Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: sprookjes

Waarom de zee zout is

Waarom de zee zout is
- Een verklarend sprookje uit Nederland over de zoute zee -
Lang, lang geleden leefden er eens twee broers. De ene was rijk en de andere arm. Het was rondom kerst en de arme broer ging naar de rijke broer om wat eten te vragen. Toen hij bij zijn rijke broer aankwam en hem om eten te smeken zei zijn broer: "Je mag een hele koe hebben als je daarna doet wat ik zeg." De arme broer wou graag een koe en beloofde dat hij zou doen wat zijn broer zei. De arme broer kreeg zijn koe en de rijke broer zei: "Loop naar de hel". Als een lelijk iemand dit tegenwoordig tegen je zegt dan weet je dat de ander vindt dat je moet ophoepelen en nooit meer terug komt, maar in die tijd was schelden helemaal niet gewoon.

De arme broer deed dus letterlijk wat zijn broer gezegd had en liep dus echt naar de hel. Hij had alleen geen idee waar de hel was en liep een groot donker bos door. Hij zag opeens een heel helder licht en dacht, daar moet de hel zijn. Hij zag de poortwachter met een grijze baard staan en vroeg aan de man of daar de hel was. De man zei: "Jazeker, hier is de hel. Ik zie dat je een koe mee hebt genomen, koeien zijn heel erg zeldzaam in de hel. Als je binnen komt zal iedereen naar je toe komen om de koe te kopen. Ik raad je aan om hem niet te verkopen voor geld, maar de oude handmolen te vragen. Als je daarna weer naar buiten loopt zal ik je uitleggen wat je ermee kan en hoe hij werkt."

De arme broer bedankte de man voor de raad en liep de hel in. En zoals de man al voorspeld had, kwamen alle duivels op hem af om te vragen of hij de koe wilde verkopen. De arme broer legde uit dat hij alleen de oude handmolen wilde hebben. De duivels probeerden om de arme broer over te halen om hem toch gewoon voor geld te verkopen, maar de arme broer bleef zeggen dat hij de handmolen wilde. Uiteindelijk kreeg de arme broer de handmolen en hij liep de hel uit naar de poortwachter.

De man legde uit hoe hij de handmolen moest gebruiken. De molen maalde alles wat de arme broer zei. Toen de broer thuiskwam riep zijn vrouw kwaad: "Waarom ben je zo laat? Het is toch niet zo moeilijk om even heen en weer te lopen? Ik maakte me erg ongerust!" De broer zei rustig: "Moet je dit eens zien," en hij maalde eerst eten en drinken, toen een tafelkleed en wat kaarsjes. De vrouw keek sprakeloos toe en ze vroeg: "Hoe kom je daar aan?" De broer antwoordde: "Het is niet belangrijk waar het vandaan komt, het helpt ons uit de armoede!"

Een paar dagen later gaven ze een feestmaal, ze hadden alles wat ze wilden en gingen dat vieren. De rijke broer was ook uitgenodigd en was erg jaloers. Hij gunde het zijn broer niet om nog rijker dan hem te zijn. Hij vroeg daarom ook: "Waarom ben je opeens zo rijk?" De broer verklapte zijn geheim niet, maar later op de avond, toen iedereen een beetje dronken werd verklapte hij het toch. Zijn rijke broer smeekte om de molen aan hem te verkopen, maar de broer wilde dat niet. Toen stelde de rijke broer voor dat hij de molen in het voorjaar zou kopen. Dit vond hij, de ooit arme broer, goed.

In het voorjaar kocht de broer het handmolentje voor 300 geldstukken. Hij dacht, ik zal eens lekkere soep voor mijn vrouw maken. Hij zei tegen de molen 'maak soep' en de molen maakte het. Zijn broer had hem alleen niet verteld hoe hij hem moest stoppen. De molen begon met het maken van soep en toen de borden vol waren, ging de molen door met het maken van soep! Hij rende snel naar zijn broer en smeekte hem het ding weer terug te nemen. Zijn broer zei: "Ik neem hem alleen terug voor nog weer 300 geldstukken." Weer betaalde hij 300 geldstukken en zijn broer nam de handmolen terug.

Hij leefde lang van de molen en was schatrijk. Op een dag kwam er een schipper naar de broer toe. De schipper vroeg of hij de molen over kon kopen omdat hij dan nooit meer zout hoefde te verzamelen. Na lang aarzelen verkocht de broer hem toch maar voor 1000 geldstukken. De broer was toch rijk genoeg voor zijn hele leven.

De schipper liep snel weg, omdat hij bang was dat de broer hem toch weer terug wilde hebben. De schipper wist niet hoe hij de molen in moest stellen, maar riep toch tegen de molen dat hij zout moest malen. Toen het schip vol zat met zout, stopte de molen niet, en ging maar door met malen. De schipper gooide de molen boos in de zee.

De molen maalt nog steeds, en zo komt het dat de zee zo zout is.


                                        * * * einde * * *
Bron : - Lotte
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 17:21 2 reacties Reageer op dit bericht

De levende himphamp (slot)

De levende himphamp (vervolg)
- Een sprookje uit Nederland over onmogelijke opdrachten -
Maar een paar dagen later stond hij jandorie, weer in de smederij. De smid beefde als een riet. Met een streng gezicht zei de heer: "Smid, je bent weer aan het zwetsen geweest en als je niet nakomt wat je hebt gezegd, hang je morgen aan de hoogste galg te bengelen. Morgenvroeg sta je met een levende himphamp voor m'n deur, en zo niet, dan is het voor de middag nog met je gedaan." Weg was de heer; beteuterd keek de smid. "Vlucht, vlucht," riep z'n vrouw, "want hij houdt zich aan zijn woord." Met hangend hoofd, als een jongen die een kopje heeft gebroken, sloeg hij voor de derde keer het pad over de hei in. En voor de derde keer kwam hem het oude vrouwtje tegemoet.

"Maar smid, wat is er nou weer aan de hand? Zo ontdaan heb ik je nog nooit gezien." - "Dat is niet voor niks. Ik merk dat ik haar te veel ben en hem in de weg zit." - "Wat heeft hij je dan nu weer opgedragen?" - "Ik moet morgen bij z'n kasteel komen met een levende himphamp en ik weet niet eens wat een himphamp is."

"Een levende himphamp," zei het oudje, "dat is zo gemakkelijk als wat, dat gaat vanzelf. Smid, luister goed en onthoud alles wat ik je zeg, want voor het laatst geef ik je raad. Je gaat gauw naar huis en sluipt heel stil op je tenen door de achterdeur binnen. Het is er niet pluis. Je vrouw is niet alleen. Bij de zoldertrap staat een bezem met een dikke steel en met die steel klim je heel zachtjes naar de zolder. Vlak boven de bedstee is een gat en daar loer je alles af. Zo gauw je iets ziet wat je niet aanstaat, zeg je zachtjes "Hou vast" en alles zit muurvast."

Zo gezegd, zo gedaan. De smid vloog naar huis en sloop met de bezemsteel naar de zolder boven de bedstee. Daar zag hij z'n vrouw in bed liggen en de heer stond er voor, in zijn hemd.

"Ik moet eerst pissen," zei hij tegen de vrouw. "Geef me de pot eens aan." Ze pakte de pot en gaf hem die. "Hou vast," zei de smid. Opeens zaten hun handen aan de pot vast alsof ze er aan vastgespijkerd waren. In haar angst riep de vrouw de knecht wakker: "Zet de pispot eens op de plank." De knecht pakte hem beet. "Hou vast," zei de smid boven, en de knecht zat vast alsof hij er aan was vastgeklonken. Toen moest de meid komen. "Zet de pispot eens op de plank." - "Moet ik daarvoor uit mijn bed komen?"

Nijdig greep ze de pot, maar o wee! de duivel kon haar niet los krijgen, zo vast zat ze, toen de smid zei: "Hou vast."

Toen ze met z'n vieren in hun hemd de pispot vasthielden, kwam de smid voor de dag. Hij zwaaide met zijn knuppel links en rechts in het rond en ranselde zo hard op hun blote ruggen, dat de splinters eraf vlogen. Aan schreeuwen en janken geen gebrek, maar dat hij de meid en de knecht niet raakte, daar paste hij wel voor op.

Toen hij zo lang had geslagen dat het licht werd, joeg hij ze de deur uit en de weg op naar het kasteel. Maar op straat merkte hij dat het hemd van zijn vrouw kapot was. Haar hele achterwerk stak er uit, zo'n groot gat zat er in. De smid zat er een beetje mee in zijn maag. Hij plukte een handjevol klaver achter z'n huis en smeet die in het gat. "Hou vast!" Het gat zat dicht en het achterwerk was bedekt. Verder ging het. Ze kwamen bij een groot weiland waar al het vee van de heer liep. De wei was zo kaal als een luis en dwars door de wei liep een voetpad.

Nog geen tien stappen hadden ze in de wei gedaan of een hongerige koe kreeg de geur van de verse klaver in haar neus. "Hap," deed ze. "Hou vast," zei de smid, en mee moest ze. Daar kwam de stier aangehold en sprong boven op de hongerige koe. "Hou vast," zei de smid, en of hij er aangegroeid was, zo vast zat de stier op de koe. Tenslotte kwam de smid met de stoet bij het kasteel. Daar hoefde hij ze niet wakker te kloppen; hij bracht lawaai zat mee. De stier brulde en de heer en de vrouw van de smid zetten een keel op.

De vrouw van de heer, z'n knechten en meiden, stonden een, twee, drie voor de deur. Harder en harder kwam de knuppel op de heer z'n rug neer. Die ging zo geweldig tekeer dat zijn vrouw medelijden kreeg. Op haar knieën smeekte en lamenteerde ze zo hartverscheurend, dat de smid zei: "Laat los." Opeens waren de stier en de koe met de klaver en de meid en de knecht en de heer en de vrouw van de smid los. De pispot viel op de stoep in duizend stukken. De heer schaamde zich zo, dat hij zichzelf van kant maakte. Hij sprong in het Rode Meer en verzoop.


                                        * * * einde * * *
Bron : - "Alle sprookjes van de Lage Landen" door Eelke de Jong en Hans Sleutelaar.
           Uitg. Rebo Productions, Sassenheim, 1985.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:22 2 reacties Reageer op dit bericht

De levende himphamp

De levende himphamp
- Een sprookje uit Nederland over onmogelijke opdrachten -
Aan de oever van het Rode Meer stond een mooi kasteel en in dat kasteel woonde een ridder met zijn vrouw. Niet ver daarvandaan stond een klein huisje en daar woonde een smid met een verduiveld knap vrouwtje. Een knapper ding was uren in het rond niet te vinden. Die heer z'n vrouw was lelijk en een echte viespeuk. Geen wonder dat de heer meer zin had in het knappe vrouwtje van de smid dan in zijn eigen smeerpoets.

Elke dag, als de smid druk aan het hameren was, kwam hij bij haar een praatje maken en altijd bracht hij iets mee en het zou onnatuurlijk zijn geweest als het vrouwtje niet meer trek kreeg in de knappe ridder dan in haar eigen zwarte smid. Dat de smid de heer in de weg zat, spreekt vanzelf en wie een hond wil slaan heeft gauw een stok gevonden. Nu stond de smid bekend als een echte kletsmajoor en dat moest de stok worden om hem zijn huis uit te jagen.

Op een keer kwam de heer in de smederij: "Dat gezwets en die opschepperij van jou beginnen me te vervelen en ik wil dat er een eind aan komt. Je hebt gezegd dat je in een nacht een kasteel aan het Rode Meer kunt bouwen en als je nou niet maakt dat er morgenvroeg een mooi kasteel staat laat ik je ophangen aan de hoogste galg."

Weg was de heer; beteuterd keek de smid. Met een bedroefd gezicht vertelde hij alles aan zijn vrouw. Ze was hem liever kwijt dan rijk en spoorde hem dringend aan te vluchten. Tegen de avond ging hij de deur uit en sloeg een weg in over de hei. Toen hij daar zo droevig ronddwaalde, kwam hem een oud vrouwtje tegemoet.

"Smid," zei het vrouwtje, "waar ga je nog zo laat naar toe? En je laat je kop zo hangen, is er iets niet goed?" - "Het ziet er lelijk voor me uit," zei de smid. "De heer zal me aan de hoogste galg laten ophangen als ik niet zorg dat er morgenvroeg een mooi kasteel is gebouwd op de oever van het Rode Meer." - "Kom smid, daarom hoef je niet zo bedroefd te kijken. Dat kan ik wel." "Jij? Jij zou dat kunnen? Dat kan geen mens op de hele wereld." - " Ja, ja smid, ik kan nogal wat, veel meer dan je denkt. Morgenvroeg staat er een nieuw kasteel kant en klaar en kun je de heer de boodschap doen dat zijn orders zijn uitgevoerd."

Roef, weg was het vrouwtje. De smid vertrouwde het zaakje toch niet helemaal en met lood in zijn schoenen keerde hij terug. 's Morgens was hij al voor dag en dauw uit de veren en op weg naar het Rode Meer. Zijn betrokken gezicht klaarde opeens op toen hij het fonkelnieuwe kasteel in de morgenzon zag blinken. Hij klopte de heer uit zijn bed en wees hem op het mooie bouwwerk. Vrolijk fluitend kwam hij in zijn smederij terug. Maar de vreugde was van korte duur.

Op een goede dag kwam de heer tegen de avond in zijn werkplaats. De smid stond te hameren dat de vonken eraf vlogen. "Kletsmajoor," zo begon de heer, "dit keer zul je leergeld betalen, daar kun je van op aan. O, je zult waarmaken wat je hebt beweerd. Je zorgt, dat je morgenvroeg met twee pasgeboren kinderen, die papa en mama kunnen zeggen, voor mijn deur staat. Zo niet dan hang je aan de hoogste galg die er is voor de klok morgenmiddag twaalf heeft geslagen."

Weg was de heer: beteuterd keek de smid. De vrouw van de smid had maar al te goed gehoord waarmee de heer had gedreigd en weer spoorde ze haar man aan op staande voet te vluchten.

De smid ging er subiet vandoor. Hij sloeg hetzelfde pad over de hei in en opeens stond weer het oude vrouwtje voor hem. "Maar smid, wat kijk je beteuterd. Je moet je hoofd niet zo gauw laten hangen." - "Ja. jij hebt makkelijk praten. Hou je hoofd naar eens omhoog als je met de galg wordt bedreigd." - "Wat heeft hij je dan nu weer opgedragen?" "Ik moet morgenvroeg met twee pasgeboren kinderen, die papa en mama kunnen zeggen, voor de deur van z'n kasteel staan of hij hangt me op." - "Kom smid, daar kan ik je wel aan helpen. Morgenvroeg, voor het kraaien van de haan sta ik er mee bij je werkplaats en ga nu maar gauw naar je vrouw en slaap lekker."

En weg was ze. Vol goede moed ging de smid terug en kroop lekker warm achter zijn vrouw. Het grootje hield weer woord. Nog voor de zon op was gaf ze twee kinderen aan de smid, en die ging er op een draf mee naar de heer. Verbouwereerd stond deze te kijken toen hij de kinderen duidelijk papa en mama hoorde zeggen, en hij werd boos omdat hij de smid niet uit de weg kon ruimen.


                                  * * * wordt vervolgd * * *
Bron : - "Alle sprookjes van de Lage Landen" door Eelke de Jong en Hans Sleutelaar.
           Uitg. Rebo Productions, Sassenheim, 1985.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 01:51 1 reactie Reageer op dit bericht

Boekweit

Boekweit
- Een sprookje van Hans Christian Andersen -
Dikwijls zie je, wanneer je na een onweer langs een akker loopt waar boekweit groeit, dat het helemaal zwart is geschroeid alsof er een vuurgloed overheen gegaan is, en de boer zegt: "Dat komt van de bliksem!" Jawel, maar waarom? Ik ga nu vertellen wat een mus mij heeft gezegd, en de mus heeft het weer van een oude wilg gehoord die aan een boekweitakker stond. Waar hij nu nog staat. Het is zo'n eerwaardige, grote wilg, maar gerimpeld en oud. Er loopt een scheur dwars door hem heen en in die spleet groeien gras en bramen! De boom helt over en de takken hangen helemaal tot op de grond, alsof ze groene, lange haren waren.

Op alle velden in de omtrek groeiden koren, rogge, gerst en haver. Die fijne haver die als ze rijp is eruitziet als een heleboel gele kanarievogeltjes op een tak. En het koren stond zo prachtig, hoe zwaarder het was hoe dieper het boog in vrome deemoed.

Maar er was ook een akker met boekweit en die akker lag vlak naast de oude wilg; het boekweit boog helemaal niet als het andere koren, het stak trots en stijf zijn kop in de lucht.

"Ik ben wel zo rijk als de korenaren," zei het boekweit, "ik ben bovendien heel wat mooier: mijn bloemen zijn zo mooi als appelbloesems, het is een lust naar me te kijken; ken jij iets mooiers dan ons, oude wilg?"

En de wilg knikte met zijn hoofd, alsof hij wilde zeggen: "Ja, dat doe ik zeker!" Maar het boekweit zwol van hoogmoed en zei: "Die domme boom, die is zo oud dat er gras uit zijn buik groeit!"

Nu kwam er een verschrikkelijk onweer opzetten; alle bloemen op het veld vouwden hun blaadjes toe of bogen hun kopje, terwijl de storm over ze heen streek; maar het boekweit bleef trots rechtop staan.

"Buig je hoofd als wij!" zeiden de bloemen.

"Dat hoef ik niet te doen!" zei het boekweit;

"Buig je hoofd als wij!" riep het koren, "daar komt de stormengel aanvliegen; hij heeft vleugels die van de wolken tot op de aarde reiken, hij houwt je middendoor, vóór je hem om genade kunt smeken!"

"Ja, maar ik wil niet buigen!" zei het boekweit.

"Sluit je bloemen en sluit je bladeren!" zei de oude wilg. "Kijk niet naar de bliksem wanneer de wolk splijt, zelfs mensen durven dat niet. Want als het bliksemt kan men in Gods hemel binnen kijken en dat gezicht kan zelfs mensen blind maken; wat zou er dan wel niet met ons, planten, gebeuren als we dat waagden, wij, die zoveel minder zijn."

"Zoveel minder!" zei het boekweit, "nu zal ik juist in Gods hemel binnen kijken!" En dat deed het dan ook in trots en overmoed. Het was alsof de hele wereld in één vuurgloed stond, zó bliksemde het.

Toen het onweer voorbij was stonden de bloemen en het koren in de stille, zuivere lucht, verfrist van de regen, maar het boekweit was door de bliksem pikzwart geschroeid, het was nu een dood onbruikbaar gewas op het veld.

En de oude wilg bewoog zijn takken in de wind en er vielen grote waterdruppels van de groene bladeren, alsof de boom huilde, en de mussen vroegen: "Waarom huil je? Het is hier zo heerlijk, kijk hoe de zon schijnt, hoe de wolken drijven, ruik je de geur van bloemen en struiken niet? Waarom huil je, oude wilg?"

En de wilg vertelde van de trots van het boekweit, van zijn overmoed en zijn straf, die altijd de zonde volgt.

Ik, die de geschiedenis vertel, heb het van de mussen gehoord! Zij vertelden het mij op een avond toen ik ze om een sprookje vroeg.


                                        * * * einde * * *
Bron : - "Hans Christian Andersen - Sprookjes en verhalen" opnieuw uit het Deens vertaald door Dr. Annelies van Hees.
           Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1997.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 08:32 2 reacties Reageer op dit bericht

De sterrendaalders

De sterrendaalders
- Een sprookje van Grimm -
Er was eens een klein meisje; haar vader en haar moeder waren gestorven, en ze was zo arm dat ze niet eens een kamertje had om in te wonen, en ook geen bedje meer om in te slapen, en eindelijk helemaal niets meer dan de kleren die ze aanhad en een stukje brood in haar hand, dat een medelijdende ziel haar had gegeven. Maar ze was lief en vroom. En omdat ze zo door iedereen verlaten was, trok ze, in vertrouwen op de goede God, de wereld in.

Een arme man kwam haar tegen, en hij zei: "Och, geef me toch wat eten, ik heb zo'n honger." Ze gaf hem het hele stuk brood en zei: "Ik hoop dat Gods zegen erop rust," en ze ging weer verder. Toen kwam een kind en dat huilde en zei: "Ik heb zo'n kou op mijn hoofd, geef me iets om op te zetten." Toen nam ze haar mutsje af en gaf dat aan het kind. En toen ze nog een eind gegaan was, kwam er weer een kind aan en dat had geen bloesje aan en het had het zo koud en toen gaf ze het hare weg; en nog verder vroeg iemand om haar rokje, en dat deed ze ook uit en gaf het weg. Eindelijk kwam ze in een groot bos, en 't was al donker geworden en toen kwam er nog iemand en vroeg om een hemd en het vrome meisje dacht: "Het is toch donkere nacht, niemand ziet er iets van, je kunt het hemd best weggeven," en ze trok haar hemd uit en gaf dat ook weg.

En toen ze zo stond en helemaal niets meer aan had, vielen er opeens sterren uit de hemel, en dat waren niets dan harde blanke daalders, en al had ze net haar hemd weggegeven, toch had ze een nieuw aan, en dat was van het allerfijnste linnen. Toen raapte ze alle daalders bij elkaar en was rijk voor de rest van haar leven.


                                        * * * einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:26 5 reacties Reageer op dit bericht

Hoe de treurberk ontstaan is

Hoe de treurberk ontstaan is
- Een sprookje uit Finland over moord op de zoon van een waternimf -
Een rijke man zat zich plezierig wat te vermeien met het ontluizen van het hoofd van zijn dochter toen hij plotseling op een kolossale luis stootte. Bij wijze van experiment plaatste hij het ondiertje onder een omgekeerde kom en liet hem daar verder groeien. De luis groeide uit tot hij zo groot was als een kat, en de verheugde rijkaard sloeg hem dood en maakte van de huid een paar schoenen voor zijn dochter.

Toen riep hij iedereen bijeen om te raden van wat voor soort leer de schoenen gemaakt waren. Wie het raadde zou zijn dochter tot vrouw krijgen.

Nu was er natuurlijk geen gebrek aan mannen die niets liever wilden dan de dochter van deze croesus huwen. Maar... achter het huis lag een meer, en daaruit steeg een waternimf op, die door de schoorsteen naar binnen gleed en zich in een oude man veranderde. Plotseling kroop hij in deze door de jaren geteisterde gedaante van achter de kachel te voorschijn en sprak: "Ze zijn van de huid van een luis gemaakt."

Een stoere knaap veerde als door een wesp gestoken overeind en riep met overslaande stem: "Ik heb 't geraden, ik zei het 't eerst!" Maar de aanwezigen legden hem het zwijgen op, en de krakkemikkige oude man wilde het meisje tot vrouw hebben. Dat ging haar vader echter te ver en hij zei: "Aan jou geef ik mijn dochter niet, ook al heb je 't geraden!"

Ook het meisje zelf schreeuwde: "Zo'n ouwe sok moet ik niet," en ze rende het huis uit, waar de waternimf haar in haar originele gedaante opwachtte en meevoerde naar het achter het huis gelegen meer.

Daar, op een wonderschoon eiland midden in het meer, bewoonde zij een prachtig kasteel, met een toverachtig bloeiende tuin waarin allerlei bessen groeiden en een bonte verscheidenheid aan vogels rondvloog. Ze had een ferme, welgeschapen zoon, aan wie ze de jonge maagd als bruid gaf. Daar woonde zij een jaar, dat zo snel verstreek dat het haar slechts een week leek; ze woonde er nog een jaar en nog één, en ze kreeg een kind. Overdag kuierde ze met haar kind en haar man wat door de lusttuin, zonder een zorg op de wereld, en ze aten waar ze maar zin in hadden.

Maar op een dag werd ze toch door heimwee overvallen. Ze verlangde ernaar haar ouders weer eens te zien en zei tegen haar echtgenoot. "Het wordt tijd dat ik eens een bezoekje aan huis breng, ik heb een beetje heimwee."

Haar man antwoordde: "Je kunt gaan wanneer je maar wilt, maar bak eerst een paar lekkere taarten voor je familie, en neem rustig alle bessen om vlaaien van te maken!"

Ze bakte de verrukkelijkste lekkernijen en nam een zak vol goud mee als geschenk voor haar familie. Toen nam de man zijn vrouw en hun zoontje op zijn knie, en in een wip vloog hij met ze naar de oever vanwaar de waternimf haar drie jaar eerder weggehaald had. Hij nam afscheid van zijn vrouw en zei: "Zodra je weer naar huis wilt ga je hier aan de oever staan en roept: 'Kom, kom mijn geliefde, en haal me op!' Dan kom ik je terstond halen." De jonge vrouw richtte haar schreden naar het ouderhuis en haar man vlood met hun kind weer naar huis.

Aan de oever al kwamen er van alle kanten mensen op haar toegestroomd die dachten: "Wie komt daar aan, in die vorstelijke kleren?" Ze schudde iedereen hartelijk de hand en deelde royaal haar goud uit. Toen kwam ze thuis en at en dronk met haar familie en vertelde haar vader en haar broers enthousiast over hoe ze het nu had: "Ik heb daar een heerlijk leven. Er is daar zo'n zalige tuin, met zo'n weelde aan vogels en bessen, dat ik er niet eens last van heimwee heb. Ga maar na, dit is voor het eerst in drie jaar dat ik weer eens thuis kom!"

Haar twee broers zonderden zich af, fluisterden even met elkaar en gingen toen heimelijk het bos in, waar ze knuppels van elzenhout kapten om daarmee hun zwager de schedel in te slaan.

Het meisje verlangde terug naar haar man en haar kind, naar hun zachte bed en alles wat ze nu miste. Ze smachtte ernaar terug te keren naar huis. Maar noch haar vader, noch haar moeder voelden er iets voor haar te laten gaan. "Ik kan hier gewoon niet meer blijven, ik houd het niet meer uit hier!" bleef ze aandringen, tot haar ouders tenslotte inzagen dat het zinloos was 't haar te verbieden. "Als je dan met alle geweld naar huis wilt, ga dan maar, maar kom ons dan wel gauw weer eens opzoeken," smeekten haar vader en moeder.

Toen trad ze naar de oever om haar geliefde te roepen, die samen met hun zoontje natuurlijk ook popelde van verlangen naar haar, en zodra hij haar geroep hoorde kwam hij aangesneld. Maar hij had nog geen voet aan wal gezet, of daar sprongen de twee broers met hun elzenhouten knuppels uit het struikgewas en sloegen erop los tot hij dood bleef liggen.

Hun zuster begon bitter te schreien: "Hoe hebben jullie zoiets afgrijselijks kunnen doen? En waarom?" Ze veranderde in een treurberk en het jongetje op haar arm veranderde in een tak van de berk. De bladeren hingen van haar af als haarlokken van een hoofd, en zo stond ze daar rouwend aan de oever, keerde nooit meer naar haar vader en broers terug en bleef een treurberk.


                                        * * * einde * * *
Bron : - "Sprookjes uit Finland en Estland" bijeengebracht door August von Löwis of Menar. A.W. Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen, 1979.
           Oorspronkelijke titel: Finnische und Estnische Märchen © 1962 Eugen Diederichs Verlag Düsseldorf-Köln. ISBN: 90-229-3311-3
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 06:05 1 reactie Reageer op dit bericht

Het spaarvarken

Het spaarvarken
- Een sprookje van Hans Christian Andersen -
Er was zoveel speelgoed in de kinderkamer; boven op de kast stond de spaarpot die van aardewerk was in de gedaante van een varken, hij had van nature een spleet in de rug en die spleet was met een mes groter gemaakt, zodat er ook rijksdaalders in konden, en er lagen er werkelijk twee in, behalve een heleboel andere muntstukken. Het spaarvarken was zo propvol dat het niet meer kon rammelen, en dat is het verste waartoe een spaarvarken het kan brengen. Daar stond het nu boven op de kast en keek neer op alles in de kamer, het wist heel goed dat het met wat het in zijn buik had de hele verzameling kon kopen, en dat pleegt men een goed geweten te noemen.

Daar dachten de anderen ook aan, al zeiden zij het niet, want ze hadden andere dingen om over te praten. De la van de kast stond op een kier. Een grote pop kwam overeind, zij was wel wat oud en had een kram in haar hals. Zij keek naar buiten en zei: "Zullen wij eens mensje spelen, dat is altijd leuk!" En toen ontstond er een spektakel, zelfs de schilderijen aan de muur draaiden zich om, zij wilden laten kijken dat ze ook nog een achterkant hadden, maar dat deden zij niet om tegen te spreken.

Het was midden in de nacht, de maan scheen door het venster naar binnen en zorgde voor gratis verlichting. Nu zou het spel beginnen; iedereen was uitgenodigd, zelfs de kinderwagen die toch tot het grovere speelgoed hoorde. "Ieder heeft zijn waarde!" zei hij, "je kan niet allemaal van adel zijn. Iemand moet toch het grove werk doen."

Het spaarvarken was de enige die de uitnodiging schriftelijk kreeg. Het stond zo hoog dat zij niet dachten dat het de invitatie kon verstaan. En het antwoordde ook helemaal niet; want het kwam niet: wilde het meedoen, dan moest het het schouwspel maar genieten vanuit zijn hoge standplaats. Daar moesten zij zich maar in schikken, en dat deden ze ook.

Het kleine poppentheater werd zó opgesteld dat het varken er recht in kon kijken; zij zouden met een voorstelling beginnen. En dan zou er thee worden geschonken en werden er wetenschappelijke voordrachten gehouden — en daarmee begonnen ze onmiddellijk. Het stokpaard sprak over training en ras; de kinderwagen over spoor-wegen en stoom; dat waren allemaal dingen die tot hun vak behoorden en waar ze over konden praten. De kamerklok sprak over politiek-tiek-tiek! Zij wist hoe laat het was, maar ze beweerden dat zij niet goed ging. De wandelstok stond rechtop en was trots op zijn dop en zijn zilveren knop, hij was immers van boven en van onderen beslagen; op de sofa lagen twee geborduurde kussens, zij waren lief en dom — en toen kon de voorstelling beginnen.

Zij zaten allemaal te kijken en er werd verzocht of men wilde klappen, knallen en rommelen als bijvalsuitingen, ieder naar zijn aard. Maar de rijzweep zei dat hij nooit voor de ouderen klapte maar alleen voor de nog niet verloofden. "Ik knal voor alles," zei de voetzoeker. "Ergens moet je toch zijn," vond de kwispedoor. Dat dachten er een paar zo onder de voorstelling. Het stuk deugde niet maar het werd goed gespeeld; alle spelers keerden hun geverfde kant naar het publiek toe, en niet de achterkant. Zij speelden allemaal voortreffelijk, helemaal op de voorgrond, hun ijzerdraadjes waren te lang maar des te beter waren de poppen te zien. De pop met de kram in haar hals werd zo ontroerd dat de kram losliet en het spaarvarken werd op zijn manier zo ontroerd dat het besloot voor een van de spelers iets te doen, hem in zijn testament te zetten, te bepalen dat hij bij zijn opening tegenwoordig zou zijn, wanneer de tijd daarvoor gekomen was.

Het was inderdaad een groot genot, men besloot nu geen thee te drinken maar met de voordrachten door te gaan, mensje spelen noemden ze dat, en er was geen kwaad bij, het was maar spel. Ieder dacht aan zichzelf en aan wat het spaarvarken dacht, en het spaarvarken dacht het verst, het dacht immers aan testament en begrafenis, en wanneer heeft die plaats, altijd vóór men het verwacht. Krak! Daar viel het van de kast en lag in scherven op de grond, terwijl de geldstukken dansten en sprongen; de kleinste draaiden, de grote rolden, in het bijzonder die ene rijksdaalder: hij wilde zo graag de wijde wereld in. En dit gebeurde ook, met hem en met allen. De scherven van het spaarvarken kwamen in het vuilnisvat, maar op de kast stond er de volgende dag een nieuw spaarvarken van aardewerk. Er was nog geen enkel muntstuk in, daarom kon het ook niet rammelen. In dit opzicht leek het op het andere, dat was tenminste een begin — en daarmee willen wij eindigen.


                                        * * * einde * * *
Bron : - "Hans Christian Andersen - Sprookjes en verhalen" opnieuw uit het Deens vertaald door Dr. Annelies van Hees.
           Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1997.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:09 4 reacties Reageer op dit bericht

Het geheim van de smid

Het geheim van de smid
- Een sprookje van Gerard Reve over een bijzondere kogel -
Lieve jongens en meisjes! Nu moeten jullie eens horen wat er eens een keer gebeurd is. Er was ereis een jager en die ging uit jagen. Hij joeg de gehele dag dat het een aard had. Maar hoe hij ook joeg, het lukte hem maar niet om enig wild te schieten. Eindelijk, laat in de middag, toen de zon al laag aan de hemel stond, kwam hij aan een dal en daar, vlak voor hem, in een groen knollenland, daar zaten maar liefst zeven hazen.

De oudste van de zeven hazen was de grootste en die zat dus in het midden. Ons jagertje behoefde zich niet lang te bedenken. Gezwind greep hij naar zijn kogeltas, maar wie schetst zijn verbazing en teleurstelling, toen hij bemerkte dat deze leeg was? Jullie begrijpen het al: hij had al zijn kogels verschoten. Nu was goede raad duur. Maar onze jager versaagde niet.

Omdat hij een jager was deed hij snel een schietgebedje en bad met grote aandrang. En ziet! Zijn gebed werd verhoord. Het duurde niet lang of hij maakte zijn broek los, hurkte neder en scheet uit zijn eigen achterste een keiharde, lange, dunne drol, die precies zo dun was als een geweerkogel. Terstond wist onze jager wat hem te doen stond. Hij deed bliksemsnel kruit in zijn geweer en deed - in plaats van een kogel - zijn eigen drol in de loop van zijn geweer.

Het duurde niet lang meer, of hij had aangelegd, gemikt en de trekker overgehaald. "Boem!" klonk het door het dal. En de ongewone kogel suisde met duizelingwekkende vaart voort dat het een lieve lust was. En het volgende ogenblik trof de drol, die de jager uit zijn geweer had afgeschoten, de oudste van de zeven hazen precies midden op zijn voorhoofd en spatte daar in duizend stukken uiteen.

De jager had de vorige avond toevallig in de stad gegeten en daardoor verspreidde die uit elkaar spattende van de jager een verschrikkelijke stank. Ja, jongens en meisjes, die grote lange drol, die de jager als kogel gebruikt had en die op het voorhoofd van de grootste haas in duizend stukken uiteenspatte, die maakte zo'n vreselijke stank, dat alle zeven hazen - de grootste en oudste incluis - pardoes flauwvielen.

Nu hoefde onze wakkere jagersman niets anders meer te doen dan alle zeven hazen in zijn bijtas te stoppen. "Voed je goed," wil ik maar zeggen. En als jullie je kleine, stoeiende en ravottende lijfjes gezond willen houden, dan moeten jullie er voor zorgen dat je elke dag een flinke, mooie, grote bolus bakt. Dus niet alles mondjesmaat over de hele dag verdeel, maar elke morgen of middag de hele uilebal ineens. Want - wie weet? - krijgen jullie van Sint Nicolaas dit jaar allemaal een geweer.


                                        * * * einde * * *
Bron : - "Ik bak ze bruiner. Gerard Kornelis van het Reve leest 4 eigen sprookjes"
           uitgegeven als EP door Catfish Records, 1969, LP-nummer: 5C 023-24110 M
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:13 1 reactie Reageer op dit bericht

De halsboord

De halsboord
- Een grappig sprookje van Hans Christian Andersen -
Er was eens een keurige meneer, wiens hele inboedel bestond uit een laarzenknecht en een kam, maar hij bezat de prachtigste halsboord van de wereld, en over die boord zullen we een geschiedenis te horen krijgen. De boord was nu zo oud geworden dat hij erover dacht te trouwen, en toen wilde het toeval dat hij met een kousenband in één was terechtkwam.

"Nee," zei de boord, "nog nooit heb ik zó iets slanks, fijns, zachts en liefelijks gezien! Mag ik vragen hoe u heet?"

"Dat zeg ik niet!" zei de kousenband.

"Waar komt u vandaan?" vroeg de boord.

Maar de kousenband was erg schuchter en vond dat toch wel een wonderlijke vraag.

"U bent zeker een ceintuur!" zei de halsboord, "zo'n band die onder de kleren gedragen wordt! Ik zie 't wel. U dient zowel voor gemak als voor de mooiigheid, mejonkvrouwe!"

"U mag niet tot mij spreken!" zei de kousenband. "Ik geloof niet dat ik daartoe aanleiding gegeven heb!"

"Toch wel, als men zo mooi is als u!" zei de boord, "dat is aanleiding genoeg!"

"Houd op met mij zo na te komen!" zei de kousenband, "u ziet er zo mannelijk uit!"

"Ik ben ook een keurige meneer!" zei de boord. "Ik heb laarzenknecht en kam!"

Maar dat was niet waar, het was zijn meester die ze bezat, maar hij schepte ermee op.

"Kom mij niet te na!" zei de kousenband, "dat ben ik niet gewoon!"

"Preutsheid!" zei de halsboord, en toen werden zij uit de was gehaald, gesteven, op een stoel in de zon gehangen en op de strijkplank gelegd; en toen kwam het gloeiende ijzer.

"Vrouw!" zei de boord, "lieve weduwvrouw! Ik word helemaal warm! Ik word een ander mens, ik kom helemaal uit de plooi, u brandt gaten in mij! Au! Wilt u met mij trouwen?"

"Vod," zei het strijkijzer, en ging trots over de boord heen, want die verbeeldde zich dat hij een stoomketel was die op de rails wagens moest gaan trekken.

"Vod!" zei hij.

De boord rafelde een beetje aan de kanten, én toen kwam de papierschaar en die moest de rafels wegknippen.

"O!" zei de boord, "u bent zeker eerste danseres. Wat kunt u uw benen strekken! Zo iets moois heb ik nog nooit gezien, dat kan niemand u nadoen!"

"Dat weet ik!" zei de schaar.

"U verdiende gravin te zijn!" zei de halsboord, "alles wat ik bezit is een keurige meneer, een laarzenknecht en een kam. Och, was ik maar graaf!"

"Wou jij met me trouwen!" zei de schaar, want ze werd boos, en toen gaf ze hem een flinke knip, zodat de boord geen dienst meer kon doen.

"Nu moet ik maar de kam ten huwelijk vragen. Het is merkwaardig, hoe u al uw tanden behoudt, mejuffrouw!" zei de halsboord. "Hebt u er nooit aan gedacht u te verloven?"

"Zeker, daar kunt u van op aan!" zei de kam, "ik ben toch immers met de laarzenknecht verloofd."

"Verloofd!" zei de boord; nu was er niemand meer te vragen en toen kreeg hij er genoeg van.

Een hele tijd ging voorbij; toen kwam de halsboord in de kist terecht bij de papiermolenaar, waar een heel lompengezelschap bijeen was, beschaafden en onbeschaafden, ieder apart, zoals het hoort. Zij hadden allen veel te vertellen, maar de halsboord het meest, die was een echte opschepper.

"Ik heb zo verschrikkelijk veel meisjes gehad!" zei de boord, "ik had geen rust. Ik was dan ook een hele meneer met al mijn stijfsel. En ik had een laarzenknecht en een kam, die ik nooit gebruikte. U had me toen eens moeten zien, wanneer ik op mijn zij lag! Nooit vergeet ik mijn eerste meisje, zij was een ceintuur, zo fijn, zo zacht en zo liefelijk, zij stortte zich, terwille van mij, in een kuip met water! En er was ook een weduwvrouw, die gloeiend werd, maar ik liet haar staan en zwart worden. En toen was er een eerste danseres die mij de snee gaf waar ik nu mee loop, zij was zo vals! Mijn eigen kam was verliefd op mij, zij verloor al haar tanden van liefdesverdriet. Ja, ik heb heel wat beleefd van dat soort dingen. Maar 't meeste medelijden heb ik met de kousenband, met de ceintuur bedoel ik, die in de waterkuip verdween. Ik heb heel wat op mijn geweten, ik moet nodig tot wit papier worden!"

En dat werd hij ook, alle lompen werden wit papier, maar de halsboord werd juist dat stuk wit papier waarop deze vertelling gedrukt is. En dat kwam omdat hij achteraf zo vreselijk had gepocht op wat nooit gebeurd was. En daarom moeten wij eraan denken ons nooit zo te gedragen, want wij kunnen heus niet weten of wij ook niet eens in de lompenkist terechtkomen en tot wit papier gemaakt worden en onze hele geschiedenis erop gedrukt krijgen, zelfs onze geheimen, en ze dan zelf moeten rond vertellen, net als de halsboord.


                                        * * * einde * * *
Bron : - "Sprookjes en vertellingen" door Hans Christian Andersen.
           Van Holkema & Warendorf, Bussum, 1975. ISBN: 90-269-0924-1
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:24 2 reacties Reageer op dit bericht

De arme houthakker

De arme houthakker
- Een sprookje van de Mexicaanse indianen -
Anacia Ventura was de naam van de jongen. Hij had geen vader meer. Hij ging naar het bos om hout te hakken.

Op een dag hoorde hij de schreeuw van een dier. Het huilde daar buiten in het bos. Hij dacht bij zichzelf: "Wat zou er met dat dier zijn? Ach, ik zal het eens gaan bekijken."

Zo gezegd, zo gedaan. Toen hij op de bewuste plaats kwam, stelde hij vast dat het een slang was die een ree had gevangen. Het was het ree dat zo schreeuwde. Toen hij naderbij kwam, zag hij dat de slang zeven koppen had. Ze probeerde het ree dood te bijten, maar kreeg het niet voor elkaar omdat haar bek te klein was.

Toen zei Anacia: "Arm dier. Hoe wil je nou zoiets groots verslinden? Ik zal je helpen."

Dus doodde hij het ree en sneed het in kleine stukken. Die voerde hij toen aan de slang. Ze at het hele ree, in kleine stukjes die in haar bek pasten. Er bleef niets over behalve een hoop botten en de kop.

Toen zei de slang: "Hartelijk dank, dat je me geholpen hebt. Kom nu mee. Ik breng je naar het huis van mijn vader."

Zo gingen zij op weg. De slang voerde hem mee naar haar vader, maar ze nam een andere gestalte aan. Ze was niet langer een slang maar een heel mooie vrouw. Toen ze bij het huis kwamen, zei ze: "Vader, ik heb een jongen meegebracht. Hij heeft me geholpen. Ik wilde koste wat het kost een ree opeten. Ik had het gevangen maar ik kon het niet doden. Toen heeft hij het voor me gedood en zo versneden dat ik het opeten kon. Nu zit ik vol."

"Heel goed dochter. Maar wat wil je nu met hem doen? Zullen we hem een dier schenken?"

"Nee, vader."

"Geld dan misschien?"

"Nee, vader."

"Maar iets moeten we hem toch geven."

"Geef hem toch wat je in je zak hebt."

"Nee, dochter."

"Geef het hem nou, vader. Jij kunt toch wel aan een andere spiegel komen."

Dus haalde de man een kleine spiegel uit zijn zak en zei: "Hij zal van veel nut voor je zijn. Gebruik hem alleen zó. Draai hem zo in je hand. Beveel dan: "Breng geld, breng eten, breng wijn." Je kunt ook zeggen: "Doe dit, doe dat." Het zal meteen gebeuren."

"Heel praktisch."

Anacia ging naar huis. Hij werkte niet meer. Alles wat hij hoefde te doen was zijn spiegel te bewegen en te zeggen: "Breng me levensmiddelen, breng me geld!" En meteen gebeurde het.

Op een dag zei hij tegen zijn moeder: "Moeder, ik wil met de dochter van de koning trouwen."

"Goed, mijn zoon."

Zo ging de beste vrouw naar het paleis en vroeg de koning namens haar zoon om de hand van zijn dochter.

"Heer koning," zei ze eenvoudig, "mijn zoon zou graag met uw dochter willen trouwen."

"O ja?"

"Ja, heer koning"

"Mooi. Ik heb gehoord dat hij niet dom is. We zullen zien. Hij moet hierheen komen en een tijdje voor me werken. Dan geef ik hem misschien mijn dochter tot vrouw."

De vrouw ging terug naar huis en vertelde haar zoon wat de koning had gezegd.

Anacia kwam naar het paleis en meldde zich voor het werk. De eerste opdracht die de koning hem gaf, zag er als volgt uit: De koning gaf hem zakken en daarin bevonden zich bonen, maïs en pompoenpitten door elkaar heen. Die moest hij uitzoeken en elke soort apart in een zak doen. Dit moest in één nacht gebeuren.

De koning gaf de jongen voldoende kaarsen, zodat hij de hele nacht licht had. Maar Anacia was nog niet alleen of hij nam de spiegel en beval: "Alles sorteren, bonen in een zak, maïs in een zak, pompoenpitten in een zak."

Mieren kwamen om het werk te doen. Het duurde nog geen uur. Toen ging de jongen liggen om te slapen.

De volgende morgen kwam de koning: "Wakker worden, wakker worden. Nou, heb je je werk gedaan?"

"Ja, het is gebeurd zoals u het hebben wilde."

"Je bent heel ijverig, dat moet ik je toegeven. Nu gaat het erom land te rooien. Je hebt drie dagen, dan moet er zoveel land gerooid zijn dat men er driehonderd pond graan op uitzaaien kan."

De jongen werkte een dag en toen was er zoveel land klaar dat men er vierhonderd pond graan op kon zaaien.

"Jij kunt ook alles!" zei de koning hoofdschuddend, toen hij het nieuws kreeg. "Maar nu is het menens. Nu moet je bewijzen of je werkelijk ijverig bent. Je moet met mijn dochter slapen. En rond middernacht moet het kind geboren zijn dat je bij haar hebt verwekt."

"Goed," zei Anacia, "ik zal het proberen."

De koning ging weg en Anacia dacht na. "Wie kan me hierbij helpen?" bedacht hij. Hij haalde zijn spiegel te voorschijn en de vogels die de baby's brengen vertelden hem dat hij zich geen zorgen hoefde te maken. Tegen middernacht brachten deze vogels al de derde baby. De baby's krijsten. De koning werd wakker en toen hij zag hoeveel kinderen er lagen, viel hij bijna flauw.

"Genoeg, genoeg," schreeuwde hij, "er moet ook iemand voor ze zorgen en ze verschonen. Mijn arme dochter! Drie kinderen heb je bij haar verwekt in een halve nacht! Het is ongelooflijk."

"Ze had er plezier in," zei de jongen, "je kunt het haar vragen."

"Werkelijk?" vroeg de koning.

"Ja, veel plezier," riep de dochter heel vergenoegd vanuit het bed.

De volgende dag zei de koning: "Jij bent werkelijk een ijverige knaap. Jij moet koning worden. En, mijn dochter, je trouwt nu meteen met hem."


                                        * * * einde * * *
Bron : - "Mexicaanse indianensprookjes" samengesteld door Frederik Hetmann.
           Elmar, Rijswijk, 1994. ISBN: 90-389-02689
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:07 3 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten