Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: sagen

De nieuwe kantele

De nieuwe kantele
- Een Finse sage over een muziekinstrument -
Vainamöinen verheugde zich over de rijke oogsten, het weldoorvoede vee en de mooie huizen die de Finnen zich bouwden. Slechts een ding ontbrak: nergens klonk een lied, nergens waren de klanken van een harp te horen.

Daarom verzocht de oude wijze zijn broer Ilmarinen hem een lange hark te smeden. De smid beloofde het hem en smeedde een hark zoals de wereld nog niet had gezien: de tanden maten honderd vadem en de steel was zelfs vijfmaal zo lang. Daarmee voer Vainamöinen de zee op om de gezonken kantele op te dreggen. Maar vergeefs kruiste hij met zijn scheepje heen en weer, vergeefs kamde hij slingerplanten en stenen op de zeebodem - hij vond het instrument niet terug.

Hij ging weer aan land en schreed met gebogen hoofd naar huis. Door een bosje lopend hoort hij een klaaglijk geschrei. Hij kijkt op en zie: daar op de weide staat een eenzame berk tranen te vergieten.

"Waarom huil je zo?" vroeg Vaino, naderbij komend en de boom antwoordde: "Denkt u dat ik geen reden tot huilen heb, dat het mij bij het zingen der vogels blij te moede is? Ik sta hier geheel alleen en als er iemand naar mij toekomt is het om mij pijn te doen. In het voorjaar scheuren de jongens mij de bast van het lijf, in de zomer zitten de meisjes in mijn schaduw en breken mijn takken af om er bezems van te maken. En de mannen? Die slaan mij direct tot brandhout..."

Zo klaagde de berk en vertelde nog hoe de winter hem kwelde en de herfst hem van zijn bladeren beroofde...

"Je zult niet meer wenen, of het zal van vreugde zijn," zei daarop de wijze oude.

Hij nam de treurende berk mee en maakte uit zijn witte stam het geraamte van een harp.

Nu nog de pennen en de snaren, denkt hij, en weet ook meteen waar hij die zoeken moet.

Achter de dorsvloer, op het achtererf, stond een eeuwig jonge, eeuwig vrolijke eik.

Vrolijk, omdat hij aan elke twijg een eikel droeg en op elke eikel een koekoek zat. Uit deze twijgen maakte de oude de pennen voor zijn nieuwe instrument en reeds vroeg hij zich af waar de snaren vandaan te halen.

Hij liep door bossen en velden tot hij bij een beekje een schone blonde jonge vrouw ontmoette.

"Geef mij een paar van uw gouden haren," vroeg Vaino haar. "Ik zou daar dan snaren voor mijn nieuwe kantele van kunnen maken."

Het meisje deed hem dat genoegen graag.

Vainamöinen spande de snaren tussen de pennen en nadat hij het instrument had gestemd, streek hij er met voorzichtige vingers overheen. Toen hij luider en luider begon te spelen, steeg het rivierwater uit zijn bedding, de bomen neigden hun takken, het gedierte uit het bos kwam aangelopen en de vogels kwamen aangevlogen. Vainamöinen trok door gans Kalevala, de mannen schaarden zich vol eerbied en bewondering rond hem, de vrouwen onderbraken hun werk en de kinderen zongen mee.

Zo begon ten tijde van Vainamöinen de triomftocht van de kantele en de mensen bezongen de avonturen van hun sagenhelden tot vreugde en troost van zichzelf en anderen.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Van gouden tijden zingen de harpen: Europese sagen en legenden" door Vladimír Hulpach, Emanuel Frynta en Václav Cibula.
            Met illustraties van Miloslav Troup. Nederlandse vertaling door Han de Boer. Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1970.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:20 14 reacties Reageer op dit bericht

De zeven magische mijnwerkers (2/2)

De zeven magische mijnwerkers (2/2)
- trots, verdriet en eenzaamheid -
Ze kwamen allen thuis aan en troffen daar de drijver. Hij begon meteen te vertellen waarvoor hij op reis was en zei dat de koning hen zeer goed zou belonen als ze kwamen en volbrachten wat hij gedaan wilde hebben.

De volgende morgen gingen ze vroeg op pad, want ze hadden verscheidene dagen nodig om het slot te bereiken. Ze kwamen in het slot aan en de koning ontving hen zeer welwillend. Na het middageten legde hij uit waarvoor hij hen nodig had. De kleine was al van alles op de hoogte en was al eerder naar zijn broers gekomen om hun te vertellen dat het om een prinses ging die op een eiland verbleef. Toen wilde de koning weten welke wonderbaarlijke krachten ieder van hen had. Toen zei de oudste:
Ik ben een meester in het handwerk. Als het me invalt bouw ik een schip in de lucht.'
'Goed, dat is iets wat ik nodig heb. En u?' vroeg hij aan de volgende.
Ik kan alles goed in elkaar zetten heer. En als u een bewijs wilt, sla dan een ei in stukken en ik maak het weer heel.'
De koning, die het zekere voor het onzekere wilde nemen brak een ei en ging zover, dat hij het helemaal in elkaar drukte en op een bord goot. De mijnwerker ging er geduldig naar toe en begon het in elkaar te zetten, tot het net zo was als tevoren.
'Dat is goed,' zei de koning. 'En u?'
'Ik wek doden tot leven.'
'Ook dat kan men gebruiken,' zei de koning. 'En u?' vroeg hij de broer die hierna kwam.
Ik raak met mijn kogel alles waar ik mijn oog op richt.' 'Ook dat is goed.'
De broer die nu aan de beurt was zei:
'Ik ben geweldig sterk, want wat ik oppak kan niet op de grond blijven.'
'En wat voert u uit?' vroeg hij aan de broer die vóór de kleinste stond.
Ik ben een uitstekende dief. Niemand merkt me op.'
'Ook dat is noodzakelijk.' Toen vroeg hij aan de kleinste:
'En wat kunt u?'
Ik ben steeds op de hoogte van alles wat er gaat gebeuren.'
'Dat is het allerbelangrijkste.'

De volgende dag gingen ze aan het werk. In korte tijd had de eerste een luchtschip klaar. En ze gingen op reis. Ze landden op zee in de buurt van het eiland, terwijl de slang nog wakker was. De kleinste broer zei tegen de anderen:
'Laten we even wachten.'
Even daarna zei hij:
'Nu is het tijd.'
De geweldig sterke en de dief gingen er op af. De dief sloop naar binnen en stal de slang, en de geweldig sterke greep de prinses met zijn ene hand, en met de andere pakte hij nog een sinaasappelboom vol vruchten beet die daar buiten aan de rand van het erf stond, want hij wilde de reus laten zien dat ze er geweest waren. Ze kwamen bij het schip, joegen even door het water en stegen op. De slang had nog geen vijf minuten nodig om wakker te worden en floot zo, dat de reus onmiddellijk naar huis snelde en de prinses daar niet aantrof. De reus greep een geweer en rende naar zijn schip, hij zag hen meteen en toen begon het vuurgevecht. De goede schutter mikte zo precies vanuit de lucht naar de reus gat hij stond te dansen van de pijn, maar dood kreeg hij hem niet, en tenslotte raakte de reus de prinses in het voorhoofd, waardoor hij haar op slag doodde. Maar de in-elkaar-zetter, maakte haar weer heel en de dodenopwekker gaf haar het leven terug.
'Nu zijn we al in veiligheid!' Toen zei de kleine:
'Man, we verknoeien onze tijd. Mik op de hak van zijn schoen, want daarin zit zijn levenskracht.'
Dat deed de schutter. Meteen was de reus dood. En ze vlogen voorspoedig verder.

De koning stond op hen te wachten, buiten zichzelf van bezorgdheid voor zijn dochter tot ze in zicht kwamen. Ze kwamen voor het slot aan, klommen uit het schip en de koning omhelsde zijn dochter. De koning wist niet welke onderscheiding hij de mijnwerkers moest geven, nu ze hem zo uit de moeilijkheden hadden gehaald. Na het feestmaal dat hun wachtte en dat niet een, niet twee, maar vele dagen duurde wilden de mijnwerkers terug naar huis. Toen vroeg de koning hoeveel ze van hem wilden hebben. De oudste zei tegen hem - want hij besliste voor de anderen - dat het helemaal niets kostte.
'Wat nu?' zei de koning. Ik heb jullie laten halen om me te helpen toen ik in nood zat, noem nu ook je prijs.'
'Dat kan ik niet.'
'Man, dan zal ik jullie de lastdieren meegeven beladen met geld, en jullie laten terug brengen naar waar men jullie heeft gehaald.'
De volgende dag liet hij de karavaan uitrusten en met tien vrachten geld beladen. En ze gingen op weg tot ze bij de hut kwamen waarin ze met hun moeder woonden.
Natuurlijk werkten ze nu niet meer in de mijn. Ze vestigden zich in een dorp en leefden daar gelukkig met hun moeder, en als ze nu nog niet zijn gestorven hebben ze nog altijd plezier in hun leven.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : Verhalen uit Chili. Beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:07 15 reacties Reageer op dit bericht

De zeven magische mijnwerkers (1/2)

De zeven magische mijnwerkers (1/2)
- trots, verdriet en eenzaamheid -
Er was eens een koning en die had een dochter, en omdat koningen vroeger altijd op zoek waren naar een manier om hun dochters waardig uit te huwelijken, zette deze haar neer in de laatste verdieping van zijn slot, wat de bovenste was, en buiten kwam een tafel met drie sinaasappels en op een bord de mededeling, dat op zijn woord van eer als koning diegene met haar zou trouwen die haar met een sinaasappel op haar voorhoofd raakte.

Allen deden hun best om deze opgave te volbrengen, maar de prinses zat zo hoog dat het niemand lukte. En op een mooie dag kwam er een reus op zijn paard aanrijden en die las de mededeling. Hij stapte van zijn paard en greep een van de sinaasappels, waarmee hij terstond de prinses op haar voorhoofd trof. De koning hield woord. Ze trouwden en de reus zette haar achter zich op het paard, en men zag noch hoorde verder iets van haar.

De reus woonde op een eiland en bezat afgezien daarvan een gebied waarin hij zijn paarden hield, het eiland bereikte hij per schip. Hij reed dus tot daar met de prinses, liet zijn paard achter en ging met haar scheep naar het eiland.

De koning kon niets te weten komen over zijn dochter en de prinses niets over haar vader.

Lange tijd verstreek en de prinses leed iedere dag meer. Als de reus uit werken ging bewaakte een slang haar, die was eigendom van de reus en voor haar komst de enige metgezellin die hij had gehad. De slang had de gewoonte, na twaalven bij de prinses op schoot te slapen. En toen ze zo in haar verdriet aan God om nieuws over haar vader vroeg kwam er op een dag een duif aangevlogen die tegen haar zei:
'Als je iets over je vader wilt weten of uit deze verbanning bevrijd wilt worden kun je je vader de boodschap sturen, dat de enigen die je hier weg kunnen krijgen de zeven magische mijnwerkers zijn.'
Daar ze kon schrijven maakte ze ter plaatse een brief klaar en diezelfde duif vloog weg en wierp hem boven het slot af. Daar vonden de volgende dag de dienaressen bij het vegen het papier, en omdat de koning hun had verzekerd dat hij aan diegene die hem nieuws over zijn dochter zou brengen zou geven wat hij maar vroeg, renden ze met de boodschap naar de koning. De koning las de brief en kwam tot de overtuiging dat de zeven magische mijnwerkers de enigen waren die de prinses uit deze afgrond konden halen. Vervolgens riep de koning de drijver van zijn lastdieren.
'Morgen in alle vroegte belaad je de lastdieren met levensmiddelen en trek je de hele wereld door tot je de zeven magische mijnwerkers vindt, die kinderen van een en dezelfde moeder moeten zijn.'
De muildierdrijver deed wat hem gezegd was. Hij begon de wereld af te reizen.

Toen hij een paar dagen onderweg was zag hij op een dag bij zonsondergang een hut en zei:
'Laten we in die hut maar eens gaan vragen. Als het daar ook niet is kunnen we er toch overnachten, want het is al laat.'
Ze kwamen er aan. Een oude vrouw kwam naar buiten.
'Goedenavond, goede vrouw.'
Het oudje groette hen op dezelfde manier.
'Kunt u ons onderdak geven?'
'Zeker heer!'
Zij gaf hun heet water en begon eten en drinken op te dienen. De muildierdrijver vroeg zich af hoe een mens alleen in deze eenzaamheid kon leven.
'Deze vrouw leeft vast niet alleen.'
Meteen na de thee begon hij met haar een gesprek over de opdracht waarmee hij onderweg was.
'Mijn koning heeft me uitgestuurd om de zeven magische mijnwerkers op te sporen die van een moeder moeten afstammen.'
'Toevallig,' zei het oudje tegen hem, 'heb ik zeven zoons en dat zijn mijnwerkers en ze komen zo thuis.'
Nauwelijks had ze dat gezegd of een voor een kwamen de zoons van de vrouw aan, en als laatste kwamen de jongste en de oudste. De kleine babbelde met zijn oudste broer:
'Man, kijk eens, morgen gaan we op reis.'
'Waarheen dan?' zei de ander tegen hem.
'Onze koning laat ons halen, en thuis zit al iemand op ons te wachten.'
De oudste broer was verbaasd toen hij dat hoorde.
'Hoe komt het dat hij zoveel weet? Maar dat zal tenslotte wel zijn bijzondere begaafdheid zijn.'
Want geen van de zeven begreep de wonderbaarlijke krachten waarover ieder van hen beschikte.


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : Verhalen uit Chili. Beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:16 12 reacties Reageer op dit bericht

Het timmermanszwijntje (2/2)

Het timmermanszwijntje (2/2)
- Een tijger en een asceet verslagen -
Toen hij zo werd bemoedigd, werd de tijger weer een held. Hij keerde terug naar het rotsplateau. Het timmermanszwijn stond tussen de twee gaten. De zwijnen zeiden tegen hem: "Meester, de grote rover is teruggekomen." - "Wees niet bang," zei hij, "ik krijg hem nu wel."

De tijger brulde en sprong toe op het timmermanszwijn. Dat keerde zich om op het ogenblik waarop de tijger op hem zou vallen en verdween snel rechtop in de ronde put. De tijger kon zo snel zijn vaart niet stuiten en stortte neer recht in het gat van de 'wanmand'. Hij kwam horizontaal neer op die al te eng begrensde plek en sloeg te pletter.

Het timmermanszwijn klom bliksemsnel uit zijn kuil en sloeg de tijger met zijn slagtand in de dij. Hem tot aan zijn nieren openleggend, zette hij zijn tanden in het malse vlees. Daarna greep hij de tijger bij de kop en uitroepende: "Alsjeblieft, jullie vijand!" sleurde hij hem buiten het gat. Zij die het eerst kwamen namen van het vlees en wie daarna kwam vroeg hoe het tijgervlees smaakte. Ze onderzochten het, met snuffelende snuiten, en toch bleef de stemming gedrukt. Het timmermanszwijn zag hun matheid en vroeg wat er nu nog aan haperde.

"Meester, wat betekent het dat deze ene tijger gedood is. Er is een valse asceet, die in staat is om tien andere tijgers te halen."

"Wie dan?"

"Een asceet van slecht gedrag."

"Zelfs een tijger is door mij gedood, wat kan deze kerel me dan maken. Vooruit, we grijpen hem!" En hij ging met een aaneengesloten menigte zwijnen op stap.

Toen de tijger zo lang op zich liet wachten, ging de valse asceet, zich afvragende of hij misschien door de zwijnen overmeesterd was, hem tegemoet. Maar zo gauw als hij de zwijnen zag aanrukken, sloeg hij met zijn rekwisieten van asceet op de vlucht. Door de zwijnen achtervolgd, wierp hij zijn rekwisieten weg en klom snel in een vijgenboom. De zwijnen zeiden tegen het timmermanszwijn: "Meester, nu zijn we verloren, de asceet is op zijn vlucht in een boom geklommen!" - "In wat voor boom." - "Een vijgenboom." - "Laten de wijfjesvarkens water aandragen, de jonge zwijnen gaan graven, en de beren met lange tanden de wortels losscheuren. De overige zwijnen moeten de boom omsingelen en de wacht houden."

Zo organiseerde hij het beleg. Terwijl zij zijn bevelen opvolgden, viel hij zelf, alsof hij een bijl hanteerde, op een rechte, diep in de grond stekende wortel van de vijgenboom aan en velde de boom in één klap. Zo belandde de valse asceet op de grond. De zwijnen die de boom omsingeld hadden, hakten hem in stukken en vraten hem kaal tot op het bot. Daarna lieten ze het timmermanszwijn plaatsnemen op de tronk van de vijgenboom. Ze droegen water aan met de schelp die tot de uitrusting van de asceet had behoord en gaven hem de koningswijding. Ook een jong varken werd besprenkeld en tot zijn eerste gemalin gewijd.

Van die tijd af, denkt men, is het tot op de dag van heden gewoonte dat men koningen laat plaatsnemen op een zetel gemaakt uit het hout van een vijgenboom en hen doopt met drie schelpen. De godheid die in dat bosje woonde en al dit wonderbaarlijks had zien geschieden, kwam in een opening van de stam oog in oog met de zwijnen staan en sprak het derde vers:

"Hulde aan allen die hier samenwerkten!
Ik heb het zelf gezien en noem het verbluffend.
Waar dieren met slagtanden een tijger velden,
Werden zij zowel door hun eensgezindheid
Als door de kracht van hun tanden bevrijd!"
                           * * * EINDE * * *
Bron : "Ongrijpbaar is de Ganges; verhalen uit het Pali" vertaald en ingeleid door Tonny Scherft.
           Meulenhoff, Amsterdam, 1981, De Oosterse Bibliotheek, deel 18.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:08 5 reacties Reageer op dit bericht

Het timmermanszwijntje

Het timmermanszwijntje (1/2)
- Een tijger en een asceet verslagen -
Eens werd de Bodhisattva geboren als boomgodheid in een bos. In die tijd waren er timmerlieden, die in een dorp woonden in de buurt van Benares. Toen een van hen eens in het bos was om een boomstam te halen, vond hij het jong van een zwijn, dat in een kuil was gevallen. Hij nam het diertje mee naar huis en verzorgde het.

Het groeide op en werd een stevig zwijn, met kromme slagtanden, en het wist zich goed te gedragen. Omdat het door de timmerman was grootgebracht, stond het bekend als 'het zwijntje van de timmerman'. Was de timmerman bezig een boom te bewerken, dan rolde het dier met zijn snuit de boom om, ook droeg het in zijn bek messen en bijlen en spaden en houwelen aan en greep het uiteinde van de meetlijn.

Toen werd de timmerman bezorgd dat deze of gene zijn zwijn nog eens in de pan zou stoppen. Hij nam het dier mee naar het bos en liet het daar vrij.

Daar keek het zwijn uit naar een veilige en prettige plek om te huizen en het ontdekte in een berg een ruime grot, waar het aangenaam toeven was, met in de omgeving een overvloed aan knollen en wortels en vruchten. Ettelijke honderden zwijnen kregen hem in 't oog en kwamen op hem af. Hij zei: "Ik zocht jullie, en nu heb ik jullie gevonden. Dit is een heerlijke plek, ik wil hier blijven." - "Het is inderdaad een heerlijke plek, maar gevaarlijk." - "Dat zag ik al aan jullie. Want hoe kunnen beesten die hier wonen en hier hun voedsel vinden, zo slecht in hun vlees zitten en zo bleek zien? Waarvoor zijn jullie bang?" - "Elke morgen komt hier een tijger, hij grijpt wat hij tegenkomt, en verdwijnt weer." - "Altijd of nu en dan?" - "Altijd." - "Hoeveel tijgers zijn het?" - "Hij is alleen." - "En zelfs die ene kunnen jullie niet aan?" - "Zo is het." - "Ik zal hem wel krijgen. Jullie moeten precies doen wat ik zeg. Waar woont die tijger?" - "Op die rots daarginds."

Die nacht liet hij de zwijnen aantreden en beraamde de strijd. Overleggende dat er drie slagorden waren, namelijk de opstelling van de troepen in lotos-, in wiel- en in wigvorm, koos hij de slagorde in de vorm van een lotos. Want hij had een heuveltop verkend en begrepen dat de slag daar geleverd moest worden. Hij plaatste de biggetjes en hun moeders in het midden; daaromheen de wijfjesvarkens zonder jongen; daaromheen de jonge zwijntjes; dan de iets oudere zwijnen; en in de buitenste kring de zwijnen met lange slagtanden, die bekwaam waren in het vechten, de zeer sterke beren, in groepen van tien of twintig. Zo stelde hij op die plek een sterke falanx* op.

Daarna liet hij vóór de plaats waar hij zelf stond, een ronde put graven en daarachter een gat dat geleidelijk dieper werd, als een helling, in de vorm van een wan**. Terwijl hij nog rondliep, met zestig of zeventig strijdberen overal alles in gereedheid brengend en de strijders op het hart drukkend onverschrokken te zijn, kwam de zon op. De tijger verhief zich van zijn slaapplaats en zag dat het tijd was. Hij kwam, en stond tegenover hen. Op het rotsplateau staande, sloeg hij zijn ogen op, en zag de zwijnen. Het timmermanszwijn gaf de anderen te verstaan dat ze terug moesten kijken. En ze keken terug. De tijger opende geeuwend zijn bek en de zwijnen geeuwden net zo. De tijger liet zijn urine lopen, de zwijnen urineerden ook. Zo deden ze alles na wat de tijger deed. En hij dacht: "Vroeger kozen de zwijnen het hazenpad zodra ik ze in het oog kreeg, en konden dan niet eens vluchten. Vandaag slaan ze niet op de vlucht, maar ze weerstaan mij en apen me zelfs na. Daar op die heuveltop staat er één die verstand heeft, maar hij zal me vandaag niet te pakken krijgen!" En hij keerde op zijn schreden terug naar zijn hol.

Nu was er een valse asceet die uit de pot van het door de tijger buitgemaakte vlees placht mee te eten. Toen deze zag dat het roofdier met lege poten terugkeerde, vroeg hij hem uit en zei het eerste vers:

"Vroeger zwierf jij hier rond,
Zwijnen neerslaand, zwijnen overmeesterend!
Jij, diezelfde tijger, bent nu gevlucht en zit te broeden.
Veel fut, tijger, heb je niet verzameld vandaag!"
De tijger antwoordde met het tweede vers:

"Vroeger vluchtten dezen immer in alle richtingen,
Aangeslagen door angst, een schuilplaats zoekende, ieder voor zich.
Nu hebben ze zich verenigd en brullen uit één mond.
Waar ze in slagorde staan, is ze buitmaken niet licht!"
Maar de valse asceet hitste hem op en zei: "Wees niet bang, ga brullend terug en als je dan op ze afspringt, zullen ze allen verlamd zijn van schrik en op de vlucht slaan."

* Een falanx is eigenlijk een Oudromeinse gesloten infanterieformatie, bestaande uit met lange lansen bewapende soldaten. In dit geval gaat het dus om een gesloten formatie zwijnen, die met hun slagtanden naar voren gericht in slagorde staan.

** De wan is een platte mand met drie opstaande zijkanten, waarvan er twee aflopen naar de open kant.


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "Ongrijpbaar is de Ganges; verhalen uit het Pali" vertaald en ingeleid door Tonny Scherft.
           Meulenhoff, Amsterdam, 1981, De Oosterse Bibliotheek, deel 18.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:36 2 reacties Reageer op dit bericht

Beowulf(5/5)

Beowulf (5/5)
Een Engelse sage over de strijd van Beowulf met het monster van Heorot
Lang, heel lang zonk hij naar beneden en toen hij eindelijk grond onder zijn voeten voelde, kreeg hij geen tijd meer om rond te kijken. De heks vloog op hem af om hem te verscheuren, maar haar klauwen konden aan Beowulfs harnas geen houvast vinden en langzaam naderde de held het hol, waarbij hij door zonderlinge monsters, die zich van alle kanten op hem stortten, in het nauw werd gedreven.

Nauwelijks was hij over de drempel of hij bleef stokstijf staan: hier was geen water te bekennen en de flakkerende vlammen van een vuurtje verlichtten het hol! Daar zag hij het vormloze vrouwmens dat zich opnieuw op hem wierp. Hij trok zijn zwaard en gaf haar een geweldige slag. Maar ziet - de stalen kling verwondde de heks niet. Integendeel, zij stortte zich op Beowulf, wierp hem neer en trachtte met een dolk een einde aan zijn leven te maken.

Zonder zijn harnas was Beowulf beslist verloren geweest. Maar hij schudde het wijf van zich af, stond op en ontdekte aan de wand een zwaard: nimmer had hij er een gezien dat zo groot en zo zwaar was. Hij pakte het beet met de kracht van dertig mannen en doorstak het hart van de heks, die onmiddellijk dood neer zeeg. Een zonnestraal die door het water de grot binnendrong viel op Grendel. Beowulf huiverde, hoewel het monster niet bewoog: ook in de dood was het nog afschrikwekkend. De held hief het reusachtige zwaard voor de laatste slag. Als bewijs van zijn triomf sloeg hij Grendels kop af en keerde daarmee op de oever van het meer terug.

Hij verheugde er zich al op koning Hrothgar te verrassen, maar toen hij bovenkwam zag hij alleen zijn getrouwe Goten staan. Ze kwamen hem juichend tegemoet, blij dat hij nog leefde. "We hebben urenlang staan wachten," verklaarden ze, "en toen het hele meer een rode tint kreeg, dacht koning Hrothgar dat het door uw bloed gekleurd werd en keerde met zijn mannen naar Heorot terug. Alleen wij hebben de hoop op uw terugkeer niet opgegeven."

Avonturen beginnen, maar eindigen ook. Beowulf werd, nadat hij zijn laatste verwoede strijd in het land der Denen roemrijk had beëindigd, door heimwee overvallen. Al de volgende dag nam hij afscheid van koning Hrothgar, die hem met nog twaalf kostbare geschenken overlaadde en keerde naar zijn vaderland terug.

