Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: sagen

Van Keetje en Eine en de aangelengde melk

Van Keetje en Eine en de aangelengde melk
- Een Zeeuwse sage over een verliefd melkmeisje -
Er was eens een melkboer, die had maar vier koetjes en erg rijk was hij ook al niet. Hij had één dochter, die heette Keetje en die leurde de melk uit in Middelburg. Iedere dag ging ze met de hondenkar naar de stad en omdat ze nogal een knappe meid was, was er niemand, die nu eigenlijk een hekel aan d'r had. Maar hoe gaat dat met die jonge meisjes, nietwaar? Ze willen er steeds maar mooier uitzien en zo was het ook bij Keetje. Er zat natuurlijk nog wat anders achter, want onderweg kwam ze Eine wel eens tegen. Dat was een zoon van een grote boer uit de buurt. En als dat gebeurde, dan kwam ze wel eens een uur te laat in de stad aan, weet je.

Maar één ding, daar had Keetje erg last van en dat was dat ze maar koperen krullen droeg en dat haar vader geen gouden krullen kon betalen. Als ze andere meisjes tegen kwam, dan was het net of die haar uitlachten en zij had nog wel verkering met de rijkste boerenzoon uit de hele buurt.

Toen kwam Keetje op de gedachte, de melk met water aan te lengen, om zó aan geld te komen voor gouden krullen. Haar vader was echter een rechtschapen man, die dat nooit goed zou vinden. En zo werd het Ronde Putje een grote verzoeking voor dat meisje. Op het laatst kon ze het niet meer uithouden en schonk ze, zomaar voor de aardigheid, eens een paar liter water bij de melk, toen ze bij het Putje kwam om te drinken.

Nu ontving ze ook een paar stuivers meer voor de melk en die durfde ze niet aan vader te geven. Van het ene kwaad komt het andere en het duurde niet lang of Keetje kwam in de stad met melk die voor de helft uit water bestond. Het geld dat ze extra kreeg, hield ze voor zichzelf en zo duurde het niet lang, of ze begon een aardig spaarpotje aan te kweken.

De mensen in de stad zeiden wel eens: "Maar Keetje! De melk is zo blauw! Is die wel goed?" Maar dan zei ze: "Och, ik zou 't wel denken, vrouw, maar de bonte is niet erg in orde en met dat schrale weer is de melk ook niet zo vet, weet je." En meer van die uitvluchten.

Op het laatst had ze voldoende geld bij elkaar gestolen om gouden krullen te kunnen kopen en dus deed ze dat. Toen ze met de kar naar huis toe reed, had ze de krullen aangedaan en ze dacht: "Als ik Eine nu maar eens tegenkom!" Nou, natuurlijk kwam ze Eine tegen en die vond de krullen heel mooi.

Maar toen ze onderweg voorbij het Ronde Putje kwam, wilde ze toch zelf ook wel eens zien hoe de nieuwe krullen haar stonden, want ze kon ze thuis niet aandoen. Dan zou vader meteen vragen: "Keetje, hoe kom je aan die gouden krullen?" En dan was het goed mis.

Daarom ging ze naar het Ronde Putje om zichzelf in het water te kunnen zien. Jong jonge, wat stonden die krullen haar mooi: het zonnetje blonk er in. Ze draaide haar hoofd in alle richtingen en lachte tegen zichzelf.

En toen gebeurde het. Ineens schoten de krullen los en vlogen in het water. Ze was er een ogenblik beduusd van, maar toen begreep ze wat er gebeurd was. Ze nam een stok en begon in het water te vissen, maar de krullen waren en bleven zoek. Toen kwam er een stem uit het water:
Wat van mij kwam, keert tot mij weer.
Nooit dijt gestolen goed!
Die les heeft Keetje goed begrepen, al viel het ook niet mee. Ze heeft geen water meer bij de melk gedaan en ze heeft haar Eine toch gekregen.

                                      * * * EINDE * * *
Bron : - "De opgeverfde haan. Bekende & onbekende verhalen over schelmen & vagebonden, tovenaars & heksen, boze moeders & ontaarde zonen, ezels & schapen, reuzen & dwergen, kluizenaars & molenaars, tempeliers & wonderdokters, spoken & weerwolven, juffers & bruiden, zeemeerminnen & nachtmerries, bokken & egels, soldaten & jagers, katers & eksters, knechten & meesters, kooplieden & dieven & vele andere eeuwige stuiverzoekers" samengesteld door Willem de Blécourt.
           Uitgeverij Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1982. ISBN: 90-274-7115-0
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:08 7 reacties Reageer op dit bericht

De schat te Muiden

De schat te Muiden
- Een Noord-Hollandse sage over een bedrogen Muidenaar -
Het is 1810. Nederland is ingelijfd bij het Franse rijk van keizer Napoleon. De gevolgen daarvan beginnen langzaam merkbaar te worden. Het geld wordt schaarser, de ambtenaren talrijker, en de jongemannen worden ingelijfd bij het Franse leger.

