

De Muze I


De Muze is een lagere school in Haacht die werkt volgens de opvoedingsvisie van Freinet. Een van de activiteiten zijn ‘ateliers’ waarbij personen van buiten de school (meestal familie) betrokken worden. Zo worden in november ‘kerstateliers ‘ op touw gezet, waarbij de kinderen spulletjes maken die later op de kerstmarkt, die de school later organiseert, verkocht worden.
Vorig jaar vroeg Lorenzo me of ik een ‘kerstatelier’ wou geven en bv. kerstkaarten maken. Omdat hij me het zo vol overtuiging vroeg en ik dat wel zag zitten, ben ik dan op een vrijdagnamiddag de school binnengestapt en heb met een groep kinderen kerstkaarten gemaakt. En dat viel allemaal reuze mee: de kinderen waren enthousiast, de begeleiders evenzeer en zelf voelde ik me ook heel tevreden. Dit was voor herhaling vatbaar.
Wat me vooral bijbleef was de wijze waarop de kinderen met elkaar omgingen: heel bemoedigend, heel hulpvaardig, heel geduldig … ik kon mijn ogen en oren bijna niet geloven. De Muze is een kleine school. De sfeer is er totaal anders dan op een grote school. De kinderen worden individueel gevolgd, er is veel ruimte voor communicatie, problemen en conflicten worden benoemd en uitgepraat en centraal staat ‘respect’ voor elkaar en voor de omgeving.
Dit jaar werd de vraag opnieuw gesteld. Lorenzo zit in zijn laatste jaar lager onderwijs … dus was dit een laatste kans om nog eens met een groepje kinderen aan de slag te gaan. Ik vroeg aan Christel of ze niet mee wou gaan en ook een groepje kinderen begeleiden. Dat zag ze wel zitten: zij zou gel-druk geven en ik zou de kinderen leren ‘uitsnijden’. Het resultaat zou dan tot een kerstkaart verwerkt worden.
Foto: zo begon de vrijdagnamiddag van het atelier: de kinderen en begeleiding verzamelen en de groepjes die op voorhand werden afgesproken, worden gevormd. Christel krijgt vijf kinderen onder haar hoede, ik neem er zes mee naar de aangewezen ruimte.
Herfst 2015
Het weer was zonnig, de bladeren kregen prachtige kleuren en bij het minste briesje sneeuwden ze de grond vol. Ik stond achter mijn tekentafel die rust en heelheid in een werk neer te leggen. Ik zou de grond bedekken met bladeren uitgevoerd in Oost-Indische inkt. Met aangelegde O.I. tekende ik er een soort keien achter. Ik dacht aan mijn zoon: ook zijn graf is bedekt met keien. Om af te sluiten moest er iets geel komen dat het geheel zou oplichten. Alsof ik daardoor mijn verzoening met zijn dood wou uitdrukken.
Parijs kwam er tussen. Bladeren en keien waren afgewerkt … maar ik kon niet meer verder werken. Ik nam een ander blad en zocht mijn toevlucht tot streepjes: elk streepje een traan voor verdriet dat niet uitgesproken kon worden (zie het werk van gisteren).
Wanneer het dan wat rustiger wordt en de nieuwsberichtgeving niet meer helemaal aan de aanslagen gewijd zijn, neem ik de tekening van de bladeren en keien opnieuw ter hand. Hoe moet het nu verder. Neen, de vogel die in zacht geel en door de wind in het werk gedragen zou worden, kan nu niet meer. Ik zou een vogel met gebroken vleugels moeten oproepen, verschrikt opvliegend om zoveel vernietiging.
Ik laat het werk een dag liggen en denk na. Het enige dat ik als juist aanvoel is een strenge structuur, zoals de omtrek van het graf van mijn zoon. Het voelt alsof mijn wereld zich daardoor weer kan inpassen in de realiteit. En ik zet streep na streep … tot het gestolde verdriet een vorm gekregen heeft.
Het recht om voor je mening uit te komen
Zoals de storm over het land raast, beuken mijn gedachten tegen me aan. Er is het medeleven met de individuele betrokkenen. De geliefden van de dodelijke slachtoffers moeten een rouwproces door dat afschuwelijk is: hoe verwerk je de dood van een geliefde die cynisch werd afgemaakt, gewoon omdat hij of zij toevallig in het spreidingsgebied van kogels kwam? Wat met de gewonden: hoe moeten zij verder met hun leven: fysiek en psychisch?
En natuurlijk stel ik me de vraag: hoe evolueer je tot terrorist? Hoe kijken ouders, broers en zussen naar de foto’s uit de kindertijd van de aanslagplegers. Hoe zouden ze gereageerd hebben als toen voorspeld werd dat dit kinderen zou eindigen als terrorist (m/vr).
Hoeveel studies zijn er al niet uitgevoerd naar het ontstaan van het fundamentalisme, want niet alleen de Islam kent dit fenomeen. Elke godsdienst, elk politiek systeem is vatbaar voor fundamentalisme. Als op dit moment een dominee in Amerika durft beweren dat de mensen die in Bataclan vermoord werden feitelijk een verdiende straf ondergingen omdat ze naar een duivels evenement gingen, weet ik niet meer waar ik het heb. Hoe kan iemand in de eenentwintigste eeuw, die kan lezen en schrijven, een dergelijke uitspraak doen? En wat met het nazisme? Duitsland was een ontwikkelde natie, zowat de culturele richtingwijzer in Europa … en toch verviel dit land tot een onvoorstelbare barbarij.
Ik trek me terug achter mijn tekentafel. Ik moet streepjes trekken. Streepjes troosten me. Ik vorm vlakken … een soort brieven. Elk vlak is een vorm van ‘meningsuiting’ … maar elk vlak omkader ik: er is een grens. Als ik een dag gewerkt heb ontdek ik hoe ‘rijk’ het samengaan van de ‘begrensde’ verschillende meningen is. De grens is ‘vernietiging’. We moeten leren praten met elkaar: op individueel niveau, maar ook tussen gemeenschappen. Geweld lost niets op, dat bewijzen de oorlogen.
Maar hoe bereiken we het niveau van het ‘met elkaar spreken’? De oorlogstaal die nu gebruikt wordt ontmoedigt me, hoewel ik weet dat niet anders kan verwacht worden: er staat meer op het spel dan een volgende terreuraanslag … politici willen herverkozen worden. Toch zijn er andere uitspraken die durven stellen dat niet ‘alles’ kan voorkomen worden. Dat is realistisch en biedt de mogelijkheid om inspanningen te leveren tot preventie.
Ik omgrens mijn bezorgdheid in lijnen. Ik geloof in een andere opstelling dan antwoorden met geweld. Natuurlijk moet je jezelf beschermen en verdedigen als je aangevallen wordt … maar wat is de visie over ‘erna’? Zelfs al zou je een bepaald fundamentalisme door geweld kunnen wegvegen … wat doe je om te vermijden dat er opnieuw zoiets ontstaat?
De aanslagen in Parijs en elders


