Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: sagen

Een visser uit IJmuiden

Een visser uit IJmuiden
- Een sage over de droom van een visser over zijn moedertje. -
Op een nacht had een IJmuidense visser een wel heel wonderlijke droom. Terwijl hij in zijn kajuit lag uit te rusten van een vermoeiende dag, zag hij in zijn droom zichzelf roerloos liggen. Hij kon de trekken van zijn gezicht duidelijk onderscheiden, hij zag de onduidelijke bult onder de dekens die zijn lichaam was, en tegelijkertijd nam hij ook de meubels en de voorwerpen in zijn kajuit waar.

Hij kon zijn ogen niet van dit vreemde tafereel afhouden. Hij keek geen ogenblik in de richting van de deur. Toch wist hij dat er iemand binnen kwam die hij heel goed kende. Het was zijn oude moedertje. Ze kwam met zachte passen dichterbij. "Wat komt ze bij me doen?" dacht hij. Hij voelde dat dit geen gewone droom was, maar iets wat hij in werkelijkheid beleefde.

Zijn moeder droeg iets in haar hand. Toen hij zag wat het was, raakte hij diep ontroerd. Het was haar oude, versleten bijbeltje, dat ze zo lief had en waar ze hem zo vaak uit had voorgelezen, toen hij nog een kleine jongen was.

Toen ze het bed van haar zoon was genaderd, streek ze hem over zijn haren, pakte het hoofdkussen op en legde het bijbeltje met liefdevolle aandacht neer. Daarna verdween ze geruisloos.

Toen de visser de haven van IJmuiden binnenvoer, wilde hij zo snel mogelijk naar zijn ouderlijk huis. Hij had een onbehaaglijk voorgevoel. Zijn kennissen die hij in het voorbijgaan op straat ontmoette, groetten hem schuw.

Toen hij thuis aankwam, zag hij dat de gordijnen dicht waren. Zijn vader kwam hem met gebogen hoofd tegemoet. Hij droeg iets in zijn hand. Hij nam de visser bij de schouders en vertelde hem dat zijn moeder was overleden, in de nacht dat de visser zo vreemd had gedroomd.

"Hier mijn jongen, is haar bijbeltje... je moeder heeft me op haar sterfbed gesmeekt het aan jou te geven!"

                                                               * * * EINDE * * *
Bron : - "De mooiste Nederlandse sagen en legenden"
           uitgegeven door Verba, Hoevelaken, 1999. ISBN: 90 5513 369 8
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 4 reacties Reageer op dit bericht

Jatstraat in Groningen

Jatstraat in Groningen
- Een sage over het ontstaan van een straatnaam: de Jatstraat -
Toen in het jaar 1672 Bernard van Galen, de bisschop van Munster, de stad Groningen belegerde, waren de Staten van Stad en Land voorbereid. Zij hadden gelukkig tijdig voor een doorgewinterde veldheer gezorgd. Tegen een vergoeding van vierduizend rijksdaalders verdedigde Karel Rabenhaupt, Baron de Sucha, Erfheer in Lichtenberg en Fremisnich, Heer tot Grimbach, de roemrijke vesting.

Rabenhaupt was op zijn taak berekend, maar hij maakte zich zorgen over de voedselvoorziening. Het eten werd aangevoerd over het Reitdiep, en hij was bang dat deze toegangsweg over water geblokkeerd zou worden. Hij benoemde daarom een man op een post bij het Reitdiep, die erop moest toezien of de doorvaart ongehinderd verliep.

Niemand kent nu nog de naam van deze wachter, maar zijn gezicht kun je nog steeds bekijken: het staat afgebeeld op een steen midden in de stad Groningen. De man heeft een volle, krullende baard, en een vel dat bruin van kleur is. Hij heeft opvallend grote ogen die loensen. Misschien kwam dit wel van het voortdurend turen over het Reitdiep, dat ook wel het Jat werd genoemd.

De man zat iedere dag trouw op zijn eenzame wachtpost. Elke morgen reed Karel Rabenhaupt, Baron de Sucha, hem voorbij om te controleren of alles in orde was. De man kon vanuit zijn hoogte het Reitdiep overzien. Hij nam waar dat de schepen, die de leeftocht voor de benarde vesting vervoerden, ongehinderd konden doorvaren. Daarom riep hij elke morgen weer blij: "Ik kiek nog in 't Jat."

"Mooi!," riep Rabenhaupt, "van die kant dus geen gevaar!" Maar na verloop van tijd vond de man met de krullende baard, die een man van weinig woorden was, dat de zin ook korter kon. Daarom riep hij voortaan, als hij de luitenant-generaal zag naderen: "Ik kiek nog in 't."

En Rabenhaupt reed dan verder, om de andere posten te inspecteren, tot er de achtentwintigste augustus niks meer te inspecteren viel, omdat de vijand er vandoor was gegaan.

De Groningse raad vergaderde en men besloot dat voortaan de straat die uitkeek op het Reitdiep de Kijk in 't Jatstraat zou heten. Aan het einde van die straat liet men een steen plaatsen met een afbeelding van de kop van de man. Hij stond er niet al te scheel en met een keurig verzorgde baard op. Onder zijn kop beitelde men in de steen: "Ik kiek nog in 't."

De Groningers weten niet precies hoe ze de naam moeten uitspreken. Ze hebben het over de Kiekintjatstraat, en niet over de Kijk in 't Jatstraat. En aangezien er ook een Nieuwe Kijk in 't Jatstraat is bijgekomen, zijn er nu een Nieuwe Kijk in 't Jatstraat en een Oude Kijk in 't Jatstraat, en weten ze het helemaal niet meer. Ze kunnen het bijna niet in een adem uitbrengen, zo'n mondvol is het. En dat danken ze aan de wachter die een man van weinig woorden was!


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "De mooiste Nederlandse sagen en legenden"
           uitgegeven door Verba, Hoevelaken, 1999. ISBN: 90 5513 369 8
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:39 17 reacties Reageer op dit bericht

De nachtmerrie

De nachtmerrie
- Een Bunschoter volksverhaal over een vrouwelijke nachtgeest -
Niet alleen een mens, maar ook een paard kon bezocht worden door de nachtmerrie. Zoiets was altijd duidelijk te zien. Als de nachtmerrie op de rug van een paard had gezeten, zaten altijd de manen de volgende morgen dooreen gevlochten, en hingen de zweetdruppels nog op de glanzende vacht. Voor de boer, die dat paard 's morgens voor z'n kar wilde spannen, was dat bepaald lastig.

Een Bunschoter boer had er op een gegeven moment genoeg van. Voor het vallen van de schemering sloot hij zorgvuldig de staldeur en de raampjes. Daarna dichtte hij de spleten en besteedde extra aandacht aan het geutgat, want hij had horen vertellen dat dat de plek was waarlangs nachtmerries het liefst binnen kwamen.

Hoopvol ontsloot hij de volgende morgen zijn stal. Een warme, broeiende atmosfeer sloeg hem tegemoet. Zijn ogen moesten even aan het duister wennen, maar toen zag hij het goed. De manen van zijn paard waren weer volledig verward. Met zijn hand streek hij over de rug van het dier. Deze was kletsnat. Het stond vast, de nachtmerrie was toch binnengedrongen.

De boer besloot het laatste middel toe te passen. De nachtelijke bezoekster zou gevangen worden. Die avond bleef hij op. Nauwkeurig telde hij de slagen van de torenklok. Toen het twaalf had geklonken naderde hij zonder licht te maken de stal. Af en toe hoorde hij het paard schuiven en stampen. Hij was alleen, zijn vrouw had allang de bedstee opgezocht. Bang voor de nachtmerrie hoefde hij niet te zijn; als er licht gemaakt werd, zou zij onmiddellijk de benen nemen. Maar er konden nog andere spoken rondwaren. Had hij het al niet twee uur geleden tien uur horen slaan...?

Met een ruk opende hij de staldeur en zette zijn paard in het volle licht van de stallantaarn. Daar stond het dier, dampend van het zweet, de flanken bedekt met grote vlokken schuim. Weer was de nachtmerrie hem te vlug afgeweest.

Toch is het een enkele boer gelukt de mare te betrappen, wanneer ze nog te paard zat. Toen hij naderbij kwam, merkte hij dat hij haar gezicht vaker had gezien. Naakt en bevend stond zij voor hem, de schone deerne uit de omgeving. Smekend drong ze er op aan om vooral haar naam niet bekend te maken. Nooit zou ze meer naar zijn erf terugkeren. Alleen moest hij haar beloven om voortaan het stalraam open te laten, als teken van hun afspraak. En zo gebeurde het. Maar bij hen die haar willen weren, spookt de nachtmerrie nog steeds.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Volksverhalen uit Utrecht en het Gooi" samengesteld door Willem de Blécourt.
           Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1979. ISBN: 90-274-7083-9
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:52 2 reacties Reageer op dit bericht

Platte Thijs dobbelt met de duivel

Platte Thijs dobbelt met de duivel
- Een Noord-Hollandse sage over de Nederlandse Robin Hood -
Overdag werkte Platte Thijs bij een boer in het polderland, maar 's avonds had hij vrij af, en dan kon hij roven en stelen naar hartelust. De boer wist wel wat voor vlees hij in de kuip had, maar hij hield zijn mond, want het mes van Thijs zat los in de schede, en menigeen die te veel wist van zijn bende, werd 's morgens aan het uiteinde van een koord in zijn eigen schouw gevonden.

Platte Thijs deed dan ook wat hem goeddacht. Zo nu en dan spande hij de sjees in en reed, knallend met de lange zweep, naar Hoorn om er in de herbergen te dobbelen en te drinken.

Als zovele rovers wist Thijs ook meer van de zwarte kunst dan goed voor hem was: dat kon je merken wanneer hij de dobbelstenen wierp, want hij gooide altijd de meeste ogen. Op den duur gaf iedereen het op om tegen hem te spelen en dan zat hij, kwaadaardig vloekend, aan de tafel met de beker in de hand en wierp aan een stuk door dubbel zes.

"Zelfs de duivel kan het niet van mij winnen," dacht hij. "Dat weet hij en daarom verschijnt hij niet, al roep ik nog zo hard om hem."

Opeens zat er een mannetje tegenover hem met een gerimpeld gezicht en van ouderdom bevende handen.

"Mag ik eens met u spelen?" vroeg hij. "Dobbelen is een spel dat mij ligt."

"Wat zet je op?"

"Dat wat ik het mijne noemen kan, hier en elders. En wat zet u op, heer rover?"

"Alles."

"Goed."

Thijs nam de stenen, schudde ze in de beker, en wierp: "Twaalf ogen. Daar kom je niet boven."

"O, maar ik heb duivelsgeluk," antwoordde de oude man. "Er uit, dertien!" De dobbelstenen vielen en sloegen tegen elkaar en van een der stenen sprong een stuk af: dertien ogen lagen op het bord.

Op dat ogenblik zakte Thijs achterover en terwijl allen zich om hem heen verdrongen, verdween de oude duivel met zijn winst, een onzichtbare, onsterfelijke ziel.


                                    * * *einde* * *
Bron : - "Nederlands Sagenboek" door Jacques R.W. Sinninghe.
           Kruseman's Uitgeversmaatschappij NV, Den Haag, 1961.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:12 9 reacties Reageer op dit bericht

Wolga en zijn bondgenoot Mikoela (einde)

Wolga en zijn bondgenoot Mikoela (einde)
- Een Russische sage over hard optreden tegen opstandige steden -
De droezjina en ook Wolga zelf waren met stomheid geslagen. Zij hadden al vele gevechten meegemaakt, niet alleen met gewone mensen, ook met reuzen en tovenaars, en zij hadden steeds de moed en de kracht van hun leider bewonderd. Maar wat deze eenvoudige boer presteerde, dat hadden zij nog nimmer aanschouwd.

De troep trok verder en bereikte al spoedig een onstuimige rivier, waarachter zich de hoge wallen bevonden van de sterke vesting Goertsjevjets. Aan de overzijde van de rivier en boven op de wallen stonden alle weerbare mannen van de vesting in volle wapenrusting opgesteld om de aankomende vijand weerstand te bieden. Wolga gaf het sein tot de aanval en in volle draf galoppeerden zijn ruiters naar de houten brug die toegang tot de veste gaf. De inwoners van de stad hadden dit wel voorzien en zij hadden daarom de palen, waarop de brug rustte, doorgezaagd. Toen de ruiters halverwege de brug waren gekomen, stortte deze met donderend geraas in, alles wat zich daarop bevond met zich mee slepend. De zwaar geharnaste krijgers werden in hun bewegingsvrijheid gehinderd en konden zich niet redden. Zij werden evenals de paarden door de wild stromende rivier meegesleurd en kwamen jammerlijk om.

