Tijdverdrijf
wat ga jij
nog doen,
vraagt vandaag
aan toekomst
voel me oud
ik wacht niet meer
op later
fluistert ze tegen
de ongeboren dag
van morgen
en gisteren
is doodmoe
die wil niet meer
voor mij zorgen
Tijdverdrijfwat ga jij
nog doen,
vraagt vandaag
aan toekomst
voel me oud
ik wacht niet meer
op later
fluistert ze tegen
de ongeboren dag
van morgen
en gisteren
is doodmoe
die wil niet meer
voor mij zorgen
Mens, wie zijt gij eigenlijkkoude kan er zijn
ook al bloeien kleuren
het hele jaar door
liefde sluit geen deuren
overeenkomstig het
ritme der seizoenen
of smelt in hemelsvocht
indien sneeuw of hagelsteen
rechtspreken zonder verhoor
evenmin bevochtigen
tranen een dood tapijt
uitsluitend en alleen
als de herfst daalt
over lanen
kilte kent geen tijd
het overkomt de mens
als het leven
in het innerlijke snijdt
of de ziel het machteloze
wilt verjagen
zodra onze natuurlijke
eenzaamheid in overmaat gedijt
Schaduwgeurenals de dag allengs
eerder verduistert
lijkt licht in mij
anders te kleuren
en waar zomerpracht
van nature ontluistert
ruik ik ook weer
schaduwgeuren
Nachtroep (duogedicht)wieg mij
in één zachte adem, verbind
waarheid met wonden
klevend aan het nachtlicht
van stilte
verschuif mijn verlangen naar
het schitterend oog, in pauwenveren
gestileerd
het zal mijn traan dragen, teder
door de wuivende wind
opgerekt
tot een zoet vlies van troost
duogedicht met: kerima ellouise
Vaarwel zomeroogstals het verkleuren
van de blaren
nog voor de val
een aanvang neemt
en het najaarsgrijs
de rust inluidt
om aan dood
en opstanding
te wennen
geraakt de mens
vaak snel ontheemd
van zomeroogst
en zal wellicht verval
schielijk herkennen
morgen bestaat
alleen nog in hoop,
woord en dromen
wordt hij enkel zo door
de verstilling geloodst?
Ledematenmijn korte
dikke duimen
en de verder
afgelegen pinken
tikken als toetsen
op een trommel
waar kinderen
op stoeptegels hinken
met maar één been
hoor ik op
de verdieping boven mij
gestommel
daar gaat de buurvrouw
met het andere
langzaam heen
zo bezigt ieder
in eigen ritmiek
de nog actieve ledematen
het bedrijven van de liefde
heb ik,
omwille van de eenvoud,
er maar even
buiten gelaten
Jij, die mij overleefthet is niet anders
dan het navolgen
van een boom
die het kleuren
van zijn bladeren
zo op eigen wijze beleeft
al even natuurlijk
als mijn dood
die jij in een
lente overleeft
De dood na de mosterdzal de stramheid
der leden
ook mijn speelse geest
langzaam tot een stugge
boemelaar smeden
opdat ik het heden
steeds meer ga zien
met wezenloze ogen
als de waarheid
van het verleden
slechts goed is
en de jeugd thans
wordt bedrogen
maar ook dat
de sprankelende schoonheid
door mijn aderen
zal worden gemeden
en de opwinding alleen past
bij nog ongerijpte zielen
terwijl nu al de ouderdom,
nog eer men de mosterd
heeft gevonden,
als sleets wordt beleden
neen, alleen de dood
ja, die houdt mij in de gaten,
zit mij op de hielen
tracht mij de hel in te praten
echter tot het einde der tijden
zal ik mij, Deo Volente,
niet als tweedehands gedragen
of alleen maar voor
een muurbloempje knielen
"Gij zijt gewaarschouwd"
Blind verlangenaldoor
verwachten
is trachten
een onthecht verleden,
al dan niet gewild,