Door de aanslagen in Parijs loop ik wel ‘aangeslagen’ rond. Er spookt zoveel door mijn hoofd. Het leven van de slachtoffers dat plots afgebroken wordt terwijl ze waarschijnlijk nog droomden van een boeiende toekomst. De wereld van rouw die in de families en vrienden van de slachtoffers zijn intrede doet … en ik denk ook aan de families van de aanslagplegers: hoe reageren ouders, kinderen, broers en zussen als ze te weten komen wat hun zoon, vader, moeder, dochter, broer of zus aangericht heeft? Hoe reageert de moslimgemeenschap op de vernieling in naam van hun religie?
Ik hoor langs alle kanten ‘oorlogstaal’. Dat beangstigt me. Eerst de taal aanpassen, dan kan overgegaan worden naar de realisatie ervan. Zo begint elke oorlog.
Ik probeer het van me af te schudden maar merk hoe ik het nieuws op de voet volg. Ja, Frankrijk heeft Raqqa aangevallen en de geviseerde objectieven vernietigd … zelfs al zouden de piloten de bommen kilometers naast het doel gedropt hebben, dan nog laat je het publiek weten dat het raak was. IS lacht om die nutteloze energieverspilling: ze hadden de bui zien hangen: de inwoners en strijders zijn uit Raqqa vertrokken voor er aangevallen werd. Twee dagen later een bericht dat de piloten de strijders zien wegvluchten al ze aangevallen worden en IS dan weer: de verantwoordelijken zijn ontkomen naar Irak.
Waar worden de doden vermeld, hoeveel burgerslachtoffers, hoeveel kinderen? Hoeveel woningen, scholen, gezondheidscentra, bibliotheken zijn vernield? Werkt de waterverdeling nog en de elektriciteit? Kan er nog voedsel de stad binnenkomen?Is er nog leven mogelijk in Raqqa?
Wat is waarheid? Een vraag die ik als kind in de godsdienstles aangeleerd kreeg. Wanneer de archieven opengaan van de feiten nu, zal men iets van de waarheid kunnen vernemen, maar nog zal die waarheid de kleur dragen van de bril waardoor de historicus kijkt en de vragen die hij zich stelt.
Op al de uitspraken die op me afkomen kan ik alleen maar vaststellen: terreur heeft altijd bestaan. Soms werd de terrorist later herbenoemd als ‘sociale instelling’ zoals Robin Hood of werd de mythe geformuleerd van de terrorist als sympathieke opstandeling tegen het gezag zoals Bonnie en Clyde. Toch ging het in beide gevallen om criminelen. En wat te denken van terroristen die daarna het stempel van vrijheidstrijders kregen en als gerespecteerde politici opgenomen werden in het beleid van de natie en wereld zoals Soekarno van Indonesië, Sharon en Ben-Gurion van Israël en zoveel anderen? Hoe moeten we Che Guevara benoemen: terrorist of een held? Wat deden de kolonisatoren in Congo, India, … noem maar op. Waarom klinkt Vietnam zo vertrouwd in de oren? Was dat allemaal zo fraai?
Wat is waarheid en wat weten we?
De media overstelpen ons nu met beelden en commentaar van wat er zich afspeelt ver van ons met het gevoel dat het naast de deur gebeurt, want we kijken veilig toe vanuit de zachte zetels op de eerste rij.
Hoelang moet de mensheid nog gaan om doordrongen te worden dat geweld beantwoorden met geweld nog nooit een oplossing gebracht heeft. Maar de kiezers willen ‘hier en nu’ een oplossing en zolang de bommen ‘elders’ vallen, kabbelt ons leven rustig verder.
Art meets art III