Wolga en Mikoela die achteraan reden, zagen met verbijstering hoe de droezjina de dood vond in de wilde golven. Een onuitsprekelijke haat maakte zich van hen meester. Zij gaven hun paard de sporen en vlogen met één sprong over de rivier. Als een stormwind wierpen de twee helden zich op de vijand. Wolga trok zijn zwaard en maaide ieder om zich heen in blinde woede neer. Mikoela, die niet over een zwaard beschikte, rukte een oude eikenboom uit de grond en doodde daarmee iedereen die in zijn nabijheid kwam. Ook de paarden namen deel aan het gevecht en beten de vijanden met hun vlijmscherpe tanden, of zij vermorzelden hen onder hun hoeven. De strijd was hevig en lang. Duizenden vijanden lagen ontzield ter aarde en de overlevenden werden door zo'n panische angst bevangen dat zij zich schielijk naar de wallen begaven. Van daaruit riepen zij naar beneden: "Genade en erbarming, machtige Wolga Boeslavlevitsj! Spaar ons, spaar onze vrouwen en kinderen! Wij onderwerpen ons geheel aan uw wil!"

Langzaam en waardig reden de twee helden door de stadspoort naar binnen. Vol ontzag wees men naar Mikoela en fluisterde tegen elkaar: "Dat is die man die gisteren met ons heeft gevochten en met zijn enorme knots honderden van ons heeft geveld." Iedereen boog het hoofd toen de twee passeerden en zij bogen zo diep dat hun haar de grond raakte. Toen kwam de legeraanvoerder naar voren, maakte een diepe buiging en sprak: "Wees welkom, machtige bogatyrs! Wees welkom en neem van ons zoveel schatting als u nodig hebt, maar spaar ons leven!" Vervolgens kwam de burgemeester naar voren en deze vertelde dat de bewoners blij waren de beroemde held eindelijk van aangezicht tot aangezicht te kunnen zien. Hij zei ook dat zijn stedelingen de afgezanten van Wolga Boeslavlevitsj altijd met eerbied en respect zouden ontvangen en zij op tijd aan hun verplichtingen zouden voldoen. Wolga stelde zich tevreden met de schatting die hem toekwam en beval hun dat deze binnen twee weken moest zijn ingeleverd. Toen reden zij beiden weg. Mikoela begeleidde Wolga tot zij bij diens paleis kwamen; met geschenken overladen keerde hij naar huis terug.

En hoe verging het die andere opstandige stad, Orjechovjets? De gebeurtenissen bij Goertsjevjets waren snel in de gehele omtrek bekend geraakt en de inwoners van de eerstgenoemde stad wisten niet hoe gauw zij hun schatting moesten inleveren. Wolga kon dus tevreden zijn over zijn veldtocht, hoewel hij het verlies van zijn trouwe kameraden zijn hele verdere leven bleef betreuren. Maar hij vatte het filosofisch op en zei altijd: "Wanneer men veel wint, moet men dikwijls ook veel verliezen." Hij heeft nooit meer een nieuwe droezjina gevormd en werd trouwens ook te oud om nog ten strijde te trekken. Er heersten vrede en eendracht, zolang hij regeerde..


                                    * * *tent* * *
Bron : - "Russische heldensagen" door M.A. Prick van Wely.
           Fibula, Houten, 1989. ISBN: 90-269-4416-0
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:19 6 reacties Reageer op dit bericht

Wolga en zijn bondgenoot Mikoela (vervolg)

Wolga en zijn bondgenoot Mikoela (vervolg)
- Een Russische sage over hard optreden tegen opstandige steden -
"Och, Wolga Boeslavlevitsj, wat zal ik u zeggen. De inwoners van die steden zijn je reinste rovers. Ik ben er gisteren nog geweest om zout in te kopen. Ik kocht er drie grote balen, laadde die op mijn merrie en ging zelf boven op de vracht zitten. Zo wilde ik naar huis rijden, toen ik plotseling zag dat de weg door een slagboom werd versperd. Meteen sprongen er een paar van die rovers naar voren en hielden mijn paard bij het bit vast. Zij eisten tolgeld en om van hen af te zijn en geen moeilijkheden te veroorzaken, gaf ik het hun. Maar daarna kwamen er weer andere mannen opdagen die eveneens tolgeld eisten, en weer andere, totdat ik door een gehele menigte was ingesloten. Dadelijk nemen zij mijn zout ook nog in beslag, dacht ik, het wordt nu toch tijd om korte metten met hen te maken. Ik greep mijn knots en gaf dat stelletje van katoen. Die knots heeft nog nooit de dienst geweigerd en op dat moment ook niet. Iedereen die erdoor getroffen werd, was op slag dood. Toen er een paar honderd lijken op de grond lagen - ik heb ze eerlijk gezegd niet geteld, maar het kunnen er ook duizend geweest zijn - kozen de overige aanvallers het hazenpad en kon ik ongehinderd mijn weg vervolgen."

Wolga die het verhaal aandachtig had beluisterd, zei ten slotte: "Het ziet ernaar uit dat je niet op al te goede voet staat met de bewoners van Goertsjevjets en Orjechovjets. Misschien voel je er iets voor om ons op onze tocht te vergezellen?"

"Dat zal ik maar al te graag doen!" antwoordde de boer die zich bekend maakte als Mikoela Seljaninovitsj. Hij nam het tuig van zijn paard af, leidde het van de akker en sprong toen op haar rug. Ook de andere mannen bestegen hun paarden en reden voort in gestrekte draf.

Nadat zij al een eindje op weg waren, herinnerde Mikoela zich ineens dat hij de ploeg onbeschermd had achtergelaten. Dus vroeg hij Wolga toestemming te mogen terugkeren om zijn ploeg op een veilige plaats op te bergen. "Dat is helemaal niet nodig," vond Wolga. "Ik zal een paar van mijn sterkste mannen erheen sturen en wij zullen hier wachten tot zij zijn teruggekeerd." Zo gebeurde het, maar hoe die mannen ook aan de ploeg trokken, deze bewoog zich geen centimeter. Zij vertelden het bij terugkomst aan hun leider en die zei: "Dan gaan wij allemaal maar terug." Met zijn dertigen trokken en trokken zij zonder enig resultaat aan het werktuig, tot zij totaal uitgeput waren.

Waarop Mikoela sprak: "Dappere Wolga Boeslavlevitsj! Zijn dat nu uw dappere krijgers die de opstandelingen moeten bedwingen? Wat wilt u met dit stelletje zwakkelingen bereiken tegen een veel grotere vijand?" Nadat hij dit gezegd had, sprong de boer van zijn paard, liep naar de ploeg en trok deze met één hand uit de kluitige aarde. Met een geweldige zwaai wierp hij haar in de lucht en het gevaarte viel met een enorme dreun tussen het kreupelhout waar het tot aan de handvaten in de aarde wegzakte.


                          * * *wordt vervolgd* * *
Bron : - "Russische heldensagen" door M.A. Prick van Wely.
           Fibula, Houten, 1989. ISBN: 90-269-4416-0
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:14 6 reacties Reageer op dit bericht

Wolga en zijn bondgenoot Mikoela

Wolga en zijn bondgenoot Mikoela
- Een Russische sage over hard optreden tegen opstandige steden -
Nadat Wolga het rijk der Turken overwonnen had, voerde hij nog vele oorlogen en veroverde hij vele vestingen met behulp van zijn almaar groeiende krijgsmacht. Maar de kern van zijn leger werd gevormd door zijn droezjina die zich als een ondoordringbare muur van staal om hem heen groepeerden en hem tegen elke aanval beschermden. De angst voor deze dappere krijgsschaar was zó groot dat, wanneer deze naderde, iedereen de vlucht nam. De overwonnen stammen betaalden altijd trouw de hun opgelegde schatting.

Het rijk van Wolga Boeslavlevitsj werd groter en groter en daarom zond hij zijn gezanten naar alle windhoeken van het land om de schatting op te halen. Zij kwamen terug met grote kudden vee, honderden paarden en een groot aantal wagens gevuld met pelzen, graan, tarwe, rogge en andere veldgewassen. Op een keer keerden de gezanten met lege handen terug. De inwoners van de steden Goertsjevjets en Orjechovjets hadden geweigerd de poorten van hun stad te openen en de schatting te leveren. De leiders van Wolga's leger gaven hem de raad met een grote krijgsmacht tegen de opstandige steden op te trekken om hun een lesje te leren. Wolga besliste echter anders. Hij begaf zich alleen met zijn droezjina naar de twee steden om ze te dwingen de opgelegde schatting af te leveren. Zo reden zij dagenlang door de onmetelijke steppen. Terwijl de paarden als valken door de lucht vlogen en men alleen maar 's nachts halt maakte om uit te rusten, was men nog geen levende ziel tegengekomen.

Na een paar dagen gereden te hebben hoorden de mannen ergens in de verte het gekraak van een ploeg en het schuren van het ploegijzer over stenen. Daarbij hoorden zij een lied zingen:
"Ploeg maar voort,
ploeg maar voort,
mijn dapper paardje,
over het land dat mij behoort."
"Niet onverdienstelijk gezongen," merkte Wolga op, "maar waar zit die man die het zingt?" De ruiters spiedden de hele horizon af, maar konden nergens iemand ontdekken.

De volgende morgen hoorden zij weer hetzelfde geluid, begeleid door hetzelfde lied. Ook ditmaal zagen zij niemand in de verre omtrek. "Eigenaardig," merkte Wolga op, "het lijkt hier te spoken."Tegen de middag van de derde dag galmde het lied van de ploeger andermaal over de velden, terwijl het ploegijzer over stenen schuurde. Toen zagen zij eindelijk de man die zo lang onzichtbaar was gebleven. Het was een forse boer die zijn paard vriendelijk toesprak. Hij liep achter een eikenhouten ploeg, waarvan de zilveren ploegschaar met gouden spijkers was beslagen. De ploeg scheurde boomstronken los en wierp grote aardkluiten en stenen de lucht in. Zij waren zo zwaar dat zelfs de sterkste man ze niet zou kunnen optillen. Vol bewondering keken Wolga en zijn mannen naar de rijzige gestalte van de boer die dit werk een peulenschilletje scheen te vinden.

"Moge God je helpen bij dit zware werk!" zei Wolga tegen de boer die zijn arbeid nu onderbrak en hem antwoordde: "Wees gegroet, dappere Wolga Boeslavlevitsj! Mag ik vragen waarheen uw tocht voert?"

"Zeker, beste man, dat is u toegestaan. Wij rijden naar de steden Goertsjevjets en Orjechovjets, waarvan de inwoners geweigerd hebben de poorten voor mijn afgezanten te openen en mij de schatting te betalen die mij toekomt."


                          * * *wordt vervolgd* * *
Bron : - "Russische heldensagen" door M.A. Prick van Wely.
           Fibula, Houten, 1989. ISBN: 90-269-4416-0
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 02:50 6 reacties Reageer op dit bericht

De godin Benten en de draak

De godin Benten en de draak
- Een Japanse legende over de godin van het geluk -
Wat een verrukkelijk oord is Enoshima! Het is een groen eiland, omgeven door een diepblauwe zee en geheel bedekt met prachtige bossen. Hier en daar vindt men theehuizen waar de bezoekers, gezeten op gevlochten matten, zich vergapen aan de schoonheid van het schilderachtige landschap. Men mag Enoshima niet verlaten zonder een bezoek gebracht te hebben aan de grot die aan de godin Benten is gewijd. Benten is een van de zeven godheden van het Geluk. Zij is de patrones van de literatuur, de muziek en de rijkdom. Zij wordt dikwijls afgebeeld met de Japanse luit, de biwa, en haar heiligdommen bevinden zich veelal langs de zeekust. Uit de volgende legende zal blijken waarom.

Vijftien eeuwen geleden bestond Enoshima nog niet. Er was toen op die plek alleen maar een grot die slechts voor een klein gedeelte boven het water uitstak. Daarin woonde een draak, de meest verschrikkelijke van alle draken. Hij kon zwemmen, maar zich ook over land voortbewegen. Uit zijn enorme muil staken honderden, puntige tanden. Zijn lievelingsspijs was het zachte vlees van jonge kinderen.

Hij zwierf altijd langs de kusten op zoek naar kinderen die aan het baden waren. Dan dook hij plotseling uit het water op, greep zijn slachtoffer en verslond het. De moeders gilden van ontzetting wanneer zij het zagen, maar het was al te laat, het monster was weer in de diepte verdwenen. Er heerste rouw in de familie van het slachtoffer. De ouders besloten beter op te letten en enkele van hen lieten hun kinderen zelfs helemaal niet meer in zee baden. Maar dan zocht de draak weer andere, verafgelegen plekken uit om zijn prooi te vangen.

De godin Benten was dit een doorn in het oog. Zij wil immers dat alle mensen gelukkig zijn en niet door monsters bedreigd worden. Zij dacht erover na op welke manier zij een einde zou kunnen maken aan de wreedheid van de draak.

Op een goede dag was de grot waarin het monster huisde helemaal door wolken omhuld. Op een ervan daalde de godin neer. Door haar wil rees de drakengrot uit de golven op en verscheen geheel boven het water. Daaromheen groeide de aarde en werd bedekt met grote bossen. Zo ontstond het eiland Enoshima.

De draak lag voor de grot en zag het wonder gebeuren. Hij zag dat de godin uit de hemel neerdaalde en naar hem toekwam, terwijl zij haar liefste glimlach ten toon spreidde. Zij richtte het woord tot hem: "Woon je helemaal alleen in deze grot? Verveel je je dan niet? Is er niemand die zich om je bekommert? Wat moet je je dan ongelukkig voelen! Waarom zouden wij eigenlijk niet met elkaar trouwen? Wij zouden gelukkig met elkaar kunnen worden en wij zouden ook kinderen kunnen krijgen... Je zou dan echt van je kinderen gaan houden, en... en... je zou er niet meer over denken om kinderen van anderen te verslinden."

Zo sprak Benten nog lange tijd. En werkelijk de draak liet zich bepraten en gaf zijn toestemming tot een huwelijk.

Niet dat het nu direct een gelukkig huwelijk werd - daarvoor waren de verschillen te groot - maar zeker is, dat de draak het van toen af wat rustiger aan deed en dat de kinderen niets meer van hem te vrezen hadden.


                                * * * EINDE * * *
Bron : - "Japanse sagen en verhalen" door M.A. Prick van Wely.
           Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, 1979. ISBN: 90-228-3346-1.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:11 4 reacties Reageer op dit bericht

Het Marsdiep

Het Marsdiep
- Een sage over het zeegat tussen Texel en Den Helder -
Het Marsdiep kwam op simpele wijze aan zijn naam. Heel vroeger had het natuurlijk helemaal geen naam, zoals dat eigenlijk met alle dingen het geval is geweest. Er was een tijd dat dingen er alleen maar waren, van een naam was nog geen sprake.

Zo was het ook met het Marsdiep. Er was niemand die wist hoe het heette. En het was er beslist niet diep. Wel breed, maar ook niet zo breed als tegenwoordig.



Als je op de goede tijd vertrok, dan had je niet eens een boot nodig om aan de andere kant te komen. Je hoefde alleen maar te wachten tot het eb was.

Dat wisten de marskramers natuurlijk ook. Marskramers waren sowieso slimmeriken. Die moesten immers hun waar aan de man brengen, en daar hadden ze veel trucs bij nodig.

Wat gebeurde er dus? Zodra het eb werd, trokken de marskramers vanaf de punt van Noord-Holland door het vallende water naar Texel en omgekeerd.

En het water maakte hen natuurlijk nat, maar spaarde hun koopwaar. Dat kwam niet verder dan die 'mars'. Het golfde en kabbelde er wel een beetje tegenaan, want water ligt nooit helemaal stil, maar de koopwaar bleef altijd boven het water uitsteken. En daarom noemde men dit water het Marsdiep. Niks ingewikkelds aan. Poepsimpel.


                                * * * EINDE * * *
Bron : - "Verhalen van de Waddeneilanden" uitgegeven door HMP Voila, 2002.
           - www.hetopenboek.nl
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 01:36 15 reacties Reageer op dit bericht

De dwalende rechter

De dwalende rechter
- Een Limburgse sage over een rechter die na zijn dood geen rust vindt -
Lang geleden woonde en werkte er een rechter in Maastricht. Hij was een streng maar rechtvaardig man, tot zijn vrouw hem overhaalde tot een eerste verkeerde daad. Daarna was er geen houden meer aan. Hij vergat rechtvaardigheid en liet geld bepalen wat de waarheid was.

Toen kwam de dag dat een oude zwerver voor de uitvoering van zijn doodsvonnis de rechter toeschreeuwde: "Wacht maar tot u voor Gods rechterstoel moet verschijnen!"

De mederechters en de beul lachten om deze bedreiging. Maar het lachen verging hen snel toen de rechter plotseling door een beroerte werd getroffen en voor hun ogen in elkaar zakte.

De rechter werd begraven, maar keerde dezelfde nacht nog terug naar zijn huis. Hij liep op zolder rusteloos heen en weer. Zijn vrouw kon ook de slaap niet vatten en luisterde gespannen naar de slepende voetstappen boven haar. Toen de klok van de kerk één uur had geslagen, daalde de rechter de trap af. De vrouw van de rechter zag de deur van haar kamer opengaan, de kaarsen doofden door deze onverwachte tochtvlaag.

In de duisternis zag de vrouw de ogen van de dode rechter brandden vol woede en haat. Zij had hem aangezet tot zijn eerste slechte daad welke hem vervolgens naar zijn ondergang had geleid. De vrouw moest in zijn ogen kijken tot zij tenslotte bewusteloos achterover viel.

In die ene nacht was ze grijs geworden en veranderd in een angstige, bibberende vrouw. De volgende morgen ging ze naar de kapelaan van de Sint Servaaskerk en smeekte hem om de geest uit haar huis te verdrijven.

De kapelaan geloofde niet in geesten, maar toch was hij rond middernacht present. Hij hoorde de voetstappen op zolder en klokslag één uur daalde de rechter de trappen af. Weer werden de kaarsen gedoofd door het openen van de deur. Een doffe stem vroeg: "Wat kom je hier doen, kapelaan?"

"Ik kom je verjagen," was het antwoord.

"Dat kun jij niet, kapelaan, daar heb jij het recht niet toe. Ook jij hebt immers gezondigd. Geef eerst maar eens het mes terug aan je vriendje dat je vroeger hebt gestolen!"

"Helaas, dat is niet mogelijk. Deze vriend is kort na de diefstal gestorven."

"Dat weet ik," zei de rechter en zijn holle lach kaatste door de kamer.

Totaal van streek rende de kapelaan terug naar de kerk en vertelde de pastoor wat hem overkomen was. De pastoor luisterde aandachtig en trok zijn jas aan. Deze geest wilde hij wel eens met eigen ogen zien. De voordeur stond open en de stem van de rechter kwam hem al in de gang tegemoet. "Wat wil je, pastoor?"

"Ik wil je verdrijven uit dit huis!"

"Dat zal je niet lukken," zei de rechter smalend, "heb jij niet als jongen een paar wortels van het land gestolen?"

"Ja heer rechter," antwoordde de pastoor bedremmeld, "maar ik heb er geld voor in de plaats gelegd!"

"De boer heeft het geld nooit gevonden, dus je bezweringen zullen nutteloos zijn!"

Op dat moment opende de voordeur opnieuw. In de deuropening stond een stokoude pater met een gegroefd gezicht en een lange sneeuwwitte baard. Achter hem volgde de doodsbange vrouw van de rechter. Na het falen van de kapelaan was zij naar het klooster gevlucht. De broederportier had de enorme angst in haar ogen gelezen en daarom de poort verlaten om met haar mee te gaan.

De pater keek de rechter aan. "Ik kom je uit dit huis verjagen. Je kunt je toevlucht nemen tot de koepel achter in de tuin. Daar kun je blijven tot je het laatste oordeel hoort slaan!"

"Pater, jij hebt macht over mij, want ik kan je niets ten laste leggen. Laat mij nog een maal mijn handen neerleggen in mijn huis."

Bliksemsnel had de rechter zijn linkerhand gelegd op de tafel waar hij zijn eerste foute vonnis ondertekende en zijn rechterhand op de schouder van zijn vrouw. De handen van de rechter gloeiden als hels vuur en de vrouw schreeuwde het uit. Voor de rest van haar leven stond de handafdruk van de rechter in haar schouder gebrand. Zijn andere hand was in de tafel gebrand en hoe men ook schaafde en boende, het was onuitwisbaar.

De rechter was gedoemd elke nacht naar de koepel in de tuin te gaan. Daar las hij bij kaarslicht in dikke boeken. Als hij ooit voor het hemelse gerecht zou moeten verschijnen, wilde hij zich kunnen verdedigen. Nog steeds begreep hij niet dat je je niet tegenover God kunt beroepen op wetsartikelen en dat zijn verdediging zou falen.


                                * * * EINDE * * *
Bron : - wwwbeleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:19 6 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten