Klanken van de arm
.
ik ontdekte
een stap opzij
aan iets
nieuws gelijk
terwijl het slijk
aan mij zoog
bij vallend tij
.
Klanken van de arm.
ik ontdekte
een stap opzij
aan iets
nieuws gelijk
terwijl het slijk
aan mij zoog
bij vallend tij
.
In het stof zult Gij bijten (2)O god
wat valt aan de mens te helen
als hij zo is
waar uw schepping
het zicht in dag en nacht deed verdelen
of aan zijn aard, ongevraagd,
mij dus, de zwakte zocht toe te bedelen
ben ik de kroon op uw schepping
als mijn vel verdroogt
onder ooggeklepte mensen
en vrij als ik zie
dat wij door kwetsbaarheid
worden gedoogd
en de levensaderen
ten langen leste
raken uitgedroogd
ik, ontevreden?
met mijn rijkdom
mijn dit en dat,
en grenzeloos aanbeden word
neen, het leven heeft mij
overdadig bezat
groen is de schepping van het licht
zwart van de nacht
ook u leed even aan een depressie
met het rusten heeft u niet tot de zesde
maar tot de zevende dag gewacht
een haast menselijke omissie
In het stof zult gij bijtenwie is niet bevlekt geraakt
tijdens zijn aardse leven
of kent stof alleen van horen zeggen
aan wie onder u dien ik dat uit te leggen
van de kruidenier die nog aan het kooltje
van zijn schrijfpotlood likt
om uw zonden te noteren
van de baas van de frituur
wiens vette vingers
tussen sticks en frikadellen roteren
of de vroedvrouw die juichend
met bebloede handen
tegen de zwetende moeder roept
"het is een meisje"
dat tegelijkertijd het maagdelijk wit
van haar schort bepoept
of de pastoor die met zegenende bewegingen
sigarenlucht de wereld in wuift
neen, geen mens is onbevlekt
onaangeroerd gebleken
in de aarde hebben we toch allen geploegd
onze zandkastelen op het strand weg zien weken
waar me we met een plakkend waterijsje
de hele hete middag op hebben gezwoegd
of het kwijlen van de oudere mens
dat druipt over een ongeschoren gezicht,
man of vrouw maakt niet uit,
bij het nuttigen van het toetje
morsend door trillende gewrichten
en de mond de echo verspreidt van
het klapperend gebit
ja, ik ben bevlekt
Verlichting 2naarmate
de tijd vervaagt
verdooft
de oorzaak
als ook nog
het denken vertraagt
begint de eenvoud
zijn taak
De wezenlijke schijnmijn spiegel
is aangetast
door de jaren
waar ik nu in kijk
is verworden tot
doorzichtig glas,
aan een loep gelijk,
doch zonder dat hij
de afstand naar mijzelf
kan verklaren
een schild dat
niet meer weerkaatst
en het innerlijke naar
uiterlijkheden verplaatst
door een filter die steeds
grotere gaten vertoont
opdat de werkelijkheid,
haast ongehinderd,
weg kan spoelen
in een rechtlijnige goot
Welvaartmijn geleide dag zweeft
door de verstarde geest
en weet dan ook doorgaans niet
waar hij is of is geweest
misloopt tevens het gevoel
van een dragende aarde
doch wees niet bevreesd
sist mijn streber stoer en koel
ik ben als de doorsnee mens:
een alom verspillende beest
met een slijtende waarde
mijn hart en hoofd steunen
immer meer op stijve stelten
en inmiddels tot vurenhout vervaagd
maar door de tijd hebben de longen,
opdat mijn ziel wordt weggejaagd,
steeds vaker zuurstof bedongen
In verwachtingje zit met je hoofd al klem
tussen schaamteloze lippen
maar de tijd is nog niet rijp
om uit het vrouwelijke te wippen
In de rijdrie zwanen
op een rijtje
na een
zwart op wit
vrijpartijtje
Verlichtingals mijn ziel steeds minder zoekt
naar gebaren die woorden uit stof dragen
en licht mijn schaduw niet meer vervloekt
geraakt de geest allengs bevrijd van vragen
Een heremietben ik tot
heremiet verworden
als ik zwijgend spreek
over mijn gedachten
die soms,
zo de mens eigen,
een geheim lijken
te betrachten
het zijn vaak
volkomen woorden
die reeds verdampen
eer ze mijn tong
beroeren
maar binnen
het heelal van stilte
kan ik onbeperkt
de gehele schepping
vervoeren