Tumulus
zoek niet,
mijn tere lief,
naar mogelijke
zielenkwalen
het is vragen
naar de duivel
die dan op
komt dagen
Tumuluszoek niet,
mijn tere lief,
naar mogelijke
zielenkwalen
het is vragen
naar de duivel
die dan op
komt dagen
Mijn spiegelbeeld (eenakter voor twee personen)Mein Spiegelbild
jouw spiegelbeeld
meine matten Augen
starren durch das Fenster
wo nichts
und alles zu sehen ist
hier schein ich
offensichtlich
im luftleeren Raum
aufgestiegen
je fletse ogen
staren door het raam
waar achter niets
en alles is te zien
hier, lijk je,
ogenschijnlijk,
in het luchtledige
opgegaan
vor mir steht Kaffee,
auf einem Tisch:
eine große braune
quadratische Fläche
in einem verkommenen
Herrenlokal mit
altmodischem Ornament
wo alle Menschen sind
aber einander nicht erkennen
voor je staat koffie,
op een tafel,
een groot bruin
vierkant vlak
in een verlopen
herencafé met
ouderwets ornament
waar iedereen is
maar elkaar niet kent
in diesem Lokal, braungeraucht
sehe ich im Glanz eines Fensters:
ein reflektierendes Selbstbild
es ist das einzige,
das ich, unabsichtlich,
mit dir teil
in dit lokaal, bruin gerookt
kijk jij in de
glans van een ruit:
een weerkaatsend eigenbeeld
het is het enige
dat jij, onbedoeld,
met mij deelt
Een Juliusiaanse verlichtende houdingvoorwaar ik zeg u en het is waar
roep ik de sprakeloze menigte toe
terwijl ik gelukkig nog net op tijd
het juichen onderdruk met een zegenend gebaar
terwijl mijn nieuwe inzicht toch zeker niet
voor blindgeletterden onderdoet
maar daar ik wars ben van naijver of nijd
zeg ik, het is waar, en dat in alle bescheidenheid
(immers voor hoogmoed wordt men beboet)
ik zeg dus met een schorheid in de keel
die echter het gevolg is
van een voortslepende periodieke
onthouding ofwel op het afkicken
ene hemelse nicotine is gericht
(maar dat is niet des luisteraars deel)
kleven oren aan mijn lippen
wachtend op de reddende tong
hier komt spoedig de redding
uit grote menselijke ongemakken;
de diepe sociale kloven
mijn woorden zullen de verlichting
opnieuw gaan aanstippen
en het duivelse vuur der mensheid
in de kiem smoren
dan wel halverwege het kwaad doen doven
NEEM ALLE SCHULD OP UW EIGEN SCHOUDER
roep ik met tranen uit
sluit iedere ontkenning daaromtrent
van buiten af
niets geeft zoveel lucht aan uw gemoed
als u niet meer hoeft te strijden
in een eindeloos voortschrijdend
welles nietes gewroet
niet de ander, maar u bent maf
u kan enige machteloosheid vermijden
het doet u goed
(satire!)
Kleven aan de Tophet is me weer gelukt,
daar in ruime mate
de genade opnieuw mij
ten deel is gevallen;
een volle aflaat is mij verleend
zeg maar dat mijn ziel
blij is en opgetogen,
zelfs in hoge mate verrukt
een vermeende afgang mijnerzijds
als dichtend kunstenaar,
alsof ik van enige kundigheid
zou zijn gespeend,
blijkt door moderne technieken
ongewenst voorgelogen
ik voel natuurlijk gehijg in mijn nek
van oprukkende eerbare talenten,
al dan niet zichtbaar in de lijn omhoog
maar toch is nog even de beker
van hel en verdoemenis
aan mij voorbij gegaan
ondanks de fundamenten van
vieren en vijven
teer ik een wijle verder in
op inflatoire rente
het maakt maar eens gewaar
hoe kwetsbaar ik ben in mijn bestaan
of hoe snel men zich kan blindstaren
op de eeuwige roemruchte lente
(satire !)
Uitvalals stilte
is ingenesteld
of ongedwongen blind
blijft ingemetseld
is de voortduwende beweging
op dood spoor gekomen
zijn wissels bevroren
en is stroom alleen nog
gewikkeld in verleden dromen
de stoppen
blijken weer
uit steen gebakken
doch wat mij,
teneinde,
meer zorgen baart
is, dat naar het schijnt
de verbinding
niet meer wordt geaard
Een zottig lotach, het was maar voor even
van korte duur zogezegd
dat ik op eenzame hoogte
aan de top mocht zweven
het koningsschild
gesmeed van honing
uit een sterfelijke bron
heb ik afgelegd
op een aards schavot
daar het smolt in de zon
toch was het zoet
een enkele maal te proeven
van een vergankelijk aards lot
Hora estde tijd staat stil
zo merk ik ter zijde op
doch mijn stemklank
verraadt enige ergernis,
vertaalt derhalve de onrust
van een aanzwellend
innerlijk ongemak
overeenkomstig
het drammerig gedreun
van een horde aanstormende
paarden in galop
mijn eigene ongeduld
staat voor kenners
merkbaar in brand
zeker als wachten
mij tenteert
gelijk de trage gang
van een nog in
leven zijnde slak
Geborgen goudniet dat ik je misken
of wil ruilen
dat zou zoeken zijn,
geblinddoekt,
tegen beter weten in
of lijken op wisselen
van spiegelende bomen
wederom zoeken naar
broze luchtgevulde zuilen
om ze weer met tranen te vullen
uit opgeblazen dromen
noch is het zo
dat ik mijn hart snijd
uit geborgen goud
dan wel mezelf bevrijd
uit vermeende boeien
neen, enkel afdrijven
naar een leegte
waar spanen ontbreken
is verraad aan het licht
hoe zou ik dan ooit
verder moeten roeien
Oude liefdevertel niet de woorden verder die ik zwijg
het zijn vermiste gedachten van toen
zij zwerven alsmaar van voelen naar doen
wil ze in gezouten vocht openbaren
waartoe ik zo nu en dan
of eigenlijk
toch wel dikwijls naar neig
om een verlichte schaduw
alsnog met speeksel te verklaren
ik zou van de berk met gewillige ranken
de geaarde wortels teder kussen
alsof hartstocht het smeulend vuur
met droge lippen kan sussen
en de bast niet de partituur zal nerven
van geblakerde holle klanken
luister niet naar de ogenblikken die ik zwijg
ze dragen de flanken die een oude liefde erven
Genadeloosde mug
zoemt
over
mijn blote
rug
pest
mij
als ik tracht
te slapen
zal ik uit bed
stappen,
op jacht
gaan
om haar bloed
op de witte muur
uiteen te slaan
dan wel
mogelijkerwijs
haar restanten
op te rapen
of trotseer ik
haar macht
en denk
morgen heb ik
wel een zalfje
dat de ergerlijke jeuk
verzacht
verdomme,
daar is zij weer
zij blijft nu nóg
langer zweven
zoeeeeeeeeeeeeeeeem
zingt zij eentonig
"gij zult mij niet krijgen"
pets,
zij sterft
ik heb haar genadeloos
afgeslacht
het duurde maar even
Cecile, Vrouwe van Bruggeik dans met u,
vrouwe van de avond
zing de melodie
die ons laat bewegen
zomaar op het ritme
van een ontspruitend lied
dat onze beide lijven,
getekend door de tijd,
even
in een blijde
voortgang doet
verweven
De zwangere schaduwschuil je even mee,
wil je?
hier, onder mijn vlinderstruik
die roze is gesierd
de takken hangen
wat zwaar getopt,
met hemels vocht bedekt
zij schenken ons
de zwangere schaduw
waar een lichte geur
zijn hoogtij viert
en zowaar,
een rijzende passie
wordt verwekt
ik lik de rood
gezoete smaak
van je lippen
als langs je mond
het groen wat druppels
omlaag doet glijden
aan dit sap
willen onze tongen
ritmisch nippen
zal het ons,
naar vluchtige
hoogten leiden?
De zoete windde zoete wind strijkt
van genot de wangen
in een tastend verlangen
hij aait de huid met zachte hand
en ik, wuivend naar meeuwen,
word badend gedragen
in het warme zand
boven mij spant zich in azuur
de hemelse weide uit,
weids en sprakeloos puur
in mij drijven,
weliswaar bij vlagen,
nog losse wolken
totdat ook zij vergeten
het aardse denken
te vertolken
Ik teken jouw figuurik teken jouw figuur
met een gouden pen
je huid verzorg ik met
een verjongende crème
neen, je hele lijf
boetseer ik zo
dat je volledig aan
mijn mannelijke
verwachtingen voldoet
meer is er toch niet
achter jouw façade
ja, de duivelse macht
die je eeuwig beboet
hij is heerser over
een onveilige haven
hij heeft het vertrouwen,
lang geleden,
besmeurd met onuitwisbare pek
opdat de dorst nimmer is te laven
jouw zoute en zure vocht
zal nooit weg kunnen stromen
omdat het bevroren is geraakt
de liefdevolle groei naar eigenwaarde
is daardoor voortijdig gestaakt;
het daglicht draagt boze dromen
ach, het maakt niet uit wat ik vind
als je, uit onmacht,
jezelf niet bemint
Reflectieik heb het wel gezien
mompel ik bij tijd en wijle;
zeker de wereld is groot
en emoties nog
eindeloos te vergaren
maar waarom àlles ervaren
door het afleggen
van zoveel mijlen
of nóg dieper navelstaren
totdat alles zo duidelijk is
als de ongekende dood
FOTO
de Mythe van Fatumazij, Fatuma, daagt de goden uit
van achter haar gazen voile
om gelijk een dolende pagode
steunend op haar houten fluit
als bevallige dienende bruid
over haar duistere ultieme
verlangens te verhalen
teneinde de hemelse heerscharen
in een aardse verleiding te noden
zodat zij, Fatuma, hun zaad
in sprekend stof zou baren
waar elke willekeurige macht
kan worden omgezet in haar geboden
en de uitgeblusten haar tot
enige opperwezen zouden verklaren
zo geschiedde...
met vrouwelijk geduld
dat niet alleen de baarden
maar zelfs hen met zalige borsten,
onbelast met bevruchtende sappen,
werden omhuld met eeuwige schuld;
haar superbe grootsheid te aanvaarden
Annabelhet is de nacht
die al voor de avond
het licht heeft besmeurd
en in zwijgen is vermomd
als ik plots,
uit de verte
een stem hoor roepen
"kom op, Julius, geen zelfbeklag,
blijven praten.
ik mis de bevrijdende opening".
de humor, jouw onweerstaanbare lach
dat zijn toch ook vaste gewaden
vandaag, Annabel
is weer zo'n dag
het ene been schuift dan uit bed
terwijl de ander weerstand biedt
en zegt, ik volg later,
het kan nu even niet
al heb ik weet
van mijn edele dagelijkse plicht
blijf ik desondanks dromen
mijn blik blijft als vanzelf
naar binnen gericht
het is deze ochtend,
Annabel,
die de nacht verder draagt
en de scheiding tussen
slapen en ontwaken
haast onweerstaanbaar
langdurig vertraagt
Zwijgenhoe draai ik,
blind gevlekt,
een zandloper
van steen
als ook jouw handen
niet verder kunnen reiken
door bevroren gedachten
die gevangen lijken
in glimlachend geween
en waar het zwart
over en weer
blijft ingekleurd
het is de nacht
die al voor de avond
het licht heeft besmeurd
en in zwijgen is vermomd
Blind gevlektvergeet zo vaak
te vragen
hoe het je vergaat
soms moet het dagen
door de eigen kwetsbare
schaduw heen
waar ook nog
mijn stokkende adem,
onverstoorbaar,
een verlammend zicht
verraadt
hoe draai ik,
blind gevlekt,
een zandloper
van steen
1 reactie op dit bericht
De dood na de mosterd
Ik heb er nog maar enkele gelezen en zal nog eens het rijtje afgaan.
wil je ook eens enkele gedichten van mij lezen??
blog.seniorennet.be/christine (ik ben nog nieuw,een bleutje)
groetjes