Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: sprookjes

De ongenode bruiloftsgast(vervolg)

De ongenode bruiloftsgast (vervolg)
- Een Estisch sprookje over drie magische tovervoorwerpen -
Een oogwenk later zat hij er al temidden van een bont gezelschap. Omdat de man door het dragen van de hoed alles zien kon, zag hij niet alleen de genode gasten, maar ook de ongenode gasten: op de randjes en richels langs de plafonds krioelde het van dwergen.

"Wat zie ik?" hoorde hij een van de dwergen zeggen. "Ons oompje is ook op het feest!"

"Welnee," fluisterde een ander, "dat is ons oompje niet. Dat is een onbekende man met oompjes hoed, oompjes schoenen en oompjes knoet."

Intussen werden de schalen met kostelijke spijzen op tafel gezet. De man uit Estland zag nu iets gebeuren dat geen van de andere gasten kon zien, omdat het zo razendvlug ging: de dwergen gristen de kostelijke spijzen van de schalen en legden er vieze kliekjes voor in de plaats. Zo verwisselden ze ook de inhoud van kannen en flessen.

De man uit Estland stond op en richtte het woord tot de vader van de bruid. Hij begon met: "U zult mij hopelijk niet kwalijk nemen dat ik zo onverwacht kom binnenvallen. Ik neem aan dat een gast meer of minder er niet toe doet, op deze voor u allen zo heugelijke dag. Het zou natuurlijk wat anders zijn als het aantal ongenode gasten de uitgenodigde gasten zou overtreffen. En dat is hier nu juist het geval!"

"Ik ben bang dat ik u niet begrijp," zei de vader van de bruid.

"Zet u mijn hoed even op, dan ziet u wat en wie ik bedoel," zei de man uit Estland en hij zette de vader van de bruid zijn hoed op, zodat deze nu met eigen ogen het dwergen volk zag zitten.

De vader van de bruid werd zo wit als de sluier van zijn dochter en riep: "Die kleine gastjes komen mij niet gelegen. Hoe raak ik ze kwijt?"

"Daar zal ik voor zorgen," zei de man uit Estland, die de hoed weer terugnam en hem op zijn eigen hoofd zette. "Alle gasten die wel zijn uitgenodigd, nodig ik uit om even de buitenlucht in te gaan. Vervolgens sluit ik alle ramen en deuren, en ook alle kieren en spleten, zorgvuldig af. Waarna ik de dwergjes laat verdwijnen!"

Hoewel de vader van de bruid de zaak maar half vertrouwde (daarvoor was hij dan ook de vader van de bruid), stemde hij toch toe in deze gang van zaken. De uitgenodigde gasten gingen naar buiten en de man uit Estland bleef alleen achter in het feestelijke vertrek om alle deuren, ramen, spleten en kieren af te sluiten. Toen dat door hem gedaan was, liep hij drie keer de kamer rond, zwaaiend met de knoet. De kleine gastjes losten op als dunne mist; alleen de afdrukken van hun zitvlakjes op de stoffige richels herinnerden eraan dat ze daar gezeten hadden.

De man uit Estland riep nu de vader van de bruid de kamer in en zette hem de vilthoed op.

"Overtuig u! Ze zijn allemaal foetsie!"

"Waaratje, ze zijn weg!" zei de vader van de bruid. "Kunnen nu de uitgenodigde gasten weer aan tafel gaan?"

"Nodig ze uit om aan tafel te gaan!" zei de man met de hoed.

Even later zat iedereen te smullen, want de vieze kliekjes van de dwergen waren afgeruimd en de kooksters in de keuken stonden bergen nieuwe spijzen te bereiden. De man met de hoed smulde mee. De gedachten van de feestvierenden waren voor hem te lezen als Ot en Sien. Wat de man met de hoed las stemde hem verre van feestelijk. Hij las de hebzuchtige gedachten van de bruidegom, die meer naar de rijkdommen van zijn schoonvader dan naar zijn bruid verlangde. Hij las de gemakzuchtige gedachten van de bruid, die zich verheugde op een lui leven als gebiedster in het huis van haar vader. Hij las de gedachten van de andere gasten: onnozele gedachten, minne gedachten, schandalige gedachten, haat en nijd en jaloezie en inhaligheid.

Ten einde raad - want zijn eten smaakte hem steeds minder - zette hij de hoed maar af. Pas toen kwam de stemming erin en begon het zingen en voordragen. Het werd een mooi feest.


                                        * * * einde * * *
Bron : - "Sprookjes en vertellingen uit Rusland" vertaald en bewerkt door Hans Werner.
           Deltos Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1972. ISBN: 90-10-30122-2
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 01:08 2 reacties Reageer op dit bericht

De ongenode bruiloftsgast

De ongenode bruiloftsgast
- Een Estisch sprookje over drie magische tovervoorwerpen -
Een man die alleen door het bos liep, kwam bij een open plek waar drie dwergen bezig waren elkaar vreselijk toe te takelen. Ze sloegen elkaar met hun kleine vuistjes, ze schopten elkaar met hun kleine voetjes, ze trokken aan haren en baarden - het was gruwelijk om aan te zien. De man - dit gebeurde allemaal in Estland - ging dichterbij en vroeg waarom ze zo met elkaar vochten.

"Goed dat u gekomen bent," riepen de dwergen eensgezind. "U kunt scheidsrechter zijn in ons geschil."

"Dan dien ik toch eerst te weten waarover het gaat," zei de Est. "Schreeuw nu niet direkt alle drie door elkaar. Laat ieder op zijn beurt vertellen wat er aan de hand is, zodat ik er wijs uit kan worden."

