Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: sagen

De uitvinder van de kalender

De uitvinder van de kalender
- Een sage uit Nederweert (Limburg) over het tellen van de dagen -
In Nederweert leefde een brave man, die 's zondags graag naar de kerk ging. Zijn geheugen echter liet hem nogal eens in de steek. Zo kon het gebeuren dat hij 's zaterdags dacht dat het zondag was. Dan trok hij zijn beste kleren aan, deed de huisdeur achter zich dicht en liep naar de kerk. Daar hoorde hij van de koster dat hij een dag te vroeg was. Dat was niet zo erg, want hij kon altijd nog een dag later gaan. Het overkwam hem echter ook, dat het al maandag was en hij in de veronderstelling verkeerde dat het zondag was. Hij deed zijn zondagse pak aan, wandelde naar de kerk en trof daar niet de koster aan, maar de pastoor, die hem zei dat het maandag was. De arme man kreeg nog een vermaning ook, want de pastoor waarschuwde toch vooral rekening te houden met 's mans ziel en zaligheid.

De braverd trok zich dit allemaal erg aan en peinsde lang hoe hij dit kon oplossen. Hij dacht en dacht en dacht en eindelijk had hij het gevonden. Hij maakte van hout zeven pinnen, waarvan hij er bij zonsopgang telkens één in een turfblok stak. Als alle pinnen in het blok staken, dan wist hij dat het zondag was en trok hij zijn beste kleren aan om naar de kerk te gaan.

De inwoners van Nederweert roemden de uitvinding van hun dorpsgenoot aan alle kanten. Ze vonden het erg knap bedacht, al gaven ze toe dat een vel papier en een potlood in plaats van pinnen en een turfblok handiger waren. Toen eenmaal deze gedachte in hun hoofd was opgekomen, duurde het niet lang meer of de kalender was uitgevonden. Uit nood wordt nut geboren.

Hoe ging het met de uitvinder zelf? Boze tongen beweren dat wanneer hij 's morgens een pin in het turfblok had gestoken, hij vijf minuten later niet meer wist dat hij dat had gedaan. Voor alle zekerheid stak hij er dan nog maar een in en zo gebeurde het dat hij soms vrijdags al in zijn beste pak voor de kerkdeur stond. De koster lachte hem uit, maar de pastoor kwam tot de slotsom dat de brave man nooit meer te laat kon komen.

Dat was een wijze gedachte.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit Limburg" samengesteld en bewerkt door Josien Stehouwer.
           Kempen Uitgevers B.V., Liempde, 2002. ISBN: 90-6657-301-5
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 16:13 13 reacties Reageer op dit bericht

De steen aan de ketting

De steen aan de ketting
- Een sage over een Utrechtse steen -
Een bijzonder verhaal is er verbonden aan de Utrechtse steen, die vastgeklonken ligt bij het hoekhuis van de Eligenhof en de Oudegracht nummer 364. Die grote steen was daar oorspronkelijk neergelegd om het huis bij het slepen van vrachtgoederen of het rijden van wagens, voor schade te behoeden. In 1520 lag ze er al.

Maar pluis was het niet met de steen, die er overdag zo doodgewoon uitzag. Stel je voor... wanneer je 's nachts om twaalf uur bij nieuwe maan een speld in een van haar bleke aderen stak, vloeide er bloed uit.

En dat was nog niet alles! Nog lang niet...

Midden in nacht kwamen er allerlei boze geesten, reuzen, heksen en tovenaars. Ze dansten rond de steen. Ze knikkerden er mee over de keien van de Oudegracht. Ze kaatsten er mee als een bal heen en weer van de Vollersbrug over de Oudegracht naar de Geertebrug. Heen en weer! Hoepla! Heisa!

Het was een afschuwelijke herrie en de burgers van Utrecht konden niet in slaap komen van het lawaai. "Maar... met reuzen, tovenaars en heksen moet een mens niet spotten," zeiden ze hoofdschuddend.

Eindelijk werd het toch al te bont. Horen en zien verging je!

Men hield een nachtelijke optocht en wist alle boze geesten in het donkere water van de gracht te bannen. Ze schrokken zo van die ontzaglijke mensenstoet, dat men ze nooit meer terug heeft gezien. Voor alle zekerheid liet men de kei toen nog aan banden slaan. En na die tijd kwam er geen bloed meer uit haar aderen. En Utrecht was, in de nachtelijke uren, stiller en vrediger dan ooit.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Nederlandsche volkskunde: Noord-Holland en Utrecht. Volkskundig leesboek voor de lagere scholen"
           bijeengebracht door Paul van Ipenburg, Diet Kramer, Drs. P.J. Meertens, Dr. J. Waterink,
           Anne de Vries, Daan Deken, D. Wouters, e.a.
           P. Noordhoff NV, Groningen, 1931.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 21:27 6 reacties Reageer op dit bericht

De held Mazeppa

De held Mazeppa
- Een sage over de man die naakt op een wild paard werd gebonden -
Mazeppa diende aan het hof van vorst Nikoela Nikoelavitsj. De vorst was veel op reis en zijn jonge vrouw had een oogje laten vallen op haar jeugdige page die haar niet onwelgevallig scheen te zijn. Op een keer kwam de vorst onverwacht thuis en trof Mazeppa in de slaapkamer van zijn echtgenote aan. Hij dacht er eerst aan de jongeman ter plaatse te doorsteken, maar hij wilde zijn vrouw dit besparen. Hij greep Mazeppa, leverde hem over aan zijn bedienden en gaf hun de opdracht de jongeman, zoals hij door God geschapen was, op een wild paard vast te binden en met een zweepslag de wildernis in te sturen. Er kwamen heel wat bedienden aan te pas om Mazeppa vast te binden, want deze bleek geweldig sterk te zijn. Eindelijk lukte het hun en een dolle rit begon, waarbij de hengst zich geen ogenblik rust gunde en maar verder draafde. De huid van de ongelukkige ruiter werd intussen opengereten door doornige takken en scherpe rotspunten.

Hoewel het nacht was en bitter koud, draafde het paard voort alsof het door de duivel bezeten was.

De volgende morgen bereikten zij de zoom van een donker woud. Hier werden zij achtervolgd door een zwerm hongerige wolven; hun gehuil was angstaanjagend. De hengst liep echter zo snel dat geen enkele wolf hem kon inhalen. Nadat zij het bos hadden doorkruist, kwamen zij weer in een open vlakte, waar het paard nog harder scheen te gaan draven.

Mazeppa werd intussen gekweld door honger, dorst en koude. Ook de zon, die fel scheen, was niet in staat hem enigszins te verwarmen. Hij trachtte zich van de touwen waarmee hij vastgebonden was te bevrijden, maar tevergeefs!

Nu joeg een roversbende achter hen aan. Dat is mijn redding! dacht Mazeppa. Van mij valt er niet veel te halen, maar misschien is het hen om het paard te doen. Hoe hard de rovers ook reden, zij konden hun buit niet inhalen en gaven spoedig de achtervolging op. De jonge held voelde dat hij het niet lang meer kon uithouden. De tweede nacht werd een nog grotere verschrikking. Het paard zwom door een wild bruisende rivier waarin zij bijna verdronken. De tocht door het ijskoude water scheen de kracht van het paard te hebben gebroken. Terwijl hij tot dan toe als behekst had doorgedraafd, begon hij nu stapvoets te lopen en liet het hoofd hangen. Toen de zon door de wolken brak, kwamen zij bij een uitgestrekt strand. Daar naderde een kudde wilde paarden. De hengst hinnikte van blijdschap bij het zien van zijn soortgenoten. De paarden kwamen eerst dichterbij, maar even later trokken zij zich weer terug.

De hengst was nu echt aan het eind van zijn krachten en viel neer. Mazeppa trachtte zich opnieuw te bevrijden. Deze inspanning was blijkbaar te groot voor hem, want hij verloor het bewustzijn... Een toevallig voorbijkomende kozak vond hem in deze toestand. Met een scherp mes sneed hij de touwen door waarmee Mazeppa gebonden was en droeg hem op zijn rug naar zijn hut die iets verderop lag. Hier werd hij liefderijk verpleegd en verzorgd door de dochter van de kozak.

Zijn wonden heelden spoedig en zijn levenskrachten kwamen terug. Het duurde echter nog weken eer hij geheel hersteld was en afscheid kon nemen van de vriendelijke mensen aan wie hij zijn leven te danken had. Zij gaven hem kleren en mondvoorraad mee en zeiden dat zij hem nog eens hoopten terug te zien.

Mazeppa besloot van nu af aan zijn leven een andere wending te geven. Hij zou nooit meer een dienstbetrekking aanvaarden, maar al zijn krachten wijden aan één doel: de schepping van een onafhankelijke Oekraïense staat. Daarom begaf hij zich naar Dorosjenko ten westen van de Dnjepr in de Oekraïne. Hier maakte hij vele vrienden, die hij voor zijn idealen trachtte te winnen. Het waren meest kozakken op wie hij hoe langer hoe meer invloed kreeg. Nadat de oude hetman van de kozakken was overleden, werd Mazeppa dan ook met algemene stemmen tot zijn opvolger gekozen. Het was niet moeilijk geweest, hun vertrouwen te winnen, want evenals Mazeppa waren zij aartsvijanden van de Polen en de Tataren. Aan het hoofd van zijn leger vocht Mazeppa nu eens in het zuiden, dan weer in het midden of noorden van het onmetelijke Rusland. Er was geen veldslag geweest die hij verloor. Er kwam nog een machtige vijand bij: tsaar Peter de Grote. Deze streefde naar de inlijving van de Oekraïne in zijn rijk. Ook wilde hij het kozakkenleger aan zich onderwerpen en dienstbaar maken.

Om de plannen van de tsaar te doorkruisen sloot Mazeppa een verbond met de Zweedse koning, Karel XII.

De beslissende slag vond in 1706 bij Poltava plaats. Het kozakkenleger bestond uit 5000 man, het Zweedse uit 25 000 man. Het leger van de tsaar daarentegen was dubbel zo groot en tegen deze overmacht was het verbonden leger van de Zweedse koning en Mazeppa niet opgewassen. Karel XII raakte zelf ernstig gewond en vluchtte met de overlevenden van zijn krijgsmacht onder leiding van Mazeppa naar Moldavië.

De kozakkenheld was toen zeventig jaar oud en stierf spoedig daarna, verbitterd en ontgoocheld. Zijn leven was een aaneenschakeling geweest van roemrijke overwinningen, afgewisseld door nederlagen en teleurstellingen. Hij had al zijn krachten gegeven om zijn ideaal te kunnen verwezenlijken, maar had zijn doel niet kunnen bereiken. Zijn tragedie was dat het hem niet gelukt was het gehele Oekraïense volk tot opstand tegen de tsaar te bewegen en dat zijn leger ook te klein was om het Russische leger te kunnen verslaan. Toch behoort hij tot de grote helden uit de geschiedenis.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Russische heldensagen"
           door M.A. Prick van Wely.
           Fibula, Houten, 1989. ISBN: 90-269-4416-0.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:07 12 reacties Reageer op dit bericht

Oarend Cent

Oarend Cent
- Een Groningse sage over de Duivel -
Op een boerenplaats in het Groningse Winsum - dichtbij Bedum - woonde eens een man die vreselijk gierig was. Oarend Cent noemden ze hem, en ik zal je eerst vertellen hoe hij aan die naam gekomen is.

Als het mogelijk was, bedroog hij zijn arbeiders met betalen. Hij gaf ze altijd een beetje te weinig. En zo had hij op een zaterdagavond weer eens een arbeider een cent te weinig gegeven. "Nou," zei hij, "zoals ik hem gezegd heb, het is haast niks. Maar hij belazert ons altijd en daarom zal hij vanaf nu Oarend Cent heten." En die naam heeft hij altijd gehouden.

Oarend Cent woonde alleen op een boerderij. Een huishoudster had hij niet, want die deden toch niks anders als eten en koffiedrinken, zei hij. Hij had in het dorp een oud vrouwtje opgescharreld, Grait. Kromme Grait was niet al te zindelijk, maar dat kon hem niks schelen: een beetje smerigheid daar was hij niet bang voor, en hij had Grait voor een paar centen - en daar was 't hem om te doen.

Grait maakte zijn boedeltje wat aan kant, en zijn vodden onderhield ze - voor zover als mogelijk was. En tegen de avond ging ze weer naar huis toe.

Als Oarend dan alleen achterbleef, ging hij stil bij 't vuur zitten. Maar een gewoon vuur van baggerturven met een houtje had hij niet. Hij had een heel stuk boom op de haard liggen. Dat was veel voordeliger dan in stukjes gehakt hout.

Zo zat hij daar weer op een zaterdagavond bij zijn smeulende boomstam met zijn voeten op het rooster te prakkiseren. Zijn arbeiders had hij weer voor een paar dubbeltjes bedonderd, zijn prak eten van de vorige dag had hij op, het koffieketeltje stond bij 't vuur.

En waar prakkiseerde hij nou over? Over zijn geld natuurlijk. 't Ging wel mooi vooruit, maar 't kon harder. Hij had wel 's gehoord, dat mensen zich aan Duvel verkochten. En dan kon je haast net zo veel geld krijgen als je hebben wilde. 't Kon hem niet veel schelen of Duvel zijn ziel had of niet! Zo zat hij daar met ogen dicht te soezen. Als ik maar eens met Ol-Vint aan de praat komen kon...

En nog voordat hij dat gedacht had, hoorde hij was gerommel. Hij deed zijn ogen wijd open: daar stond meneer voor hem! 't Was een man met een wit gezicht, rooie ogen, een puntbaard en... bokkenpoten. En hij zei: "Heb je een boodschap, Oarend?"

"Ja," zei Oarend. "Ik heb gehoord, jij koopt wel eens zielen en nou wil ik de mijne ook wel verkopen. Wat wil meneer er voor geven?"

Nou, ze hebben er lang en breed over gepraat, en op het laatste zijn ze 't eens geworden. Oarend zal een laars op zolder hangen en die zal nooit leeg zijn. En dan zal de duivel over zeven jaar zijn ziel halen. En toen ging hij weer verder. Toen zat Oarend al weer te prakkiseren, hoe hij Ol-Vint het best kon verneuken. Hij zocht de grootste laars op die er was en sloeg de hak er onder vandaan! Hij hing hem op, en hij zette er een vaatje met kaf onder. Toen maakte hij zijn zolderdeur goed op slot. De volgende morgen was hij er al vroeg bij om te kijken of er wat in zat. Ja, verdomd! D'r was wat! De laars zat stikvol, en 't vaatje ook. 's Avonds was het weer net zo, niks als geld en goud. Toen dacht hij: "Nou moet ik oppassen, dat ze me niet bestelen."

En hij liet drie dikke grendels voor zijn deur maken, met nog een ijzeren balk er voor langs. Zo deed hij ook met de luiken. Op al zijn laden kwamen sterke sloten. Toen Grait dat zag, zei ze: "Mijn hemel, boer, wat heb je hier alles verzekerd!" - "Ja," zei Oarend, "er is zo'n rare kerel bij mij in huis geweest. Ik durf gewoon niet alleen meer te zijn." Dat duurde zo een hele tijd. Twee keer per dag haalde Oarend laars en vaatje leeg.

Maar op een avond was er niks in de laars. "Dat is vreselijk," zei Oarend. Maar in 't vat, dacht hij, daar zal nou alles wel in zitten. En hij aan 't graaien. Eerst vond hij helemaal niks, maar op het laatst toch nog een hard stukje. Hij rook er eens aan: 't stonk naar zwavel. Hij kneep er eens in, en… daar barstte het ding met een geweldige klap uit elkaar. Oarend zijn armen stonden in brand. 't Duurde maar even of de zolder brandde ook al, en in een ogenblik drongen vlammen aan alle kanten de schuur uit. Er was geen mens in de buurt die hem helpen kon in zijn ellende. 't Volk uit het dorp lag al lang op bed, zo laat was het al. Pas toen alles bijna afgebrand was, toen kwamen de eerste erbij. Ze konden niks meer doen.

Maar toen kwam er opeens een hele zware rookwolk. Daar kwam een raar lawaai uit, net of 't donderde. "Hoor," zeiden de mensen, 'dat is Duvel, die neemt Oarend mee." En 't is echt gebeurd, wat ik je zeg hoor!


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit Groningen" samengesteld door dr. Tjaard W.R. de Haan.
           Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1979.
           Door de redactie in het Nederlands vertaald. ISBN: 90-274-7087-1
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 14 reacties Reageer op dit bericht

De toren van Surhuizum

De toren van Surhuizum
- Een Friese sage over hoe er ruimte tussen kerk en toren is ontstaan -
De toren van Surhuizum is een bijzonder geval. Niet alleen omdat de toren gemetseld is, maar ook omdat de toren net niet tegen de kerk aan staat. Hij is per ongeluk los geraakt en dat komt zo.

Er was eens een reus die als lappenkoopman door Groningen en Friesland reisde. Zijn handel droeg hij in een groot pak op zijn rug. Het waren natuurlijk geen kleine lappen die hij te koop had. Nee, hij handelde in grote lappen zeildoek. De reus had voornamelijk klanten onder de schippers, die konden met twee 'lapjes' van de reus het hele schip optuigen.

Het pak wat de reus op zijn rug meedroeg, was ongeveer zo groot als een boerenschuur. Het was behoorlijk zwaar, en toen de reus een hele dag in Groningen had rondgelopen, stevende hij 's avonds weer op huis af. Bij Surhuizum hield hij even rust en leunde wat tegen de Surhuizumer toren aan. Het pak haalde hij even van zijn rug, en plaatste dat even op zijn stok, die het formaat had van een flinke boom. Ook dit liet hij even tegen de toren steunen. Zo kon hij mooi even uitrusten.

Nadat hij weer enigszins op krachten gekomen was, wilde de reus zijn reis naar huis vervolgen. Hij sloeg zijn handen achter zich om het pak heen en zette het weer op zijn rug. "Bommmm!" hoorde hij boven zich. Wat was het geval. De reus had samen met het pak ook de toren opgetild. Onmiddellijk zette hij de toren weer op de grond, maar vanwege zijn grote handen ging dat niet al te secuur. De toren kwam een klein stukje los van de kerk, zonder dat de reus er erg in had. De tussenruimte is later wel opgevuld, maar nog altijd is duidelijk te zien dat de toren niet precies tegen de kerk aan staat. Surhuizum ligt aan de Fries-Groninger grens, tussen Buitenpost en Surhuisterveen.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : http://www.beleeffriesland.nl/
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 05:42 4 reacties Reageer op dit bericht

Adonis

Adonis
- De Griekse mythe over de jongeman van zeldzame schoonheid -
Aphrodite had menige liefdesrelatie na haar huwelijk met Hephaistos. Zo voelde ze onder andere een tedere hartstocht voor een jongeman die Adonis heette.

Adonis was een onverschrokken jager, die vaak roekeloos te werk ging als hij op gevaarlijk wild jaagde. Dit veroorzaakte veel onrust bij Aphrodite, die bang was dat hem iets zou overkomen.

Tevergeefs smeekte ze hem het jagen voortaan te laten en bij haar te blijven, waar hem niets kon gebeuren. Maar Adonis wist haar lachend te ontvluchten en bleef het gezelschap opzoeken van de andere mannen die gingen jagen, zodat hij zich kon blijven wijden aan zijn favoriete tijdverdrijf.

Op een dag achtervolgde Adonis een wild zwijn, een achtervolging die hem veel plezier verschafte. Toen hij het dier uiteindelijk aanviel, draaide het zich echter plotseling woedend om en doorboorde het met zijn vervaarlijke slagtand de onbeschermde dij van Adonis. Adonis probeerde nog weg te komen, maar zijn been weigerde mee te werken en op die manier kreeg het zwijn de kans hem dood te trappen.

Onmiddellijk kwam Aphrodite naar de plaats waar haar lieveling zo tragisch aan zijn einde was gekomen. Ze haastte zich door kreupelhout en doornstruiken, waarbij ze haar huid openhaalde aan de scherpe takken en doorns. Haar bloed kleurde de witte rozen waar ze langs kwam met een matrode tint. Toen ze aankwam op de plek des onheils, was Adonis al dood en verstijfd en haar hartstochtelijke liefkozingen werden niet langer door hem beantwoord. Aphrodite barstte toen in zo'n onstuitbare tranen vloed uit, dat bos- en waternimfen, goden en mensen en zelfs de natuur zich bij haar aansloten en samen met haar om de geliefde jongeman rouwden.

Als laatste kwam schoorvoetend Hermes aan bij de droevige menigte, om de ziel van de overledene naar de onderwereld te brengen, waar hij verwelkomd zou worden door Persephone, de godin van de onderwereld. Zij zou hem naar de plaats brengen waar goede, deugdzame stervelingen voor eeuwig in gelukzaligheid verblijven. Aphrodite was nog altijd ontroostbaar en huilde vele, vele tranen. Zodra de tranen de grond raakten, veranderden ze in anemonen en de bloeddruppels die uit de dij van Adonis waren gevloeid en op de grond waren gevallen, groeiden uit tot prachtige rode rozen.

Aphrodite bleef echter nog altijd zo intens verdrietig, dat ze het op een gegeven moment niet meer kon verdragen. Ze ging naar de Olympos, waar ze aan de voeten van Zeus neerviel en hem smeekte Adonis los te maken uit de omhelzing van de dood, of haar toe te staan zijn lot in de onderwereld te delen.

Het was onmogelijk de godin van de schoonheid toe te staan de aarde te verlaten en naar de onderwereld te gaan, maar Zeus kon er ook niet tegen haar zo te horen smeken. Hij besloot daarom dat Adonis uit de onderwereld zou worden teruggeroepen, zodat Aphrodite hem weer bij zich kon hebben. Maar Hades had de zeggenschap over Adonis, want de onderwereld was zijn rijk en hij weigerde hem te laten gaan. Na een langdurige discussie tussen Zeus en Hades werd een regeling getroffen. Adonis mocht de ene helft van het jaar op aarde doorbrengen en moest voor de andere helft terugkeren naar het Elysium.

