De samenstelling
Ik sleur al mijn werken naar de eerste verdieping in de academie: daar heb ik ruimte zat om op de grond een oppervlakte van 2,44 op2,44 af te bakenen. Ik verschuif tafels en stoelen, tot ik de gewenste ruimte bekom.
Eerst moet ik zelf een voorstel doen. Ik leg 8 werken op de grond die mijn voorkeur hebben. Wanneer Jan komt kijken vraagt hij mij waarom ik maar twee rijen werken zou presenteren en geen drie. Inderdaad kan ik nog een extra rij invoegen. De werken hangen dan wel tot tegen de grond, maar het is de enige manier om wat meer werken aan bod te laten komen. Feitelijk is het de bedoeling dat je min of meer een overzicht geeft van de verschillende technieken die je gehanteerd hebt. Omdat ik de laatste jaren allergisch ben geworden voor houtskool en pastel, zijn mijn latere werken in Oost-Indische inkt. Toch heb ik nog enkele werken bewaard van mijn pastel-periode en die wil Jan er bij hebben. We zoeken samen naar een oplossing. Ook de plaats van de werken in pastel wordt bekeken: hoe breng je best ‘kleur’ midden al dat (soms heftige) wit-zwart.
Uiteindelijk vinden we een overeenkomst waar we ons beiden in kunnen vinden. Natuurlijk kan je niet in twaalf werken ‘alles’ tonen waarmee je al die jaren aan de slag bent geweest. Gelukkig zijn er ook nog mijn harmonica-boeken waarin mijn kleinere werken aan bod kunnen komen. In die zin is mijn presentatie wel volledig. Of alles bekeken zal worden … dat vraagt veel tijd en er zijn voor de jury heel wat eindwerken te bekijken. Maar het ‘gevoel’ hebben dat ik alles verzameld heb met de middelen die me ter beschikking staan,geeft me voldoening. Daar, in die ruimte, zal mijn creativiteit even ‘te kijk’ gesteld worden. Ik wil graag ‘gezien’ en ‘graag’ gezien worden. Dat mag af en toe toch eens aanbod komen of niet?