"Zeer juist," zei de grootste dwerg. "Dan zal ik maar de spits afbijten. Luister nauwlettend, beste man. Gisteren overleed onze vader - wij zijn drie broers - en nu valt zijn erfenis te verdelen. Ziedaar in een notedop de oorzaak van onze broedertwist."

"En waaruit bestaat de erfenis van uw vader?" vroeg de man.

"Ziehier!" zei dezelfde dwerg en hij wees naar een paar afgetrapte schoenen, een verfomfaaide vilthoed en een ruwe knots, die naast elkaar in het gras lagen.

"Om deze oude bullen vliegen jullie elkaar in haar en baard?" vroeg de man. "Iemand met een greintje gezond verstand zou ze op de vuilnishoop gooien. Dat jullie er anders over denken is jullie eigen zaak, maar wees dan wijs en verdeel die ongure erfenis in vrede. Jullie zijn drie broers, er zijn drie erfstukken, dus wat kan simpeler zijn: dwerg a krijgt de schoenen, dwerg b krijgt de hoed, dwerg c krijgt de knoet!"

"Over onze lijkjes!" schreeuwden de dwergen. "Zo mag het in geen geval gaan. Deze drie dingen moeten bij elkaar blijven. Anders gaat de toverkracht eruit."

"Toverkracht?" zei de man. "Vertel me daar eens meer van."

Nu nam een tweede dwerg (hij had een dichtgeslagen oog) het woord. "Die oude hoed is, voor wie hem draagt, meer waard dan de grootste schat. Wie die hoed draagt, ziet alles wat op aarde gebeurt, wist u dat? Ver weg of dichtbij maakt geen verschil; met die hoed op kijk je net zo ver als de verste ster en bovendien kun je alle gedachten lezen van ieder weldenkend of kwaaddenkend wezen. Op die oude schoenen loopt de drager van de hoed naar Koerland of Polen of verder als het moet in de allerkortste keren. Wilt u nu soms nog beweren dat deze oude spullen ons ten onrechte met woede vervullen, zolang de een ze niet aan de ander gunt? En dan deze knots, daarmee kan de drager van hoed en schoenen ieder laten wijken voor zijn wil. Ja, zelfs rotsen en rivieren, boze geesten en wilde dieren, en bedenkt u de rest er verder maar bij. Alles gaat voor deze knots opzij. Volgens mij kunnen we alleen uit de moeilijkheden raken als we afspreken om beurten van deze spulletjes gebruik te maken."

"Deze geschiedenis heeft zijn amusante kanten," zei de man. "Ik heb een idee. Ik zal als scheidsrechter dit geschil regelen, maar ik kan geen rechtvaardige uitspraak doen voor ik zelf deze drie erfstukken heb gekeurd. Ik zou graag de schoenen aandoen, de hoed opzetten en de knots vasthouden. Daarna geef ik bescheid."

"Gaat uw gang!" riepen de dwergen. "Als het niet teveel tijd vergt tenminste. Vandaag is in Koerland een schitterende bruiloft. Van heinde en verre trekken onze familieleden en vrienden erheen en wij willen ook van de partij zijn."

De man nam de vilthoed uit het gras. Bij het aanraken ervan merkte hij dat die hoed helemaal niet van vilt was; die hoed was gemaakt van de nagelrandjes van kinderhandjes. De man zette de hoed op (het was een kleine maat) en terstond werd de bruiloft in Koerland glashelder zichtbaar.

"Zet nu de schoenen voor mij neer en geef mij de knots in de hand," zei de man. "Daarna gaan jullie alle drie voor me staan met jullie ruggetjes naar mij toe. En denk erom: niet achterom kijken voor ik als scheidsrechter de uitslag heb bekend gemaakt."

De dwergen deden wat hen was opgedragen, zonder dat in hun eenvoudige breintjes enig wantrouwen ontstond. Zodra ze met hun ruggetjes naar de 'scheidsrechter' stonden, schoot deze de schoenen aan (ze zaten erg nauw) en zwaaide de knots over de dwergenhoofdjes. De drie dwergen losten op als dunne mist; alleen hun voetafdrukjes in het gras herinnerden eraan dat ze daar gestaan hadden. Nu hief de man het rechterbeen en hij riep: "Naar Koerland, naar de bruiloft!"


                                * * * wordt vervolgd * * *
Bron : - "Sprookjes en vertellingen uit Rusland" vertaald en bewerkt door Hans Werner.
           Deltos Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1972. ISBN: 90-10-30122-2
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:04 2 reacties Reageer op dit bericht

Waarom de sleutelbloem...

Waarom de sleutelbloem geen schatplaatsen meer openmaakt
- Een wonderlijk verhaal over de gouden sleutelbloem (Primula veris) -
sleutelbloemToen er nog feeën op de wereld waren die zich aan de mensen vertoonden, bezat de sleutelbloem een zekere toverkracht. Als ze in de lente weer ging bloeien en iemand plukte haar op het juiste ogenblik, dan kon je er rotsen met verborgen schatten mee openmaken.

Op een keer overkwam dit ook een herder. Toen het lente werd dreef hij zijn schaapjes de wei in en vond onder een rots, aan de rand van het bos, een groot aantal bloeiende sleutelbloemen. De herder vond ze prachtig en zocht de mooiste en grootste sleutelbloem uit en stak hem op zijn hoed.

Plotseling werd zijn hoed vreselijk zwaar. "Wat is er toch met mijn hoed aan de hand?" vroeg de herder zich verbaasd af. Hij deed zijn hoed af en bleef stokstijf staan. Op de plaats van de bloem lag nu een echte sleutel en daar kwam nog bij, dat hij helemaal van goud was.

Nauwelijks had hij hem in zijn handen genomen om te voelen hoe zwaar hij was, of daar verscheen een beeldschone fee. De herder had haar niet horen komen en schrok.

"Wees niet bang," zei de fee. "De sleutel zal je geluk brengen. Leg hem daar op de rots. De rots zal opengaan en je zult er alle schatten van de wereld vinden. Neem daarvan, zoveel je wilt. Maar let wel op dat je tot slot het beste niet vergeet."

De herder wist niet of hij wakker was of droomde. Hij liep naar de rots, legde de gouden sleutel erop en inderdaad, de rots ging open en in een duistere grot glinsterden de verborgen schatten. Er lag zoveel goud, zilver en edelstenen, dat je af en toe je ogen dicht moest knijpen. De herder liep de grot in, spreidde zijn jas op de grond uit en legde er net zoveel schatten in als hij kon dragen. Toen gooide hij de bundel over zijn schouders en verliet de grot. Maar het belangrijkste liet hij liggen. De gouden sleutel, die de verborgen schatplaatsen open moest maken, liet hij op de grond liggen. De rots sloot zich weer achter hem en niemand heeft de sleutel ooit weer gezien.

Vanaf die tijd hebben de sleutelbloemen hun toverkracht verloren. En feeën, die zich aan de mensen vertonen, die bestaan ook niet meer.


                                        * * * einde * * *
Bron : - "De betoverde tuin" door Marie Mrstikova. Nederlandse vertaling van Els Nuijen.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1978. ISBN: 90-251-0297-2
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:08 2 reacties Reageer op dit bericht

De geest van een...

De geest van een schimmelplant redt een Indiaans meisje
- Een sprookje van de Surinaamse indianen over een bosgeest -
Twee meisjes bleven omdat ze dat zelf wilden alleen in een hut achter, terwijl de ouders een drinkgelag bijwoonden. De ouders hadden er bij de dochters op aangedrongen dat ze mee zouden gaan, maar deze hadden er geen zin in. Tegen zonsondergang daalde nu een Joroka van een nabij staande kankantrie: hij had pijl en boog, waarmee hij een papegaai schoot. Hij bracht de vogel aan de beide meisjes en vroeg hun om het dier te koken. Omdat ze niet wisten, dat de bezoeker een bosgeest was voldeden ze maar al te gretig aan zijn verzoek. Toen ze gezamenlijk de vogel hadden verorberd, verdween hij met een zwaai in de hangmat, die hij had opgehangen. Joroka vroeg het jongste meisje om hem gezelschap te komen houden, maar die voelde er niets voor en ze zond haar oudere zuster in haar plaats.

Na een tijdje hoorde de jongste een vreemd geluid en daarbij huilen, dat uit de hangmat van de bezoeker kwam. Het geluid werd steeds erger, en nadat ze het vuur wat opgestookt had vermande ze zich. Ze ging naar de hangmat toe, en daaruit zag ze tot haar grote schrik bloed druppelen. Nog erger schrok ze, toen ze haar zuster dood in de hangmat zag liggen. De bezoeker zelf was verdwenen, maar aan bepaalde kentekenen begreep ze, tot welke stam de bezoeker behoorde. Om aan een dergelijk lot te ontkomen, haastte ze zich nu naar buiten en liep ze naar het maïsveld, dat haar eigendom was. Het veld was door de schimmel geheel aangetast en verrot; in dit veld verborg ze zich. Om zich nog beter te beveiligen, waarschuwde ze de geest van de schimmelplant; ze zei dat ze hem nooit meer koren zou geven, als Joroka haar hier mocht vinden en haar mocht pakken. In de vroege ochtend verscheen Joroka en vroeg aan de Geest van de Schimmel of hij toevallig een meisje had gezien, maar deze gaf geen antwoord, omdat hij druk bezig was maïs te eten. Joroka ging toen aan het zoeken, overal tussendoor kruipend, maar toen hij haar met het aanbreken van de dag nog niet had gevonden moest hij wel naar zijn verblijf in de kankantrie terugkeren.

Het arme meisje had de hele nacht tussen het maïs rondgekropen, en pas toen de zon hoog aan de hemel stond durfde ze eruit op te staan. Ze zocht nu haastig het pad op, dat naar haar hut leidde en ontmoette er haar ouders, die net van het drinkgelag terugkeerden. Zodra ze hen zag, begon ze te huilen en te schreeuwen.

"Wat is er aan de hand?" vroeg haar moeder.

"De Komaka-Joroka heeft mijn arme zuster gedood," antwoordde ze.

"Zie je nu wel," klaagde de moeder, "jullie hadden met ons mee moeten gaan, in plaats van alleen achter te blijven."

Zodra ze allemaal in de hut waren teruggekeerd, was het lichaam van de gedode zuster verdwenen. Zo snel als ze konden deden ze alle pepers die ze bijeen konden rapen in manden om daarmee naar de kankantrie te gaan, die de dochter als het verblijf van Joroka had aangewezen.

Een groot vuur werd nu om de boom aangelegd, en daarin peper gestrooid. Er moest wel een grote Joroka-familie in die kankantrie wonen, want toen de prikkelende rook in de boom omhoog steeg, kwamen er veel kleine brulapen naar beneden, waarmee het vuur korte metten maakte. Nog meer pepers werden nu in het vuur geworpen, en een heleboel veel grotere brulapen kwamen naar beneden en ondergingen hetzelfde lot.

De ouders wierpen nu de rest van de pepers in het vuur en daar kwam Joroka zelf, die de oudste dochter had gedood, naar beneden. Terwijl de vader hem toeriep: "Ik dood je, om mij te wreken op de dood van mijn dochter," brachten ze hem met hun allen om. Het lichaam van Joroka werd nu geopend, en ze vonden er vrouwenvlees in.

Van die tijd af heeft de jongste dochter altijd haar ouders gehoorzaamd.


                                        * * * einde * * *
Bron : - "Westindische sprookjes"
           uitgegeven door Elmar, Rijswijk, 1994. ISBN: 90389-02719
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 01:16 3 reacties Reageer op dit bericht

De ooievaars

De ooievaars
- Een sprookje van Hans Christian Andersen -
4021 (9K)Op het laatste huis in een klein stadje stond een ooievaarsnest. De ooievaarsmoeder zat op het nest bij haar vier kleintjes, die hun kopje met het zwarte snaveltje naar buiten staken: maar die waren nog niet rood. Een eindje daarvandaan op het dak stond stijf en stram vader ooievaar. Hij had zijn ene poot opgetrokken om het zich niet al te gemakkelijk te maken terwijl hij op wacht stond. Je zou heus denken dat hij uit hout was gesneden, zo stil stond hij. "Het staat wel heel voornaam, wanneer mijn vrouw een schildwacht bij haar nest heeft!" dacht hij, "ze kunnen toch niet weten dat ik haar man ben, ze geloven vast dat ik opgecommandeerd ben om hier te staan. Dat maakt een flinke indruk!" En dus bleef hij op zijn ene been staan.

Beneden op straat speelde een troepje kinderen en toen ze de ooievaars zagen zong een van de moedigste jongens, en daarna allen te zamen, het oude liedje van de ooievaars; ze zongen het, voor zover hij het zich kon herinneren:
"Ooievaar, ooievaar,
Vlieg weer naar je nest!
Daar ligt je wijfje
Met vier dikke jongen.
De ene wordt gehangen,
De tweede gespietst,
De derde verbrand,
En de vierde gaat binnenstebuiten!"
"Hoor toch eens, wat die jongens daar zingen!" zeiden de kleine ooievaartjes. "Ze zeggen dat we gehangen en verbrand worden!"

"Dat moeten jullie je niet aantrekken!" zei de ooievaarsmoeder. "Luister er maar niet naar, dan doet het er ook niet toe!"

Maar de jongens bleven doorzingen en ze wezen met hun vinger naar de ooievaars. Alleen één jongen, hij heette Piet, zei dat het niet aardig was de dieren voor de gek te houden en hij wilde helemaal niet meedoen. De ooievaarsmoeder troostte haar jongen dan ook: "Trek het je niet aan!" zei ze. "Kijk eens hoe rustig jullie vader daar staat, en dat nog wel op één been!"

"Wij zijn zo bang!" zeiden de jongen en zij trokken hun kopje diep in het nest terug.

"Wacht es!" zei de ooievaarsmoeder. "Daar bedenk ik wat! Ik weet waar de vijver is, waar alle mensenkindertjes liggen tot de ooievaar ze komt halen om ze naar hun ouders te brengen. Die lieve kindertjes slapen en dromen zo heerlijk, als ze later nooit meer zullen dromen. Alle ouders willen graag zo'n kindje hebben en alle kinderen willen graag zo'n zusje of broertje hebben. Nu vliegen we naar de vijver en we halen er eentje voor ieder kind dat niet mee heeft gezongen en de ooievaar voor de gek gehouden; de andere kinderen krijgen er helemaal geen!"

"Maar de jongen die met zingen begonnen is, die akelige nare jongen!" riepen de jonge ooievaars, "wat doen wij met hem?"

"Er ligt in de vijver een dood kindje dat zich dood heeft gedroomd, dat zullen we meenemen voor hem. Dan moet hij huilen omdat we hem een dood broertje gebracht hebben. Maar die aardige jongen, die hebben jullie toch niet vergeten, die zei: het is niet lief dieren voor de gek te houden!, hem zullen we een broertje en een zusje brengen, en omdat die jongen Piet heette zullen jullie ook allemaal Piet heten!"

En het gebeurde zoals ze gezegd had, en sindsdien heetten alle ooievaars Piet en zo heten ze nu nog.


                                        * * * einde * * *
Bron : - "Sprookjes en vertellingen" door Hans Christian Andersen.
           Van Holkema & Warendorf, Bussum, 1975. ISBN: 90-269-0924-1
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 01:05 6 reacties Reageer op dit bericht

De hond, die...

De hond, die geen hond was
- Een Nederlands sprookje over een in een hond betoverde prins -
Er was eens een schipper en die voer met zijn schip over zee en toen verging het schip en hij kwam op een stuk hout aan land drijven. Hij was droevig, omdat hij zijn schip verloren had en toen kwam daar een zwarte hond bij hem en die vroeg hem, wat hem scheelde.

"Och, je kunt me toch niet helpen," zei de schipper, maar de hond hield aan. "Ik zal het je maar zeggen," zei die, " ik kan je wel helpen." De schipper was bang, dat die hond de Duivel was en hield zijn mond, maar toen het beest volhield, zei hij het op het laatst toch en hij vertelde, dat hij zijn schip had verloren en nu geen nieuwe meer krijgen kon.

"Bestel maar een schip," zei de hond, en de schipper bestelde een schip en toen ze dat aan het timmeren waren, liep de hond daar de hele tijd omheen, want hij moest het geld ervoor geven. Toen het schip klaar was, betaalde de hond het, maar het had nog geen zeilen en touwen.

"Hoe moet ik daaraan komen?" vroeg de schipper aan de hond.

"Hier heb je geld," zei de hond, "koop daar zeilen en touwen voor."

En toen die erop waren, zei de schipper: "Nu heb ik nog geen knechten en geen eten om op reis van te leven." De hond gaf hem weer geld. "Koop daar eten voor en huur knechten."

Dat deed de schipper en zo kwam hij klaar voor de reis. "Nu moet ik ook meevaren," zei de hond toen. Goed, en ze staken in zee. "Je moet maar al noord-aan zeilen," zei de hond. Goed, dat deed de schipper.

Toen ze drie dagen gezeild hadden, zei de hond: "Je moet je gereed maken, we krijgen een storm van anderhalve dag." Goed, toen kregen ze ook die storm.

En toen de storm over was, zei de hond: "Nu hebben we lange tijd mooi weer."

En zo gebeurde het ook. Maar daarna zei de hond: "Nu krijgen we weer een storm van een dag of drie, maak je maar gereed." En het gebeurde weer, zoals de hond gezegd had.

En nadat ze weer lange tijd mooi weer hadden gehad, zei de hond, dat er een storm van een week lang zou komen en dat ze het anker maar moesten laten vallen. Dat deed de schipper toen en die storm ging ook weer voorbij. "Nu hebben we net zo lang mooi weer, als we nog op zee zijn," zei de hond toen. En dat hadden ze ook.

Ze voeren lange tijd door en toen vroeg de hond: "Zie je ook haast land?"

"Nee," zei de schipper.

"Zeil vooral noord-aan," zei de hond.

Dat deed de schipper en na een dag of drie vroeg de hond weer, of de schipper nog haast geen land zag. "Nee," zei de schipper, "ik zie geen land, maar ik zie wel een groot vuur. Het lijkt de hel wel."

"Nee," zei de hond, "het is de hel niet en het is ook geen vuur. Het is mijn vaders kasteel, dat is van goud en daar schijnt de zon op."

Toen zeilden ze nog een dag of drie en daarna kwamen ze bij het land, maar ze konden niet dicht genoeg bij de wal komen, want het was daar niet diep genoeg. De hond zei, dat ze maar een boot uit moesten zetten en daar gingen ze toen mee naar het kasteel.

Daar was geen mens en de hond zei: "Nu moet je drie kwade nachten uitstaan, maar hou je maar stil."

"Goed," zei de schipper.

De eerste nacht brak aan, en toen de kaarsen opkwamen, was er een kamer vol volk en ze grepen de schipper en kaatsten hem elkander toe, van de een naar de ander. Zo de gehele nacht door en toen de dag aanbrak was al dat volk weg en ze waren weer met hun beiden en des daags aten ze met hun beiden.

Toen de kaarsen de tweede nacht weer opkwamen, ging het weer net zo en ze zeiden: - Dat is een mooie kaatsbal! En de derde nacht alweer zo. Maar toen zei de hond, dat het genoeg was, en ze kwamen in een kamer, waar een groot zwaard op tafel lag.

"Daar moet je me de kop mee afhouwen," zei de hond toen. Maar dat zinde de schipper niet. "Nee, dat kan ik niet doen, je bent veel te goed voor me geweest," zei hij.

"Je moet het toch doen," zei de hond, "anders moet jouw kop eraf."

Toen deed de schipper het en toen de hond zijn kop er af was, werd hij een mens.

"Zie je wel," zei hij, "zo is het beter. Mijn vader had mij in een hond omgetoverd en op zo'n manier moest ik weer een mens worden."

De schipper was natuurlijk heel blij. En hij kreeg nog zoveel geld van de hond toe, dat hij daar zijn hele leven genoeg aan had. Hij bedankte de hond, maar die zei, dat het niet nodig was. "Ik mag jou wel bedanken," zei hij. En de schipper ging voort met zijn geld.


                                        * * * einde * * *
Bron : - "Nederlandse sagen en volksverhalen" door Cor Bruijn. Fibula, Houten, 1989.
           Oorspr. titel: Nederlandse sagen. Ploegsma, Amsterdam, 1946. ISBN: 90-269-4419-5
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:46 3 reacties Reageer op dit bericht

Het meisje dat...

Het meisje dat niet wilde trouwen
- Een Swahili-sprookje over vooroordelen t.a.v. het huwelijk -
Er was eens een man die drie dochters had. Twee van hen waren al uitgehuwelijkt maar de derde weigerde te trouwen. Op een dag kwam een aanbidder haar het hof maken. Hij vroeg haar vader om haar hand. Haar vader antwoordde: "Ik wil hierover geen beslissing nemen. Ga maar naar haar toe en vraag wat ze er zelf over denkt!"

Die aanbidder riep haar kamermeisje en gaf haar veel geschenken. Daarna ging hij met het meisje zelf spreken. Ze dacht verschrikt: "Ik word uitgehuwelijkt!" en liep weg van huis om zich in het bos te verbergen. Niet lang daarna kwam een tweede vrijgezel om haar hand vragen, maar haar vader zei: "Ik heb geen huwbare dochter meer, ze is namelijk weggelopen omdat ze niet wil trouwen." De jongeman zei: "Ik zal haar gaan zoeken. Als ik haar vind en bij u terugbreng, mag ik dan met haar trouwen?" - "Als je haar vindt mag je haar houden," antwoordde de vader.

De jongeman ging naar het bos. Het meisje had zich verborgen vlak bij een meer. Toen het meisje de jongeman zag naderen liep ze vlug weg. Hij rende haar achterna. Ze riep: "Alsjeblief meneer, blijf staan, waarom loop je me achterna?" Hij riep terug: "Ik zie een wonder. Ik kwam me verbergen in het bos en heb sinds lang geen meisje gezien. Nu zie ik een meisje dat voor me wegvlucht." Het meisje riep: "Heb je dan geen andere reden om hier door dit bos te hollen?" - "Toch wel," antwoordde de jongen, "mijn vader wil dat ik met een meisje trouw, maar daar heb ik helemaal geen zin in. Daarom ben ik eigenlijk naar het bos gekomen!" - "Ach," zei ze, "ook ik ben hier omdat ik niet wil trouwen." De twee sloten vriendschap.

's Middags werd het bijzonder warm. Het meisje zei dat ze wilde zwemmen in het meer. Dat vond de jongen wel een goed idee en hij stelde voor: "Laat ons samen in het meer gaan." Ze antwoordde: "We kunnen samen zwemmen, maar je moet je rustig houden!" - "Ik ben al sedert mijn geboorte een uitgesproken rustig iemand," verzekerde de jongeman haar. Ze gingen beiden het water in.

Maar toen de jongen de stevige borsten van het meisje zag werd hij vervuld door begeerte. Hij omhelsde haar steeds inniger en ook het meisje werd aangestoken door een vurig verlangen. Ze kwamen uit het water en de jongen fluisterde haar tedere woordjes in en liefkoosde haar zacht tot het meisje tevreden was, en hij ook.

Na drie dágen van intens beminnen vroeg het meisje hem: "Wat is dit hier?" De jongen antwoordde: "Heb je ooit al eens van een huwelijk gehoord? Wel, een huwelijk is als dit." - "Als dit op een huwelijk lijkt wil ik onmiddellijk trouwen en liever vandaag dan morgen. Ik was gek vroeger, want ik geloofde de mensen die me zeiden dat het huwelijk iets slechts was. Ze zeiden me dat een echtgenoot zijn vrouw slaat en uitscheldt. Maar als een huwelijk is wat we hier al drie dagen doen, wil ik onmiddellijk naar mijn vader teruggaan en met je huwen."

Haar vader was zeer opgelucht zijn dochter behouden weer te zien, vooral omdat ze haar afkeer voor het huwelijk had opgegeven. Ze trouwden nog diezelfde dag, ze hielden een groot feest en leefden in een mooi huisje samen als man en vrouw.


                                        * * * einde * * *
Bron : - "Swahili sprookjes" samengesteld en vertaald uit het Swahili door Kris Berwouts.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:30 4 reacties Reageer op dit bericht

De wollef en de seve geitjes

De wollef en de seve geitjes
- Het bekende sprookje in plat Amsterdams -
Der ware es seve geitjes en op een dag mos de ouwe geit naar de markt om de bonkaarte te ferpatse en toen see se tegen de geitjes: "Jongens, moe mot effe weg, geen rottigheidjes uithale en as de wollef komp, zeg dan as dat ie dood ken falle en niet ope doen."

"Das hartstikke krent," seeje de geitjes.

"Das dan voor ze ruige roodkopere," see de ouwe, "Nou, de mazzel hoor."

Toen de ouwe weg was, gonge de geitjes spelletjes doen en alles was kits tot er op de deur wies gerammeld.

"Daar heb ie het gedonder in de glase!" riepe de geitjes.

"Wat mot je?" vroeg er een.

"Maak de deur es effe ope, knapie," see de wollef, die buiten sting en de boel wou vernaggele.

"Je suster," seeje de geitjes, die hoorde dat het de wollef was. "We kijke wel uit hoor, laser maar op, hufter, neem je tante in de feiling."

Affijn, de wollef drukte se porem, want ie foelde wel, dat de geitjes in de smiese hadde dattet een fuil bakkie was. Effe later kwam ie terug en see ie met een vrouwestem dat ze de deur ope moste make, want de tent zat nog steeds op slot. De geitjes dachte dat alles jofel was, maar eentje was er toch zo link om de wollef te vrage se poot te late sien, dus drukte ie se snor. Nou mossie wat anders versinne en ie douwde se jatte in 't meel, om se wit te late schijne.

Toen de geitjes weer vroege om se grijpstuivers te late sien, doche se dat alles oke was en se seeje: "Goeje soep jongens, ope die tent."

De wollef kwam binne en see: "Nou heb ik jullie an je staart, vuile stinkers."

De geitjes schrokke sich 't laseres. De wollef sloeg se hallef lens en frat se op. Alleen 't sevende geitje was zo link om in de klok te duike en bleef daar sitte tot de wollef pleite was. 's Avonds kwam de ouwe geit in de lierum thuis en 't kleine geitje see dat die rottige wollef de andere ses in se muil hat gedouwd.

"Soon een stuk schorem," see de ouwe geit, die er meteen gloeiend de schurft in kreeg. "Die rottigheid sal ik die goser es effe aflere!"

De ouwe nam een end hout en gong met het geitje naar 't hol van de wollef, die met se folle pens voor pampus op se flooienbunker lei te snurken.

"Heb jij me kindere opgevrete, loeder?"

De wollef wier wakker en schrok se eige een rotje.

"Be je belaserd," see die gauw: "Ik heb geen poot buite de deur geset."

"Hij liegt dat ie barst," riep het geitje, "Ik heb het sellef gesien."

De ouwe sprong naar de wollef toe en sloeg um met een opdonder se harsens in. De wollef lag meteen kassie weine en was in een mum van tijd de laan uit. De ouwe nam een neifie en snee de pens van de wollef ope.

De ses geitjes spronge er meteen uit en songe: "Daar benne we weer!"

"Jullie kenne van geluk spreke," see de ouwe: "Daar wasse jullie sowat de pieneut geweest."

Om kort te gaan, se douwde de bast van de wollef vol met keie en se laserde um de majum in. De geitjes leefde nog lang en gelukkig.


                                          * * * einde * * *
Bron : - http://www.meertens.nl/medewerkers/theo.meder/MagischeVlucht/inhoud.html
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:15 6 reacties Reageer op dit bericht

Van het zingende zeemeerminneke

Van het zingende zeemeerminneke
- Een sprookje van Nelly Kunst -
Er was eens een vissersweduwe. Ze woonde met haar enige dochtertje in een klein huisje aan zee. Het meisje hield veel van de zee. Iedere dag speelde ze op het strand en in het water. Ze ging dikwijls zo ver, dat ze met moeite weer terug kon komen. De vissersvrouw had enige jaren geleden haar man verloren. Hij was verdronken op zee. Nu was ze bang, dat ook haar dochtertje zou verdrinken. Daarom sprak ze keer op keer:

"Kind, wees toch voorzichtig. Het water sleurt je nog eens mee en dan kun je niet meer terugkomen. Ga toch niet te ver in zee!" Ze had echter geen tijd om voortdurend op haar dochtertje te letten. Ze moest iedere dag uit werken om de kost te verdienen. Op een middag, toen ze wat later dan anders thuiskwam, was het meisje nog niet thuis. Ongerust liep de moeder naar de zee en tuurde over het water. Maar ze zag haar kind nergens. Ze liep langs het strand en riep haar naam.

Toen het avond begon te worden, had ze haar dochtertje nog niet gevonden. Diep bedroefd ging de arme moeder naar huis. Eensklaps klonk er een wondermooie stem uit de zee, die zong:
"In mijn paleis, op de bodem der zee,
spelen mijn kinderen heel tevree."
De vissersvrouw liep snel terug naar het water. Daar zag ze een zeemeermin, met lange, losse haren, op de golven wiegen. "Hebt u mijn dochtertje ook gezien?" vroeg de moeder met angstige stem.

"Ja, zeker," antwoordde de zeemeermin. "Uw dochtertje is meegenomen door de golven, maar ze is gezond en wel. Ze speelt met andere kinderen in mijn paleis op de bodem van de zee." De vrouw begon luid te snikken. "Geef mijn kind terug. Ze is alles, wat ik bezit," smeekte ze. De zeemeermin gaf geen antwoord. Ze zong en haar stem klonk galmend over het klotsende water.

De moeder bleef smeken en toen kreeg de zeemeermin medelijden met haar. "Wat de zee genomen heeft, geeft ze niet terug. Maar ik wil toch iets voor u doen. Ik zal u meenemen naar het paleis. Dan kunt u zelf uw dochtertje zien. Durft u met mij mee?" - "O, ja," riep de vissersvrouw. "Dat durf ik wel!" De zeemeermin bracht haar naar de bodem van de zee. Daar stond een prachtig paleis, dat schitterde als kristal. Er straalde goud licht. De zeemeermin bracht de vrouw naar een klein kamertje. Daarin was een raampje, dat niet veel groter was dan een sleutelgat. "Kijk daar maar eens door," lachte de zeemeermin. Verwonderd gluurde de bedroefde moeder door het kleine raampje. Ze zag een grote zaal met lachende, spelende kinderen. Haar dochtertje was er ook bij. Het lachte en speelde heel tevreden, net als de anderen. Wat was de moeder gelukkig, toen ze zag, dat haar kind nog leefde. "Mag ik naar haar toe?" vroeg ze.

"Nee," zei de zeemeermin. "Het kind is van de zee! En wat de zee genomen heeft, geeft ze niet terug!" - "Ach," smeekte de moeder verdrietig. "Mag ik hier dan blijven kijken?" - "Zo lang u dat wil," sprak de zeemeermin. Dagen en weken bleef de ongelukkige moeder door het kleine raampje kijken. Maar op een dag kon ze het niet langer volhouden en vroeg weer aan de zeemeermin: "Geef mij toch m'n kind terug. De zee heeft mijn man genomen en nu ook nog mijn kind. Ik ben zo alleen!" De zeemeermin kreeg medelijden en sprak:

"Goed! Maar dan moet u eerst voor mij een mantel breien van uw eigen haar. Ik zal u een wonderdrank geven. Daar gaat uw haar sneller van groeien. U krijgt ook een paar fijne breipennen en een schaar." Dadelijk begon de moeder haar lange haar af te knippen en dronk toen een slok van de wonderdrank. Daarna zette ze steken op de pen en begon te breien.

Het werd zo'n fijn weefsel, dat het lang zou duren, voor de hele mantel klaar zou zijn. Na een half jaar was de mantel gereed. De zeemeermin was zeer tevreden en bracht de vissersweduwe met haar kind terug naar het strand.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Er was eens; bekende sprookjes van Nelly Kunst" door Nelly Kunst.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:44 3 reacties Reageer op dit bericht

Kat en muis samen thuis

Kat en muis samen thuis
- Een sprookje van Grimm -
Een kat had kennis gemaakt met een muis en haar zoveel voorgespiegeld over haar grote liefde en vriendschap, dat de muis er vriendelijk in toestemde, met haar samen in één huis te wonen en samen ’t huishouden te doen. "Maar voor de winter moeten we voorraad opdoen, anders lijden we honger," zei de kat. "Jij, kleine muis, kunt je niet overal heen wagen, want dan kom je tenslotte nog in een val terecht."

De goede raad werd opgevolgd, en een potje met vet aangeschaft. Ze wisten niet, waar ze het vet bewaren zouden; eindelijk, na lange uren nadenken, sprak de kat: "Ik weet niet waar je het beter zou kunnen bewaren dan in de kerk, want daar durft niemand iets weg te nemen; we zetten het onder ’t altaar en komen er niet eerder aan, dan wanneer de nood aan de man komt."

Het potje werd dus in veilige bewaring gebracht; maar het duurde niet lang, of de kat kreeg er zo’n trek in, en hij sprak tot de muis: "Wat ik nog zeggen wou, muisje, mijn nichtje heeft gevraagd of ik peet wou zijn; ze heeft een zoontje gekregen, wit met bruine vlekjes, en dat moet ik ten doop houden. Laat mij vandaag uitgaan, dan kun jij ’t huishouden wel eens alleen doen vandaag." - "Ja, best," gaf de muis ten antwoord, "ga in Gods naam; en als je wat lekkers krijgt, denk dan aan me; die heerlijke zoete kandeel, daar zou ik best wat van willen hebben."

Maar ’t was niet waar, de kat had helemaal geen nichtje en was niet als peet gevraagd. Hij ging rechttoe rechtaan naar de kerk, sloop naar het potje met vet, begon te likken en likte er het bovenste vel af. Toen ging hij een wandeling maken over de daken van de stad, keek overal eens rond, strekte zich toen heerlijk uit in ’t zonnetje en likte zich z’n snorrebaard zodra hij weer aan dat vetpotje dacht. Pas toen de avond viel, kwam hij weer naar huis. "Zo, ben je daar weer," zei de muis, "je hebt zeker een prettige dag gehad." - "Dat ging wel," antwoordde de kat. "En wat voor naam heeft het kind gekregen?" vroeg de muis. "Velaf," zei de kat droogjes. "Velaf!" zei de muis, "wat is dat een wonderlijke en rare naam; is die in de familie gebruikelijk?" - "Hoezo?" zei de kat, "het is niet erger dan Knabbeldief, zoals jouw familie heet."

Niet lang daarna overkwam het de kat weer, dat hij zo’n trek kreeg. Hij zei tegen de muis: "Je moet me een plezier doen en nog eens de huishouding alleen doen vandaag. Ik ben weer gevraagd om peetoom te zijn, en het kind heeft een witte ring om zijn hals, dus afslaan kan ik het niet." De goede muis vond het best, maar de kat sloop achter de stadsmuur om naar de kerk en at het vetpotje half leeg. "Niets smaakt beter," zei hij, "dan wat je alleen eet," en hij was zeer voldaan over zijn dagtaak. Toen hij thuiskwam, vroeg de muis: "En hoe was de doopnaam van het kind?" - "Halfop," zei de kat. "Halfop! Wat je zegt. Die naam heb ik van mijn levensdagen nog niet gehoord; ik wed, dat hij niet eens in de kalender staat."

Weldra begon de kat weer te watertanden van honger naar de lekkernij. "Alle goede dingen bestaan in drieën," sprak hij weer tot de muis, "nu moet ik weer peet zijn; en het kind is helemaal zwart met witte pootjes, verder heeft het geen wit haartje over z’n hele lijfje, dat komt maar eens in de paar jaar voor, je vindt toch ook dat ik gaan moet?" - "Velaf, Halfop," zei de muis, "het zijn zulke bijzondere namen, ik moet er steeds over peinzen." - "Jij zit maar thuis in je donkergrijze pelsjas met je lange pruik," sprak de kat, "en vangt muizenissen; dat komt ervan als je overdag nooit eens uitgaat." De muis ruimde, toen de kat afwezig was, het hele huis keurig op, maar de snoepgrage poes at het hele vetpotje leeg. "Als alles helemaal schoon op is, dan heeft men pas rust," zei hij bij zichzelf, en kwam rond en dik pas diep in de nacht terug. De muis vroeg dadelijk naar de naam van het petekind. "Die zal je ook wel niet bevallen," zei de kat, "hij heet Schoonop." - "Schoonop!" riep de muis, "dat is toch wel de raarste naam die ik gehoord heb, gelezen heb ik hem zeker nooit. Schoonop! Wat moet dat betekenen?" Hij schudde z’n kop, rolde zich ineen en ging slapen.

Sindsdien wilde niemand de kat meer als peetoom hebben, maar toen het winter geworden was en er buiten niets meer te vinden was, dacht de muis aan de inmaak en sprak: "Kom, poes, we zullen eens naar onze vetpot gaan; wat we opgespaard hadden, dat zal smaken." - "Jawel," zei de kat, "dat zal smaken, alsof je je tong uit ’t venster steekt." Ze gingen samen op weg, en toen ze de plaats van hun bestemming hadden bereikt, stond het potje er wel, maar het was leeg. "Ach," zei de muis, "nu zie ik wat er gebeurd is, nu komt alles uit! Dat is ook de ware vriendschap! Opgegeten heb je alles, toen je peet moest staan: Velaf, dan Halfop, dan…" - "Wil je wel een zwijgen!" riep de kat, "nog één woord en ik eet je op!" - "Schoonop!" had de arme muis al op de tong. Nauwelijks had zij het gezegd of de kat sprong op haar af, pakte haar beet en verslond haar. Zo gaat het in de wereld.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 6 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten