Jasper
in mijn land
heerst
het grijs
vroeger
winter genaamd
de schepper bedacht
ik stuur de oude dichter
een kleinzoon
Jasper genaamd
het gebeurde gister
Jasperin mijn land
heerst
het grijs
vroeger
winter genaamd
de schepper bedacht
ik stuur de oude dichter
een kleinzoon
Jasper genaamd
het gebeurde gister
Ingebeeldhoe droog waren mijn lippen
toen ik, ten langen leste, dorstig
van stoffige wijsheid proefde
tandenknarsend viel
mijn wereldbeeld in duigen
toegedekt met droge blaren
zocht wederom,
gelijk de mens is,
een andere schim
die ook in mijn
gespiegelde vitrine
vertoefde
ik was van mijn
schepping getuige
en kon weer de
horizon verklaren
Klanken van de arm.
ik ontdekte
een stap opzij
aan iets
nieuws gelijk
terwijl het slijk
aan mij zoog
bij vallend tij
.
In het stof zult Gij bijten (2)O god
wat valt aan de mens te helen
als hij zo is
waar uw schepping
het zicht in dag en nacht deed verdelen
of aan zijn aard, ongevraagd,
mij dus, de zwakte zocht toe te bedelen
ben ik de kroon op uw schepping
als mijn vel verdroogt
onder ooggeklepte mensen
en vrij als ik zie
dat wij door kwetsbaarheid
worden gedoogd
en de levensaderen
ten langen leste
raken uitgedroogd
ik, ontevreden?
met mijn rijkdom
mijn dit en dat,
en grenzeloos aanbeden word
neen, het leven heeft mij
overdadig bezat
groen is de schepping van het licht
zwart van de nacht
ook u leed even aan een depressie
met het rusten heeft u niet tot de zesde
maar tot de zevende dag gewacht
een haast menselijke omissie
In het stof zult gij bijtenwie is niet bevlekt geraakt
tijdens zijn aardse leven
of kent stof alleen van horen zeggen
aan wie onder u dien ik dat uit te leggen
van de kruidenier die nog aan het kooltje
van zijn schrijfpotlood likt
om uw zonden te noteren
van de baas van de frituur
wiens vette vingers
tussen sticks en frikadellen roteren
of de vroedvrouw die juichend
met bebloede handen
tegen de zwetende moeder roept
"het is een meisje"
dat tegelijkertijd het maagdelijk wit
van haar schort bepoept
of de pastoor die met zegenende bewegingen
sigarenlucht de wereld in wuift
neen, geen mens is onbevlekt
onaangeroerd gebleken
in de aarde hebben we toch allen geploegd
onze zandkastelen op het strand weg zien weken
waar me we met een plakkend waterijsje
de hele hete middag op hebben gezwoegd
of het kwijlen van de oudere mens
dat druipt over een ongeschoren gezicht,
man of vrouw maakt niet uit,
bij het nuttigen van het toetje
morsend door trillende gewrichten
en de mond de echo verspreidt van
het klapperend gebit
ja, ik ben bevlekt
Verlichting 2naarmate
de tijd vervaagt
verdooft
de oorzaak
als ook nog
het denken vertraagt
begint de eenvoud
zijn taak
De wezenlijke schijnmijn spiegel
is aangetast
door de jaren
waar ik nu in kijk
is verworden tot
doorzichtig glas,
aan een loep gelijk,
doch zonder dat hij
de afstand naar mijzelf
kan verklaren
een schild dat
niet meer weerkaatst
en het innerlijke naar
uiterlijkheden verplaatst
door een filter die steeds
grotere gaten vertoont
opdat de werkelijkheid,
haast ongehinderd,
weg kan spoelen
in een rechtlijnige goot
Welvaartmijn geleide dag zweeft
door de verstarde geest
en weet dan ook doorgaans niet
waar hij is of is geweest
misloopt tevens het gevoel
van een dragende aarde
doch wees niet bevreesd
sist mijn streber stoer en koel
ik ben als de doorsnee mens:
een alom verspillende beest
met een slijtende waarde
mijn hart en hoofd steunen
immer meer op stijve stelten
en inmiddels tot vurenhout vervaagd
maar door de tijd hebben de longen,
opdat mijn ziel wordt weggejaagd,
steeds vaker zuurstof bedongen
In verwachtingje zit met je hoofd al klem
tussen schaamteloze lippen
maar de tijd is nog niet rijp
om uit het vrouwelijke te wippen
In de rijdrie zwanen
op een rijtje
na een
zwart op wit
vrijpartijtje
Verlichtingals mijn ziel steeds minder zoekt
naar gebaren die woorden uit stof dragen
en licht mijn schaduw niet meer vervloekt
geraakt de geest allengs bevrijd van vragen
Een heremietben ik tot
heremiet verworden
als ik zwijgend spreek
over mijn gedachten
die soms,
zo de mens eigen,
een geheim lijken
te betrachten
het zijn vaak
volkomen woorden
die reeds verdampen
eer ze mijn tong
beroeren
maar binnen
het heelal van stilte
kan ik onbeperkt
de gehele schepping
vervoeren
Hoe ik mijzelf ontnamhoe ik mijzelf ontnam
daarvan droomde ik vannacht
niet dat bij geopende ogen
het bewustzijn daar aan dacht
het was meer een schok
dat ik de eigen weg afsneed
mijn handen bleken vrij
voor een laatse ademslok
de dwingende slaap
schiep dat beeld in het vizier
en toonde zich genadeloos wreed
het ontbrak mij aan gevoel
waarom de overgave dat deed
(fictief)
In beelden
ervaar de beelden
die ik houw
uit diepe lagen
voel je ook
de zwaarte van
gerimpelde gelaten?
vooral die uit
doodsangst praten
en geen speeksel voor
de tong kunnen vragen
Vaker dan voorheenzo af en toe
wat vaker dan voorheen
overschrijd ik mijn jaren
welke gedachten
of gevoelens heb ik
nog gemeen
als grijs nijgt naar zwart
en het ademen
mij slechts mee
laat varen
achter een masker,
zo lijkt,
verstilt de geest
van schoonheid en
toekomst het meest
af en toe
nog vaker dan voorheen
verlaat ik mijn jaren
heb ik minder weet
omdat wat komt
mij niet schijnt te raken
alsof het heden al in
vergetelheid verstomt
zonder de zin te verklaren
In lacrimoso(Proeve van een onverstaanbaar gedicht)
In lacrimoso
de lafenis van een flauwhartige
is veelal in lacrimoso gekleurd
vaak tracht hij het tij toch nog
met spraakwater te keren
terwijl deze mens mijn vertrouwen
onvoorwaardelijk heeft verbeurd
met de modus in rebus
slobbert hij allengs bij leven
immer uitmondend
in een incrusterende roes
opdat de rede maar
buitenzintuiglijk wordt bedreven
zo kan hij in tranen geraken,
wordend tot slippendrager
van zijn smachtende ego :
de slempende slemiel
als geblinddoekte jager
van een vetgemeste vlo
Lekker luchtenspeel even mee
langs snaren
van onze blauwe wind
we dansen dan
totdat jij je in het ronde
tollen bevindt en ik
touw laat vieren
of laten wij dollen in
een genoeglijk rijmende
ritmiek die jij
van nature zo bemint
draai, draai toch
terwijl je haar,
in vlechten geknoopt,
zwiert langs de duinen
van mijn verlangen
waar mijn handen
zich strekken tot
regenboogkleurige
vingertoppen
in fluitende gezangen
ik heb geen idee
oh, jij zeker wel dan
wanneer jij of ik,
kan ook beiden,
weer op het koudevoeten
marmer zullen landen
we kunnen er wat van!
toch?
Jij die komtik wacht op je
terwijl jij reist
onderweg naar
jouw naam
en een wijle
drijft onder
een bonzend en
veroverd
vrouwenhart
waar je
als vederlicht gewicht,
na erkenning
in een veilige duisternis,
te samen in
enkelvoud start
zo tel ik mijn uren af
terug naar de aarde
en jouw dagen
die spoedig worden
geboren
als je dan de zon
ontmoet
zal je tot een
eeuwige waarde
behoren
Als de dood passeertwaarom is een
doodgeboren woord
geschreven in een zucht
naar onhaalbaar verlangen
indien het bestaan
ongevraagd
mijn hart doorboort
en denken
in dwang lijkt gevangen
oh natuurlijk
zijn er gedachten
welke de rede
van nature achten
en spreekt een woord
over wederopstanding
en verwachten
*
we vullen echter
leegte met
zwijgend turen
Schone schijner zijn zo van die mensen
die mij niet mogen
het aantal neemt
door de jaren heen
alleen maar toe
heb ze mogelijk in hun
verwachtingen bedrogen
worden van mijn aanwezigheid
ondraaglijk moe
of zal het zo zijn
dat ik nu pas,
door de jaren gelouterd,
de schone schijn doorbreek
van zelfgenoegzaamheid
waar de ziel
schellen verdrijft
uit het land van blinden
dat ook in mijn handen
zwart wit wordt bereid
uit juichende kleuren
ja, ik lijk toch veel op wat
anderen van mij vinden