Zijn dappere daden maakten hem niet alleen tot een held die door barden in alle talen werd bezongen, maar ook, na de dood van zijn oom, tot koning over zijn volk dat hij vijftig vredige jaren met verstand en beleid regeerde.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Van gouden tijden zingen de harpen: Europese sagen en legenden" door Vladimír Hulpach,
           Emanuel Frynta en Václav Cibula.
           Met illustraties van Miloslav Troup.Nederlandse vertaling door Han de Boer.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1970.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:12 4 reacties Reageer op dit bericht

Beowulf(4/5)

Beowulf (4/5)
Een Engelse sage over de strijd van Beowulf met het monster van Heorot
Als een lopend vuurtje deed het vreugdevolle nieuws over Beowulfs heldendaad de ronde door het gehele land. En nog voor de zon haar hoogste stand had bereikt, kwamen al over land en zee de machtigen toegestroomd.

Koning Hrothgar, naar de gruwelijke trofee ziend, dankte de held: "Zelfs al zou ik je al mijn bezittingen schenken, dan nog zou ik mijn dankbaarheid niet voldoende tot uitdrukking hebben gebracht. Misschien kan ik je daarmee belonen, dat ik je als mijn eigen zoon zal beschouwen en je een goede vader zal zijn."

"Met Gods hulp hebben wij gezegevierd," antwoordde Beowulf. "Ik had alleen graag gezien dat het monster hier onder mijn handen was bezweken, want wie weet wat de diepte van het meer nog voor ons verbergt."

Daarop begaven allen zich naar de feestzaal waar het al gauw op een bijenkorf leek. De mede vloeide in stromen, er werd veel gelachen en de liederen die de barden ten beste gaven waren de vrolijkste ooit in deze feestzaal ten gehore gebracht. Ook de koningin nam met haar gevolg aan de algehele vreugde deel en koning Hrothgar overlaadde Beowulf nog tijdens het gastmaal met geschenken: een geheel met goud doorstikte banier, een wapenrusting, een schitterend zwaard en acht edele paarden met kostbare zadels. De koningin voegde er een gedreven gouden ring aan toe, een harnas en een halsketting.

En wederom klonken de harpen en de stemmen van de mannen die het verleden lovend bezongen.

Eerst 's avonds laat begonnen de gasten op te breken. Ditmaal echter bleven Beowulf en de zijnen niet in de zaal achter; naar oud gebruik hielden de Denen hier de wacht...

Terwijl op Heorot deze vreugdevolle dag ten einde liep, weergalmde het hol op de bodem van het meer van het geweeklaag van de heks. Want Grendel had daar niet alleen gewoond, maar samen met zijn moeder. Haar had hij dag in dag uit zijn buit gebracht en bij haar had hij zijn laatste adem uitgeblazen. En zoals Grendel het mensengeslacht had gehaat en vervolgd, zo dorstte nu zijn moeder naar wraak. Hoewel ze zich nog nooit uit het water had gewaagd, dreef de toorn haar nu uit haar schuilplaats.

Als een vampier vloog ze op het slot af en drong de feestzaal binnen. De Denen waren direct op de been en gedekt door hun schilden naderden ze stap voor stap deze nieuwe demon. Nu pas werd de heks er zich van bewust dat zij niet zo sterk was als haar zoon. Ze sloeg op de vlucht en daarbij lukte het haar nog iets buit te maken: Grendels arm en één der Denen.

Dat was Hrothgars trouwste raadgever - Aeschere genaamd, en toen de koning de volgende ochtend het bericht over zijn dood vernam, werd het hem weer bang te moede. "Nog eenmaal vraag ik je om hulp," zei hij tot Beowulf. "God geve dat het de laatste maal is. Aeschere's dood is voor mij een zwaar te dragen verlies..."

"Gaarne wil ik u helpen, koning, en daarom zullen wij niet aarzelen, maar onverwijld handelen. Aan die nachtmerrie moet een eind komen!"

Ze braken op. Met koning Hrothgar aan het hoofd volgden ze zonder moeite het duidelijke spoor dat de heks met het door haar meegesleepte lijk van 's konings raadgever had gemaakt. Het spoor voerde over rotsige paden, door bossen en struikgewas naar de klippen boven het meer. Hier eindigde het - op een hoge rotspunt hing Aeschere's huid, een gruwelijke hoon voor de achtervolgers.

Toorn en rouw weerklonken in het geschal der strijdhoorns dat diep in het water doordrong. En tegelijkertijd scheerden er merkwaardige wezens over het wateroppervlak als vluchtende reuzenwormen of slangen. Voor Beowulf was dit het bewijs dat hij de vijand daar zou aantreffen. Zonder verder na te denken sprong hij in het water.


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "Van gouden tijden zingen de harpen: Europese sagen en legenden" door Vladimír Hulpach,
           Emanuel Frynta en Václav Cibula.
           Met illustraties van Miloslav Troup.Nederlandse vertaling door Han de Boer.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1970.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 03:23 2 reacties Reageer op dit bericht

Beowulf(3/5)

Beowulf (3/5)
Een Engelse sage over de strijd van Beowulf met het monster van Heorot
Het was al stil geworden in de zaal; nog eenmaal drukte Hrothgar de hand van Beowulf, daarna namen de Denen afscheid van hun gasten en toen de avondschemer viel, verlieten ze hen om zich in veiligheid te brengen. Beowulf gaf zijn veertien getrouwen bevel te gaan slapen. Zij legden zich neer en waren snel ingesluimerd. Alleen hun aanvoerder, die schild en zwaard had afgelegd, probeerde gespannen met zijn ogen het duister te doorboren...

Hij behoefde niet lang te wachten; rond de slanke torens van de burcht floot het als bij een opkomende storm en direct daarop kondigden krakende balken en afbrokkelende muren aan dat de vijand in aantocht was.

En daar was hij al: afschrikwekkend wanstaltig en slijmerig glad met gloeiende, rollende ogen. Hij dorstte naar bloed en verwachtte helemaal niet dat hij zo'n rijke buit zou vinden.

Onverwijld stortte hij zich op de eerste slaper, doodde hem met een enkele slag van zijn klauw en zette zijn wolfstanden in het lichaam om het bloed te drinken.

Daarna tastte hij met zijn klauwen naar het volgende slachtoffer. Maar wat is dat? In plaats van een aardworm te pakken en te verscheuren, voelt Grendel zelf een ongekend krachtige greep en een plotselinge hevige pijn. Beowulf heeft toegegrepen, Beowulf wiens kracht die van dertig helden evenaart! Tevergeefs probeert het monster zich uit de wurggreep te bevrijden. Het voelt dat zijn laatste uur geslagen is. Het wil vluchten, maar de vijand laat niet los, integendeel, hij breekt het ondier de ledematen. Grendel krimpt ineen van pijn en stort met zo'n slag terneer dat de burcht op zijn grondvesten schudt.

Steeds luider wordt het strijdrumoer. De muren wankelen, het gedreun is in heel Denemarken te horen en vervult de mensen met doodsangst.

De Goten snellen hun aanvoerder te hulp, maar hun zwaarden en lansen kunnen het hart van het ondier niet bereiken.

Beowulf zet de strijd onverminderd voort. Grendel verliest veel bloed en wil zich met een laatste, geweldige ruk losscheuren, maar een ondraaglijke pijn in de schouder doet hem een alles doordringend gebrul uitstoten en zijn schrikwekkende arm valt verlamd op de vloer; het ondier wankelt naar buiten en zoekt stervend zijn weg naar het meer...

Beowulf gaat hem niet achterna. Eerst 's ochtends, toen Hrothgars mannen de zaal binnenstroomden om met eigen ogen de arm van Grendel te zien die hen jarenlang met de dood bedreigd had, volgden ze gezamenlijk het purperen bloedspoor. Grendels doodstrijd zagen ze echter niet. Slechts het bloedkleurige water van het meer bewees dat het monster daarin voor eeuwig begraven lag.


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "Van gouden tijden zingen de harpen: Europese sagen en legenden" door Vladimír Hulpach,
           Emanuel Frynta en Václav Cibula.
           Met illustraties van Miloslav Troup.Nederlandse vertaling door Han de Boer.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1970.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 05:38 7 reacties Reageer op dit bericht

Beowulf(2/5)

Beowulf (2/5)
Een Engelse sage over de strijd van Beowulf met het monster van Heorot
Zo verloor Heorot nacht op nacht, maand op maand, winter op winter zijn bewoners en werd een stad des doods. Vergeefs hoopte de vertwijfelde koning het monster met goudschatten te kunnen verleiden - Grendel raakte het goud niet aan, want God beschermde de koning en zijn schatten tegen de klauwen van de draak.

Twaalf lange jaren zaaide de demon die, ondanks zijn afschuwelijke macht, tegen allen gezamenlijk machteloos geweest zou zijn, angst. Toentertijd zongen de barden nog slechts treurige liederen en allengs drongen deze klaagzangen door tot in de verste landen.

In het twaalfde jaar kwamen ze ook Beowulf, neef van Gotenkoning Hygelac, ter ore.

Beowulf was jong, dapper en sterk en bij het horen van deze liederen kromp zijn hart ineen. Hij overlegde niet lang, koos veertien wakkere krijgslieden uit en liet een snel schip bouwen om hen naar het Deense land te brengen.

De voorbereidingen waren weldra getroffen. Aan boord fonkelden de wapenrustingen, de schilden en de zwaarden der helden, en Beowulf gaf bevel tot de afvaart. Als een ongeduldige vogel stak het schip zijn kop in de golven die bruisend op het strand sloegen en eerst toen de volgende dag de zon weer opkwam, bleef het stil liggen. De strak staande zeilen vielen slap, de kiel schuurde over de grond. Ze gingen voor anker aan de voet van zonovergoten heuvels - in Denemarken.

Doch toen zij luide de hemel dankten dat de gevaarlijke zeereis zo voorspoedig was verlopen, klonk er plotseling vanaf een hoge heuvel een stem: "Wie bent u en waarom komt u in volle wapenrusting?"

Beowulf keerde zich om en zag een ruiter in galop de heuvel afkomen, recht op hen af. Het was een van Hrothgars krijgers en pas toen deze stilhield, antwoordde Beowulf: "Wij zijn Goten uit Hygelacs rijk. Als het waar is wat de barden zingen, dan komen wij u helpen. Deze mannen," Beowulf wees op zijn veertien getrouwen, "vrezen niets en niemand en ik ben de zoon van de beroemde Ecgtheow wiens lange leven een ononderbroken keten van onvergankelijke heldendaden is."

"Ik hoop dat het niet bij deze woorden blijft," was het antwoord van de ruiter en hij ging verder: "Ik breng u naar het slot Heorot. Mijn mannen zullen zich om uw schip bekommeren."

Kort daarop, toen het schip stevig verankerd langs de kant op de golven schommelde, begaven de Goten zich met hun gids op weg naar Hrothgars burcht. Bij de poort gekomen, nam de ruiter afscheid van hen: "U bent er. Ik moet nu terug naar mijn post aan zee... Moge God u bijstaan!" Daarop wendde hij zijn paard en reed weg.

Over een met kostbare stenen geplaveide weg begaven Beowulf en zijn metgezellen zich naar Hrothgar. En terwijl ze nog vol bewondering naar de pracht en praal van de koningszaal keken, stond Beowulf reeds voor de heerser voor wie hij zich, het hofgebruik volgend, diep boog.

Hrothgars gelaat, sterk verouderd en met diepe vouwen doorgroefd door de verschrikkelijke beproevingen van de afgelopen jaren, lichtte op bij het zien van het groepje dappere mannen. "Welkom, zoon van de dappere Ecgtheow, welkom met je getrouwen! Waarlijk, je had geen zwaardere taak op je kunnen nemen en al heb je dan de kracht van dertig mannen in je armen, ik moet je toch waarschuwen. Vele helden hebben al de nacht in Heorot doorgebracht, maar geen heeft de ochtend beleefd. Grendel brak hun lansen alsof het strohalmen waren en verslond hun lichamen als waren het vliegen..."

"Wees gegroet, koning Hrothgar," antwoordde Beowulf. "Wacht mij hier de dood, dan heeft dat zo moeten zijn; maar ik wil mijn leven zo duur mogelijk verkopen en met Grendel tot de laatste druppel bloed vechten en wel zonder zwaard en schild, want die zouden mij van geen enkel nut zijn."

De Denen betuigden hun bijval; daarna schaarden allen zich rond de tafel. De fonkelende wapenrustingen en de schoonheid der hofdames deden aan voorbije jaren denken. En toen de koningin, getooid met fraaie sieraden van goud en edelstenen, zelf kwam om met de gast de beker te heffen, zwoer Beowulf andermaal: "Of ons schip keert met overwinnaars terug die de dronk van de koningin hebben verdiend, of het blijft aan het Deense strand achter als een grafteken voor de vrienden die eervol voor u in de strijd zijn gebleven."


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "Van gouden tijden zingen de harpen: Europese sagen en legenden" door Vladimír Hulpach,
           Emanuel Frynta en Václav Cibula.
           Met illustraties van Miloslav Troup.Nederlandse vertaling door Han de Boer.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1970.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 05:27 9 reacties Reageer op dit bericht

Beowulf(1/5)

Beowulf (1/5)
Een Engelse sage over de strijd van Beowulf met het monster van Heorot
Vele oude liederen verhalen van lang vervlogen tijden daar in het noorden, van het geslacht der Skylden, een geslacht van Deense heersers.

Zo was er eens een Skyldenkoning, Hrothgar, onverschrokken in oorlogs- en mild in vredestijd, die met Gods hulp het prachtige Heorot bouwde, dat van heinde en ver edelen aantrok die de prachtige gebouwen wilden zien en die zich in de feestzaal wilden verzadigen aan spijs en drank.

Naam en faam van Heorot verbreidden zich niet alleen over heel het Denenland, maar zelfs tot ver over de grenzen, evenals de gastvrijheid en wijsheid van de koning. Maar op een dag viel over de met kostbare houtsoorten betimmerde en met geweien versierde feestzaal de schaduw van ontzetting en rouw. Het was geen vijandelijk leger dat gekomen was om te plunderen, neer te branden en te moorden; de dood kwam met de avondschemering uit een nabijgelegen meer.

De zon neigde zich ter kimme, de dag liep ten einde, de harpen en de stemmen van de barden, die de schepping der wereld hadden bezongen, verstomden. In de feestzaal heerste een diepe stilte die alleen onderbroken werd door het ademen van de slapenden. Daar dook uit de diepte van het meer de reusachtige, afschuwelijke Grendel op die onder dekking van de duisternis ongehinderd doordrong in Hrothgars slot. Zijn gloeiende ogen ontdekten daar dertig weerloze slachtoffers - dertig slapende krijgers. En nauwelijks had het ondier zijn klauwen in zijn eerste slachtoffer geslagen of het werd door bloeddorst bezeten: Grendel verscheurde en doodde als een dol geworden roofdier zolang er zich in de feestzaal nog iets bewoog en hij zich aan bloed te goed kon doen. Het doodsgeschrei der slachtoffers wakkerde zijn moordlust nog meer aan. Daarna veegde hij de dertig levenloze ongelukkigen met één greep als een gruwelijk boeket bij elkaar en sleepte hen nog voor de ochtendschemer naar zijn hol op de bodem van het meer. Alleen het scharlaken bloedspoor, dat bij het aanbreken van de dag zichtbaar werd, getuigde van zijn wandaad.

In één nacht veranderde Hrothgars gelukkige land in een jammerdal. Van zorgen vervuld, trachtte de koning zijn onderdanen te troosten en te kalmeren; hij zag de toekomst donker in.

En met recht - de volgende nacht al kwam de verschrikking terug. Niemand zag kans Grendels wandaden te voorkomen en wie hem in de weg liep, ontkwam hem niet. Overdag zocht men hem tevergeefs, het diepe meer hield het afgrijselijke geheim goed verborgen.


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "Van gouden tijden zingen de harpen: Europese sagen en legenden" door Vladimír Hulpach,
           Emanuel Frynta en Václav Cibula.
           Met illustraties van Miloslav Troup.Nederlandse vertaling door Han de Boer.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1970.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 11:14 1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten