

Bewondering
zij
die in taal
wordt herboren
kan mijn
bewondering
ervaren
zij baart
zichzelf
door
metaforen
die nog steeds
weeën verklaren
Als de schaduw valt
toen de duisternis
mij overviel
restte mij nog
het tasten en zuchten
alsof ik ook
voor deze dag
moest vluchten
ik stiet
tegen een muur
doch
plots zag ik weer
het licht
een ingebouwde
schakelaar
was voor
mijn wijsvinger
gezwicht
*
Hellevuur
je schouders
dragen
een winterdeken
daaronder
drijft een gekruisigd lijf
onweerstaanbare tranen uit
om pijnen los te weken
mijn handen
schieten te kort
zo ook
zijn mijn ogen
dichtgeslagen
immers,
ik ben het zelf
die het hellevuur
heeft aangedragen
+
soms ben ik
hongerig en blind
als mijn leegte
een reeds gestorven
toekomst vindt
+
Ad Tempus
ik was even in ruste
toen gefluister langs
de oren blies en zeide:
ga je mee
met mij mee
zomaar
vliegend vlieden
*
wonderbaarlijk
dat het mij met
vergankelijkheid
suste
ik wist niet
dat het de geest was
die zichzelve vaarwel
kuste
Mysterie van Kerstmis
ook al zal ik de
schepper toebehoren
aards kort of
wellicht
hemels lang
en wanneer
de geest mij
als het waren
wil bekoren
is leven
niet gelijk
een hymne als
ongeschonden gezang
ik snap niet echt
diep in mijzelf
of kijkend om me heen
dat uit voortdurende
verwachting
toch hoop
wordt geboren
De vrije wil
door de poort
achter in het zwart
verlaat ik het licht
*
lang geleden is
een ziel vermoord
thans wordt mijn mond
met pek gedicht
immers ook mijn handen
hebben een lijf doorboord
de satan heeft mij
in de greep
als handlanger
van de man
die ik ben
en allen zijn in mij
ook van hen
die ik niet ken
gedreven door
de drift van de zweep
openen zich als vanzelve,
tegelijkertijd,
de mij zo toegewenste
helle gewelven
*
door de poort
achter in het zwart
verlaat ik het eeuwig licht
eens op voorspraak
aan mij toegedicht
(fictief)
Van zoon tot broer
moeder,
mijn vader
heette Klaas
welnee,
zijn naam was Jan
maar die is er niet meer,
helaas
hij was een heer
niet de gemakkelijkste,
een echte ouderwetse baas
moeder,
ik ben uw zoon
net als Gijs en Kees
ja, jouw pa
had de hond nog voor de
aardappelenkar
riep zij oprecht
maar o zo in de war
moeder,
mijn vader
heette Klaas
ik blijk opgeschoven
onder haar waas
Jasper
in mijn land
heerst
het grijs
vroeger
winter genaamd
de schepper bedacht
ik stuur de oude dichter
een kleinzoon
Jasper genaamd
het gebeurde gister
Ingebeeld
hoe droog waren mijn lippen
toen ik, ten langen leste, dorstig
van stoffige wijsheid proefde
tandenknarsend viel
mijn wereldbeeld in duigen
toegedekt met droge blaren
zocht wederom,
gelijk de mens is,
een andere schim
die ook in mijn
gespiegelde vitrine
vertoefde
ik was van mijn
schepping getuige
en kon weer de
horizon verklaren