in pijn te hervinden
en verschijnt
verlatenheid opnieuw
als het sterven dan herleeft
en mijn ziel zich spiegelt
aan de blinde linde
zal nimmer
de dolende echo vergaan
die het verlangen
in de toekomst weeft
Abortus provocatussoms weet ik
niets
te schrijven
dan lijken letters
in oud zeer
te beklijven
of houdt de geest
ze in grijs gevangen
ook kan hij
het ongeborene
naar verten
dromerig doen
afdrijven
als een literaire
abortus provocatus
van een nodeloos
bevrucht verlangen
De kim gepasseerdloop weer verloren
in eigen land
achterwaarts kijkend
of rotonde lopend
naar voren
of zit ik
achter slot en grendel
waar niemand mij kent
en ook ik
mezelf niet begrijp
raak ik daar ooit aan gewend
het lijkt doelloos vissen
met aas zonder hengel
en een onbekende
mijn gedachten ment
het is dolen in gewelven,
overvol of door
leegte uitgeput
ik word gedwongen
duisternis te delven
*
achter tralies
van overmacht
hoor ik het orakel spreken
"ken je zelve"
och, kon ik maar ademen
onder een loodzware deken
*
Tussen wijde ledentussen wijde leden
zie ik helder blauw
ze staan wat boller dan normaal
doch zijn gebruikelijk omrand
met een dunne harige heg
nog beschermend, echter vaal
het zegt iets over mijn ogen
en de sprekende klank
waar van ik verhaal
let wel, ze begaan niet zomaar
een willekeurige weg
zonder inspanning wordt u tevens:
gewogen, bewonderd,
dan wel, middelpuntvliedend,
naar mijn verte gezogen
de rimpels breed gevoerd,
zowel bóven als ónder
het zichtbarend vermogen,
zijn hemels wat diep gegroefd
en aards, navenant , maar
met hangzakken bemand
de blikvangers
zetten spiegels in het zand
en nodigen het heden
vooral bij dagend licht
soms, ja nu en dan
geraken ze vertroebeld door
onvermijdbare zielengewicht
De geur van de echode lippen
spannen zich
nog een keer samen
trachten achter
mijn gesloten deur
de aftocht te blazen
ik wilde nog
nog een laatste eer
beramen
maar de diepe klank,
tergend langzaam klimmend,
blijkt al zwart van kleur
in de verte hoor ik jou
op zijn echo azen
met amen in zijn geur
Beerput Poezierust toch eeuwig
gij zeveraar
uit zuur gesproten
zoek heil in het slijm
van ene zoete kwijl
uit mijn kots
na danige overmaat
gij, met zwerende vingers
trek strepen met
bloed doortrokken pus
in de diepe zware grond
van modder en schimmel
gij baart de stank
uit ongekende hoeken
uwe gore geest
zal doordrenkt geraken
van het zwart dat nog
nagalmt uit stoffig as
van verrotte beesten
ik braak u uit
teen voor teen
het vel nog zuigend tussen
mijn rottende tanden
verzuip ten langen leste
in de dras
gij rovende etterbalk
Tumuluszoek niet,
mijn tere lief,
naar mogelijke
zielenkwalen
het is vragen
naar de duivel
die dan op
komt dagen
Mijn spiegelbeeld (eenakter voor twee personen)Mein Spiegelbild
jouw spiegelbeeld
meine matten Augen
starren durch das Fenster
wo nichts
und alles zu sehen ist
hier schein ich
offensichtlich
im luftleeren Raum
aufgestiegen
je fletse ogen
staren door het raam
waar achter niets
en alles is te zien
hier, lijk je,
ogenschijnlijk,
in het luchtledige
opgegaan
vor mir steht Kaffee,
auf einem Tisch:
eine große braune
quadratische Fläche
in einem verkommenen
Herrenlokal mit
altmodischem Ornament
wo alle Menschen sind