In Muiden houdt zich een Duitser op, die zich Von Slenderhenk noemt, professor in de Philosophia Occulta, ofwel Verborgen Wijsbegeerte. Op een avond in september bevindt zich een aantal gasten in het logement waar hij verblijft en hij raakt met hen aan de praat. Na het uitwisselen van een paar algemene wetenswaardigheden en het bespreken van de mislukte inval van de Engelsen op Walcheren, het jaar daar voor, komen ze op de benarde financiële toestand. Eén der Muidenaars ziet het somber in, maar gelukkig heeft hij nog wat achter de hand. De Duitser glimlacht als hij dat hoort.

"Ik heb vernomen," zegt hij, "dat er hier in de buurt, op de Papelaan om precies te zijn, een schat in de grond steekt."

De Muidenaar heeft daar wel oren naar. "Dat zou een welkome meevaller zijn," antwoordt hij, terwijl hij op zijn slappe geldbuidel klopt. "Hoe halen we die eruit?"

"Ah," zegt de Duitser, "voor iemand die de Verborgen Wetenschappen heeft bestudeerd, is dat niet zo zwaar." "En u bent daar bedreven in?"

"Jazeker, zeven jaar heb ik in Krakau vertoefd, waar mij de geheimen der sterrenwichelarij, duivelbezwering en alchemie openbaard werden."

De Muidenaar schrikt even. Met duivelbezweerders wil hij zich liever niet inlaten. Maar het geld lonkt. "U weet dan wel middelen, om die verborgen schat te ontdekken?" vraagt hij de professor.

"Mijn hazelaar," antwoordt deze.

Dat komt de Muidenaar bekend voor. Hij heeft wel meer gehoord van lieden die met behulp van zo"n gevorkte tak zaken hebben opgespeurd.

"En nog een zakje dukaten," vervolgt de geleerde, "om een beter resultaat te verkrijgen is het absoluut noodzakelijk een zakje dukaten toe te wenden. Geld trekt geld aan, zoals de ouden reeds leerden."

Zij spreken af de volgende avond wederom samen te komen om dan de schat op te graven.

"Hier zijn de dukaten," zegt de Muidenaar, terwijl hij aanstalten maakt om het zakje aan de professor te overhandigen. "U kunt het zelf houden, beste vriend, de aanwezigheid is voldoende," is het antwoord. "Bezorgt u mij nog slechts een paard met een aangestoken lantaarn aan de hals gebonden, en een kluwen touw, daar kan ik mee volstaan."

De avond daarop treffen zij zich voor het logement. De Duitser heeft zich in een wijde mantel gewikkeld, een breedgerande hoed bedekt zijn trekken. Hij bestijgt het gezadelde paard, dat voor hem gereed is gezet, en rijdt stapvoets heen. De Muidenaar met een paar vrienden, en vier arbeiders met spaden op de schouder, volgen hem. Bij de Papelaan aangekomen, springt Von Slenderhenk van het paard.

"Ik heb hier een bezweringsformule. Wanneer u mij een ogenblik uw zakje dukaten ter hand kunt stellen, dan kan ik deze daarin doen." Vervolgens geeft hij het zakje weer aan de eigenaar terug, steekt zijn hazelaar in de grond, en bindt er het ene eind van de kluwen touw aan vast. Met het andere eind in zijn hand zet hij zich weer op het paard en instrueert: "Zodra de ganse kluwen is afgerold, zal er een krachtige beweging door de hazelaar en het zakje dukaten varen. Zij zullen dan naar een plek getrokken worden, waar ik u aanraad onverwijld de spade in de grond te steken." Hij rijdt weg, en allen, in het bijzonder de eigenaar van de dukaten, wachten vol spanning tot het merkwaardige ogenblik daar is.

Lang wachten ze. Roerloos ligt het touw op de grond, afgewikkeld in de richting waarin de Duitser is verdwenen. Hun wachten blijkt vruchteloos. De professor in de Philosophia Occulta keert niet terug, noch worden de hazelaar en de geldbuidel door vreemde krachten beroerd. Uiteindelijk begint men te geloven, dat er bedrog in het spel is.

"Mooie professor," zegt de Muidenaar, "maar ik heb tenminste mijn dukaten nog."

"Maar je paard ben je kwijt," antwoordt een van zijn vrienden, "en laat mij dat zakje eens zien?"

Hij maakt het open en schudt wat van de inhoud in zijn hand. "Dat moesten dukaten zijn, hè? Nou je bent goed beetgenomen, in dit zakje zitten alleen maar duiten. En laat die bezweringsformule eens kijken. Ha! Maak eens licht, dan kan ik lezen wat erop staat:
Vergeefs schuurt men de moor,
En haalt de zotten door.
De moor blijft zwart, de zot blijft dom;
Dat is hun privilegium!
De Muidenaar kan nog slechts zuchten. Dertig dukaten en een paard op een avond verloren, dat is te veel voor hem.

                                      * * * EINDE * * *
Bron : - "Volksverhalen uit Utrecht en het Gooi" samengesteld door Willem de Blécourt.
           Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1979. ISBN: 90-274-7083-9
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:10 12 reacties Reageer op dit bericht

De stichting van Amsterdam

De stichting van Amsterdam
- Een stadssage over Koenraad, Wolfger en zijn hond -
Op de eerste stadszegel van Amsterdam zijn twee personen en een hond te zien. Volgens de overlevering zijn zij verantwoordelijk voor de stichting van Amsterdam. Eén van de twee personen in de kogge is Koenraad, bisschop van Utrecht. Doordat Graaf Egbert uit de gratie was gevallen, had Koenraad opeens de macht over de Friese landen gekregen.

Incognito ging Koenraad, met een bootje, naar Friesland om daar poolshoogte te nemen. Tijdens de reis verandert het weer opeens en het scheepje van Koenraad zinkt vlak voor de kust van Stavoren. Koenraad kan de wal bereiken, waar hij wordt opgewacht door een bende ruwe kerels. Zij hadden gezien hoe het scheepje zonk en hoe Koenraad had gevochten voor zijn leven, maar hadden geen hand uitgestoken. Argwanend werd hij bekeken door de Friezen. Zij hadden van de machtsovername gehoord en waren daar niet blij mee. Keizer Karel had hen namelijk het voorrecht geschonken dat slechts een Fries edelman over hen zou regeren. Ze zagen Koenraad aan voor een Utrechtse spion.

Hij werd bij kop en kont gepakt en zijn handen en voeten werden gebonden. Daarna werd hij in een oude kogge gesmeten, die aan de kade lag te verrotten. Het touw werd losgemaakt en de kogge kreeg een stevige zet. De oude boot drijft richting het nog steeds woelige water.

Dan komt er uit de menigte een jongen te voor schijn. Hij is het niet eens met de gang van zaken en springt de kogge achtena. Na een paar slagen is hij bij de boot en hijst zich erin. Ook zijn hond, die hem is achtena gezwommen werd aan boord geholpen. Snel bevrijdde de jongen de bisschop, stak een spaan door het roergat en wist de boot onder controle te krijgen.

Ze probeerden zo goed en zo kwaad als het kon koers te zetten naar Muiden, om daar via de Vecht, Utrecht te bereiken. Door het dikke wolkenpak was geen ster te zien, wat het navigeren bemoelijkte. Als het weer lichter begint te worden, zien de mannen een monding van een vrij brede stroom. Ze beseften dat ze toch niet de juiste koers hebben gevaren maar besloten toch aan land te gaan. Met de vaste grond aan de voeten stelde de jonge Fries zich aan Koenraad voor als Wolfger. Koenraad bood uit dankbaarheid Wolfger een goede baan aan, maar Wolfger besloot om te blijven waar ze aangespoeld waren en zich daar als visser te vestigen.

Hierop voorspelde Koenraad, dat op die plek een stad zou ontstaan die over de hele wereld vermaard zou worden en ooit de kroondraagster van Europa zou worden.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : http://www.gironet.nl/home/oddevre/amsterdam/index.htm
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 11 reacties Reageer op dit bericht

De grote oehoe van Hardenberg

De grote oehoe van Hardenberg
- Een sage over Hendrik Jan Brunink en de duvel in de schuur -
Hardenberg is een stad waar omheen enorm veel verhalen leven. En één van die verhalen, dat is het verhaal van Hendrik Jan Brunink.

Het zal ongeveer in 1936 geweest zijn. De Vierde Wijkweg was toen nog een doorlopende weg. Tegenwoordig is het een doodlopende weg, maar toen liep die weg achter een boerderij langs en ging dan door naar de Elfde Wijk.

En aan de overkant van die weg, daar was een schuur. En in die boerderij daar woonde toen een hele gelovige boer. Die had ook een hele gelovige knecht. En op een dag loopt die knecht die schuur in, het is een beetje donker, en hij ziet boven bij de hanenbalken twee grote rollende gele ogen. Hij holt naar buiten en hij zegt tegen de boer: "Boer, er zit een duvel in de schuur!" - "Wat?" zegt die boer, loopt ook de schuur in, kijkt omhoog, ziet daar die rollende gele ogen, hoort wat geblaas en gesis, komt weer naar buiten en zegt: "Je hebt gelijk. D'r zit een duvel in de schuur!"

In een mum van tijd staan alle boeren uit de omgeving op het erf, maar niemand durft die schuur in. Ze zeggen: "Wat moeten we nou doen?" en dan zeggen ze: "Weet je wat? We halen Hendrik Jan Brunink erbij."

Dat is de sterkste man van Hardenberg. Hij is 21 en heeft zulke grote handen dat als zijn moeder zegt: "Hendrik Jan, neem eens wat eieren mee uit de kelder," dan heeft hij op één hand, tien grote eieren. Hendrik Jan Brunink is niet bang, die komt en die pakt een ladder, loopt de schuur in, zet die ladder tegen de hanenbalken en hij klimt omhoog. Maar hij vertelde mij, hij zei: "Toen ik halverwege was, toen zag ik daar die rollende gele ogen, ik hoorde geblaas en gesis en geklapper van vleugels." Hij zegt: "De knieën begonnen mij te knikken. Het zweet brak mij uit." En hij ging de ladder weer af. En toen kwam hij buiten en de mensen zeiden: "Jongens, als Hendrik Jan Brunink er niks mee kan, dan kan niemand d'r wat mee!"

En toen hebben ze daar de pastoor gehaald uit Slagharen! Die rooms-katholieken die konden er wat meer mee, maar die pastoor die begon d'r helemaal niet aan, die deed het niet. En toen hebben ze de burgemeester gehaald uit Hardenberg. En de burgemeester zei: "Ik weet het goed gemaakt. Die schuur die verbranden wij! Bij alle vier de hoeken!" En dat hebben ze gedaan. Ze hebben de schuur verbrand. Bij alle vier de hoeken is hij brand gestoken en de schuur is opgebrand met duvel en al!

En toen kreeg die boer geld om die schuur opnieuw te bouwen, maar dat heeft hij helemaal niet gedaan. Hij heeft de boel verkocht en hij is weggegaan. Er kwamen drie broers wonen en die hebben er een tijdje gewoond en toen werd het verkocht aan een mevrouw, die, zodra ze in dat huis kwam wonen, helemaal gek was van uilen. Het enige wat ze deed was uilen verzamelen. Ze had er wel driehonderd! Opgezette uilen! Langs planken onder het plafond, daar stonden die uilen.

Dat komt door die uil die in de schuur gezeten heeft. Want daar is uiteindelijk iedereen van overtuigd. Dat het een hele grote oehoe was daar in de schuur. Maar zij? Zij wilde er niks van weten. Maar Hendrik Jan Brunink die is er werkelijk bijna beroemd mee geworden: hij en die grote oehoe.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : Speciaal verteld door Janna van den Berg voor het project "Nederlandse gemeenten en hun sagen."
           gepubliceerd bij www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:19 11 reacties Reageer op dit bericht

Een spokende hond te Bergeijk

Een spokende hond te Bergeijk
- Een verhaal uit Noord-Brabant -
Geen spook te Bergeijk schijnt in de eerste helft van de vorige eeuw zo menigmaal ontmoet te zijn dan dat hetwelk tussen het dorp en de Broekstraat, ofwel noordwaarts dit gehucht aan het binnenpad, des nachts de voorbijgangers verschrikte. Moeste ik al de gevallen hiervan meedelen, dan zou ik gewis al te lang zijn. Daarom zal ik maar van enige spreken.

Eens kwam iemand 's nachts aan de zandkuilen, reeds vele jaren een eikenbos, en zag daar het spook. Beangstigd keert hij naar Willem Schippers in de Broekstraat, die tegenover deze plaats, op een paar minuten afstand woonde, en verzoekt deze vriend te willen opstaan en met hem wat mee te gaan. Dit geschiedde. Toen zij nu de gevreesde plaats, zonder het spook te ontmoeten, een goed eind voorbij waren, vervolgde de eerste zijn weg dorpwaarts en Schippers ging naar huis. Maar hoe ontstelde hij korts daarna! Een gedaante als van een hond zweefde over de grond vóór en bezijden hem en verliet hem niet. Wanneer hij zijn huis genaderd was, zag hij het spook over de straat voorbijgaan en terzelfder tijd hoorde hij een geweldige beweging in de eikenbomen die aan de overzijde van de straat staan. Geen mens zou kunnen vertellen wat duivels rumoer daarin al omging.

Schippers die anders altijd gedienstig was om mensen te vergezellen, heeft zulks na deze nacht, in de donkere, niet meer durven doen.

Goris Hendriks en Francis Daris die zeer veel samen uitgingen om vissen of bunzings te vangen, kwamen op zekeren avond van het Loo, om naar hunne woning weer te keren. Nabij het van ouds genoemde Kapelleboomke, zag Goris, die met den helm geboren was, een zeer grote hond hen tegemoet komen. Goris zei zulks ontsteld aan zijn makker, doch deze, niet met een helm ter wereld gekomen, kon hem niet bespeuren. Dit was gelukkig voor de hond, want Daris had reeds zijn mes uit de schede getrokken en dreigde hem te steken. Hierom nam de hond een andere richting, en ging bezijden en daarna achter de beide gezellen. Deze sloegen vervolgens het kerkpad en de hond de gewone straat in. Hij had een staar, een gans spookachtig voorkomen en brulde vreselijk. Dat hoorde Daris maar al te goed.

Arnold van der Meiden deed met een buurman 's nachts de wacht en rustte wat tegen de eikenwal, niet ver van de plaats, waar het spook zijn schuilhoek schijnt te hebben, toen zijn gezel, die naast hem stond, zei dat hij het zag aankomen. Nu kwam het vlak vóór hen doorgegaan, zodat zij goed konden onderscheiden, dat het er uitzag als een grijze hond, zonder benen, die over de grond heenzwierf. Nu gingen zij het nieuwsgierig maar in schrikkelijke angst tot aan de eerste huizen des dorps na, waar het de molenweg insloeg. G. Aarts en veel andere personen zijn door dit spook een groot eind weegs vergezeld geworden. Niemand heeft het persoonlijk kwaad aangedaan, doch velen een schrikkelijke angst op het lijf gejaagd.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De opgeverfde haan. Bekende & onbekende verhalen over schelmen & vagebonden, tovenaars & heksen, boze moeders & ontaarde zonen, ezels & schapen, reuzen & dwergen, kluizenaars & molenaars, tempeliers & wonderdokters, spoken & weerwolven, juffers & bruiden, zeemeerminnen & nachtmerries, bokken & egels, soldaten & jagers, katers & eksters, knechten & meesters, kooplieden & dieven & vele andere eeuwige stuiverzoekers" samengesteld door Willem de Blécourt.
          Uitgeverij Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1982. ISBN: 90-274-7115-0
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:22 16 reacties Reageer op dit bericht

De brand in de vingerhoedmolen

De brand in de vingerhoedmolen
- Een sage uit Vianen over een 17e eeuwse vingerhoedmaker -
Even buiten de landpoort, een stadspoort van Vianen, stond de vingerhoedmolen van de achtbare schepen Willem van Rijssel. Hij trachtte daar met zijn knechten het dagelijks brood te verdienen.

Als hij na volbrachte dagtaak 's avonds in zijn prieeltje zat tussen de fruitbomen van zijn hof, dat zich uitstrekte van zijn huis en molen tot de Eikelendreef en verder begrensd werd door de Varkensweide en de oude boomgaard langs de Gemeenteweg, voelde hij zich tevreden. Hij was een rijk man. Maar op een zondag in 1698 gebeurde het.

Zijn buurvrouw was Elsje Vroon, die samen met haar man, Hendrik Vroon, een kleine boerderij bezat en ook een paar huisjes in de stad. Zij waren eenvoudige mensen maar ook wat je noemt in goede doen. Elsje werkte hard, maar naast koeienmelken en het maken van kaas en boter was ze ook abnormaal nieuwsgierig.


Op die zondagochtend was het doodstil, iedereen was naar de kerk, ook haar man en de familie van Rijssel. Elsje keek naar de vingerhoedmolen en naar het huis van haar buren. Daar was ze nog nooit binnen geweest. De van Rijssels groetten wel vriendelijk - dat is waar - maar deze mensen waren zo deftig. Wat moesten die vingerhoedjes een goede business zijn. Het zou wel erg deftig en mooi in het huis van de van Rijssels zijn! O, wat was Elsje nieuwsgierig! Ze wilde die luxe graag zelf zien.

Elsje kon zich onmogelijk bedwingen, sloop naar het huis van de van Rijssels en keek door het keukenraam. O, wat zag ze prachtige spullen! Was de deur op slot? Ja, die was dicht maar een klein raampje stond op de haak zodat Elsje de deur ontgrendelen kon.

Ze hoorde het gezang in de kerk en wist dat ze een tijdje niet gestoord zou worden en Elsje sloop naar binnen. Ze zwom in nieuwsgierigheid en pakte een paar luxe dingen op om ze wat beter te bekijken. Helaas, althans voor Elsje, was de meid van de van Rijssels thuis, zittend in de kelder waar ze een stiekeme slok van de wijn nam.

De meid hoorde de geluiden in het verondersteld lege huis, dacht dat de van Rijssels al uit de kerk kwamen, liep snel de trap op en betrapte Elsje Vroon op heterdaad. De twee vrouwen schrokken zich wild en begonnen van de weeromstuit elkaar uit te schelden en Elsje vluchtte naar huis.

Toen Willem van Rijssel, de vingerhoedmaker, thuis kwam van de kerk, vertelde de meid hem wat er gebeurd was en omdat
het op inbraak leek, ging Willem naar de schout.

Er was echter maar een getuige en daarom eiste Willem van Rijssel dat de tweede getuige gebruikt moest worden, namelijk de pijnbank. De schout haalde Elsje Vroon op van huis en zij onderging de verschrikkelijke behandeling op de pijnbank, maar ze bekende niet.


Elsje had haar man niets over haar bezoek aan het huis van de van Rijssels verteld, maar toen ze gekneusd en bont en blauw thuis kwam, moest ze wel. Elsje's echtgenoot werd woest over de beschuldiging van de vingerhoedmaker want hij geloofde zijn vrouw. Hij wist dat ze nieuwsgierig was, maar een dief dat nooit.

Hij kreeg een idee, hij dacht wat de vingerhoedman kan, dat kan ik ook en ging naar de schout. "Schout," zei Hendrik, "de vingerhoedmaker heeft nu bij mij ingebroken, ik heb maar een getuige en nu wil ik dat de vingerhoedmaker op de pijnbank gelegd wordt."

De schout echter weigerde dit en Hendrik, Elsje's man, was woedend over deze rechtsongelijkheid en zwoer, zelf wraak te nemen. In de nacht van 2 juli 1698 stak Hendrik met zijn familie het huis van Willem van Rijssel in brand. Zowel huis als vingerhoedmolen brandden tot de grond toe af.

Hendrik en Elsje wachtten het oordeel van het gerecht maar niet af en vluchtten nog dezelfde nacht naar Hagestein.


De Vrouwe van Vianen, Hare Excellentie mevrouw de Gravin Douarière van der Lippe, schreef haar secretaris. "Ik deel, ten uiterste in het ongeluk der goede van Rijssel en zijn vrouw en ik wil dat er, voor zover mogelijk, een strenge en voorbeeldige straf zal gedaan worden."

                                      * * * EINDE * * *
Bron : http://www.vingerhoedjes.net/serie/verhalen.htm
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:08 13 reacties Reageer op dit bericht

De dolle grens

De dolle grens
- Een sage uit Limburg over de Duitse grens nabij Sittard -
De meest oostelijke uithoek der grote gemeente Echt is een gehucht van weinig huizen, met een kapelletje; dat gehucht draagt de eigenaardige naam van de Spaanse Huiskens of 't Spaans Huiske. Naar men zegt, waren het vluchtelingen uit het nog geen drie minuten verder gelegen dorp Saeffelen, dat tot Gulik behoorde, die hier onder Spaanse opperheerschappij vrij waren. Een huis staat daar half op Nederlands, half op Duits grondgebied, wat tot allerlei verwikkelingen aanleiding gaf.

De landsgrens loopt van Vlodrop af, naar St. Jans Kloes, langs het oude Echterwald op in de richting van het schilderachtige stedeke Waldfeucht met zijn twee antieke poorten vrij recht naar het zuiden tot 't Spaans Huiske. Dan komt er verandering. De grens wijkt plotseling terug noord-west naar het vergeten dorpje Schalbruch, in de moerassen en zandruggen liggend. Zonderling wendt ze zich weer plotseling zuidelijk op de Maas in, om dan terug te keren naar het oosten tot kort bij het stadje Gangelt. In het Nederlandse gebied ligt een vierkante lap Duitse grond van grote omvang. Het gevolg is dat daardoor Limburg zo bijzonder smal geworden is, een dikke drie kwartier breed. Die zonderlinge grens heeft van de mensen daar als vanzelf sluikers en smokkelaars gemaakt. Maar het boerenverhaal over die dwaze grens heeft een verklaring gevonden voor het hiaat in ons grondgebied.

Na de woelige twintig jaren van Napoleons heerschappij, werd Nederland weer vrij en een koninkrijk. Een congres regelde in het algemeen de grenzen van het nieuwe rijk. Voor de vaststelling der grens in bijzonderheden, het plaatsen der palen, was een commissie aangesteld, bestaande uit vier Duitsers en vier Nederlanders. 't Was een moeizaam werk en het duurde lang. Want de grenscommissarissen vierden dat telkens, als ze een eind opgeschoten waren, met een eet- en drinkgelag in een der naburige steden of dorpen. Men was tot Gangelt gekomen. In de ouderwetse Gastwirtschaft bij de poort waar het 'Grünewald' uithing, was het weer grensfeest geweest. Vooral de Hollandse commissarissen hadden de fles zo duchtig aangesproken dat ze onbekwaam waren om de volgende dag verder te werken.

De Duitse commissarissen waren echter op hun hoede geweest en begaven zich toen met tal van helpers terug op het reeds beziene gedeelte, en pootten palen rondom een inspringende hoek, eigenlijk dus op Hollandse grond. Zó maakten zij Duitsland groter. De tweede dag daarna trok men van Gangelt weer zuidelijker en de lap grond was voorgoed Duits. "Doaveur hubbe veer dè nutten, dullen hook in de grens," zeggen de Echterbosscher boeren.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De opgeverfde haan. Bekende & onbekende verhalen over schelmen & vagebonden, tovenaars & heksen, boze moeders & ontaarde zonen, ezels & schapen, reuzen & dwergen, kluizenaars & molenaars, tempeliers & wonderdokters, spoken & weerwolven, juffers & bruiden, zeemeerminnen & nachtmerries, bokken & egels, soldaten & jagers, katers & eksters, knechten & meesters, kooplieden & dieven & vele andere eeuwige stuiverzoekers" samengesteld door Willem de Blécourt.
          Uitgeverij Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1982. ISBN: 90-274-7115-0
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door saagje om 00:33 13 reacties Reageer op dit bericht

De schepping van de wereld

De schepping van de wereld
- Een Chinees scheppingsverhaal over het ontstaan van de aarde -
In het begin der tijden bestond de aarde met zijn bergen, zeeën en rivieren nog niet. Er was ook geen uitspansel, waaraan overdag de zon straalde en 's nachts de maan blonk en de sterren schitterden. Zonder vaste vormen zweefde de oerstof door een reusachtige bol, de chaos. Toen deze bol openbrak, kwam P'an Koe eruit tevoorschijn.

Hij scheidde de zwaardere delen van de bol van de lichtere. Zo ontstonden aarde en hemel. P'an Koe stond met beide voeten op de aarde en liet de hemel op zijn hoofd rusten. Hemel en aarde werden steeds groter, maar ook de afstand tussen beiden nam elke dag met drie meter toe. Dit duurde achttienduizend jaren, en in al die tijd groeide P'an Koe mee. Toen kwam de beweging tot stilstand en was het grote werk volbracht. P'an Koe strekte zich op de aarde uit en stierf.

Uit zijn adem ontstonden de wolken en de wind. Uit zijn stem kwam de donder voort. Uit zijn linkeroog groeide de zon en uit zijn rechter de maan. De haren van zijn hoofd werden sterren en planeten. Uit zijn lichaamsharen kwamen planten en bloemen voort. Uit de welvingen van zijn lichaam ontstonden bergen en uit zijn beenderen rotsen en stenen. Uit zijn tanden werden metalen gevormd. Zijn beenmerg stolde tot jade en zijn zaad tot parels. Uit het zweet dat zijn lichaam bedekte, nadat hij al die duizenden jaren het uitspansel had moeten stutten, ontstond de regen die de aarde vruchtbaarheid schonk. Uit zijn bloed ontstonden de rivieren en uit zijn aderen de wegen die zich in alle richtingen over het land verspreidden. Zo heeft alles op deze wereld zijn ontstaan aan P'an Koe te danken.

Maar de aarde was nog woest en verlaten. Moe Koea, die een drakenlichaam had met een menselijk hoofd, wilde de aarde bewoond zien door levende wezens. Met haar klauwen vormde zij mensen uit gele aarde. In plaats van een drakenlijf, gaf zij hen een menselijk lichaam met handen en voeten. Alleen het hoofd vormde zij als dat van haar zelf.

De eerste mensen die zij zorgvuldig gevormd had, waren volmaakt. Het werden edelen en rijken. Maar toen zij vermoeid van het werk raakte, doopte zij een touw in de klei en liet er stukken van afdruipen. Dat werden kreupelen en armen, zieken en gebrekkigen. Toen Moe Koea merkte dat het een eindeloos werk zou zijn om steeds nieuwe mensen te vormen, bracht zij een man en een vrouw tezamen en leerde hen zich te vermenigvuldigen. Hierna was haar werk volbracht en zouden de mensen in vrede en rust met elkaar kunnen leven.

Maar er ontstond een grote strijd tussen Koeng Koeng, de Watergeest en Tsjoe Joeng, de Vuurgeest. In het begin leek Koeng Koeng te winnen, maar uiteindelijk was hij niet tegen de kracht van het vuur opgewassen. Hij moest inderhaast vluchten en daarbij stootte hij zijn hoofd tegen de berg Roe Tsjoe S'an, de pilaar waar de westelijke hemel op rustte. De gehele wereld begon te wankelen en er ontstonden grote gaten in het uitspansel. De aarde helde in het westen naar boven en in het oosten naar beneden. In het westen ontstonden grote kloven en spleten, terwijl het water van alle rivieren naar het oosten stroomde, zodat hier een grote oceaan ontstond.

Intussen raasde het vuur over de aarde voort en verbrandde alle mensen en dieren die het op zijn weg ontmoette. Moe Koea, die het menselijk geslacht geschapen had, kon niet langer aanzien dat haar schepselen zo moesten lijden. Zij doofde het vuur en herstelde de gaten aan het firmament door ze met grote stenen op te vullen. Daarna doodde zij een reusachtige schildpad en maakte van zijn vier poten pilaren die zij aan de uiteinden van de vier windrichtingen plaatste. Hierop zou de hemel voortaan stevig rusten en ook de aarde kon op haar plaats blijven.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Chinese sagen en verhalen" door M.A. Prick van Wely.
          Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, 1978. ISBN: 90-228-33445
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:20 11 reacties Reageer op dit bericht

Peter en Anna

Peter en Anna -
De neef van het melkmeisje

- 'De Slag van de Hoge Bremmen in 1813' -
Dit verhaal gaat over de periode waarin de Kozakken zich vestigden in Huizen. Een Huizer melkmeisje - Anna - raakte daardoor in contact met Peter - neef van Tsaar Peter de Grote. De schout verbood haar met de Kozakken om te gaan, maar haar liefde voor Peter dreef haar steeds weer terug naar het Kozakkenkamp.

Op een dag zag zij vanaf de Tafelberg vanuit de richting van Bussum een groep van wel vijftig mannen in blauw, wit en rode pakken met rare hoedjes op en geweren in hun handen richting Huizen gaan. Het bleken Franse soldaten te zijn, die plunderend en moordend, ronddoolden. Anna waarschuwde de Kozakken, die de Fransen te lijf gingen.

En zo ging in de historie van Huizen 'De Slag van de Hoge Bremmen in 1813' de geschiedenisboeken in. Deze slag werd niet opgenomen in de Vaderlandse geschiedenisboeken, maar voor Huizen was het een keerpunt in haar bestaan.

Het gehele Kozakkenregiment kwam na de slag het dorpsplein opgereden, de Fransen geboeid achter zich aan slepend. Het tij was gekeerd. De Kozakken werden als helden ontvangen.

Na vier maanden vertrok onder leiding van Denisov het regiment Kozakken richting Amsterdam. Peter bleef achter bij zijn Anna. Hij kreeg van Tsaar Alexander de Eerste ontheffing van zijn dienstplicht, de liefde was te sterk. Hij kon niet anders. Hij leerde het beroep van schoenlapper en samen met Anna woonde hij in een klein huisje achter de molen op de Molenberg.

En zo eindigt dit verhaal van Peter van Anna. Maar eigenlijk eindigt het ook weer niet. Want in Huizen stroomt nog steeds Tsaristisch bloed.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : stichting beleven
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 08:04 18 reacties Reageer op dit bericht

De wannevliegers van Venlo

De wannevliegers van Venlo
- Een sage uit Limburg -
Vroeger had elke stad of dorp zijn spotnaam. Venloërs werden vaak wannevliegers genoemd.

Men vertelt dat jaren geleden een Venloër had laten rondvertellen dat hij zou gaan vliegen. Hij had twee kleine graanwannen aan zijn armen bevestigd en zou onder het toeziend oog van honderden mensen (die daarvoor betaald hadden) de lucht ingaan en verdwijnen.

Alles stond gereed: het geld had hij al in zijn zak gestopt. Maar de man miste nog een kleinigheidje. Hij zou het terstond gaan halen en rende weg.

Hij rende echter zo lang door tot hij voorgoed weg was en nog altijd weg is. De mensen die stonden te kijken werden "wannevliegers" genoemd en sindsdien hebben Venloërs deze schimpnaam.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Limburgsche Sagen en Legenden" door A.F. van Beurden, landmeter van het kadaster.
            Stoomdrukkerij Bern. Claessens, Sittard, 1914.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 22:11 9 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten