AARTSELAAR
AARTSELAAR
Aartselaar was oorspronkelijk een gehucht van Kontich. Aanvankelijk werd Aartselaar gehouden van de hertog van Brabant door de Berthouts, heren van het land van Mechelen. Het volgde de geschiedenis van Mechelen tot Antoon Perrenot, kardinaal de Granvelle, in 1572 de heerlijkheid Aartselaar kocht van de landsvorst. Omstreeks 1615 werd het teruggekocht door het vorstelijk domein. In 1626 nam Pieter Hellemans Aartselaar in pand. Vervolgens kwam ze in vereschillende handen terecht en van Jan Egied Peeters die ze in 1786 overliet aan Hendrik Jozef Stier. Oorspronkelijk gebruikte de schepenbank van Aartselaar een zegel met het wapen van de Berthouts. Kort na 1558 en zeker vanaf 1625 verschijnt Sint-Leonardus, patron van de parochiekerk, als schildhouder bij dit wapen. Toen de familie van den Cruyce in 1644 Aartselaar verwierf, voegde zij haar eigen wapen daarbij en werd St-Leonardis houder van 2 naast elkaar geplaatste schilden. Heraldisch rechts staat het wapenschild van den Cruyce, links het wapenschild Berthout. De 2 schilden worden gehouden door een gouden St-Leonardus.
Twee schilden naast elkaar 1. in lazuur een ankerkruis van goud
2. in goud 3 palen van keel.
De 2 schilden geplaatst voor een Sint-Leonardus van goud.