Marina Damen heeft iets met spullen die geen waarde meer hebben. Ze last, vervormt, schildert tot ze van het waardeloze weer iets waardevols kan maken. Zo haalt ze een koude kast uiteen om de deuren en leggers, laden … te gebruiken als omkadering voor datgene wat ze schildert. Jammer dat de foto’s niet zo best gelukt zijn. Ander materiaal omvormt ze tot iets nieuw, zo wordt een mijnwerkerslantaarn een danseresje. De elegantie en het frêle roepen een tegengestelde wereld op van het zware mijnwerkersbestaan. Met hoeveel geduld zijn de mini radertjes van een uurwerk niet aangelijmd tot een tutu of hoe de omhullende fijnheid als een vorm van troost de rauwheid van het vroegere bestaan van dat voorwerp omringt.








Art meets art II


Jos Van Moorhem toont etsen en klein ruimtelijk werk, Marina Damen collages en ruimtelijk werk. Wat hen beiden bindt, is een vorm van humor. Ik merk dat ik vaak innerlijk sta te grinniken, zowel bij het werk van Jos als bij het werk van Marina. Je wordt er gewoon vrolijk van. Denkelijk heeft het te maken met de sprankelende fantasie die zich in de werken uitleeft.
En wat hen nog bindt: het werken met ‘verloren’ materiaal. Wanneer Jos het aantal etsen afgedrukt heeft die hij wil maken, vervormt hij zijn etsplaat tot een of ander beeldje. Marina ‘vindt’ haar materiaal en bekijkt dan wat ze er mee kan aanvangen. Het resultaat bestaat vaak uit poëtische beeldjes met een knipoog waarin een kritische noot schuil gaat.
Bij de etsen van Jos komen vooral paarden aan bod. Denkelijk zitten de paarden in het bloed van de artiesten van deze streek. Toch geraak ik er niet op uitgekeken.






