Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: sagen

Tijl Uilenspiegel en de lezende ezel

Tijl Uilenspiegel en de lezende ezel
- Een verhaal van Tijl -
Tijl Uilenspiegel kwam eens zonder een cent op zak te Erfurt, waar een beroemde universiteit was, met een heel stel zeer geleerde professoren. Die hadden al veel van Tijl's slimheid gehoord en besloten eens te onderzoeken, wat er nu eigenlijk waar was van die slimmigheid. Zij lieten hem in hun vergadering komen, en de rector zei: "Men zegt, dat jij alles kan; vertel ons nu eens, zie je ook kans, een ezel te leren lezen?" - "Zeker, mijne heren, maar dat kost tijd. Ik wil het wel op me nemen, mits u ondertussen zorgt, dat ik leven kan." - "Afgesproken," zei de rector.

Men bezorgde Tijl een ezel en de grappenmaker stapte met z'n leerling naar het voornaamste hotel van de stad. Hij vroeg voor zichzelf de beste kamer van 't hotel en voor grauwtje een afzonderlijke stal; de professoren zouden alles betalen. De eigenaar van het hotel ging informeren aan de universiteit en de rector zei, dat de zaak in orde was.

Nou, toen begon er een goed leventje voor Tijl. Hij kreeg zoveel te eten en te drinken als hij wilde en de professoren zorgden ook nog voor een zakcentje. De ezel had hij in de stal voor een voederbak gebonden; in de voerbak zette hij een groot oud boek, en tussen de bladen strooide hij haverkorrels. Het duurde niet lang, of het dier had geleerd met zijn neus de bladen van het boek om te slaan en dan de haverkorrels op te likken. Dat was het enige werk, dat Tijl deed: het voer tussen de bladen van het boek strooien en hij zorgde er voor, dat de ezel altijd hongerig bleef. Voor de rest deed hij niets dan een lui leventje leiden op kosten van de professoren.

Maar op een dag kwam de rector vragen, hoever de ezel nu al gevorderd was. "Hij leert het al aardig," zei Tijl, "U moet morgenmiddag maar eens komen kijken. U zult versteld staan." Tijl gaf de ezel nu niets meer te eten, zodat het dier helemaal uitgehongerd was, toen de rector weer kwam. Tijl nam hem mee naar de stal en zette het grote boek, waar nergens een korreltje haver in lag, voor de ezel in de kribbe. Dadelijk begon het dier met zijn neus de bladen om te slaan; maar het vond nergens iets; dan balkte het erbarmelijk van: "i-a, i-a," en bladerde weer verder.

"U ziet, dat hij al aardig is opgeschoten," zei Tijl. "Maar hij zegt niks anders dan i-a, dat is toch geen lezen." - "'t Is een begin," zei Tijl lachend, "hij leest nu al twee letters van de zes en twintig, de andere vier en twintig leert-ie ook wel, als u me maar de tijd laat." De rector begon te lachen. "Je hebt je d'r aardig uitgered, slimmerd," zei hij, "maar ik ben bang, dat de rekening al te hoog zou worden, als we jou de lessen lieten voortzetten, totdat grauwtje genoeg geleerd had. Adieu hoor!"

Tijl liet zich nog één keer een lekkere maaltijd voorzetten en trok toen goedgemutst verder, andere vrolijke avonturen tegemoet.

                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Boek van de jeugd"
           Uitgeverij de Arbeiderspers, Amsterdam, 1930.
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 2 reacties Reageer op dit bericht

De Woeste Hoeve

De Woeste Hoeve
- Een Veluwse sage over Gloeiende Gerrit -
De Woeste Hoeve stond midden in de eindeloze onherbergzaamheid tussen Apeldoorn en Arnhem. Het was een belangrijke pleisterplaats voor reizigers.

Moeder Eva bewoonde het grote huis met haar twee zonen en een meid. Jan, haar oudste zoon, was een flinke schrandere kerel, maar haar tweede zoon Gerrit was wat achterlijk en niet zo vlug van begrip. Ze waren beiden - zonder het van elkaar te weten - verliefd op de meid, een jonge vrolijke dame van net twintig.

De jongste van de beide broers had op een avond, toen ze samen op de deel waren, zijn liefde bekend aan het knappe meisje. Hij deed het op een zo'n onbeholpen wijze, dat ze hem had uitgelachen en stoeiend in het hooi had laten vallen. Spoedig daarna moest hij het aanzien, dat zijn oudere broer meer geluk had in de liefde dan hij. Hij werd schuwer en stiller dan hij al was en er begon een kwaadaardige jaloersheid in hem te groeien tegen het meisje en tegen zijn broer, die in alles zo veel meer bevoorrecht was.

Moeder Eva stierf na een korte maar hevige ziekte, en een jaar later ging haar oudste zoon Jan trouwen met de meid.

Tante Tonia was al dagen te voren op de Woeste Hoeve gekomen om de bruid te helpen bij al de toebereidselen. Er moesten broden en koeken en krentenmik gebakken worden voor de gasten en dat kon niemand beter dan tante Tonia. Op de ochtend van de feestdag zei ze tegen haar jongste neef: "Gerrit, je moest eens wat dennentakken en klimop halen en de stoelen van het bruidspaar groen maken. En dan strooi je daarna eens netjes met wit zand op de vloer: 'Leve Bruid en Bruidegom'."

Maar Gerrit had wat gemompeld, was naar buiten gegaan en niet teruggekeerd. Toen had tante Tonia zelf een mes genomen, was op haar oude benen naar buiten gestrompeld, had dennentakken gehaald en klimop en hulst, die vol rode bessen was. Ze had de twee stoelen al groen, toen Dirk en Marie uit Loenen kwamen om te helpen versieren. Die hingen slingers om de deurpost en staken de vlag uit, en Marie greep met haar vlugge handen in de bak met schuurzand, liet het zand dan met een fijn straaltje op de vloer lopen en schreef in grote sierlijke krullen: 'Leve Bruid en Bruidegom'.

Al vroeg in de morgen kwamen de familieleden en vrienden uit Loenen, Beekbergen, Eerbeek en Hoenderlo naar de Woeste Hoeve gereden om de bruiloft mee te vieren. Er kwam al meer en meer drukte op het erf van wagens, die rolden over de hard bevroren grond, en paarden die stampten en snoven. Vrolijke stemmen klonken op in de heldere wintermorgen. Toen het bruidspaar in de versierde kamer binnenkwam, stond de tafel al vol geschenken. In het grote oude vertrek knetterde het haardvuur en er werd gelachen en gestoeid rondom de zware tafel. Steeds kwamen er nieuwe bruiloftsgasten aan. Het erf stond vol tilbury's en Utrechtse wagentjes en in de stal was bijna geen plaats genoeg voor de paarden.

Tegen de avond was het wat beginnen te waaien en de lucht betrok hoe langer hoe meer. Dikke sneeuwwolken stapelden zich over elkaar. Toen de laatste gasten vertrokken, joeg de sneeuw in kleine scherpe naaldjes naar binnen en een half uur later gilde de sneeuwstorm langgerekte tonen om het oude eenzame huis. Spoedig lag de gehele Woeste Hoeve in duisternis en waren de bewoners naar bed gegaan. De fijne jachtsneeuw kwam onder de deur en door de raamkieren naar binnen stuiven.

Gerrit, de jongste broeder, was met zijn kleren nog aan in bed gaan liggen, maar korte tijd daarna sloop hij zachtjes naar de haard, rakelde het ingerekende vuur onder de as uit, deed dat in een test* en ging er mee naar de deel. Daar wierp hij de test met de gehele inhoud in het hooi, schoof voorzichtig en zonder geluid de grendel van de kleine deur en verdween in de koude voortjagende sneeuwstorm van de gure winternacht.

Het hooi had snel vlam gevat en het vuur greep al spoedig in het rieten dak. Door de staldeur die was blijven openstaan, joeg een koude tocht naar binnen die in een oogwenk de hele hoeve in lichte laaie zette. De vlammen sloegen rode gaten in het rieten dak en kronkelden op in de zwarte lucht, waar ze gegrepen werden door de storm. De dikke binten kraakten en knapten als spaanders op een vuurhaard. Rode rookwolken builden tegen de rossig verlichte lucht op, woest loeiden de vlammen in de bulderende stormnacht, en een dwarrelende wolk van vonken stoof in een wervelwind ver over de besneeuwde heide. De vlammen floten en knetterden en grepen alles in hun kromme klauwen. De Woeste Hoeve was verloren.

Toen de andere dag in de grauwe morgen de dampende paarden van de diligence stil hielden bij de tot de grond afgebrande boerenplaats, droeg men de twee verkoolde lichamen van de jonggehuwden weg uit de smeulende en rookende puinhoop.

Gerrit was gevlucht naar de 'Onzalige Bossen', waar hij zich een tijdlang ophield, maar ten slotte werd hij door gebrek genoodzaakt zichzelf bij het gerecht aan te geven en hij stierf in de gevangenis.

Sinds die tijd zien de mensen af en toe in de buurt van de Woeste Hoeve een vlammend vuur over de heide dwalen wel zo groot als een brandende strobos en sommigen herkennen duidelijk een gloeiende man met een vuurkist in zijn hand. Men noemt het verschijnsel Gluënde Gerrit (Gloeiende Gerrit).

* Een test is een vuurvast potje, waarin gloeiende kolen gelegd kunnen worden.

                                                               * * * EINDE * * *
Bron : - "Veluwsche sagen" geschreven en verlucht door Gust. van de Wall Perné. Tweede bundel.
           Uitgegeven te Amsterdam bij Scheltens & Giltay, 1921. p. 94-107.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:27 2 reacties Reageer op dit bericht

Van de reddingbrengende oever

Van de reddingbrengende oever
- Een Griekse sage over de Zwarte Zee -
Pontos Euxeinos - ongastvrije zee - dat was de naam die de Grieken aan de Zwarte Zee hadden gegeven.

Veel van hun boten waren hier vastgelopen. Het leek wel, alsof het water op die manier het land wilde beschermen dat erachter lag. Dat land was het sprookjesachtige Taurië, tegenwoordig de Krim geheten, waar de winter onbekend is en de lucht zo zuiver en prikkelend, dat ieder hier voor zijn kwalen genezing vindt.

Hoe gevaarlijk het ook was, steeds vaker voeren de Grieken uit om dit heerlijke land te kunnen bereiken.

Hun schepen, Triremen genaamd, waren erop gebouwd om zware stormen te weerstaan. Zo'n schip had drie rijen roeibanken boven elkaar, en was bemand door 144 roeiers en 50 soldaten en zeelui. Bij gunstige wind werd er nog een mast met zeil op bevestigd.

Op een mooie morgen kozen opnieuw enkele van zulke schepen, afkomstig uit Byzantië, zee. De hemel was strak en wolkeloos en op het water was geen rimpeltje te zien. Daarbij stond er nog een zacht briesje, zodat de roeiers op hun houten banken zich niet erg hoefden in te spannen, en de zeilen hun doel tegemoet dreven.

Maar dit was allemaal schijn. De kalme zee gaf de mannen een bedrieglijk gevoel van veiligheid en deed hun waakzaamheid verslappen. Op de tweede dag van hun reis stak er plotseling een hevige storm op, gepaard gaande met zulke donkere wolken, dat de dag overging in schemering en de eerst zo rustige waterspiegel veranderde in een woedende en onstuimige massa, die de schepen als een notendop heen en weer wierp.

Een bliksemstraal doorkliefde de donkere hemel en een hevig onweer brak los.

Met hun laatste krachten hielden de zeelui hun boot in toom, om niet aan de schuimende watermassa te worden prijsgegeven.

Maar de scheepsmasten waren tegen dit geweld niet bestand en stortten met een oorverdovend geraas naar beneden.

De Grieken vochten met de moed der wanhoop tegen de overweldigende natuurkrachten - ze vochten voor hun leven. Maar de wil der goden was ook dit maal sterker dan het menselijk streven. Van de vijf boten, die waren uitgevaren doorstond slechts één het vreselijke noodweer. De overigen vonden voor altijd een rustplaats in de genadeloze zee.

Maar ook de bemanning van die ene boot was zijn leven nog niet zeker. Toen in de vroege ochtend de storm ging liggen en de grootste schade zo goed en zo kwaad als het ging was hersteld, wist niemand welke richting ze moesten varen. Over de zee lag namelijk een ondoordringbare nevel, en een kompas of sextant, met behulp waarvan ze de richting konden bepalen, kende men toen nog niet. De stand van de zon of van de sterren was hun enige wegwijzer.

Doelloos drong de boot door de witte en dichte nevel, en de opmerkelijke stilte die na de storm was ingetreden, werd slechts door de slagen der roeiers verbroken.

Een dag ging er voorbij, een tweede en een derde...

In de kruiken waren nog maar een paar druppels fris water achtergebleven en met het voedsel was het al niet veel beter gesteld. Bovendien werd de verzwakte bemanning door hevige koortsen geplaagd.

En de boot dwaalde nog altijd door de geheimzinnige nevel, zonder hoop op redding.

Pas op de zevende dag, toen bijna niemand meer op zijn benen kon staan, begon de nevel op te klaren. Het leek, alsof er vanaf het wateroppervlak een rosé gordijn omhoogsteeg, waarachter zich een schitterend schouwspel verborg.

In de verte ontwaarden de mannen de blauwachtige kustlijn van Taurië.

"Ialos, ialos. Oever!" schreeuwden ze, en wie er nog toe in staat was richtte zijn ogen op de reddingbrengende oever.

Met hun laatste krachten grepen ze naar de riemen en als een vogel scheerde het schip over het water.

Nog voor de zon op de zevende dag aan de hemel was verschenen, dronken de dorstige Grieken het koele water uit een rivier, die dicht bij de plaats lag waar ze geland waren en die daar in zee uitmondde.

Op deze plaats stichtten ze een nederzetting, die later tot een bloeiende stad werd, en die, naar het Griekse woord "Ialos" - oever, de naam Jalta kreeg.

                                                               * * * EINDE * * *
Bron : - "Sagen van Europese steden" verteld door Vladimír Hulpach.
           Holland, Haarlem, 1980. ISBN: 90-251-0412-6
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:27 2 reacties Reageer op dit bericht

Hoe de Appingedammer...

Hoe de Appingedammer in de hemel kwam
- Een sage over wie wel en wie niet in de hemel mag komen -
Petrus zat op zijn gemak op een wolk voor de hemelpoort, want hij had eventjes niks te doen. Hij had anders een hele drukke week achter de rug, en hij maakte zich zorgen. Alle plaatsen in de hemel waren bezet, en hij wist niet meer waar hij nieuwe kandidaten nog zou moeten herbergen.

Op de voorste rij lag languit een luie Delfzijler. De gouden ketting bungelde op zijn dikke buik, en zijn gezicht stond zo braaf alsof hij een lelieblanke ziel had. Toch had hij zijn leven lang gestrande schepen geplunderd. Hij was om het zo eens te zeggen, de Delfzijlste van alle Delfzijlers. Als er ergens iets te gappen viel, had hij het hardste van allemaal gelopen. Wat hij Petrus had voorgelogen om binnengelaten te worden, heeft nooit iemand geweten, maar zeker is dat hij met zijn mooie verhaal een zetel verdiende vlak bij de poort. Het kon hem niets schelen dat hij daardoor een plaats van een goed mens bezet hield. Hij luisterde de hele dag naar het engelenkoor, en had een goed zicht op de nieuwkomers, dus hij hoefde zich nooit te vervelen. Petrus zat te knikkebollen op zijn eenzame post. Eindelijk kwam hij weer eens toe aan zijn middagdutje. Op de hele lange weg die van de aarde naar de hemel leidt, was geen mens te bekennen. Hij sliep en sliep, hoeveel uren wist hij nauwelijks, toen hij met een schok ontwaakte. Voor hem stond iemand die popelde om binnengelaten te worden.

"Hé!" zei Petrus droomdronken, "waar kom jij zo gauw vandaan?"

"Ik ben heel moe van de wandeling. Wilt u me snel doorlaten, Petrus?!"

"Wacht even, dat gaat zo maar niet! Waar ben je geboren?"

"In Appingedam."

"En heb je altijd braaf opgepast?"

"Anders zou ik niet voor u durven verschijnen."

"Zo! Je maakt zeker aanspraak op een goede plaats?"

"Ik heb op aarde altijd mijn plicht vervuld."

"Tja man, het is vervelend voor je, maar ik kan je tot mijn grote spijt niet toelaten. De hemel is vol. Misschien is ergens achteraan nog wel een klein staanplaatsje, maar dat wil ik liever reserveren voor de echte noodgevallen, zoals de halve en hele heiligen. Zo iemand lijk jij me ook weer niet. Er zit niks anders op dan om te draaien."

"Ja, hoort u eens, ik heb mijn hele leven hard gewerkt om in de hemel te komen. Ik heb een moeilijk aards bestaan achter de rug, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat heb ik moeten zwoegen en ploeteren, en het enige wat me op de been hield, was mijn hoop op een leven in het hiernamaals. En nu wilt u mij bij uw poort tegenhouden?"

"Het spijt me verschrikkelijk, beste man uit Appingedam, maar ik kan er ook niets aan veranderen. Vol is vol! Voor mijn part mag je zelf even om de hoek kijken, en dan zul je zien dat het hier tot de nok toe vol zit, er kan geen ziel meer bij! Ik kan toch moeilijk iemand van zijn stoel afgooien, zeg nou zelf!"

Petrus opende de poort op een kier, zodat de Appingedammer een blik naar binnen kon werpen. Deze hoorde op de achtergrond zachtjes de engelen zingen, en hij zag hoe een paar zaligen mee klapten in het ritme. De ogen van alle aanwezigen schitterden van geluk. Op geen enkel gezicht was een rimpeltje van zorg of van pijn gegrift. De Appingedammer zuchtte van verlangen; hij voelde hoe het hemels geluk al het aardse overtreft. Petrus maakte aanstalten de deur weer te sluiten. "Nog even!" smeekte de Appingedammer. "Het is zo mooi!" Petrus gromde. "Goed dan, maar niet te lang meer. Ik heb niet eeuwig de tijd!"

De arme drommel die de toegang was geweigerd, wilde in elk geval nog even kijken of hij nog bekenden zag. Tot zijn stomme verbazing en verontwaardiging merkte hij dat er verschillende van die rasechte Delfzijler strandjutters een plaats hadden gekregen. Hij wendde zich tot Petrus.

"Dat is ook een mooie boel - de hemel zit vol met Delfzijler strandjutters!"

"Strandjutters?" vroeg Petrus ongerust. "Hoe kom je daar nou bij, man? 't Zijn allemaal beste brave mensen hoor, hier in de hemel."

De Appingedammer schudde het hoofd. "Zie je die vent daar, helemaal vooraan, met zijn gouden ketting op zijn buik?"

"Ja," fluisterde Petrus.

"Dat is de ergste van allemaal."

"Wat zeg je me daar? Daar hoor ik van op. Dat zul je dan toch eens waar moeten maken."

"En als ik het kan bewijzen, beloof je me dan een plaatsje in de hemel?"

"Natuurlijk - je kunt dan gaan zitten waar nu de Delfzijler zit."

Toen zette de man uit Appingedam zijn handen tegen zijn mond, en hij riep: "Schip op 't strand! Schip op 't strand! Schip op 't strand!"

Nauwelijks had hij dit gezegd, of al wie er in Delfzijl geboren was, stormde naar de poort om te zien of er geen rijke lading te gappen viel. Petrus stond er onthutst naar te kijken, maar de Appingedammer was al naar binnen gelopen en hij ging zitten op de stoel die de ergste strandjutter zojuist had verlaten.

En zo komt het dat de Delfzijlers niet meer in de hemel worden toegelaten, omdat Petrus er niet eentje meer vertrouwt, en dat de Appingedammers bij Petrus een streepje voor hebben.

                                                               * * * EINDE * * *
Bron : - "De mooiste Nederlandse sagen en legendes" uitgegeven door Verba, Hoevelaken, 1999.
           ISBN: 900551303698
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:16 2 reacties Reageer op dit bericht

Van de Aardmansberg...

Van de Aardmansberg en de Echoput
- Een sage over een aardmannetje in een Veluwse berg -
Sinds jaar en dag woonde in de Aardmansberg een klein kwaadaardig kereltje. Overdag is hij nooit gezien, maar 's nachts spookte hij rond op de heide en deed de niets kwaads vermoedende voorbijganger plotseling schrikken door op de weg te springen of, achter een struik of boom verborgen, opeens een harde schreeuw te geven.

Daar bleef het vrijwel bij, want veel meer dan de mensen schrik aanjagen kon hij niet en hij vond daar blijkbaar een bijzonder genoegen in. Een enkele keer zag men hem wel eens over de hei strompelen op zijn kleine kromme beentjes, of een takkenbos voortslepen naar zijn woning, die diep onder in de Aardmansberg is en uit vele gangen en vertrekken bestaat. De mensen hebben dikwijls naar de ingang gezocht, maar ze hebben die nooit kunnen vinden. Of hij binnen komt door een konijnenhol ergens in een kuil onder dichte hei verborgen, of dat hij door een toverspreuk de macht bezit de deur te doen veranderen in een steen, is niet met zekerheid uitgemaakt, want de een zegt dit en de ander dat.

Nu wilde het toeval, dat men ongeveer twee eeuwen geleden, aan de voet van de Aardmansberg een diepe put ging graven. Het duurde heel lang eer men water had. Toch gaf men de moed niet op en vond eindelijk na 70 meter diep gegraven te hebben, overvloedig en zuiver water. Toen de put klaar was, kwam men tot de ontdekking dat die toevallig was gegraven vlak boven de bron van de aardman, waarbij zich ook de keuken bevond, en zo kwam men er achter, dat de aardman getrouwd was, maar z'n vrouw altijd in de keuken opgesloten hield.

Zij is de dochter van Lucht en Aarde en werd Echo genoemd. Zij moet vroeger een heel mooi meisje geweest zijn, alleen wat babbelziek en altijd om een praatje verlegen.

Op een keer kon ze het thuis niet meer uithouden, omdat Aarde, haar moeder, nooit iets zei, en haar vader, Lucht, nooit een goed woord voor haar over had. Als ze hem iets vroeg, dan floot hij door de deurkier, bulderde in de schoorsteen, of antwoordde in het geheel niet.

Zo kwam het dat ze, na haar vader weer eens iets gevraagd en weer geen antwoord gekregen te hebben, wanhopig het ouderlijk huis ontvluchtte. Bij de Aardmansberg ontmoette ze toen de kleine plaaggeest, die meteen verliefd op haar werd en tegen zijn gewoonte in, vriendelijk met haar keuvelde. Echo, die thuis niet veel gewend was en hem een aardige, vriendelijke vrijer vond, trouwde zo maar subiet met hem.

In het begin ging alles goed en leefden ze samen heel gezellig in het ruime verblijf onder in de berg; maar al snel kwam de oude aard van de dwerg weer boven. Lang kon hij de komedie van liefhebbend echtgenoot niet volhouden. Al spoedig was het: "Echo, houdt je mond, ik houd niet van al dat lawaai in m'n huis." Dan zweeg het praatzieke, maar vriendelijke vrouwtje een poos, tot ze, er niet meer aan denkend, opnieuw begon te kletsen.

Het werd een voortdurend geharrewar tussen die beiden, totdat de kwaadaardige aardman haar eindelijk in de keuken opsloot en haar op doodstraf verbood te spreken, als haar niets werd gevraagd, en dan slechts te antwoorden in heel weinig woorden.

Dit was een vreselijke straf voor de lieve, ongelukkige Echo. Ze vermagerde en verkwijnde, zodat alleen de stem van haar overbleef. Die stem antwoordt nog alléén als men haar iets vraagt, maar ze zal nooit het eerst spreken.

En wie niet geloven wil, wat hier allemaal van haar geschreven staat, moet haar zelf maar eens vragen:

"Hoe heette de vader, die je bent ontvlucht?"

En ze zal antwoorden: "Lucht."

"Hoe heette de moeder die je baarde?"

En ze zal antwoorden: "Aarde."

"Hoe was de Aardman toen je met hem was getrouwd?"

En ze zal antwoorden: "Oud."

"Houdt je van hem? Ja of nee?"

En ze zal antwoorden: "Nee."

Nu, en als een vrouw zoiets ronduit zegt, dan moet het wel heel erg zijn, en het zou onkies wezen om er verderop in te gaan.

                                                               * * * EINDE * * *
Bron : - "Veluwsche sagen" geschreven en verlucht door Gust. van de Wall Perné.
           Uitgegeven te Amsterdam bij Scheltens & Giltay, 1921. p. 50-54.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:22 1 reactie Reageer op dit bericht

De legende van de Pottem

De legende van de Pottem
- Een oude Betuwse sage over IJzendoorn en het ontstaan van Ochten -
In de heerlijkheid Isendra aan de brede Waalstroom stond op een hoogte in de slotwaard een kasteel, dat de naam 'Pottem' droeg. Er woonde een ridder die een zoon en een buitengewoon knappe dochter bezat. De zoon was zijn erfopvolger, maar de ridder had bepaald dat wie met zijn dochter zou trouwen een deel van het voorvaderlijk goed ontving. De zoon zou de welige akkers en weilanden behouden en het meisje de bosrijke streek ten oosten van Isendra.

Op een goede dag kwamen twee broers in het dorp en hoorden wat de heer van Isendra zijn dochter toegezegd had. De inwoners roemden om beurten de schoonheid van Uchta - zo heette het meisje - waarop de broers besloten hun geluk te gaan beproeven.

Toen zij Uchta zagen, werden beiden verliefd op haar. De eigen keuze was voor het meisje niet erg moeilijk. De oudste was ruw en lelijk; de jongste knap en lenig. Het liefst zou zij de jongste trouwen. Haar vader evenwel besloot, dat - naar gewoonte van die dagen - een toernooi tussen die rivalen gehouden moest worden. Uchta moest dan aan de overwinnaar haar hart en hand toevertrouwen. O, hoe hoopte zij in stilte, dat de jongste zou winnen!

De dag van het gevecht brak aan. Op de slotwaard stroomde het volk samen, want niemand wilde dit schouwspel missen. Op het moment dat zij te paard stegen, ontmoetten de ogen van Uchta en Dago, de jongste broer, elkaar. Die van het meisje smeekten om zijn overwinning. Dit bezorgde de jonge ridder zoveel moed, dat hij stond te popelen om de strijd aan te kunnen gaan.

Daar stormden beiden op elkaar in en nog eens en nog eens. Steeds ontweken zij elkaar; de lansen kruisten zich, maar tot een treffen kwam het nog niet...

Met koele berekening wist ten slotte de jongste zijn lans op het zadel van zijn broers paard te richten en deze ziende, dat hij verliezen zou, dreef zijn paard op. Maar te laat! De zware lans drong tussen hem en het zadel en met een handige beweging wipte Dago zijn broer van het paard.

Dago had de strijd gewonnen! Het volk juichte, terwijl zijn broer hem ridderlijk de hand reikte en onmiddellijk weg ging om elders zijn geluk te gaan beproeven. Zegevierend reed Dago met Uchta voor zich op het paard, tussen de jubelende mensen door.

De bruidsschat bestond uit een buurtschap nabij Isendra, dat naar de jonkvrouw de naam Uchta ontving.

                                                               * * * EINDE * * *
Bron : - "Mededelingen van de historische kring Kesteren en omstreken"
           verschenen in de eerste jaargang, het eerste nummer, 1968.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:08 3 reacties Reageer op dit bericht

Robin Hood ontmoet Little John

Robin Hood ontmoet Little John
- De avonturen van Robin Hood -
Toen Robin Hood twintig jaar oud was, had hij veel vrienden en volgelingen om zich heen verzameld, die samen met hem in het bos van Sherwood leefden en elkaar trouw gezworen hadden tot in de dood. Robin Hood ontmoet Little JohnOp zekere dag zei Robin tot zijn vrienden: "Ik heb zin om eens alleen op jacht te gaan."
De anderen wilden meegaan, maar hij verbood het hen. Hij vroeg hen echter wel om goed op te letten. Wanneer hij op zijn hoorn blies moesten ze hem te hulp komen, want dan was er gevaar. Hij nam afscheid en trok met pijl en boog dieper het bos in.

Al snel kwam hij bij een brede en snel stromende beek, waarover een smal bruggetje lag dat naar de overkant leidde. Net toen hij op het bruggetje stapte, kwam van de andere kant een vreemdeling aan die ook op het bruggetje stapte. Het was een forse en indrukwekkende man, maar Robin Hood - die zich in het bos heer en meester voelde - week niet voor hem terug. Dadelijk zag hij in de vreemdeling een tegenstander met wie hij zich wilde meten. Snel haalde hij uit de koker een pijl met grijze ganzenveren aan de schacht en slingerde hij de boog aan zijn schouder. "Ik zal je onze gebruiken leren!" riep Robin Hood. Maar de vreemdeling hief dreigend zijn stok en zei: "Ik ros je af, als je je boog maar aanraakt!" - "Je spreekt als een ezel!" spotte Robin, "als ik mijn boog span, heb je geen tijd om je stok te gebruiken." - "En jij spreekt als een lafaard!" antwoordde de vreemdeling. "Je wilt me doodschieten, terwijl ik geen ander wapen heb dan een stok!"

"Nee, een lafaard ben ik niet!" riep Robin Hood en hij slingerde zijn pijl en boog weg. "We zullen strijden met gelijke wapens." En vlug sneed hij een stevige stok van de tak van een eik. "Ziehier," zei hij, "een sterke stok. Laat ons strijden op het bruggetje. Wie in de beek valt, heeft verloren. Als de strijd beslecht is, gaan we ieder onze weg." - "Goed, ik wijk geen duimbreed!" riep de vreemdeling, en dadelijk kruisten zich de stokken.

Robin Hood bracht de eerste geweldige slag toe. Maar de vreemdeling deed niet voor hem onder en onophoudelijk vielen de slagen. In het oude Engelse lied Lytell Geste of Robyn Hode wordt over deze strijd gezegd: 'Als waren ze aan het koren dorsen.' En iets verder: 'De slagen vielen als een dichte hagelbui; het was of er damp opsteeg van elke slag.' Maar hoe dapper Robin zich ook weerde, tegen deze tegenstander kon hij niet op. Na een laatste forse slag van de vreemdeling tuimelde onze held in de beek. "Wel kereltje, wat wou je nu?" hoonde de overwinnaar. En Robin, nog in de beek, antwoordde: "Ik heb het verloren; je bent een dappere, sterke kerel; laten we vrede sluiten." Toen waadde hij naar de kant, trok zich op aan een meidoornstruik en stond een ogenblik druipend uit te blazen. Ferm en vrolijk blies hij op zijn hoorn; de tonen drongen ver door in het woud en de echo gaf ze terug. En daar kwamen Robins vrienden aangelopen. Een ganse schare sterke mannen, in het groen gekleed, als waren zij een deel van het bos, snelde op Robin toe, gereed hem bij te staan. "Wat is er aan de hand? Wat ben je nat!" riep William Studeley, Robins beste vriend.

Robin Hood glimlachte en zei bijna onverschillig: "Er is niets anders gebeurd, dan dat dit ventje hier me in het water heeft gegooid." - "Dat moet gewroken worden!" riepen de mannen dreigend. En ze staken reeds de handen uit om de vreemdeling óók in de beek te smijten. Maar Robin wenkte, en gehoorzaam stonden ze stil, al voelden ze hun vingers jeuken. "Laat dat," zei Robin, "het is een braaf en dapper man." En tot de vreemdeling zei hij: "Je hebt van niemand iets te vrezen; die boogschutters zijn mij trouw. Zie, er zijn er negenenzestig. Wil je één van de hunnen worden, het groene boskleed dragen, en ons vrij leventje leven? Ikzelf zal je het gebruik van pijl en boog leren." - "Akkoord," riep de vreemdeling. "Mijn hand erop! Ik zal u met alle kracht dienen. Mijn naam is John Little."

"Die naam moeten we veranderen!" riep William Studeley, "zo'n flinke kerel moet Little John heten!" Allen juichten, met in hun midden Little John. Een paar van de mannen haalden een hert om het boven een vuur te braden, en in het dichte woud werd vrolijk feestgevierd. Toen nam Robin Hood zijn nieuwe vriend terzijde, gaf hem groene kleren, hing hem boog en pijlkoker om de schouders en bracht hem zó in de vriendenkring terug. Tot laat in de avond werd er gelachen, gedronken en gezongen. En John Little heette voortaan voorgoed Little John.

                                                               * * * EINDE * * *
Bron : - Bewerkt door Jeroen Vink naar de vertaling van dr. Tjaard W.R. de Haan.
           De vertelling is gebaseerd op oude Engelse volksballaden, waarvan 'Lytell Geste of Robyn Hode' uit 1495 de belangrijkste is.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:24 3 reacties Reageer op dit bericht

Het jodenmeisje van Ruurlo

Het jodenmeisje van Ruurlo
- Een Gelderse sage over een onmogelijke liefde -
Ten tijden van de pestepidemie van de 14e eeuw, kwam samen met reizigers de Zwarte Dood in de Achterhoek terecht. Enkele vreemdelingen die door Ruurlo trokken, hadden namelijk hun dorst gelest aan de welput op het pleintje bij het kerkje, dat gewijd was aan de H. Willibrordus. Ze waren al snel weer verder gereisd langs ongebaande wegen en door donkere wouden. Spoedig bleek echter, toen de bewoners van Roderlo weer water uit deze bron haalden, dat het water besmet was, want allen, die er van gedronken hadden, stierven weldra onder vreselijke pijnen. In zijn angst en radeloosheid riep 't volk, als overal elders:
"Daar is oons venien in de putten ebracht,
Dat dö'n de Jödden, dat röp um blood!
Griept dee verraoders, slaot dood, slaot dood!"
Slechts een bejaarde jood, Abraham en zijn dochter wisten te vluchten binnen de grachten van het kasteel, waar de putten nog geen venijn bevatten. Dat de vervolgden daar veilig waren vond zijn grond in 't feit, dat Mirjam - de wonderschone maagd - in de gunst stond bij de ridder van Roderlo.

De Zwarte Dood bleef rondwaren en eiste dan hier, dan daar zijn slachtoffers. Op het kasteel, waar de ridder dagelijks in aanraking kwam met Mirjam, werd de verhouding tussen die twee steeds inniger en men fluisterde reeds, dat 't weleens tot een huwelijk kon komen. Maar de moeder van de ridder zette alles op alles om dit te verhinderen. "Bedenk, m'n zoon, dat adeldom verplicht en de eer van je geslacht gedoogt niet, dat je met een kind uit 't volk en nog wel een jodenmeisje trouwt. Verstoot, beter nog doodt de deerne en haar vader."

"Er bestaat geen laagheid van stand, moeder, als de ziel geadeld is en nooit geef ik Mirjam prijs," en de ridder liet zijn moeder alleen. Maar de oude burchtvrouw zou niet rusten voor ze haar doel bereikt had. Spoedig daarop verhaalt ze van Machteld, een der rijkste en schoonste jonkvrouwen uit Brabant (volgens een andere lezing heette ze Agnes Cloeck) en hoe deze, als ze eens als jonge bruid het kasteel zal worden binnengeleid, het geslacht van Roderlo tot nieuwe luister, roem en grootheid kan brengen.

Mirjam bleef van dat alles niet onkundig en ze had, als dochter van haar zo vervolgd geslacht, te veel mensenkennis en levenservaring opgedaan, om niet te beseffen, welk lot haar wachtte. "Verstoot gij mij," sprak ze in openhartige liefde tot haar minnaar, "dan zal mijn ziel diep bedroefd zijn, mijn hart zal schreien, maar ik zal je liefhebben, eeuwig en altoos en daarom me nimmer wreken. Verstoot en doodt je mijn oude vader, dan zal geen zoon je naam dragen, ook jij zal dan de dood vinden, vóór een nieuwe telg in deze burcht 't levenslicht zal aanschouwen."

De zorgeloze ridder lachte en trachtte haar ongerustheid te sussen door schone woorden en voorspiegelingen van toekomstig geluk. De moeder wist spoedig te bewerken, dat de ridder in aanraking kwam met jonkvrouw Machteld. En toen hij haar enige malen gesproken had en meer kennis kreeg van haar fabelachtige rijkdom en steeds meer ervoer, dat zij hem niet ongenegen was, toen raakten spoedig zijn geest en hart met elkaar in strijd: met Machteld of met Mirjam… Een felle strijd greep in zijn binnenste plaats.

Zijn moeder stelde Machteld van alles op de hoogte. "Als Mirjam maar weg was!" Ja, dan was 't pleit beslecht. Samen overlegden zij in 't geheim, hoe zij zich van de lastige deerne konden ontdoen. Toen Machteld op een van de volgende dagen met de ridder alleen was, eiste zij van hem, dat hij de oude jood en zijn dochter zou laten ombrengen. Deed hij dit niet, dan zou zij nooit zijn vrouw willen worden... En hij deed, wat zovelen voor hem gedaan en zovelen na hem zullen doen: de fiere ridder verkocht de liefde voor wat eer en geld.

De ridder van Roderlo beval zijn mannen vader en dochter gevangen te nemen en te vonnissen, maar niet voordat hij op sluwe wijze Mirjam buiten hun bereik had gebracht. 't Heette, dat ze verdronken was in de slotgracht. Abraham echter werd spoedig ter dood gebracht en begraven bij de heidense offerplaats 'den olden god'.

Enige weken later zou het huwelijk tussen de ridder en Machteld gesloten worden. De avond vóór de bruiloft bevonden vele gasten zich in de grote zaal van het kasteel. Alles was feestelijk versierd en een vrolijk hout- en turfvuur vlamde onder de brede schouw. In opgewekte stemming zat men bijeen en niemand dacht aan 't gure weer buiten. In vertrouwelijk gesprek zaten de ridder en zijn bruid samen, toen een dienaar zijn heer naderde en hem toefluisterde, dat zich aan de slotpoort een zigeunerin bevond, die de kunst van waarzeggen verstond. "Laat haar binnenkomen!" gelastte de ridder, "ze komt als geroepen, daar kunnen we plezier mee beleven."

De heidin werd binnengebracht. Een bonte sluier bedekte haar hoofd en maakte haar gezicht onzichtbaar. Enigszins gebogen naderde zij het bruidspaar en vroeg met zwakke stem, wie zij het eerst de toekomst moest voorspellen. Machteld liet haar in de hand kijken. Nadat de zigeunerin een ogenblik de lijnen van de hand gevolgd had, sprak zij: "Maagd, vrouw, weduwe op één en dezelfde dag, klooster en graf..."

Machteld werd zo wit als kalk aan de muur en op ieders gelaat tekende zich schrik en ontsteltenis af. Maar de ridder vloog op en riep: "Je liegt, vervloekte heidin!" Toen richtte de waarzegster zich in haar volle lengte op en sloeg de sluier terug. "Mirjam!" stamelde de ridder, deed een stap achteruit en werd eveneens doodsbleek.

"Ja, Mirjam," herhaalde het meisje. Toen sloeg ze haar armen om hem heen en kuste hem op de mond.

Sprakeloos zagen de gasten dit alles aan. Plotseling rukte de ridder zich los uit de omhelzing. Maar in Mirjams ogen flikkerde een weemoedige en vreemde glans. Ze hief haar hand naar boven en met sidderende stem sprak ze: "Jij zult met mij sterven. De Zwarte Dood, die in mijn binnenste gloeit, zal ook jou vellen. Nu is mijn vader gewroken..."

Toen zonk zij zielloos aan de voeten van de ridder neer, die nog maar alleen in de zaal aanwezig was. Allen, zelfs zijn moeder en bruid waren gevlucht, toen ze 't woord Zwarte Dood hoorden, uit vrees ook aangetast te zullen worden. Jammerend strekte de ridder de handen uit om hulp, maar vergeefs. De dodelijke kus had zijn krachten gesloopt.

                                                               * * * EINDE * * *
Bron : - "Land en volk van de Achterhoek" door Hendrik Odink.
           Twents-Gelderse Uitgeverij W.G. Witkam, Enschede, 1971, p. 259-263.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:09 4 reacties Reageer op dit bericht

Diocletianus

Diocletianus en de voorspelling van een druïde
- Een Limburgse sage over een Romeins keizer -
Het was in het midden van de derde eeuw na Christus. In een herberg langs de weg van Tongeren naar Coriovallum zat een Romeins soldaat, afkomstig uit de Dalmatische stad Diokleia, de zoon van een slaaf; hij rustte er uit van vermoeienis. Toen kwam in die herberg een druïde, een wijze vrouw. Mogelijk kwam zij terug van een wandeling door bos en heide, waar ze geneeskrachtige kruiden gezocht had; mogelijk had zij een bezoek gebracht aan ouden en zwakken en zieken in hun hutten. Nu trad zij de herberg binnen om te zien of er voor haar geen winst te behalen was. Want de wijze druïde was met alles op de hoogte, wat voor anderen geheim bleef, ziekten genezen, dromen uitleggen, de toekomst voorspellen, enz.

Ze raakte spoedig met Diocletianus, zo heette de soldaat, in gesprek en die klaagde over zijn magere verdienste; arme boel, waar niets af kon.

Maar de druïde diende hem van antwoord: "Nee, Diocletianus, dat is het niet," zei ze. "Maar je bent een gierig mens, je kunt van je penningen niet scheiden."

Diocletianus lachte en zei: "Verkwistend zal ik worden, als ik keizer zal zijn!" En hij dacht er natuurlijk bij: nooit.

Maar toen stond de oude vrouw op en stak haar hand in de hoogte. "Diocletianus!" zei ze, "lach er niet mee: jij zal keizer worden, als je het wilde zwijn gedood zult hebben!"

Diocletianus onthield de woorden van de wijze vrouw. De eeuw zou ook niet ten einde gaan, voor haar woorden vervuld werden.

Keizer Carus werd in 283 bij een veldtocht tegen de Parthen door een bliksemstraal in zijn tent bewusteloos neergeworpen. Zijn dienaren, in plaats van hem te helpen, brachten hem ter dood. Was dat misschien op aanstoken van zijn zoon Numerianus, die keizer wilde worden? Deze zou zijn doel niet bereiken, want op weg naar de troon ontmoette hij als tegenstander zijn eigen schoonvader Aper. De schoonvader doodde zijn schoonzoon en zo met bloed bevlekt wilde hij de troon bestijgen. Dat zou niet gebeuren.

Het uur is geslage voor Diocletianus. Hij treedt Aper in de weg, doodt Aper, wordt uitgeroepen tot keizer van de Romeinen, hij, de zoon van een slaaf, en regeert als zodanig van 284 tot 305.

Hoe was het nu met de voorspelling van de druïde? Zij had immers gezegd: jij zal keizer worden, als je het wilde zwijn gedood zult hebben, Diocletianus!"

Welnu, aan die voorwaarde was voldaan! Want het woord 'aper' betekent in het Latijn 'wild zwijn'. En Diocletianus had Aper immers gedood.

                                                               * * * EINDE * * *
Bron : - "Limburgse sagen en legenden" door Pierre Kemp. Veldeke Maastricht / Vroom en Dreesman.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:09 6 reacties Reageer op dit bericht

Heksen in de wijnkelder

Heksen in de wijnkelder
- Een Limburgse sage over een heks die zich vergist in een toverspreuk -
Een jonge heks was eens met een troepje oudere heksen van Herkenbosch naar Keulen geweest, om zich daar in een wijnkelder, aan een van de oude heksen bekend, te goed te doen. Dat was zo gegaan. De overste van de heksentroep had, nadat elk op haar bezemsteel had plaats genomen, maar gezegd:

Hoetepetoet!
Door de sjoarstein oet,
Euver hek en sjtroek,
Tot in Keulen in de wienkelder,
En dan oug weer droet. Huitepetuit!
Door de schoorsteen uit,
Over hek en struik,
Tot in Keulen in de wijnkelder,
En dan ook weer eruit.
Dat was de jonge heks daar in Keulen zo goed bevallen, dat zij zich voornam de reis nog eens te maken, maar nu, om wat meer vrijheid te hebben, alleen met een vriendin die evenals zij, eerst pas bij het heksenkorps was ingelijfd.

De vriendin durfde in het eerst wel niet goed, maar zij liet zich toch bepraten. Op zekere nacht stonden de twee heksen dan ook gereed, om klokslag middernacht de tocht te wagen.

Hoetepetoet!
Door de sjoarstein oet,
Dan door hek en sjtroek,
Tot in Keulen in de wienkelder,
En dan niet weer droet. Huitepetuit!
Door de schoorsteen uit,
Dan door hek en struik,
Tot in Keulen in de wijnkelder,
En dan niet weer eruit.
De jonge heks zou al gauw merken, hoe lelijk zij zich had vergist. Want in plaats van hoog door de lucht te rijden, als de eerste keer, ging het nu laag langs de grond, vooruit door heggen en struiken naar de wijnkelder.

Ze zagen er uit, toen zij aankwamen in de wijnkelder! Hoofd en schouders vol striemen en bulten, en haar kleren waren er al niet veel beter aan toe. Daar lagen ze nu in de kelder, kermende van pijn. Toen die wat naliet herinnerden zij zich weer, waarom zij die dolle tocht hadden ondernomen. Zij probeerden nu haar chagrijn weg te drinken, wat haar wonderwel lukte. Zij herinnerden zich evenwel ook, dat de duivel haar de nek brak, wanneer zij niet voor zonsopgang weer thuis zouden wezen.

Toen zij het nu tijd vonden om te vertrekken, poogden zij op dezelfde manier weg te komen, als zij er waren gearriveerd. Zij 'bestegen' haar bezemstelen, maar het ging ditmaal niet zoals de vorige keer. Haar 'paarden' roerden zich niet. Of zij de bezemstelen nu ook al het achterste voren gebruikten, het hielp evenmin. Ze bleven waar zij waren. Wat nu gezongen! Zij waren verloren. Dat wisten zij. De eerste heks had immers gezegd, 'en dan niet' in plaats van 'oug weer droet'.

"Of de duivel me van nu af aan te pakken krijgt of morgenvroeg," troostte de tweede heks, "dat maakt niets uit op de eeuwigheid. Dan wil ik ook niet nuchter in de hel komen!" En zij dronk tot zij omlag. Dat vond de andere ook nog zo dom niet en volgde haar voorbeeld. Toen de wijntappers des morgens heel vroeg in de kelder kwamen, vonden zij daar de twee heksen liggen, stomzat en met de bezemstelen ernaast.

"Daar heb je de dieven!" zei een van de tappers. "En je ziet ook goed, van wat voor slag ze zijn."

De mannen gingen hun meester waarschuwen en eer de zon opkwam wist heel Keulen wat er was gebeurd en stonden de beide heksen, rug aan rug tegen een paal gebonden, al op de brandstapel.

Dat was een groot geluk voor de heksen, anders had de duivel haar de nek gebroken. Want toen de vlammen aan haar likten, kregen de beide vrouwen berouw over haar hekserij en bekeerden zich nog eer zij verbrand waren.

De duivel liet wel merken dat hij dat niet gaarne had, want hij vloog in de gedaante van een koetsjuul (steenuil) door de lucht, rond de brandstapel en heel de lucht rook naar zwavel en pek. Hij had echter geen macht meer over de heksen en moest dus weer alleen naar de hel terugvliegen.

                                                               * * * EINDE * * * Bron : - "Limburgs sagenboek" door Pierre Kemp. Gebrs. van Aelst. Maastricht, 1925.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:14 4 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten