Jij, die mij overleeft
het is niet anders
dan het navolgen
van een boom
die het kleuren
van zijn bladeren
zo op eigen wijze beleeft
al even natuurlijk
als mijn dood
die jij in een
lente overleeft
Jij, die mij overleefthet is niet anders
dan het navolgen
van een boom
die het kleuren
van zijn bladeren
zo op eigen wijze beleeft
al even natuurlijk
als mijn dood
die jij in een
lente overleeft
De dood na de mosterdzal de stramheid
der leden
ook mijn speelse geest
langzaam tot een stugge
boemelaar smeden
opdat ik het heden
steeds meer ga zien
met wezenloze ogen
als de waarheid
van het verleden
slechts goed is
en de jeugd thans
wordt bedrogen
maar ook dat
de sprankelende schoonheid
door mijn aderen
zal worden gemeden
en de opwinding alleen past
bij nog ongerijpte zielen
terwijl nu al de ouderdom,
nog eer men de mosterd
heeft gevonden,
als sleets wordt beleden
neen, alleen de dood
ja, die houdt mij in de gaten,
zit mij op de hielen
tracht mij de hel in te praten
echter tot het einde der tijden
zal ik mij, Deo Volente,
niet als tweedehands gedragen
of alleen maar voor
een muurbloempje knielen
"Gij zijt gewaarschouwd"
Blind verlangenaldoor
verwachten
is trachten
een onthecht verleden,
al dan niet gewild,
in pijn te hervinden
en verschijnt
verlatenheid opnieuw
als het sterven dan herleeft
en mijn ziel zich spiegelt
aan de blinde linde
zal nimmer
de dolende echo vergaan
die het verlangen
in de toekomst weeft
Abortus provocatussoms weet ik
niets
te schrijven
dan lijken letters
in oud zeer
te beklijven
of houdt de geest
ze in grijs gevangen
ook kan hij
het ongeborene
naar verten
dromerig doen
afdrijven
als een literaire
abortus provocatus
van een nodeloos
bevrucht verlangen
De kim gepasseerdloop weer verloren
in eigen land
achterwaarts kijkend
of rotonde lopend
naar voren
of zit ik
achter slot en grendel
waar niemand mij kent
en ook ik
mezelf niet begrijp
raak ik daar ooit aan gewend
het lijkt doelloos vissen
met aas zonder hengel
en een onbekende
mijn gedachten ment
het is dolen in gewelven,
overvol of door
leegte uitgeput
ik word gedwongen
duisternis te delven
*
achter tralies
van overmacht
hoor ik het orakel spreken
"ken je zelve"
och, kon ik maar ademen
onder een loodzware deken
*
Tussen wijde ledentussen wijde leden
zie ik helder blauw
ze staan wat boller dan normaal
doch zijn gebruikelijk omrand
met een dunne harige heg
nog beschermend, echter vaal
het zegt iets over mijn ogen
en de sprekende klank
waar van ik verhaal
let wel, ze begaan niet zomaar
een willekeurige weg
zonder inspanning wordt u tevens:
gewogen, bewonderd,
dan wel, middelpuntvliedend,
naar mijn verte gezogen
de rimpels breed gevoerd,
zowel bóven als ónder
het zichtbarend vermogen,
zijn hemels wat diep gegroefd
en aards, navenant , maar
met hangzakken bemand
de blikvangers
zetten spiegels in het zand
en nodigen het heden
vooral bij dagend licht
soms, ja nu en dan
geraken ze vertroebeld door
onvermijdbare zielengewicht
De geur van de echode lippen
spannen zich
nog een keer samen
trachten achter
mijn gesloten deur
de aftocht te blazen
ik wilde nog
nog een laatste eer
beramen
maar de diepe klank,
tergend langzaam klimmend,
blijkt al zwart van kleur
in de verte hoor ik jou
op zijn echo azen
met amen in zijn geur
Beerput Poezierust toch eeuwig
gij zeveraar
uit zuur gesproten
zoek heil in het slijm
van ene zoete kwijl
uit mijn kots
na danige overmaat
gij, met zwerende vingers
trek strepen met
bloed doortrokken pus
in de diepe zware grond
van modder en schimmel
gij baart de stank
uit ongekende hoeken
uwe gore geest
zal doordrenkt geraken
van het zwart dat nog
nagalmt uit stoffig as
van verrotte beesten
ik braak u uit
teen voor teen
het vel nog zuigend tussen
mijn rottende tanden
verzuip ten langen leste
in de dras
gij rovende etterbalk
Tumuluszoek niet,
mijn tere lief,
naar mogelijke
zielenkwalen
het is vragen
naar de duivel
die dan op
komt dagen
Mijn spiegelbeeld (eenakter voor twee personen)Mein Spiegelbild
jouw spiegelbeeld
meine matten Augen
starren durch das Fenster
wo nichts
und alles zu sehen ist
hier schein ich
offensichtlich
im luftleeren Raum
aufgestiegen
je fletse ogen
staren door het raam
waar achter niets
en alles is te zien
hier, lijk je,
ogenschijnlijk,
in het luchtledige
opgegaan
vor mir steht Kaffee,
auf einem Tisch:
eine große braune
quadratische Fläche
in einem verkommenen
Herrenlokal mit
altmodischem Ornament
wo alle Menschen sind
aber einander nicht erkennen
voor je staat koffie,
op een tafel,
een groot bruin
vierkant vlak
in een verlopen
herencafé met
ouderwets ornament
waar iedereen is
maar elkaar niet kent
in diesem Lokal, braungeraucht
sehe ich im Glanz eines Fensters:
ein reflektierendes Selbstbild
es ist das einzige,
das ich, unabsichtlich,
mit dir teil
in dit lokaal, bruin gerookt
kijk jij in de
glans van een ruit:
een weerkaatsend eigenbeeld
het is het enige
dat jij, onbedoeld,
met mij deelt
Een Juliusiaanse verlichtende houdingvoorwaar ik zeg u en het is waar
roep ik de sprakeloze menigte toe
terwijl ik gelukkig nog net op tijd
het juichen onderdruk met een zegenend gebaar
terwijl mijn nieuwe inzicht toch zeker niet
voor blindgeletterden onderdoet
maar daar ik wars ben van naijver of nijd
zeg ik, het is waar, en dat in alle bescheidenheid
(immers voor hoogmoed wordt men beboet)
ik zeg dus met een schorheid in de keel
die echter het gevolg is
van een voortslepende periodieke
onthouding ofwel op het afkicken
ene hemelse nicotine is gericht
(maar dat is niet des luisteraars deel)
kleven oren aan mijn lippen
wachtend op de reddende tong
hier komt spoedig de redding
uit grote menselijke ongemakken;
de diepe sociale kloven
mijn woorden zullen de verlichting
opnieuw gaan aanstippen
en het duivelse vuur der mensheid
in de kiem smoren
dan wel halverwege het kwaad doen doven
NEEM ALLE SCHULD OP UW EIGEN SCHOUDER
roep ik met tranen uit
sluit iedere ontkenning daaromtrent
van buiten af
niets geeft zoveel lucht aan uw gemoed
als u niet meer hoeft te strijden
in een eindeloos voortschrijdend
welles nietes gewroet
niet de ander, maar u bent maf
u kan enige machteloosheid vermijden
het doet u goed
(satire!)
Kleven aan de Tophet is me weer gelukt,
daar in ruime mate
de genade opnieuw mij
ten deel is gevallen;
een volle aflaat is mij verleend
zeg maar dat mijn ziel
blij is en opgetogen,
zelfs in hoge mate verrukt
een vermeende afgang mijnerzijds
als dichtend kunstenaar,
alsof ik van enige kundigheid
zou zijn gespeend,
blijkt door moderne technieken
ongewenst voorgelogen
ik voel natuurlijk gehijg in mijn nek
van oprukkende eerbare talenten,
al dan niet zichtbaar in de lijn omhoog
maar toch is nog even de beker
van hel en verdoemenis
aan mij voorbij gegaan
ondanks de fundamenten van
vieren en vijven
teer ik een wijle verder in
op inflatoire rente
het maakt maar eens gewaar
hoe kwetsbaar ik ben in mijn bestaan
of hoe snel men zich kan blindstaren
op de eeuwige roemruchte lente
(satire !)
Uitvalals stilte
is ingenesteld
of ongedwongen blind
blijft ingemetseld
is de voortduwende beweging
op dood spoor gekomen
zijn wissels bevroren
en is stroom alleen nog
gewikkeld in verleden dromen
de stoppen
blijken weer
uit steen gebakken
doch wat mij,
teneinde,
meer zorgen baart
is, dat naar het schijnt
de verbinding
niet meer wordt geaard
Een zottig lotach, het was maar voor even
van korte duur zogezegd
dat ik op eenzame hoogte
aan de top mocht zweven
het koningsschild
gesmeed van honing
uit een sterfelijke bron
heb ik afgelegd
op een aards schavot
daar het smolt in de zon
toch was het zoet
een enkele maal te proeven
van een vergankelijk aards lot
Hora estde tijd staat stil
zo merk ik ter zijde op
doch mijn stemklank
verraadt enige ergernis,
vertaalt derhalve de onrust
van een aanzwellend
innerlijk ongemak
overeenkomstig
het drammerig gedreun
van een horde aanstormende
paarden in galop
mijn eigene ongeduld
staat voor kenners
merkbaar in brand
zeker als wachten
mij tenteert
gelijk de trage gang
van een nog in
leven zijnde slak
Geborgen goudniet dat ik je misken
of wil ruilen
dat zou zoeken zijn,
geblinddoekt,
tegen beter weten in
of lijken op wisselen
van spiegelende bomen
wederom zoeken naar
broze luchtgevulde zuilen
om ze weer met tranen te vullen
uit opgeblazen dromen
noch is het zo
dat ik mijn hart snijd
uit geborgen goud
dan wel mezelf bevrijd
uit vermeende boeien
neen, enkel afdrijven
naar een leegte
waar spanen ontbreken
is verraad aan het licht
hoe zou ik dan ooit
verder moeten roeien
Oude liefdevertel niet de woorden verder die ik zwijg
het zijn vermiste gedachten van toen
zij zwerven alsmaar van voelen naar doen
wil ze in gezouten vocht openbaren
waartoe ik zo nu en dan
of eigenlijk
toch wel dikwijls naar neig
om een verlichte schaduw
alsnog met speeksel te verklaren
ik zou van de berk met gewillige ranken
de geaarde wortels teder kussen
alsof hartstocht het smeulend vuur
met droge lippen kan sussen
en de bast niet de partituur zal nerven
van geblakerde holle klanken
luister niet naar de ogenblikken die ik zwijg
ze dragen de flanken die een oude liefde erven
Genadeloosde mug
zoemt
over
mijn blote
rug
pest
mij
als ik tracht
te slapen
zal ik uit bed
stappen,
op jacht
gaan
om haar bloed
op de witte muur
uiteen te slaan
dan wel
mogelijkerwijs
haar restanten
op te rapen
of trotseer ik
haar macht
en denk
morgen heb ik
wel een zalfje
dat de ergerlijke jeuk
verzacht
verdomme,
daar is zij weer
zij blijft nu nóg
langer zweven
zoeeeeeeeeeeeeeeeem
zingt zij eentonig
"gij zult mij niet krijgen"
pets,
zij sterft
ik heb haar genadeloos
afgeslacht
het duurde maar even
Cecile, Vrouwe van Bruggeik dans met u,
vrouwe van de avond
zing de melodie
die ons laat bewegen
zomaar op het ritme
van een ontspruitend lied
dat onze beide lijven,
getekend door de tijd,
even
in een blijde
voortgang doet
verweven
De zwangere schaduwschuil je even mee,
wil je?
hier, onder mijn vlinderstruik
die roze is gesierd
de takken hangen
wat zwaar getopt,
met hemels vocht bedekt
zij schenken ons
de zwangere schaduw
waar een lichte geur
zijn hoogtij viert
en zowaar,
een rijzende passie
wordt verwekt
ik lik de rood
gezoete smaak
van je lippen
als langs je mond
het groen wat druppels
omlaag doet glijden
aan dit sap
willen onze tongen
ritmisch nippen
zal het ons,
naar vluchtige
hoogten leiden?