foto

foto
ik, als zuigende minnaarik zuig immer
zacht en traag
van het zoete bloed
zeg maar gerust,
óók liefdevol
zoals dat slechts
een echte minnaar doet
het is echter zo,
zucht de
stervende vlo
dat mijn tijd van
heengaan
is gekomen
steeds meer
tref ik de verzuurde mens
toen ik aan jou
was begonnen
wist ik het zeker
het chagrijn
is niet meer
in te tomen
spiegelende realiteitik zie jou staan
in de piste
van een lingerieboetiek
als kwetsbare figurante
op het wedijverend glas
de verbeelding zoekend
die een weg naar jezelf baant
of iemand die je ooit was
je draait je half om
of kijkt over de schouder
naar elke starende blik
die je ego tracht te vangen
aldoor wisselend van pose
om de bevestiging te vinden
in een onvertaalbaar verlangen
De glazen tijdalhoewel overkapt en gedragen
door hemel en aarde
en beschut door
vier sierlijke pilaren
is de loper des tijds,
uiterlijk gehuld
in het goud der armen,
op een voor mij ongekende dag
opgehouden
de voortschrijdende minuten
langzaam opbouwend te vergaren
ik zie hem zielloos staan
tussen verleden van allerlei aard
onderwijl denkend
waarom nu afgedankt,
hoe kan zijn aanwezigheid
hier worden verklaard.
zeker, het glazen lichaam
is aan het oog onttrokken,
verbrijzeld op enig moment
maar waar de geijkte
eeuwenlang door bewegende polsen
in de schoonheid lijkt verheven
is hem nu
tussen willekeurige overlevenden
een voorlaatste rustplaats toegekend
Heet de dood Godals ik mijn tred steeds meer
in tijd en ruimte vertraag
en mijn gang langs rododendrons
ten einde beperk tot een van hen
dan denk ik steeds minder meer
is mijn omgeving nog maar
een haast gedachteloze haag
benader ik nu een goddelijke sfeer?
als mijn adem wenst te stoppen
overeenkomstig het aardse lot
word ik dan opgenomen
in zulke fleurige knoppen
ben ik dan in de eindeloze grootsheid
van de dood,
is dat dan de heelheid
gekend onder de naam God
Bescheiden hoogmoedwaarom zou ik bescheiden zijn
als ik op mijn rug de lasten draag
gelijk een elk het donkere moet torsen
en weet dat er een helder
onomkeerbaar punt geschapen wordt,
niet door mij of de mensen aan mijn zijde
nee, het is van een almacht,
in een zekere schijn,
niet komend uit mijn eigen vraag
die aan mij overlaat
dobbelstenen te laten rollen
om wel of niet
met de levensadem te morsen
of dromen aan te snijden
mijn voortgang kent slechts een doel
waarom zou ik dan bescheiden zijn
niet dat ik hoogmoed verkies
als heerser over alle wegen
het is waar, het bewandelen
van het eigen pad is een gegeven
waarop ook ik herhaaldelijk verdwaal
en toch wel vaak de richting verlies
al voelt het even als een zegen
om tegendraads tegen
de eigen natuur te handelen
te genieten van een uitgetreden zegen
en ik mijn hoed hoger zet dan normaal
zou een pauw niet mogen pronken
met de schoonheid hem aangedaan
mag men niet lonken naar de talenten
waarmee ieder zich heeft te verstaan
vertoeven in een huis met ramen
zonder uitgang naar buiten
is nodeloos lijden aan jezelf
het spelen met bescheidenheid
haalt mij uit de kluiten
toont mij de schoonheid van het hemelgewelf
kan mijn bestaan beamen
en geeft de lach gelegenheid
de betrekkelijkheid zich tijdelijk
in de ruimte te ontsluiten
waarom zou ik bescheiden zijn
als ik op mijn rug de lasten moet dragen
niet komend uit mijn eigen vragen
CARPE DIEM
Wachten op een treinwanneer komt een trein voorbij,
hij mag ook wel even stoppen
als ik spreek over een gedachte
die passeert
en aanzet tot enige beweging
in mijn vingertoppen
of een beeld dat zich
neervlijt bij mij
waaruit ik zicht heb
op voldoende letters
die woorden kunnen bouwen
uit een scheppende brij
en regels trekt
over wit papier
die konddoen
van een rijmend
of prozaïsch gebeuren
waar mogelijk ook
een gevoel wordt ontmoet
met navenante kleuren
in de hoop dat in alles tezamen
ook iets muzikaals wordt opgewekt
niet om een hekwerk te beramen
maar dat de fantasie van menigeen
moeiteloos kan worden opgerekt
Ga maarga maar
fluistert
mijn innerlijke
stem
had je niet meer
moeten roepen
je bent door
de verstreken tijd
gekropen
aldoor een mengeling
ademend
van afstoten en hopen
mijn handen raken
nog even aan jouw huid
de ziel ervaart
met tegenzin
een afwezig geluid
ga maar
zwijgen mijn lippen
*
ik heb niet geleerd
een navelstreng
door te knippen
Een blijde boodschaper ontwikkelt zich weer
een toekomst
zo wordt dat
in de volksmond genoemd
een flierefluiter uit miljoenen
treft onbewust
zo mogen wij gerust stellen
een verleidster
op bevruchting belust;
hij is dan tot een
langer bestaan gedoemd
tijdens rappe scheppende gebaren
of een operette met
een zangerig gezucht
geschiedt het onvoorstelbare
het zijn, naar mijn beste weten
twee mensen die op biologische wijze
van elkaar zijn bezeten
en veelal na de inspannende uitspatting
onwillekeurig zijn opgelucht
en als onzichtbaar wordt besloten
tot een hechting, gericht op meer
is het voor hem voorbij met het boemelen
zo vreten zij zich nu vol
tot één menselijk geheel;
in het vruchtwater valt
niet meer te sjoemelen
het is groeien geblazen
een buik moet immers
worden opgerekt tot bol
die na verloop van tijd
barstensvol is gevuld
met lijf en ledematen
wanneer er dan op de juiste wijze
is geëchood en geteld
geschiedt het grote wonder
als noodgedwongen
de nieuwe aanwinst
het vruchtwater moet verlaten
en worden de kaartjes rondgezonden
die al maanden eerder,
naamloos weliswaar,
bij de dorpsdrukker zijn besteld
toch denken de ouders soms even
in de reeds overwonnen nachten;
tjonge jonge, waar zijn we aan begonnen
Als een mens zich verliestde lange slanke pij
van boven tot onder
of van aarde tot hemel
draagt in zich
wat nog rest
als stof
maar toch vooral
gevuld met de adem
door de geest gevormd
overwonnen op het
uitzichtloze broze
ik zoek het gelaat
sprakeloos geworden
dat doch als haast zeker
de zuivere zienswijze draagt
van worden naar zijn
waar echter de kap
gelijk een mantel
van het hemelgewelf
mij verblindt
en het hoofd bedekt
als scheiding tussen mijn en dijn
met het gewicht van oneindig licht
zich ongrijpbaar spreidend
over het verstilde aangezicht
en hoe zijn uiterlijk schijn
gevangen in mijn ogen
duidt op het onzichtbare alles
onbeschrijfbaar maar
zo helder naar binnen gericht
*
wat enkel de verschijning siert
is de neergelaten krans
met het gestorven hout
het laat mij
de wens aanschouwen
dat deze gestalte
op weg is,
het loslaten viert,
zonder om verlies te rouwen
ook al voelt de leegte,
menselijkerwijs gesproken,
zo immens koud
Het benevelde doekhet groen kijkt
mij vragend aan
vanaf een palet
met gras, bomen en struiken
of raak ik zo intens begaan
omdat de regen mij van
het levende sap laat ruiken
als het benevelde doek
moeiteloos een compositie schetst
in de stille morgen
en de samenhang van tinten
woorden doet verstommen,
waar alles zichzelf
onvoorwaardelijk bemint
en van nature in geruisloze
groei lijkt geborgen
Interieurben even bij de buren
en zie het nu van dichterbij
wil een keer niet naar binnen gluren
wat ik normaliter doe
als ik driemaal daags voorbij schrijd
mijn hond draagt daaraan toe bij
hij heeft zijn geregelde behoefte
eigenlijk op vaste tij
zodat ik noodgedwongen
alle aanliggende huizen passeer
en inhoud van het inpandige,
zover niet achter vitrage verborgen,
op me in laat werken
en al doende veel van de bewoners leer
een buitenkans wordt mij nu zowaar geboden
een interieur van korte afstand te aanschouwen
en met een uitnodigend gebaar
word ik door de buurvrouw ontboden
zonder deze keer mij "mogge" toe te snauwen
ja, zegt zij met de sprits reeds in de mond
en de thee op haar schoot
ik vraag me immer af
die man maakt het toch wel erg bont
hij eet haast de kaas van mijn brood
terwijl zijn hond mijn enige buxus
een repeterende beurt geeft
met zijn opdringerige herenstaf
mevrouw, u hebt weet van mijn interesse
die is geheel van intellectuele aard
ik trek de nodige lessen
uit de opstelling naar uw keuze
die middels het meubilair
aantoonbaar is opgebaard
nu had ik u vanwege uw natuurlijke omvang
wat meer naar het Barokke ingeschat
maar weet u, bij de kapper heb ik gelezen dat Bea
haar optrekje voor de toekomst
omzichtig inricht in The Scandinavian stijl
nu te zien in het volkenkundig museum Ikea
u loopt volledig mee in de moderne pas
ook uw beeldscherm aan de wand
is up to date en in omvang behorend
tot de Super Class
het stemt mij tot een groot genoegen
bij een doorsnee Nederlander
te zijn aangeland
oh, uw hond is al jaren dood
gezien de urn op de vensterbank
heeft hij veel te lijden gehad
of liep hij al jaren mank
ja, zo'n beest zal u best missen
buurvrouw Jansen heeft het met vissen opgelost
toen haar kat koos voor het eeuwige
en manlief het leven liet
zei ze daadkrachtig, hier wordt niet meer
gemauwd of met brokjes gemorst
die vaas met bloemen
is dat niet in Jugendstil
nee zei ze op gedempte toon
dat kunstwerk is van plastic gemaakt
de echte is gesneuveld
toen mijn man zaliger
bij het bestrijden van de spinnenwebben
door de voorruit viel
ja, u zit er netjes bij
anders dan ik van buiten had verwacht
men blijft in het passeren toch echt een outsider
u heeft smaak dat had ik al helemaal niet verwacht
en ook al niet een zenuwlijder
nee, een tweede thee gaat er niet meer in
de viervoeter is aan zijn ronde toe
maar als ik u nu passeer weet ik zeker
ik heb het met u getroffen
mijn vooroordeel over u
is vanaf heden, dat moet ik erkennen,
veel weker
Eens komt de tijder komt eens een tijd
soms eerder dan vermoed
dat de grijze haren zijn geteld
of op een glad hellend vlak
de schaduw zich vertoont
als de vragen die het denken stelt
duiden op het ongewisse in mijzelf,
merk ik, dat door woorden van buiten,
en slechts voor korte duur, de zucht
naar schijnbare stilte wordt beloond
er komt eens een tijd
dat wijsheid slechts groeit
als ik de antwoorden op gemis
allengs vanzelf mijd
en ik erken dat in ademen
het leven bloeit
maar ten einde ook,
onvermijdelijk,
het zekere sterven gedijt
als ikzelf mijn leven bespiegel
neemt het echte weten toe
zal ik steeds meer van mijzelf herkennen,
worden de schellen minder snel moe
er komt eens een tijd
dat kennis slechts groeit
als men de antwoorden op onwetendheid
niet met nog meer vragen verknoeit
Foto
Mijn lage landnog verder dan de dijk
voorbij de lage drassige velden
schuurt de stroom
tegen overvloeiende lijnen
soms op mateloze wijze
maar ook in haast
aaibaar deinen
onderhavig aan
een onduidelijke macht
beheerst door het land
doch vaak evenzeer
wanneer het water
zijn kracht doet gelden
terwijl het weder
soms onberekenbaar
het strijden
duchtig overmant
en als de raakvlakken
eigenlijk in elkander overgaan
is de bodem zacht van aard
ontdaan van vastigheid
uit kwellend slib gebaard
bij voortduring
komend dan wel gaand
stoeien zij om de zwaarste dracht
die de weg
al was het maar even
naar meer bezitten baant
zo is mijn lage land
onvoorspelbaar beweeglijk
aldoor zoekend
naar een veilige overkant
De Stem des Aanrechtshet is een vrouwenkoor,
ons vrouwenkoor
dat onophoudelijk gilt,
schreeuwt en steunt
zoals een gierende boor
al draaiend zijn hoge
eentonigheid kreunt
een toneel vol rode ballonnen
met opgezwollen nekken
het zijn sopranen
met een jankend geluid
die snerpend de lucht
langzaam laten vieren
in een ballade van Karel de Manke
zo staat op het bierviltje aangeduid
ieder familielid is opgetrommeld
zelfs tot in de vierde graad
"zie toch onze moeders daar musiceren"
roept een zonderling vanuit het toilet
"daar kunnen we weer een jaar op teren"
"die Wolfgang Kuch, de dirigent,
houdt met zijn stokje wel de maat
maar ik hoop dat hij vóór de stervensscène
uit de opera Het Genadeschot,
de zaal via de achterdeur verlaat
geruisloos, dat wel
een knipoogde zon springt
van tak naar tak
als ik
slenterend
op afstand
de bomen zie
op een rij
zij aan zij
en flitst dan
op haar gemak
keer op keer
ik denk dan
heel even
zij knipoogt
naar mij
toch een hele eer
that's lifehet blijft alsmaar afwachten
of er na morgen nog een verleden is
kan het onbekende wel verbeelden
het ongekende verzachten met gedachten
aan een almachtige kracht mijzelf overgeven
maar als puntje bij paaltje komt
blijft het hopen en verwachten
het beste dat we dagelijks kunnen beleven
(ik heb de leegte er maar niet bij opgesomd)
alhoewel, het inhoudsloos vegeteren
zoals bij licht de ogen openen
in het donker de leden weer toe
en tegen de nacht
de dag de rug toekeren,
behoort tot het potverteren
drink ik, eet ik en word als vanzelf moe
als ik wat kuier, mijn manier van lopen,
in afwijking van het huidige jachtig gedoe
maar toch is het een eenvoudige wijze
om gisteren aan een komende dag te knopen
het blijft alsmaar afwachten
of er na morgen nog een verleden is
iets dat bijdraagt aan een voldaan gevoel
ik zou niet weten wat ik daarmee bedoel
maar het nu al invullen van een mogelijk gemis
ligt niet voor de hand, ook al is het mogelijk
therapeutisch aantrekkelijk en cool
daarom schrijf ik maar wat dingen bij elkaar
en benoem het als een lichtgewicht
bestaansgedicht
het gaat erom dat ik heden
op een of andere manier
het vreemde lot van het bestaan toelicht
*
ik verhaal van
drie erwtjes op een bord
nuttig ze met mes en vork
een voor een slik ik ze in
en als ze zijn verorberd
heb ik in het kort verteld
hoe ik in de voorgaande coupletten
u allen zo teder bemin
that's life..........
vrijheidhoe kan ik zeggen
dat vrijheid bestaat
als de nacht nog vaak
mij in zweet doet leggen
en de vroege angst
mij in het donker
geenszins verlaat
ik zie kinderen
spelen op het puin
van mijn jeugd
immers een deel
van de zwarte aarde
vind ik nog steeds in mijn tuin
ook al herhaalt de lente
zich telkenmale
ja,
hoe lang al in jaren geleden,
het lijfelijk slijten
heeft het vergeten amper
doen verminderen
wie gelooft mij nog
als ik jou vertel
dat de verleden gruwelen
mij ook morgen nog
zullen hinderen
ik moet het blijven
verhalen
Mijn schild ende betrouweuiterlijk verbeeld
in lijfelijk omsloten
blinkende rituele togen
waar schoonheid haar
stoffelijke genegenheid toont
viert daarenboven
de zachte schittering
in jullie beider ogen
zij weerspiegelt
de onnavolgbare weg
naar woordeloos gevoel
waarin liefdevolle herkenning
het wederzijds bestaan,
een hoopvolle eenheid beloont
schouder aan schouder
met wat reeds uit
liefdevolle verwachting
is geboren
maar ook met de
dragende getuigen
willen jullie elkaar
het jawoord toejuichen
in die eeuwigheid van even
stokte de tijd
doch vroeg jullie hart
om blijvende gelukzaligheid