De vondst wijst erop dat de transformatie van wilde tot tamme ezel een langdurig proces is geweest, aldus Europese en Amerikaanse archeologen deze week in de Proceedings of the National Academy of Sciences (Early Edition) .
Gedomesticeerde ezels zijn kleiner dan wilde ezels. De vondst van grote ezels in Abydos, met slijtage door zware belasting, betekent dat destijds nog steeds wilde ezels als lastdier werden gebruikt.
Op grond van DNA-analyses wordt verondersteld dat de eerste domesticatie van de ezel rond 4000 v.Chr. plaatsvond. Dat gebeurde tegelijkertijd in Nubië (Soedan) en in Somalië, mogelijk als reactie op verwoestijning.
De oudste ezelresten met typische kenmerken van domesticatie – een kleiner lichaam – zijn ongeveer even oud. Gedomesticeerd vee wordt vaak kleiner omdat ze zich niet meer hoeven te verdedigen tegen roofdieren. Dat doen voortaan hun bazen.
Ook bij landbouwplanten en ander vee zoals varkens en koeien wordt steeds vaker gevonden dat domesticatie een traag en soms ook vaak herhaald proces is.
Het gebruik van de ezel was waarschijnlijk cruciaal voor de ontwikkeling van stedelijke beschavingen in het Midden-Oosten. Met behulp van deze taaie lastdieren werd lange-afstandshandel efficiënter en konden ook schapen- en geitenherders gemakkelijker met hun hele hebben en houden over grote afstanden met kuddes rondtrekken. De kameel als lastdier werd waarschijnlijk pas populair in het eerste millennium voor Christus.
De ezels in Abydos zijn de oudst bekende ezels met versleten botten door gebruik als lastdier. Mogelijk werden ezels eerder vooral voor het vlees gehouden. De tien ezels waren ritueel begraven in de nabijheid van een tombe van een anonieme farao van de nulde of eerste dynastie, zonder verdere bijgiften. (nrc)



%5B1%5D.gif)







Bekend is de alarmroep waardoor de andere merels merken dat er iets aan de hand is. Dan kan zowel voor een kat, een roofvogel als voor een mens zijn die te dicht in de buurt komt.






Tegenwoordig is de merel samen met de huismus de meest voorkomende en meest gekende broedvogel van ons land. Deze zangvogel is dan ook in elke tuin te zien. Al vroeg in het voorjaar zijn de mannetjes hun wijsjes aan het fluiten om hun territorium te vormen.
vijf dagen in beslag.
Auteur: Vossaert Kurt








Hoe we de wereld om ons heen waarnemen wordt het meest bepaald door ons gezichtsvermogen. Maar zien alle dieren wat wij zien en is het zien voor hen net zo belangrijk als voor ons?
Hoe komt het dat veel zoogdieren 's nachts kunnen zien, terwijl toch het zicht afhankelijk is van de lichtsterkte? De opbouw van het oog van dieren die 's nachts actief zijn is praktisch gelijk aan de andere zoogdieren. Het verschil ligt hierin, dat de ogen groter en boller en ontvankelijker voor licht zijn. De zoogdieren die 's nachts actief zijn hebben bovendien een reflecterende laag achter het netvlies, die het invallende licht terugwerpt naar de lichtgevoelige staafjes, die zodoende nog een keer licht opvangen. Dit effect is goed te zien als er 's nachts licht op het oog valt van bijvoorbeeld een kat of vos. Door de reflectie lichten de ogen op. Ook heeft het netvlies relatief veel meer staafjes, waardoor het waarnemingsvermogen in de schemer verhoogd wordt. Dit brengt wel met zich mee, dat deze dieren het volle daglicht moeten mijden. Dit is ook de reden dat de pupillen bij een kat in het volle licht tot smalle streepjes vernauwd worden.
De bouw van het oog is voor ieder zoogdier in principe gelijk, maar de plaats van de ogen in de kop bepaalt wat en hoeveel een dier kan zien. Succesvolle roofdieren, zoals bijvoorbeeld de kat, moeten hun ogen exact kunnen instellen op hun prooi en deze goed in de gaten kunnen houden. Doordat hun ogen recht naar voren gericht staan, wordt een bijzonder goede dieptescherpte bereikt. Zo kunnen zij uiterst nauwkeurig vaststellen waar precies zich een prooi of iets anders bevindt en hoe ver het van andere dingen verwijderd is.