Aan het begin van de lente verliet Adonis de onderwereld en zo snel hij kon ging hij naar zijn geliefde Aphrodite. Overal waar hij zijn voetstappen zette, ontloken de bloemen en begonnen de vogels te fluiten om te laten zien hoe blij ze waren met zijn komst. Zo werd Adonis het symbool van de plantengroei, die elke lente uit de bodem omhoog komt en de aarde bedekt met prachtige bladeren en bloemen en die de vogels doet fluiten. In de herfst keerde Adonis met tegenzin terug naar de onderwereld, want dan kwam het wrede wilde zwijn van de winter weer om hem met zijn slagtand te doorboren en de natuur te doen verdorren. En elk jaar in de herfst huilde de natuur om zijn vertrek.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Griekse en Romeinse mythen en sagen"
           uitgegeven door uitgeverij Verba. ISBN: 9055134023
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 6 reacties Reageer op dit bericht

Waarom de varkens wroeten

Waarom de varkens wroeten
- Een sage over varkens -
Er waren eens een oude en een jonge vrouw. En de jonge vrouw zei op een keer tegen de oude vrouw, dat ze zo graag een keer pannenkoeken wilde eten.

"Nou," zei de oude vrouw, "als je een mooi stuivertje vindt, dan zullen we ze eten."

Toen ging de jonge vrouw het hele huis aanvegen en ze vond een stuivertje. Hierop maakte de oude vrouw beslag voor de pannenkoeken, en de jonge vrouw ging ze bakken. Maar toen de pannenkoek aan de ene kant gaar was, wist ze niet wat ze moest doen.

Haar moeder zei toen: "Je moet 'm omgooien."

Maar toen ze dat deed, kwam hij op de rand van de pan terecht, en brak in tweeën. De ene helft viel in de aspot. De andere helft vloog door de schoorsteen de wijde, wijde wereld in.

Daar kwam de pannenkoek een oude man tegen.

Die zei: "Pannenkoekje, wat ruik je lekker. Mag ik eens een hapje van je nemen?"

"Nee," zei de pannenkoek, "ik ben al aan een oude en een jonge vrouw ontsnapt, en dan zou ik me door jou laten opeten? Nee."

En weg vloog de pannenkoek.

Toen kwam 'ie een meisje en een jongen tegen die naar school gingen.

Die vroegen ook: "Pannenkoek, mogen wij eens van je happen?"

"Nee," zei de pannenkoek: "Ik ben net aan een oude vrouw en een jonge vrouw en een oude man ontsnapt, en zou ik me dan door zo'n paar kinderen laten opeten?"

En weg vloog de pannenkoek weer.

Toen werd de pannenkoek van al dat rondvliegen erg moe. Hij zag een varken op het land liggen, en hij is op zijn kop bij zijn oor gaan zitten. Maar ook het varken vroeg of hij eens een hapje van hem mocht nemen.

"Nee," zei de pannenkoek: "Ik ben al aan een oude vrouw en een jonge vrouw en een oude man en twee kinderen ontsnapt, en moet ik me dan door jou laten opeten?"

Maar het oude varken zei: "Kom wat dichter bij m'n oor zitten, want ik ben een beetje doof."

En toen de pannenkoek dit wilde doen, schudde het varken zo met z'n kop, dat de pannenkoek eraf viel en in de modder zonk. Toen gingen alle varkens aan het wroeten om de pannenkoek te zoeken, maar ze vonden hem niet.

Daarom wroeten nog steeds alle varkens in de grond.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : Collectie Boekenoogen; Volksverhalenbank CBOEK057.
           In januari 1894 toegezonden door S.C. Timmers-Groothuijs uit Drente.
           Het verhaal is vertaald uit het Drents. AT 2025, The Fleeing Pancake & SINUR 65A,
           Warum das Schwein immer sucht.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 10 reacties Reageer op dit bericht

De witte slang van Sidi Moussa

De witte slang van Sidi Moussa
- Een wonderlijk verhaal over een oude moslim en zijn bedevaart naar Mekka -
De oude Mabroek woonde met zijn vrouw en kinderen in een eenvoudig huisje midden in een oase in de woestijn. Hij was, zoals men zei, een van de steunpilaren van de broederschap der G'nawa, waarvan de meeste volgelingen in de Sahara zwart zijn.

Mabroek was een heel gelovig man. Elke morgen deed hij als eerste in alle vroegte de deuren van de moskee open en begroette hij de nieuwe dag met het gebed van de dageraad, de 'fedjor'.

Sinds jaar en dag was hij het ook die vooraan liep bij de pelgrimstocht naar de koepel van Sidi Moussa, de heilige wiens graftombe een kilometer of veertig van de oase verwijderd lag. Daartussen lagen de duinen met het fijne stuifzand waar je diep in wegzakte, wat het lopen nog moeilijker maakte. Deze pelgrimstocht was ook nog zo bijzonder omdat het feest van deze heilige midden in de heetste periode van het jaar viel. De mensen gingen om die reden al drie dagen van tevoren op pad om deze loodzware tocht te kunnen volbrengen. Ze namen dan genoeg eten en drinken voor de hele reis mee, want de zandheuvels strekten zich eindeloos uit en onderweg was nergens enig teken van leven te bekennen.

Maar dat jaar voelde Mabroek de last van de jaren en van het werk op zijn schouders drukken. Hij begon erg tegen het idee op te zien weer drie dagen lang de afmattende voettocht te moeten maken. Het werd hoog tijd dat de jongere generatie het eens van hem overnam. Hij had zijn tijd gehad. Er moest eens wat jong bloed stromen door de dragers van de traditie.

Mabroek sprak zijn medebroeders in het geloof toe toen die hem kwamen vragen om weer, zoals altijd, de processie te leiden. En de groep getrouwen van Sidi Moussa vertrok met vaandels en tamboerijnspelers, maar zonder Mabroek.

De eerste dag van de bedevaart volgde Mabroek hen in gedachten en in gebed. En 's nachts ging hij lekker slapen in zijn eigen bed naast de kookpot, waarin een heerlijke chorbasoep pruttelde die zijn vrouw had klaargemaakt.

De tweede dag vertoefde Mabroek nog altijd in gedachten bij zijn gelovige medebroeders, maar hij voelde zich een beetje triest, dat hij door zijn hoge leeftijd niet samen met hen kon lopen en hun vreugde meebeleven.

Ook de derde dag ging voorbij. Bij het vallen van de avond had zijn vrouw een overheerlijke couscous bereid. Zoals gewoonlijk had zij de grote kookpot met groenten op de grond gezet en daarnaast de ronde, houten schaal met de hoge berg couscous en boter.

De kinderen gingen op hun matjes rond de geurige maaltijd zitten en Mabroek nam zijn plaats in de familiekring in. Hij sprak: 'Bismillah!' (In naam van de Heer) en wilde juist zijn hand uitsteken naar de hete couscous toen er plotseling uit het niets een witte slang te voorschijn kwam, die zich rond de schaal kronkelde en zijn kop optilde vlak voor het gezicht van Mabroek. Mabroek sprong overeind, groette zijn familie en met alleen maar zijn wandelstok ging hij op zijn oude, kromme benen, ondanks de drie dagen achterstand, op weg naar Sidi Moussa.

De kinderen die de slang als een ketting rondom de schaal hadden gezien, waren stomverbaasd dat het dier als bij toverslag weer verdwenen was.

Mabroek heeft zelf nooit begrepen op welke manier hij de volgende ochtend bij zonsopgang als eerste aankwam bij de graftombe van de heilige. Hij had nergens een vliegend tapijt gezien, en ook had hij zich niet gedragen gevoeld door vleugels. Maar hij vond zichzelf terug voor de deur van het koepelgraf, de kobba, zoals altijd, omdat Sidi Moessa van hem hield en Allah het hem had toegestaan.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese,
           Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 8 reacties Reageer op dit bericht

Fontein der tranen

Fontein der tranen
- Een sage over het verdriet om een Poolse prinses -
Nog altijd staat in Bachtsjysaraj op het schiereiland Krim het prachtige paleis van de Khan, in welks tuin een marmeren fontein staat, die water spuit. Volgens de overlevering was het echter geen gewoon water, maar menselijke tranen, die aan lang vergeten leed herinneren.

Eens moet hier Khan Kerim Girej hebben geregeerd, die door geen andere heerser in wreedheid werd geëvenaard. Waarheen hij met zijn Tartarenhorde reed, reed de dood mee. Zonder reden liet hij mensen terechtstellen en dorpen en steden verwoesten. Er was niemand in het hele gebied van de Nederkaukasus en in de ver verwijderde Russische dorpen, die zijn naam zonder vrees en huiver kon uitspreken.

"Hij heeft geen hart in zijn lijf," zeiden de mensen. "Als hij een hart had, al was het ook van steen of ijs, zou het zich tenminste eenmaal verzacht hebben."

Maar de Khan kende geen medelijden. Aan geen enkele smeekbede gaf hij gehoor, en hoe groter de angst van zijn onderdanen was, hoe groter ook zijn tevredenheid.

Zo vergingen de jaren, en de wrede heerser werd oud. Maar zijn veroveringstochten zette hij voort. Zo kwam hij ook in het Poolse land, waar hij ontelbare edelstenen, goud en waardevolle stoffen buit maakte. Maar voor de grootste schat zorgde zijn oppereunuch, die hem een bevallig en schuchter meisje bracht. De vorst kon zijn ogen niet van haar afhouden en gaf orders, haar in zijn harem onder te brengen.

Maria, zo heette deze gevangene, was een jonge, Poolse vorstin. Ze was er getuige van geweest, hoe de Khan het vaderlijk erfgoed in de as legde en de dappere verdedigers liet afmaken.

En toen ze geboeid voor de Khan stond, betreurde ze het, dat ze zich ook niet het leven had benomen. Toen ze eenmaal in Bachtsjysaraj was, dacht ze er niet anders over. Hoewel de Khan het meisje als zijn oogappel koesterde en haar persoonlijk uitgelezen spijzen, kostbare gewaden en sieraden bracht, kwijnde ze langzaam weg van verdriet.

Maar ook de grijsaard, die voor het eerst van zijn leven had ontdekt, wat oprechte liefde betekent, had verdriet. Zozeer vreesde hij voor het leven van zijn uitverkorene, dat bij iedere zonsondergang zijn hart scheen te breken en bij iedere avondschemering leek het stil te staan.

Maar zoals een zeldzame en kostbare vogel zelfs in een gouden kooi niet leert zingen, zo kon het meisje ook in Bachtsjysaraj niet leven. Iedere dag werd ze bleker en haar ogen doffer door de vele tranen die ze vergoot. Tot ze op een dag haar ogen voor altijd sloot...

Toen moet de Khan voor het eerst in zijn leven gehuild hebben. Hij huilde grote en met bloedbevlekte tranen en het leek wel, of hij met deze tranen zijn lang, wreed en onbarmhartig leven beweende. Overmand door verdriet begaf hij zich naar de voorhof, waar hij de steenhouwer Omar zag.

"Jou heb ik juist nodig," zei hij. "Ik weet, dat je uit steen ware wonderen kan verrichten, en daar het mijn wens is, dat de mensen van mijn grote verdriet kennis zullen nemen, moet je een kunstwerk scheppen, waaruit duidelijk mijn diepe droefheid spreekt..."

Aanvankelijk antwoordde de steenhouwer niet. Met indringende blik keek hij de grijsaard aan.

Toen zei hij: "Het is de eerste maal, heer, dat we tranen in uw ogen zien. En omdat uw wangen tranen tonen, kan ook ik de stenen tot huilen brengen. Maar denk niet, dat u de enige bent die door het ongeluk wordt getroffen! Duizenden en nog eens duizenden weerloze mensen hebt u van alle levensvreugde beroofd en hun tranen hebt u nooit willen zien. Ook mij hebt u als slaaf uit Perzië ontvoerd; u hebt mijn familie omgebracht en mijzelf onteerd. Als mijn werk mocht slagen, weet dan, dat het niet alleen van uw ongelukkige liefde zal spreken, maar ook van mijn leven, dat door uw wreedheid zo ten gronde werd gericht."

Nog slechts enkele dagen geleden zou de Khan hem voor zulke aanmatigende woorden aan de beul hebben overgeleverd. Maar nu leek hij ze niet te horen en zei alleen, dat de steenhouwer zo snel mogelijk met het werk moest beginnen.

De steenhouwer hield zijn belofte.

Op dezelfde plaats, waar de grijsaard met hem gesproken had, verrees een fontein van grote schoonheid. In het koele marmer beitelde hij bloemen, en in elk bloemenhart een menselijk oog.

Toen hij de laatste bloem had afgemaakt en de beitel uit zijn hand legde, gebeurde er, wat hij had voorspeld: uit de ogen, die hij in het midden van de bloemen had gebeiteld, vielen duizenden en nog eens duizenden tranen, die tot ontelbare bronnen samenbruisten en waaruit een zacht huilen weerklonk.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Sagen van Europese steden" verteld door Vladimír Hulpach.
           Holland, Haarlem, 1980. ISBN: 90-251-0412-6
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 9 reacties Reageer op dit bericht

Snel bemest

Snel bemest
- aardgeest -
Een jongeman werkte als knecht bij een boer in Weert.

De vader van de boer had een kabouter in dienst genomen.

Op zekere dag vroeg de kabouter aan de boer:
"Als ik het veld bemest heb, mag ik dan naar de kermis gaan?"

De boer ging akkoord, maar geloofde niet dat de kabouter het veld zo snel zou kunnen bemesten.

Toen de kabouter op het veld kwam, stak hij zijn mestvork in een mesthoop en zei:
"Allemaal zo!" Ogenblikkelijk staken er wel dertig mestvorken in de mesthoopjes op het veld.

In een mum van tijd was het veld bemest en kon de kabouter naar de kermis vertrekken.

Maar de kabouter is nooit meer teruggekomen van de kermis.


regio : Weert                                               verzamelaar - T. Daniëls -
Bron : Vlaamse Volksverhalenbank
                                                 © Seminarie voor Volkskunde K.U.Leuven
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 10:59 3 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten