omwonden was met een dikke doek als remedie tegen het verbranden van de handen, kon je die gaten openmaken. Dat ging in trapjes, er was het deksel dat een klein ijzeren staafje had in het midden waar de haak onderdoor kon worden geschoven om zo het deksel op te heffen. Maar daar rond waren ook nog ijzeren ringen. Hoe meer ringen je eraf nam, hoe groter de openingen werden. Er werd ook vaak in 'gekeutert' met die haak, en dan sloegen de vlammen tot hoog boven de kachel uit.
In de kachel werden 'eierbollen' gestookt, een kolensoort in de vorm van een ei.
Ik weet nog perfect hoe men zulke 'stoof' want zo noemde men dat toen, moest aanmaken.
Eerst werd er krantenpapier in gedaan, dat moest losjes ineen gefrommeld worden. Vervolgens gingen er dunne latjes hout bovenop, die werden ook gekocht in een zak, net als de kolen.
Dan werd op verschillende plaatsen de krant aangestoken met een lucifer. Eerst had je altijd veel rook, kwam doordat het hout niet droog genoeg was hoewel het steevast naast de kachel stond, net als de 'kolenbus.' Je moest dan met een stevig karton in de hand, gezeten voor de kacheldeur veel wind maken tot alles goed in de vlam stond. Dan werden de kolen erop gegooid en op hoop van zegen bleef hij branden, zoniet kon je alles uitladen en opnieuw beginnen.
De kachel had verschillende deuren, grote en kleine, en allemaal met een nikkelen handgreep.
Eén grote deur werd gebruikt om de pantoffels in te warmen en daar stonden ook de ijzeren strijkijzers in waarmee voor het slapen gaan de lakens werden warm gestreken.
Er was ook een lade in de kachel, dat was de asla, en die moest regelmatig worden leeggegooid, anders ging de kachel uit. Wanneer het gesneeuwd had, of wanneer het glad was, dan werd die as op de straat gekieperd, anders ging hij gewoon in vuilnisbak, of in de tuin als je die had.

In het midden van de kachel had je een soortement spionnetje. Wanneer je dat opzij schoof, dan kon je de vlammen zien, het luikje viel vanzelf terug op zijn plaats wanneer je het losliet.
Ik was uitermate gefascineerd door de vlammen die ik kon zien door dat luikje, en ik opende het dan ook heel vaak. Natuurlijk kreeg ik een tik op mijn handen daarvoor wanneer mijn pleegmoeder mij snapte want het was gloeiend heet en je kon je lelijk branden.
Maar vindingrijk en handig als ik was gebruikte ik de ijzeren haak om dat luikje open te houden, en zo zat ik dan naar mijn gevoel, uren naar die vlammen te turen.

Op een dag kreeg ik het lumineus idee om door dat luikje de dunne latjes hout door te steken.
En hoe meer hout ik door dat luikje stak, hoe hoger de vlammen laaiden. De kookplaat zag rood van de hete gloed, en ik vond dat prachtig. Metershoge vlammen maakte ik en ik genoot, tot mijn pleegmoeder mij betrapte.
Nu was het net dat tijdstip dat de kleuterjuf het verhaal verteld had van Hans en Grietje, en dat boekje had ik thuis ook. Al honderden keren had men het me voorgelezen, maar ik kreeg er niet genoeg van.
Mijn pleegmoeder, die natuurlijk het gevaar van mijn capriolen besefte, wilde mij een pandoering geven, maar klein en vinnig als ik toen was liep ik rond en onder de tafel door zodat ze mij niet te pakken kreeg.
Dat maakte haar natuurlijk enkel maar woedender, en toen ze me uiteindelijk toch kon vatten, pakte ze me op en zei met een boze heksenstem dat ze mij door dat luikje in de kachel zou steken, net zoals de heks dat met Hans en Grietje had gedaan.
Geloof me vrij, ik ben nooit meer aan dat luikje geweest, de schrik zat er goed in.

Wat later kochten ze een kookvuur op gas, en kwam er een andere kachel.
Dit keer een kleinere en bruin van kleur. Hij had één grote deur aan de voorkant met venstertjes van plastiek alwaar je de vlammetjes ook kon doorzien, tenminste als ze niet zwart van de rook zagen.
Maar ik heb het nooit meer geavontuurd om die deur te openen.
Ik heb later nog ontelbare keren in mijn leven zo rond een tafel gelopen met een razende en tierende pleegmoeder achter me aan. Soms kreeg ze me te pakken, vaak ook niet.
Vaak liep ik naar buiten en als het avond was had ik dikke pech, want dan duurde het uren voor ik weer naar binnen mocht, en in het donker lijkt alles veel akeliger als je kind bent.

Maar zelfs wanneer ze me niet te pakken kreeg bleef de schrik nog urenlang kleven.
Maar ik heb nooit meer zoveel schrik gehad geloof ik als toen mijn pleegmoeder met mij Hans en Grietje wilde spelen.

Meer van HUISMUJE'S TRIESTE JEUGD

↑ Terug naar de berichten