Rock Werchter I

Rock Werchter ligt nu weer al meer dan een week achter ons … en we hebben het overleefd.
Toen we hier kwamen wonen was de confrontatie met de opbouw en de drukte van Rock Werchter een hele belevenis. De opbouw is ondertussen uitgebreider: er is meer wei, meer tenten, meer van alles. Feitelijk hebben we daar weinig hinder van. Je ziet alleen de zware vrachtwagens materiaal aanvoeren als je toevallig voorbij de wei rijdt. De dranghekken, die me de eerste keer nogal benauwend overkwamen, ben ik nu gewoon. ‘k Vind het nog niet prettig tussen die ijzeren omhulsels te rijden, maar een mens past zich nogal gemakkelijk aan. We weten dat we op voorhand best boodschappen doen, zodat we tijdens die dagen niet meer de baan op hoeven.
De eerste jaren stonden we ‘auto’s te kijken’ als de vloed van festivalgangers het dorp in bezit nam. Auto na auto, bumper aan bumper, gleden ze het dorp in op het ritme van het binnenrijden op de parkings. Het was een soort buurtactiviteit. Bij mooi weer, en ‘vroeger’ was het altijd mooi weer, stonden de buren in groepjes bijeen de laatste nieuwtjes door te geven.
Ook dat is nu veranderd. De drukte is verlegd richting Haacht, zodat we wel wat extra drukte meemaken, maar voor de rest nauwelijks iets merken van de activiteiten. Zelfs de auto’s staan niet meer fout geparkeerd. Vroeger stonden ze tot op het fietspad: als er maar een plaatsje vrij was waar een auto kon geplaatst worden, werd dit in bezit genomen. Later kwam de takelwagen de fout geparkeerde wagens opladen. Ook een belevenis: een grote takelwagen, met vlammende zijflanken kwam de ondeugd oppikken en reed er met veel zwaailicht mee weg. Als we stonden te kijken hebben we veel festivalgangers van een nachtelijke ontgoocheling gered. Wiens auto werd weg getakeld mocht ’s nachts een heel parcours afleggen, o.a. ook financieel, om zijn wagen terug te krijgen.
Ik heb enorme bewondering voor de ’organisatie’ die achter het festival schuil gaat: in enkele uren verandert een rustig dorp in een stad. Werchter telt een goede drieduizend inwoners en tijdens de rock-dagen komen er 80 à 100.000 festivalgangers bij. Die moeten allemaal vervoerd worden. Velen komen met de trein of bus naar Haacht of Leuven en pendelen van daaruit met bussen die af en aan rijden. Ofwel komen ze met de wagen en dan kunnen ze terecht op de enorme parkings. Eens ter plaatse wordt er gegeten en gedronken, is er behoefte om naar het toilet te gaan, wordt een tent opgezet.
Wanneer de laatste bezoekers vertrekken ontdekt men de berg afval die achtergelaten wordt. Onvoorstelbaar. Dan ontdek je dat we in een echte wegwerpmaatschappij leven. De aanblik van deze ravage duurt echt niet lang: na een paar dagen liggende gebruikte weiden er weer groen bij, zoeken meeuwen en ooievaars nog wat eetbaars … en moeten we uitkijken voor vrachtwagens die de dranghekken opruimen.
Zo’n festival geeft me een blij gevoel, ook als ik wat file moet meemaken. Ik heb liever jongeren die zich verheugen op een paar dagen muziek naar hun hart, dan dat ze achter een vlag zouden marcheren met leuzen die ‘oproepen’ maar geen inhoud hebben. Denkelijk gaat het om dezelfde dynamiek: jongeren willen erbij horen, gemeenschap vormen. Geef mij maar Rock Werchter.
