aber einander nicht erkennen
voor je staat koffie,
op een tafel,
een groot bruin
vierkant vlak
in een verlopen
herencafé met
ouderwets ornament
waar iedereen is
maar elkaar niet kent
in diesem Lokal, braungeraucht
sehe ich im Glanz eines Fensters:
ein reflektierendes Selbstbild
es ist das einzige,
das ich, unabsichtlich,
mit dir teil
in dit lokaal, bruin gerookt
kijk jij in de
glans van een ruit:
een weerkaatsend eigenbeeld
het is het enige
dat jij, onbedoeld,
met mij deelt
Een Juliusiaanse verlichtende houdingvoorwaar ik zeg u en het is waar
roep ik de sprakeloze menigte toe
terwijl ik gelukkig nog net op tijd
het juichen onderdruk met een zegenend gebaar
terwijl mijn nieuwe inzicht toch zeker niet
voor blindgeletterden onderdoet
maar daar ik wars ben van naijver of nijd
zeg ik, het is waar, en dat in alle bescheidenheid
(immers voor hoogmoed wordt men beboet)
ik zeg dus met een schorheid in de keel
die echter het gevolg is
van een voortslepende periodieke
onthouding ofwel op het afkicken
ene hemelse nicotine is gericht
(maar dat is niet des luisteraars deel)
kleven oren aan mijn lippen
wachtend op de reddende tong
hier komt spoedig de redding
uit grote menselijke ongemakken;
de diepe sociale kloven
mijn woorden zullen de verlichting
opnieuw gaan aanstippen
en het duivelse vuur der mensheid
in de kiem smoren
dan wel halverwege het kwaad doen doven
NEEM ALLE SCHULD OP UW EIGEN SCHOUDER
roep ik met tranen uit
sluit iedere ontkenning daaromtrent
van buiten af
niets geeft zoveel lucht aan uw gemoed
als u niet meer hoeft te strijden
in een eindeloos voortschrijdend
welles nietes gewroet
niet de ander, maar u bent maf
u kan enige machteloosheid vermijden
het doet u goed
(satire!)
Kleven aan de Tophet is me weer gelukt,
daar in ruime mate
de genade opnieuw mij
ten deel is gevallen;
een volle aflaat is mij verleend
zeg maar dat mijn ziel
blij is en opgetogen,
zelfs in hoge mate verrukt
een vermeende afgang mijnerzijds
als dichtend kunstenaar,
alsof ik van enige kundigheid
zou zijn gespeend,
blijkt door moderne technieken
ongewenst voorgelogen
ik voel natuurlijk gehijg in mijn nek
van oprukkende eerbare talenten,
al dan niet zichtbaar in de lijn omhoog
maar toch is nog even de beker
van hel en verdoemenis
aan mij voorbij gegaan
ondanks de fundamenten van
vieren en vijven
teer ik een wijle verder in
op inflatoire rente
het maakt maar eens gewaar
hoe kwetsbaar ik ben in mijn bestaan
of hoe snel men zich kan blindstaren
op de eeuwige roemruchte lente
(satire !)
Uitvalals stilte
is ingenesteld
of ongedwongen blind
blijft ingemetseld
is de voortduwende beweging
op dood spoor gekomen
zijn wissels bevroren
en is stroom alleen nog
gewikkeld in verleden dromen
de stoppen
blijken weer
uit steen gebakken
doch wat mij,
teneinde,
meer zorgen baart
is, dat naar het schijnt
de verbinding
niet meer wordt geaard
Een zottig lotach, het was maar voor even
van korte duur zogezegd
dat ik op eenzame hoogte
aan de top mocht zweven
het koningsschild
gesmeed van honing
uit een sterfelijke bron
heb ik afgelegd
op een aards schavot
daar het smolt in de zon
toch was het zoet
een enkele maal te proeven
van een vergankelijk aards lot