Nu kan ik aan het werk


Ik probeer wat anders uit. Met Oost-Indische inkt zet ik met aquareltechniek iets op papier. Het vervelende is dat, als het werk nog nat is, dit een heel ander beeld geeft dan na het opdrogen: alles wordt grijzer, ongenuanceerder. Toch zie ik al de richting die ik uit wil.
Met houtskool zet ik er later forse strepen op die ik wat bijveeg met mijn vinger. Als ik dat nu nog eens kan vertalen in acryl zie ik het wel zitten.
Niet dat ik altijd grondig voorbereid wat ik schilder. Ik heb altijd wel een idee in mijn hoofd van wat ik ga doen, soms maak ik een schets of verf op papier. Maar toch, al schilderend ontdek ik pas mijn werk. Voor mijn eindwerk heb ik nogal wat voorbereidend werk gedaan. Eerst wou ik het inhoudelijk op poten hebben, daarna was het zoeken hoe ik datgene wat ik zeggen wou, zou uitwerken.
Ook het feit dat ik op groot materiaal werk, doeken van 100 x 100 tot 200 x 200 doet me vaak aarzelen om te beginnen … ik wil dat materiaal niet verknoeien. Dat lijkt bij mij een elfde gebod: ge zult het schildersmateriaal met zorg omringen.
Ik koop degelijk materiaal. Feitelijk is het een vorm van verliefdheid. Een goed gespannen doek ‘zingt’ als je er op tikt. Tekenpapier heeft zijn eigen kleur, ook als het wit is. De dikte en korreligheid zijn vaak uitnodigend om met overgave te werken. Zelfs mijn Oost-Indische inkt is van goede kwaliteit: hij plakt beter aan de pen dan bv. de inkt van het merk Talens. Niet dat dit laatste merk niet goed is maar zoals ik mezelf dwing om tot de grenzen van mijn kunnen te gaan, zo wil ik materiaal gebruiken dat die uitdaging kan helpen waar maken.













