Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: sprookjes

Schraalhans keukenmeester

Schraalhans keukenmeester
- Een wijze les van Gerard Reve over bijzondere eetgewoontes -
Beste jongens en meisjes! Jullie hebben natuurlijk allemaal heerlijk gegeten vanavond, maar hebben jullie er wel eens over nagedacht hoeveel werk er verzet moet worden voordat al die overheerlijke spijzen en toetjes in evenzovele dampende schotels op jullie tafeltjes staan?

Sommige mensen koken weer heel uiteenlopend en jullie hebben natuurlijk allemaal wel eens gehoord dat in diverse landen en volken de zeden en gewoonten heel verschillend zijn. Het Vlaams is bijvoorbeeld meer zoals het wordt uitgesproken. In het ene land eten ze het loof en gooien ze de knol weg, maar in het andere land, daar eten ze juist alleen de knol en laten ze het groen liggen. Er zijn natuurlijk ook landen waar ze alles opeten: de knol en het groen, allebei dus, al dan niet smakelijk toebereid. Van een rammenas bijvoorbeeld kun je plakjes op je brood doen. Soms lijkt een rammenas op iets heel anders.

In die landen waar ze dus alles opeten, daar eten ze dus ook de maag, de darmen, de Geheime Delen, de oren, de kop en ook het gehemelte. Maar ze eten natuurlijk niet ècht alles, want er zijn ook dingen die je niet kunt eten. Die noemen we vergiftig, of ze zijn vaak vies, zoals haarballen, oude kammen, haarzakjes of uitgekakte drollen van vleeseters en van alleseters. Soms lijkt een drol op iets heel anders. Dan is het een rammenas of nog iets heel anders. Daarom ben ik ook een alleseter.

Drollen van planteneters daarentegen zijn niet vies, maar ze hebben geen nut, want een drol, daar is al het waardevolle allang uitgehaald door de wonderbaarlijke economie van het menselijk lichaam, dat 129 keer zo economisch werkt als de zuinigst rijdende automobiel. Want de mensen gooien veel te gauw alles weg, door de welvaart!

Laatst hoorde ik bijvoorbeeld bij mensen, daar was een oude haarkam uit een verzorgingshuis middenin een schaal met bitterkoekjespudding gevallen. Toen was die pudding niet kosjer meer en ze wilden hem niet meer eten. Ik zei nog tegen die mensen: "Je kan toch tot vlak om die kam heen eten?" Maar ze zeiden: "Het is het idee, het oog wil ook wat." Terwijl je niks kon zien! Want die kam was helemaal naar onderen in de diepte naar beneden gezakt. Ze hadden die pudding dus nog net zo goed gewoon aan de buren kunnen geven, waar of niet? Ik zeg maar: "Tast toe! Smakelijk eten!"


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Ik bak ze bruiner. Gerard Kornelis van het Reve leest 4 eigen sprookjes"
           uitgegeven als EP door Catfish Records, 1969, LP-nummer: 5C 023-24110 M
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:07 6 reacties Reageer op dit bericht

De twee bultenaren

De twee bultenaren
- twee bultenarenEen Turks sprookje over feeën in een badhuis -
Er was ooit, of was er nooit? Ja ooit, in vroegere tijden, toen de zeef nog in het stro lag, toen de kameel nog boodschapper en de vlieg nog kapper was, toen waren er twee bochelaars; ze waren vrienden. Hun bochelruggen waren zo krom dat hun neuzen bijna de grond raakten.

Op zekere dag ging een van die bochelaars naar het badhuis. Omdat hij dacht dat van goed wassen zijn bochel misschien wel kleiner zou worden, bleef hij zich maar wassen tot het avond werd. Terwijl iedereen al lang weer naar huis was gegaan, bleef hij zich wassen. Zelfs de badmeester was de arme bochelaar helemaal vergeten, had het badhuis afgesloten en was weggegaan. Nu was er niemand meer behalve de bochelaar. Deze had er helemaal geen idee van dat het al avond was geworden. Toen hij eindelijk klaar was met wassen, kwam hij uit bad, kleedde zich aan en pas toen hij de deur uit wou gaan, bemerkte hij tot zijn schrik dat deze op slot zat. De arme man riep en schreeuwde uit alle macht, maar ten slotte besefte hij dat er niemand meer was. Hij ging in de hoek op een muurbank zitten om de nacht door te brengen.

De tijd verstreek en de bochelaar werd moe. Hij ging liggen en viel in slaap. Midden in de nacht brak er een hels kabaal los. De bochelaar schrok wakker. Hij keek om zich heen. En wat zag hij daar! Het badhuis liep vol met mannen. Maar nee, dat waren geen mensen zoals iedereen ze kent, het waren feeën. Ze kleedden zich allemaal uit en begonnen zich te wassen. Na het wassen maakten ze een grote kring. En ze dansten en sprongen in het rond.

Terwijl ze stampend ronddansten zongen ze op de maat steeds maar weer: "Het is woensdag, woehoensdag." De bochelaar vond hun rondedans zo leuk, dat hij ging meedoen en "het is woensdag, woehoensdag" ging meezingen. Nu wist hij dat het in werkelijkheid die dag geen woensdag, maar donderdag was. Maar hij paste zich aan en zei ook steeds: "Het is woensdag, woehoensdag."

Tot de ochtend dansten ze springend rond. Toen de hemel licht begon te worden kleedden de feeën zich weer aan en maakten zich klaar om te vertrekken. Maar precies op het moment dat ze naar buiten zouden gaan, draaiden ze zich om naar de bochelaar en zeiden: "Jij hebt je aan ons aangepast. Jij hebt ook de hele tijd 'woensdag' gezegd. We willen daarom graag iets voor je terug doen."

Toen sloegen ze één voor één eerst op de bochel op zijn rug en dan op de muur, en waren daarna verdwenen. Op zijn rug was helemaal niets meer over van de bochel, hij was weer recht van lijf en leden.

's Ochtends kwam de badhuismeester en deed het badhuis open. De man ging zonder zich aan de badmeester te laten zien de deur uit en liep naar huis. Maar degenen die hem onderweg zagen bleven stomverbaasd staan kijken. Toen zijn vriend, de andere bochelaar, hem zag, vroeg die meteen: "Wat heb je gedaan? Hoe komt het dat je bochel weg is?" En de man vertelde wat hem was overkomen. De tweede bochelaar dacht toen: Ik ga ook een keer op donderdag naar het badhuis.

Toen het weer donderdag werd ging de tweede bochelaar 's ochtends vroeg naar het badhuis. Hij waste en waste zich tot het avond werd. De badmeester vergat ook hem, sloot het badhuis af en ging weg. De man ging op de bank zitten, en ten slotte ging hij ook liggen en viel in slaap. Weer werd het middernacht. Toen schrok ook deze bochelaar wakker van een enorm lawaai: hij deed een oog open en zag dat het hele badhuis vol was met feeën. De man werd blij en dacht: "Daar heb je ze dus, oké, dat klopt."

Op dat moment begonnen de feeën zich allemaal te wassen. Dat vond de man maar raar: "Wassen is iets voor mensen, toch niet voor feeën!" en hij begon ze uit te lachen. De feeën werden erg kwaad op hem, maar ze zeiden helemaal niets.

Na het wassen vormden zij weer een grote kring en begonnen te dansen en "het is woensdag, woehoensdag" te zingen. Daar klopte volgens de bochelaar niets van en hij begon tegen hun in "het is donderdag, donderdag" te zingen. En als de feeën naar rechts draaiden, dan draaide hij naar links, en als de feeën naar links dansten, dan danste hij expres naar rechts.

Toen werd het ochtend. De feeën kleedden zich aan en toen ze wilden vertrekken zeiden ze: "Hé, mensenkind, wat wij ook zeiden en wat wij ook deden, jij zei en deed precies het tegenovergestelde. We zullen je jouw beloning geven." Allemaal gaven ze hem, één voor één, een tik op de rug en ze verdwenen. Maar de tweede bochelaar voelde dat het gewicht op zijn rug was verdubbeld: er was nog een bochel bijgekomen.

Zodra de badmeester 's ochtends het badhuis opendeed, glipte de man naar buiten. Hij ging zijn vriend zoeken. Die verbaasde zich toen hij hem zo zag en vroeg: "Wat heb je in vredesnaam gedaan, dat je bochel verdubbeld is?"

Tja, toen vertelde de tweede bochelaar alles wat hij had gedaan. Maar de eerste bochelaar, die geen bochelaar meer was, zei: "Maar vriend, ik deed precies hetzelfde als die feeën, terwijl jij het tegenovergestelde deed."

Die arme bochelaar had nu wel spijt van wat hij had gedaan. Maar ja, het was te laat. Zijn leven lang heeft hij verder met die twee zware bochels op zijn rug gelopen.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese, Joodse,
           Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:51 14 reacties Reageer op dit bericht

De smid van Fumel(einde)

De smid van Fumel - einde
- Een Frans sprookje over een smid en een droevige prinses -
Toen nu de 'Droevige Prinses' hem, die zich haar toekomstige echtgenoot noemde, daar voor zich zag staan met de krekel, zwart als roet, geankerd op zijn kin, de kleine rat geankerd op zijn muts, en de moeder der vlooien geankerd op het puntje van zijn neus, schaterde ze het op eens uit van het lachen. "Hendrik IV," zei toen de smid van Fumel, "de eerste helft van het werk is mij al gelukt! De 'Droevige Prinses' heeft voor het eerst van haar leven hartelijk gelachen."

"Smid van Fumel, je hebt gelijk! Ga nu mee naar de stal, en besla alle vier de poten van mijn groot wit paard IJzerbreker."

"Hendrik IV, ik ben tot je dienst."

Alle omstanders volgden hen nu naar de stal. Daar aangekomen, nam de smid van Fumel zijn leren ransel en haalde daaruit zijn hamer, de vier zilveren hoefijzers en de achtentwintig gouden hoefnagels te voorschijn. Hendrik IV en de Droevige Prinses zetten grote ogen op, toen ze dit zagen! "Smid van Fumel, die hoefijzers en die hoefnagels hebben huns gelijke niet op de gehele wereld!" - "Droevige Prinses, ik ben dan ook geen gewone smid. Aan goud en zilver heb ik geen gebrek! Hendrik IV, ik ben geen gewone smid. Je zult eens zien, wat ik ga doen."

Maar het grote witte paard 'IJzerbreker' wou niets van hem weten. Het schudde zijn kop, het schopte, en het hinnikte zo hard, dat je 't zeven mijlen in de omtrek kon horen. "Krekel, doe je plicht!"

Dadelijk sprong nu de krekel in het oor van het grote witte paard en begon zijn eentonig liedje te zingen. "Kri, kri, kri, kri, kri, kri, kri, kri, kri." Geheel overbluft door dit ongewone geruis in zijn oor, hield het paard weldra op met springen, schoppen, kopschudden en hinniken. Zacht als een lam, boog het de kop naar beneden.

"Kleine rat, doe je plicht!"

Dadelijk sprong nu de kleine rat op de neus van het paard en begon hem de geur van de tabaksbladeren, die ze gegeten had, in de bek en in de neusgaten te ademen. De sterke tabaksgeur maakte het paard suf, en het viel in slaap. Nu besloeg de smid van Fumel zijn vier poten, legde een zadel op zijn rug, greep de teugels en sprong zonder aarzelen op het wilde paard. "Hop, hop, paardje, vooruit!"

Het grote witte paard werd wakker, sprong op en wou er woest van doorgaan. Maar de smid van Fumel trok aan de teugels en commandeerde: "Halt!" En het paard gehoorzaamde aan de teugels en aan zijn stem. Het stond opeens onbeweeglijk stil. "Hendrik IV, nu heb ik ook de tweede helft van mijn opdracht volbracht. Ik heb al de vier poten van het grote, wilde witte paard 'IJzerbreker' beslagen, en meteen het beest getemd. Maak mij thans tot je schoonzoon en erfgenaam."

"Smid van Fumel, je hebt recht op de beloning, door mij uitgeloofd. Je huwelijk met de prinses zal nog deze morgen worden voltrokken. Intendant, ga vlug de geestelijke roepen. En gij, knechten en dienstmaagden, zorgt dat er dadelijk een schitterende bruiloftsmaaltijd wordt aangericht!"

En zo gebeurde het. Nooit is er in heel Frankrijk een grootser bruiloft gevierd geworden en nooit en nergens zal ooit een bruiloft worden gevierd, grootser dan de bruiloft van de smid van Fumel en de prinses, die nu geen 'Droevige Prinses' meer was.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Oud-Fransche sagen, volksoverleveringen en sprookjes" bijeengebracht door S. Troelstra-Bokma de Boer.
           W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1930, p. 19-24.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:13 21 reacties Reageer op dit bericht

De smid van Fumel(vervolg)

De smid van Fumel - vervolg
- Een Frans sprookje over een smid en een droevige prinses -
Drie uur later gebruikte hij zijn middagmaal aan de kant van de weg, en in het veld aan de overkant knabbelde een kleine rat op een tabaksblaadje.

"Kwiek, kwiek, kwiek, dag smid van Fumel!"

"Dag kleine rat, wat is er van je dienst?"

"Kwiek, kwiek, kwiek, smid van Fumel, ik wou graag weten waar je naar toe gaat."

"Kleine rat, ik ga naar Nérac om de 'Droevige Prinses' aan het lachen te brengen en om alle vier de poten van het wilde paard 'IJzerbreker' te beslaan."

"Kwiek, kwiek, kwiek, neem mij mee, smid van Fumel. Misschien kan ik je van dienst zijn."

"Met plezier, kleine rat, vooruit! Hop! Anker je maar vast en stevig boven op mijn muts."

Zo gezegd, zo gedaan; en de smid van Fumel zette zijn reis weer voort met de krekel, zwart als roet, geankerd op zijn kin en de kleine rat, geankerd boven op zijn muts.

Diezelfde avond snorkte hij als een gelukkig mens tussen twee heldere lakens in een herberg te Agèn. Maar bij het aanbreken van de dag schrikte hij opeens wakker door een prik in zijn neus.

"Smid van Fumel, sta op, sta op! Je hebt lang genoeg geslapen, jij luilak!"

"Zeg, wie ben jij, die daar praat? Ik hoor je wel, maar ik zie je niet."

"Smid van Fumel, ik ben de moeder der vlooien en ik heb mij vast en stevig geankerd op het puntje van je neus. Smid van Fumel, ik wou graag weten, waar je naar toe gaat."

"Moeder der vlooien, ik ga naar Nérac om de 'Droevige Prinses' aan het lachen te maken en om alle vier de poten van het wilde witte paard 'IJzerbreker' te beslaan. Als mij dit gelukt, word ik de schoonzoon en erfgenaam van Koning Hendrik IV."

"Smid van Fumel, neem mij mee. Ik kan je misschien van dienst zijn."

"Met plezier, moeder der vlooien. Blijf maar stevig geankerd zitten op het puntje van mijn neus."

Zo gezegd, zo gedaan! De smid van Fumel zette zijn reis voort met de krekel, zwart als roet, geankerd op zijn kin, de kleine rat geankerd op zijn muts, en de moeder der vlooien, geankerd op het puntje van zijn neus.

Drie uur na het opgaan van de zon zat de smid van Fumel al te Nérac op een stene bank, vlak naast de ingangspoort van het kasteel van de koning. Al de knechten en dienstmaagden kwamen naar buiten en ze lachten, toen ze hem zagen.

"Smid van Fumel, wat kom je hier doen?"

"Beste vrienden, ik wens koning Hendrik IV en de 'Droevige Prinses' mijn opwachting te maken."

"Smid van Fumel, kijk, daar komen ze juist uit de mis."

De smid van Fumel begroette de prinses zonder enige verlegenheid. "Dag Droevige Prinses," zei hij, "ik ben hier naar toe gekomen om je aan het lachen te maken. Dag Hendrik IV! Ik ben hier naar toe gekomen om al de vier poten van je wild wit lievelingspaard 'IJzerbreker' te beslaan. En dan wou ik daarna graag je schoonzoon en erfgenaam worden."


                                    * * * wordt vervolgd * * *
Bron : - "Oud-Fransche sagen, volksoverleveringen en sprookjes" bijeengebracht door S. Troelstra-Bokma de Boer.
           W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1930, p. 19-24.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:21 7 reacties Reageer op dit bericht

De smid van Fumel

De smid van Fumel
- Een Frans sprookje over een smid en een droevige prinses -
In het plaatsje Nérac, de hoofdstad van het département Lot-et-Garonne, woonde vroeger een koning. Hij heette Hendrik IV en hij was zo rijk als de zee, zo liefdadig als een priester, zo dapper als een leeuw, en zo rechtvaardig als goud. Toch was de arme koning niet gelukkig. Dag en nacht hoorde men hem zuchten: "Ach, zelfs een galeiboef is minder te beklagen dan ik! Wel heb ik een dochter, schoon als de jonge dag en zachter dan een heilige, maar ach, ze is zo treurig, zo treurig, dat het nog geen enkele jonkman heeft mogen gelukken, haar ook maar één ogenblik te doen lachen! Ze is en blijft treurig, en daarom noemt mijn volk haar de 'Droevige Prinses'.

Verder bezit ik weliswaar zevenhonderd prachtige raspaarden, zwart en glanzig als git, maar het grote witte paard, dat ik veel meer liefheb dan al die zevenhonderd anderen, is zo wild, dat het geen smid ter wereld nog ooit heeft mogen gelukken, het aan alle vier poten te beslaan. En daarom noemt mijn volk dit paard 'De IJzerbreker'. Nee, zelfs een galeiboef is minder te beklagen dan ik!"

Eindelijk kon Hendrik IV het niet langer uithouden! "Er moet een eind komen aan deze toestand! "riep hij uit en hij liet de stadstrommelslager roepen. "Trommelslager, ziehier duizend goudstukken. Ga heen en trek door het ganse land, aldoor trommelend en aldoor uitroepend: 'De man, die het gelukt de Droevige Prinses een enkele keer te doen lachen en die verder in staat blijkt te zijn, al de vier poten van 's konings lievelingspaard IJzerbreker te beslaan, zal de schoonzoon en erfgenaam worden van koning Hendrik IV."

"Koning, ik zal uw bevel getrouwelijk opvolgen!" Zo gezegd, zo gedaan, de man trok al trommelend en overal zijn boodschap uitroepend, door het gehele land, en van alle zijden kwamen prinsen, graven en hertogen naar Nérac, om te beproeven of het hun misschien mocht gelukken, aan de eisen van de koning te voldoen. Maar geen van allen kon ook maar het kleinste glimlachje te voorschijn roepen op het gelaat van de schone prinses, en nog minder gelukte 't hun, het wilde witte paard te beslaan.

In die tijd woonde te Fumel een jonge, sterke smid met zijn oude moeder. "Moeder," zei de smid eens onder het avondeten, "morgen ga ik naar Nérac. Ik weet heel zeker dat ik de Droevige Prinses aan het lachen zal kunnen brengen en dat het me ook zal gelukken, al de vier poten van de wilden IJzerbreker te beslaan. Op die manier word ik dan de schoonzoon en erfgenaam van Hendrik IV."

"Beproef het, mijn zoon, en dat de goede God u geleide."

Terwijl de oude vrouw dien nacht rustig lag te slapen, haalde de jonge smid al het geld, dat hij bezat - honderd kronen van zes pond en vijftig louis d'or, tevoorschijn uit zijn koffer, en smeedde uit de honderd kronen van één pond vier prachtige zilveren hoefijzers. En uit de vijftig louis d'or vormde hij acht en twintig gouden hoefnagels, zeven voor elk hoefijzer. Tegen zonsopgang was hij met alles gereed, en de smid van Fumel ging op weg naar Nérac, met zijn leren ransel op zijn rug.

In die ransel bevond zich een brood, een veldfles vol wijn, een hamer, de vier zilveren hoefijzers en de achtentwintig gouden hoefnagels. Drie uur later zat hij te ontbijten aan de kant van de weg. En in het korenveld aan de overzij zong een krekel, zo zwart als roet: "Kri, kri, kri, dag smid van Fumel!"

"Dag, krekel, wat is er van je dienst?"

"Kri, kri, kri, smid van Fumel, ik wou graag weten, waar je naar toe gaat."

"Krekel, ik ga naar Nérac om de 'Droevige Prinses' aan het lachen te maken en om alle vier de poten van het grote witte paard 'IJzerbreker' te beslaan. Als mij dit gelukt, word ik de schoonzoon en erfgenaam van Koning Hendrik IV." "Kri, kri, kri, neem mij mee, smid van Fumel! Misschien kan ik je van dienst zijn."

"Met plezier, Krekel! Anker je maar vast en stevig op mijn kin."

Zo gezegd, zo gedaan, en de smid van Fumel zette zijn reis weer voort, met de krekel, zwart als roet, geankerd op zijn kin.


                                    * * * wordt vervolgd * * *
Bron : - "Oud-Fransche sagen, volksoverleveringen en sprookjes" bijeengebracht door S. Troelstra-Bokma de Boer.
           W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1930, p. 19-24.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 11 reacties Reageer op dit bericht

Koning Merelbaard(slot)

Koning Merelbaard (slot)
- Een sprookje over de vernedering van een hoogmoedige prinses -
Een paar dagen leefden ze zo op deze manier zo goed en zo kwaad als het ging en aten hun hele voorraad op. Toen zei de man: "Vrouw, dat gaat zo niet, alleen maar opeten en niets verdienen; jij moet maar manden gaan vlechten." Hij ging uit en sneed wilgentenen en bracht haar die thuis; ze trachtte te vlechten; maar de harde staken maakten haar tere handen vol wonden. "Ik zie wel dat dat niet gaat," zei de man, "probeer dan maar te spinnen, misschien gaat dat beter."

Ze ging zitten en poogde te spinnen, maar de harde draad sneed haar zo in haar tere huid, dat 't bloed erlangs drupte. "Zie je," zei de man, "voor geen enkele arbeid deug je, ik ben slecht uit met jou. Wat ik nu wil proberen is, een handeltje in potten en pannen op te zetten, ga dan naar de markt en verkoop ze."

"Ach," dacht ze, "als dan op de markt mensen komen uit 't land van vader, en ze zouden me daar zien zitten en potten en pannen verkopen, wat zullen ze me dan voor de gek houden!"

Maar er hielp niets aan, ze moest zich wel schikken, wilde ze niet van honger omkomen. De eerste keer ging het heel goed, want de mensen kochten graag van zo'n knappe vrouw, en ze betaalden haar wat ze vroeg, ja sommigen gaven haar geld en lieten haar de waren houden. Van die verdiensten leefden ze zo lang het duurde, en de man kocht weer een grote hoeveelheid nieuwe potten in. Daar ging ze mee op de hoek van de markt zitten, stalde het rond zich uit en bood ze te koop aan.

Opeens kwam er een dronken huzaar over de markt jagen, hij reed juist door haar potten en alles sprong in duizend scherven. Ze begon te schreien en wist van angst niet, wat ze moest beginnen. "O, wat zal er nu gebeuren!" riep ze, "en wat zal mijn man zeggen!"

Ze liep naar huis en vertelde hem het ongeluk. "Wie gaat er nu ook op de hoek van de markt zitten met breekbare waar!" zei de man. "Huil nu maar niet, ik zie wel dat je voor geen enkel werk geschikt bent. Nu ben ik in het slot van onze koning geweest en ik heb gevraagd of ze geen keukenmeisje konden gebruiken, en ze hebben beloofd dat ze je nemen zouden: vrije kost."

Nu werd de prinses keukenmeid, moest doen wat de kok zei en het vuilste werk doen. In allebei haar zakken stopte ze een potje, waar ze alles in deed wat ze aan restjes kon verzamelen; en dat was hun voedsel.

Toen gebeurde het, dat de bruiloft van de oudste prins gevierd zou worden; het arme mens liep naar boven om van achter de zaaldeur een kijkje te nemen. Toen de lichten waren ontstoken en de gasten, de één nog fraaier uitgedost dan de ander, binnenkwamen, en alles vol pracht en heerlijkheid was, dacht zij bedroefd aan haar lot en verwenste haar trots en haar overmoed, die haar ten val hadden gebracht en oorzaak waren van haar bittere armoede. Van de heerlijke gerechten die in- en uitgedragen werden, wierpen de lakeien haar soms resten toe, ze deed de brokken in de voorraadpotjes in haar schort en wilde dat stil naar huis meenemen.

Opeens was daar de zoon van de koning, hij was gekleed in zijde en fluweel en had een gouden keten om de hals. Toen hij de schone vrouw aan de deur zag staan, greep hij haar hand en vroeg haar ten dans, en ze schrok, want ze zag opeens dat het koning Merelbaard was, die naar haar hand gedongen had en die zij met een spotnaam had afgescheept. Zij weigerde, maar haar tegenstreven gaf niets, hij trok haar in de zaal, daar scheurde de band, waarmee ze de potjes bevestigd had en ze rolden de zaal in en de soep en de brokken bemorsten de vloer.

Toen de mensen dat zagen ontstond er een algemeen gelach en gehoon; en ze was zo beschaamd, dat ze zich liever duizend mijl onder de grond had gewenst. Ze vloog naar de deur en wilde ontsnappen, maar nog op de trap haalde iemand haar in en hij bracht haar weer naar de zaal, en toen ze hem aankeek, was het weer koning Merelbaard.

Hij zei vriendelijk tegen haar: "Wees niet bang; ik en de bedelaar die met u in het armoedig hutje gewoond heeft, zijn één en dezelfde persoon, ter wille van jou heb ik me zo verkleed en de huzaar die je potjes en pannetjes in gruzelementen reed, dat was ik ook. Dat alles is gebeurd om je hoogmoed te breken, waarmee je mij bespot had."

Toen begon ze bitter te schreien en zei: "Groot onrecht heb ik tegen je gedaan en ik ben 't niet waard, je vrouw te zijn."

Maar hij zei: "Troost je, de boze dagen zijn nu voorbij; nu gaan we onze bruiloft vieren."

Daar kwamen de kamerjuffers aan en kleedden haar in de prachtigste gewaden, en haar vader kwam, en het hele hof en ze wensten haar geluk met haar huwelijk, en met koning Merelbaard, en dat begon nu pas. Ik wou dat jij en ik er ook bij geweest waren.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 6 reacties Reageer op dit bericht

Koning Merelbaard

Koning Merelbaard
- Een sprookje over de vernedering van een hoogmoedige prinses -
Er was eens een koning, en hij had een dochter. Zij was zeldzaam mooi, maar ook zo trots en overmoedig, dat er geen vrijer goed genoeg was. De één na de ander wees ze af, en bovendien bespotte ze hen nog. Eens liet de koning een groot feest aanrichten, en nodigde daartoe van nabij en van verre de jonge mannen uit, die nu wilden trouwen. Ze werden allen op een rij geplaatst, naar rang en stand. Eerst de koningen, dan de hertogen, de vorsten, graven en baronnen, tenslotte de edellieden. Nu werd de prinses langs de rijen geleid; maar er was niemand op wie ze niet wat aan te merken had. De één was te dik: "Een wijnvat!" zei ze. De ander te lang! "Slank en lang heeft geen gang," zei ze. De derde was te kort: "Dik en kort, moet maar vort," zei ze. De vierde te bleek: "De bleke dood!" zei ze. De vijfde te rood: "Kalkoen!" zei ze. De zesde was niet recht genoeg: "Groen hout dat achter de oven gedroogd is!"

En zo had ze op ieder wat aan te merken, maar vooral koos ze als mikpunt een goede koning, die een enigszins spitse kin had. "Kijk," riep ze lachend, "die heeft een kin als de snavel van een merel," en sindsdien heette de koning Merelbaard. Maar toen de oude koning zag, dat zijn dochter niets anders deed dan de mensen uitlachen, werd hij boos. En hij zwoer een dure eed, dat ze de eerste de beste bedelaar tot man zou krijgen, die aan de deur kwam.

Een paar dagen later was er een muzikant die op het slotplein begon te zingen, om een kleine aalmoes te krijgen. Toen de koning dat hoorde, zei hij: "Laat hem maar boven komen." Daar trad de speelman binnen, met zijn vieze lompen aan, om een milde gave. Toen zei de koning: "Uw zingen beviel mij heel goed, ja, zo goed, dat ik u mijn dochter tot vrouw zal geven." De prinses schrok. Maar de koning zei: "Ik heb een eed gezworen je te geven aan de eerste de beste bedelaar, en die eed zal ik houden." Daar hielp geen praten tegen; ze haalden de dominee, en ze moest meteen met de muzikant trouwen. Toen dat alles gebeurd was, zei de koning: "Het past nu niet, dat je nog als een bedelvrouw hier in het paleis blijft; trek nu maar weg met je man."

De bedelaar leidde haar aan de hand naar buiten, en ze moest te voet met hem gaan. Ze kwamen bij een groot bos; toen vroeg ze:
"Ach, aan wie behoort dat mooie bos?"
"Dat is van koning Merelbaard,
Had hem gehuwd, het was van u!"
"Ik arme jonkvrouw fijnbesnaard
Was ik gehuwd met Merelbaard!"
Toen kwamen ze bij een weiland. En ze vroeg weer:
"Ach, aan wie behoort die groene wei?"
"Die is van koning Merelbaard:
Had hem gehuwd, zij was van u!"
"Ik arme jonkvrouw fijnbesnaard
Was ik gehuwd met Merelbaard!"
Daarna trokken ze door een grote stad. Toen vroeg ze weer:
"Aan wie behoort die grote, mooie stad?"
"Die is van koning Merelbaard:
Had hem gehuwd, zij was van u!"
"Ik arme jonkvrouw fijnbesnaard,
Was ik gehuwd met Merelbaard!"
"Dat vind ik vervelend," zei de bedelaar, "datje aldoor iemand anders tot man wilt hebben: ben ik soms niet goed genoeg?" Ten slotte bereikten ze een heel klein huisje. Toen zei ze:
"Wat is dat voor een hutje klein,
Van wie kan dit armzalig huisje zijn?"
De bedelaar antwoordde: "Dit is mijn huis en ook jouw huis, het huisje van ons beiden waarin we samen wonen." Ze moest bukken om door het lage deurtje te gaan. "Waar zijn de bedienden?" vroeg de prinses. "Wat bedienden!" antwoordde de bedelaar, "je moet zelf maar doen, wat je gedaan wilt hebben! Maak meteen vuur aan en zet water op, zodat je gauw wat eten kookt, want ik ben flink moe." Maar de prinses kon geen vuur aanmaken en geen eten koken, en de bedelaar moest zelf helpen, als er nog wat van terecht moest komen. Toen ze het magere maal hadden gegeten, gingen ze naar bed, maar vroeg in de morgen haalde hij er haar uit, want ze moest het huis in orde maken.

                                 * * *dit is niet het einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 02:07 10 reacties Reageer op dit bericht

Eva's ongelijke kinderen

Eva's ongelijke kinderen
- Een sprookje van Grimm -
Toen Adam en Eva uit het paradijs waren verdreven, moesten ze een huis bouwen op onvruchtbare grond, en hun brood eten nadat ze er heel hard voor gewerkt hadden. Adam hakte de akker en Eva spon wol. Eva kreeg ieder jaar een kind, maar de kinderen waren zeer ongelijk, sommigen mooi, anderen lelijk. Na een lange tijd zond God hun beiden een engel, en liet hun zeggen, dat hij wilde komen en hun huishouding wilde zien.

Eva, vrolijk omdat de Heer zo genadig was, maakte het huis ijverig schoon, versierde het met bloemen en strooide riet op de vloer. Dan haalde ze de kinderen, maar alleen de mooien. Ze waste hen en stopte hen in bad, kamde hun haar, kleedde hen in schone hemden en vermaande hen om zich in de tegenwoordigheid van de Heer fatsoenlijk en flink te gedragen. Ze moesten een passende buiging maken, een hand geven en bescheiden, maar verstandig antwoorden op wat hij vroeg.

Maar de lelijke kinderen mochten zich niet vertonen. Eén verborg ze onder 't hooi, het andere stopte ze onder het dak, het derde in het stro, het vierde in de oven, het vijfde in de kelder, het zesde onder een vat, het zevende onder de wijnkuip, het achtste onder haar oude pels, het negende en het tiende onder de stof waar ze hun kleren altijd van knipte, en het elfde en het twaalfde onder het leer waarvan ze hun schoenen altijd sneed.

Ze was daar juist mee klaar, toen er aan de voordeur werd geklopt. Adam keek door een kier en zag dat het de Heer was. Eerbiedig deed hij open, en de Hemelse Vader trad binnen. Daar stonden al de mooie kinderen op een rij, bogen, gaven hem een hand en knielden dan. Maar de Heer begon hun de zegen te geven; hij legde de handen op het eerste kind en sprak: "Deze zal een machtig koning worden,"; en de tweede: "Deze een vorst,"; en de derde: "Deze een graaf,"; en de vierde: "Deze een ridder,"; en de vijfde: "Deze een edelman,"; en de zesde: "Deze een burger,"; en de zevende: "Deze een koopman,"; en de achtste: "Deze een geleerde." Hij gaf hun dus zijn rijke zegen mee.

Toen Eva nu zag, hoe mild en genadig de Heer was, dacht ze: "Ik zal de minder fraaie kinderen ook maar laten komen, misschien krijgen die ook nog wel de zegen." Ze ging hen dus overal ophalen: uit het hooi, het stro, de kachel en waar ze verder verstopt waren, vandaan. Daar stond een plompe, vuile, schurftige, roetzwarte schare. Onze Heer moest glimlachen, maar hij bekeek hen allen en sprak: "Ook aan deze wil ik mijn zegen geven." En op de eerste legde hij de handen en sprak: "Deze zal een boer worden,"; en de tweede: "Deze een visser,"; en de derde: "Deze een smid,"; en de vierde: "Deze een leerlooier,"; en de vijfde: "Deze een wever,"; en de zesde: "Deze een schoenmaker,"; en de zevende: "Deze een kleermaker,"; en de achtste: "Deze een pottenbakker,"; en de negende: "Deze een koetsier,"; en de tiende: "Deze een schipper,"; en de elfde: "Deze een bode,"; en de twaalfde: "Deze een huisknecht, zijn leven lang."

Toen Eva dat alles mee had aangehoord, zei ze: "Heer, wat wordt die zegen ongelijk verdeeld! Het zijn toch allemaal mijn kinderen, ik heb ze allen gebaard, en Uw genade moest toch over allen gelijk worden verdeeld." Maar God gaf ten antwoord: "Eva, dat kun je zo niet begrijpen. Voor mij is het nodig - en de wereld heeft het nodig - dat ik de wereld vervul met al je kinderen. Als het nu allemaal vorsten en heren werden: wie zou dan het koren verbouwen, dorsen, malen en bakken? Wie zou smeden, weven, timmeren, bouwen, graven, kuipen, snijden en naaien? Ieder moet zijn eigen stand inrichten, de één moet de ander onderhouden, en allen moeten gevoed en verzorgd worden, zoals de leden aan het lichaam." Toen antwoordde Eva: "O Heer, vergeef mij. Ik was te haastig, dat ik u tegen ging spreken. Uw wil geschiede, ook aan mijn kinderen."


                                          * * * einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:11 14 reacties Reageer op dit bericht

De boze weefster(slot)

De boze weefster (slot)
- Een Indonesisch sprookje over hoe een lief meisje verbitterd raakt -
Bij het aanbreken van de dag kwam de vorst kijken, of de graftempel werkelijk in één nacht was opgebouwd, en de arme jongeman wees hem met een treurig gebaar op de ruïne. Hij sprak met zachte stem: "U ziet het, o vorst, hij ligt in puin, en toch had ik hem bijna klaar... Nu zal ik de lieve prinses Sakira wel nooit meer terugzien..." Toen boog hij diep voor de vorst en wilde weggaan. Maar met een bevelend: "Blijf," hield de vorst hem tegen: "Je wil was goed en daarom zal ik je nog één kans geven. Vertrek morgen voor zonsopgang, als bedelaar vermomd, naar Tjelaga. Zodra je daar bent ga je naar het verblijf van de prinses, je vraagt er een onderkomen en bespied haar dan zeven dagen en zeven nachten, en als je haar daarna nog tot vrouw wilt, dan kan je haar hier terugbrengen..."

Verheugd dat hij prinses Sakira zo spoedig zou terugzien, kon Djaka Bandoeng nauwelijks wachten tot de dag was aangebroken; nog lang voor zonsopgang steeg hij te paard en begaf zich op weg naar het verbanningsoord. Maar toen hij daar was aangekomen en prinses Sakira de bedelaar zag, die heel nederig een onderkomen vroeg, joeg ze hem met boze woorden weg. Toen de bedelaar zei, dat hij een lange weg had afgelegd en sinds de vorige dag niet gegeten had, wierp ze hem de weefspoel naar het hoofd en schold hem uit voor 'onreine hond'. Hierdoor zag Djaka Bandoeng hoe kwaadaardig het prinsesje was geworden, en toen hij haar daarna nog twee dagen en nachten in het geheim had bespied, begreep hij dat zo'n boze heks nooit zijn vrouw kon worden. Maar nog gaf Djaka Bandoeng de moed niet op; hij wilde haar nog eenmaal bespieden. Daarom klom hij de volgende dag, terwijl prinses Sakira in de tuin van haar verblijf wandelde, in een hoge boom, juist tegenover het vertrek waar Sakira's bedienden zaten te weven. Toen een poosje later de prinses dit vertrek binnentrad, zag Djaka Bandoeng door de openstaande deur juist haar gezicht, dat nog bozer en wreder leek dan de twee vorige dagen. Dit gelaat was als dat van een afschuwelijke, oude heks met van boosheid uitpuilende ogen, terwijl haar vingers, die zij gekromd hield, op de klauwen van een roofdier leken. Met deze klauwen greep ze nu ook de weefspoel uit de hand van een van de vrouwen en sloeg haar daarmee zo hard, dat de arme vrouw het uitschreeuwde van pijn.

"Nee, haar wil ik niet trouwen," dacht Djaka Bandoeng en hij keerde nog diezelfde dag terug naar het betelwoud. Hij vertelde aan zijn moeder, hoe wreed prinses Sakira was geworden. Hij durfde niet meer naar de vorst te gaan, die hem misschien zou doden, als hij wist dat hij al op de derde dag was teruggekomen.

Maar de vorst, die twee dagen later van Djaka Bandoeng's terugkeer hoorde, liet hem bij zich komen. Bevend van angst was toen de jongeman naar het paleis gegaan, maar toen hij voor de vorst was neergehurkt en deze hem vroeg: "Wel, waarom ben je nu al teruggekomen?" durfde hij, hoewel met bevende stem, te antwoorden: "Ik kon de prinses niet bij u brengen, o vorst, want uw voorheen zo schone, lieve dochter is nu een afschuwelijke, wrede heks geworden. U, mijn vorst, zou uw eigen dochter niet meer herkennen, en ik... ik kan niet met een heks trouwen! Dood mij, mijn vorst, want prinses Sakira zal nooit mijn vrouw worden..."

De vorst had zijn woorden zonder enige boosheid aangehoord. Heel kalm vroeg hij de jongeman: "Welzo, is mijn dochter een heks geworden? Nou, dan zal ze niet alleen bij haar leven, maar ook nog na haar dood heksenwerk verrichten. Zelfs in haar graf zal ze spinrag weven, niets dan spinrag en daarna een kleed van alang-alang."

En zo gebeurde het werkelijk. De prinses stierf aan een vreselijke ziekte - melaatsheid - en juist toen ze, even voor haar dood, een van haar trouwe bedienden met de weefspoel wilde slaan, drong die spoel in de wonden van haar hand en zo stierf ze. Met de weefspoel werd ze toen begraven, maar toen kon ze zelfs nog geen rust in het graf vinden; bij dag moet ze nu de spinrag weven, en 's nachts het kleed van alang-alang, dat nimmer gereed kan komen, omdat het alang-alang scherp is en weer afsnijdt, wat eens geweven is. En daarom zal de prinses eeuwig blijven weven...


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Nieuwe Indonesische Sprookjes" samengesteld door Bert Oosterhout.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993. ISBN: 90-389-01461
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 3 reacties Reageer op dit bericht

De boze weefster

De boze weefster
- Een Indonesisch sprookje over hoe een lief meisje verbitterd raakt -
Radja Baka, de vorst van Mendang Kemoelan, was boos op zijn dochter Sakira, omdat ze geen ander wilde trouwen dan Djaka Bandoeng, de zoon van een oude heks, die zich uitgaf voor een vrome kluizenaarster. Hij was zo boos, dat hij haar naar een verafgelegen oord verbande. De prinses ging erheen, vergezeld door twee vrouwelijke bedienden, die de weefstoel droegen, terwijl de prinses zelf de weefspoel droeg. Want ze moest weven tijdens haar verblijf in het afgelegen oord, weven moest ze al het linnen, dat voor haar ouders en de rijksgenoten was bestemd. Als al dat linnen zou zijn geweven, dan pas mocht zij weer naar het rijk van haar vader terugkeren. Maar prinses Sakira, boos over de verbanning, wilde niet weven; zij keek de hele dag naar buiten, want ze dacht dat Djaka Bandoeng wel zou komen om haar van hier weg te halen en mee te nemen naar het betelwoud, waar hij met zijn moeder woonde.

Als de prinses zo in gedachten verdiept zat te turen, schudden de twee bedienden hun hoofd en spoorden hun gebiedster tot weven aan: "Weef toch, o weef toch, prinses," smeekten zij, "uw vader, onze vorst, heeft het toch bevolen. O, als u niet weeft zult u nog zwaarder gestraft worden."

Maar de prinses luisterde niet naar hun woorden en keek niet om naar de weefstoel, of de spoel, ze keek alleen naar de kant waar Djaka Bandoeng vandaan moest komen.

Eens, toen de vrouwen haar weer tot weven aanspoorden, werd prinses Sakira zo woedend, dat ze haar weefspoel nam en daarmee de trouwe bedienden zo hard ze kon om de oren sloeg. Sinds die dag scheen het prinsesje nog bozer te worden en weldra was ze zo wreed, dat ze de twee vrouwen het onmogelijkste werk op de onmogelijkste uren liet verrichten. Soms zond zij ze zelfs in het holst van de nacht naar het nabijgelegen kerkhof om kruiden te zoeken. Zo kreeg zij dan ook weldra de naam van 'de boze weefster'. Iedereen die in de omtrek van Tjelaga, zo heette het verbanningsoord, woonde noemde haar zo.

Djaka Bandoeng, die van zijn moeder had gehoord dat prinses Sakira door haar vader naar Tjelaga was verbannen en dat men haar daar 'de boze weefster' noemde, kon niet geloven dat het prinsesje, dat voorheen zo lief was, zo veranderd kon zijn. "De verbanning heeft haar hart verbitterd," dacht hij, en met deze gedachte vroeg hij gehoor bij de vorst en probeerde, toen hem dit was toegestaan, de vertoornde vader te bewegen zijn kind weer in genade aan te nemen. Hij, Djaka Bandoeng, wilde dan in haar plaats verbannen worden en zou gaan waar de vorst hem zou sturen hoe woest en onherbergzaam dat oord ook was.

De vorst, getroffen door zoveel opoffering, zei: "Verbannen zal je niet worden, omdat alleen vorstenkinderen met verbanning worden gestraft, maar je mag naar Tjelaga gaan en daar met de prinses trouwen als je in één nacht een volledige graftempel kunt bouwen met beelden en al erin. Kan je dit echter niet, dan zal je prinses Sakira nooit terugzien."

De jongeman, die wel inzag dat het onmogelijk was om in één nacht een tempel te bouwen, al was het ook maar een graftempel, ging terneergeslagen naar het betelwoud terug en klaagde zijn nood bij zijn moeder. Maar de oude heks wist raad; ze vertelde hem, hoe hij in één nacht een graftempel zou kunnen bouwen en gaf hem toen nog de volgende goede raad: "Ga meteen na zonsondergang aan het werk, luister naar niets en kijk niet op of om, want als je dat doet terwijl je aan het bouwen bent, zal dit je ongeluk zijn."

Djaka Bandoeng bedankte zijn moeder voor haar wijze raadgeving, en nog diezelfde dag na zonsondergang begon hij aan de graftempel. En hij deed juist zoals zijn moeder hem had gezegd, hij luisterde naar niets, keek niet op of om, en werkte vlijtig door. Maar toen de tempel op een tiental beelden na gereed was, begonnen de meisjes uit de omliggende desa's op hun rijstblokken te stampen, als teken dat de dag weldra zou aanbreken, en Djaka Bandoeng keek op, door dat onverwacht geluid verschrikt. En toen hij had opgekeken stortte plotseling de tempel met donderend geraas ineen.


                                    * * * wordt vervolgd * * *
Bron : - "Nieuwe Indonesische Sprookjes" samengesteld door Bert Oosterhout.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993. ISBN: 90-389-01461
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:07 3 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten