Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: sprookjes

Het zuiderkruis en zilver op het water-vervolg

Het zuiderkruis en zilver op het water (vervolg)
- Een sprookje van de Guarayu-Indianen (Bolivia) -
Toen Moroti de volgende morgen nog steeds niet in het dorp terug was en het opperhoofd hoorde wat er was gebeurd, ging hij naar de rivier. Zijn dochter was nergens te zien maar op het water bloeiden bloemen, die hij nooit tevoren gezien had - bloemen waarvan de bloembladeren aan de randen glansden als zilver.

"Pita en uw dochter Moroti leven in het water. Door hun liefde is hier vannacht de bloem Irupe gaan bloeien, opperhoofd." Het was de oude sjamaan uit het dorp die had gesproken. Hij legde een hand op de schouder van het opperhoofd en vervolgde: "Gentsera houdt ze allebei in haar hol gevangen en ze zal ze vrijwillig nooit laten gaan."

"Dan zal ik voor ze vechten!" riep het opperhoofd en draaide zich om. Maar de sjamaan schudde zijn hoofd.

"Als u in het water zou springen, heeft Gentsera ook macht over u, daarom geef ik u een andere raad. Vele mijlen van hier ligt in de zee een klein eiland. Daar rust Gentsera vaak uit en daar kan u met haar vechten, omdat haar kracht op het vasteland niet groter is dan die van een Indiaan."

"Zeg me, waar dat eiland ligt!" riep het opperhoofd.

"Je boot zal je er heen brengen, maar vergeet niet, dat de toverkol het water nooit verlaat zonder haar lans uit walvisbot. Ik geef je er net zo een - verdedig je daarmee!"

Het opperhoofd bedankte de sjamaan. Daarna liep hij een stukje langs de rivier, klom in zijn boot en stootte hem van de oever. De golven speelden met de boot alsof het een eierschaal was, maar hij stuurde onbeschadigd verder.

Eindelijk, op een nacht, bereikten ze het eiland. Het opperhoofd sprong met de lans in de hand aan land en Gentsera - die de boot op het water al lang had ontdekt, riep met krijsende stem: "Daar ben je dan eindelijk Tacu, ik verheug me er nu al op, dat jij straks ook voor eeuwig in mijn hol zult zitten."

Dan lichtte het in het duister en het opperhoofd zag, hoe een lange, witte lans op hem af kwam. Hij hanteerde zijn wapen, maar de witte lans sloeg hem de zijne uit zijn handen. Beide lansen werden echter ogenblikkelijk als door een onzichtbare kracht opgetild en meegedragen, in de nachtelijke hemel omhoog. Tacu merkte het niet want Gentsera stortte zich met een schelle kreet op hem.

De hele nacht vochten de toverkol en het opperhoofd op leven en dood. Beiden verloren meer en meer hun krachten en toen de dag aanbrak, lieten Gentsera en de dappere Tacu hun leven.

Korte tijd later liep de oude sjamaan naar de rivier, naar de plaats waar hij wist dat Gentsera's hol moest zijn. Het water was rustig, maar toen de bloemen van de Irupe zich sloten, zodat ze er weer als tranen uitzagen, verhief zich een hoge, grote golf. Ze sloeg over en spoelde voor de voeten van de sjamaan. Uit de golf kwamen Moroti en Pita te voorschijn.

"Je hebt ons bevrijd!" riep Moroti, gelukkig en mooier dan ooit.

"Ik niet, maar je vader, de dappere Tacu deed het," zei de sjamaan en toen vertelde hij, dat hij het opperhoofd had aangeraden met zijn boot naar Gentsera te varen.

"Wat is er verder gebeurd?" wilde Pita weten.

"Ik weet het niet, maar kijk eens naar die gekruiste lansen aan de hemel. De langste is van Gentsera en de korte van Tacu. De lansen aan de hemel tonen dat er gevochten is en jullie zijn het bewijs dat het opperhoofd de toverkol heeft overwonnen!"

Aldus is het verhaal dat de Indianen vertellen over de mooie bloem Irupe en over het zuiderkruis, dat ze de naam gekruiste lansen gaven.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Sprookjes van de Indio's. Mythen, sprookjes en legenden van de Indianen uit Midden- en Zuid-Amerika"
           door Vladimir Hulpach, vertaald door Anke Eggink.
           Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1979. ISBN: 90-202-0044-5
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:53 13 reacties Reageer op dit bericht

Het zuiderkruis en zilver op het water

Het zuiderkruis en zilver op het water
- Een sprookje van de Guarayu-Indianen (Bolivia) -
Sinds oeroude tijden stralen aan de horizon de sterren van het zuiderkruis, zodat de schepen 's nachts hun weg kunnen vinden. Maar wie weet dat, zolang het dag is, op een van de sterren van dit sterrenbeeld een wondermooie bloem bloeit waarvan de bloembladeren aan de randen als zilver glanzen. De Indianen noemen de bloem Irupe - zilver op het water, en ze vertellen elkaar ook, hoe hij is ontstaan. Aan de oever van een brede rivier, juist daar, waar hij in het meer uitloopt, woonde een Indianenstam. De rivier was niet diep en toch schonk hij iedereen een rijke visvangst. Maar op een bepaalde plaats kwamen de Indianen niet, want daar woonde in een hol de boze toverkol Gentsera en wie in haar netten kwam, keerde nooit meer terug. In het dorp aan de oever van de rivier woonde ook de mooie Moroti. Ze was de enige dochter van het opperhoofd en daarom vervulde hij al haar wensen.

Toen Moroti volwassen was, kwamen er veel minnaars uit de verre omtrek naar haar toe. Maar ze moesten al gauw inzien, dat het meisje de spot met hen dreef en hen uitlachte. Dan maakten ze toch liever een meisje het hof dat hen serieus nam. Maar één, Pita, verliet de dochter van het opperhoofd niet. Hij bleef en las iedere wens uit haar ogen. Hij lette niet op het geplaag van de mensen uit het dorp, hij bracht Moroti iedere dag de mooiste bloemen en toen hij eens hoorde dat de vrouwen in het noorden armbanden van puur goud droegen, ging hij dadelijk op weg om voor de dochter van het opperhoofd ook zo'n armband te halen. Een heel jaar was hij onderweg en hij beleefde veel avonturen, totdat hij eindelijk een prachtige gouden armband vond en daarmee naar haar huis, in het dorp aan de rivier terug kwam.

Maar wat deed Moroti? Ze keek naar de armband, draaide hem rond om haar pols, zodat de andere meisjes van jaloersheid verkleurden en zei toen tegen Pita: "Ik wil wel eens weten waarom je zo lang bent weg gebleven. Als je je moed en je liefde wilt bewijzen geef ik je wel een opdracht." "Ik doe, wat je maar wilt," antwoordde Pita.

Het meisje lachte, riep haar vriendinnen en verklaarde: "Pita zegt dat hij iedere opdracht vervult... Ik heb een hele moeilijke opdracht bedacht en als hij die volbrengt, trouw ik met hem." Ze probeerden allemaal te raden wat Moroti bedacht had, maar het meisje bracht ze naar de rivier. En daar op de plaats waar het hol van de toverkol Gentsera was, bleef Moroti staan - daar deed ze de gouden armband van haar arm, gooide hem in het water en zei: "Breng hem terug Pita, zodat ik weet dat je niet laf bent!" Voordat het iemand lukte de jongen tegen te houden, sprong hij in de rivier, waar het water zich over hem sloot.

"Laten we afwachten of hij Gentsera kan overwinnen," zei Moroti lachend, maar al gauw week de lach van haar lippen.

Pita bleef weg, de minuten regen zich aaneen en werden uren en het begon al donker te worden.

De meisjes gingen terug naar het dorp, alleen de dochter van het opperhoofd bleef aan de oever achter. Nu pas besefte ze hoeveel ze van Pita hield en ze huilde bittere tranen. Haar tranen vielen in het water en lichtten op als zilveren vonken. Dan ging het water uit elkaar en het meisje kon diep beneden de grond zien. Daar zat Pita en strekte zijn handen naar haar uit. Hij was aan een rots vastgemaakt en als een donkere schaduw danste de toverkol om hem heen. "Ik kom, mijn liefste, ik bevrijd je!" riep Moroti en sprong in de armen van de jongeman. Op het water bleven haar tranen achter.


                                  * * * wordt vervolgd * * *
Bron : - "Sprookjes van de Indio's. Mythen, sprookjes en legenden van de Indianen uit Midden- en Zuid-Amerika"
           door Vladimir Hulpach, vertaald door Anke Eggink.
           Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1979. ISBN: 90-202-0044-5
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:02 6 reacties Reageer op dit bericht

Hoe de dieren op de wereld kwamen

Hoe de dieren op de wereld kwamen
- Een scheppingssprookje van de Amerikaanse indianen -
Lang geleden, toen de wereld nog jong was, leefde het opperhoofd, de Zon, in een tent in de lucht. De hele dag scheen hij en verwarmde de wereld onder hem. De krachtige Napi hielp hem hierbij. Op een dag was Napi eerder klaar dan de Zon. Hij ging bij de bron zitten en rookte rustig zijn pijp. Om de tijd te doden pakte hij een stuk klei en begon het te kneden. Even later had hij een diertje in zijn handen. Hij maakte er nog een en nog een tot hij alle dieren had die nu op aarde leven.

Napi zette de dieren op een platte steen om te drogen. Toen ging hij weer zitten en rookte zijn pijp. Na een poosje pakte hij het eerste dier, blies erop en zei: "Ga mijn zoon, je bent een bizon en je zult in de bergen leven."

Hierna pakte hij één voor één de kleidiertjes op, blies erop en zo kwam er een antilope, een hert, een bever, een bergschaap, een das en alle andere dieren. Hij gaf elk dier een naam en vertelde ze waar ze moesten wonen.

Eén stuk klei bleef liggen op de platte steen. Napi bekeek het en zei: "Ga maar mijn zoon, jij bent een mens en je zult bij de wolven leven!" En zo kwamen de dieren op de wereld en met hen de mens.

Toen alle dieren een naam en een huis hadden, dacht Napi dat iedereen tevreden was. Maar dat was niet waar. Na een paar dagen kwam Napi weer naar de bron om te rusten. Hij zat net toen alle dieren naar hem toe kwamen gehold om hem te vertellen dat ze niet tevreden waren.

De eerste die sprak was de bizon en die zei: "Napi, je hebt het niet goed geregeld, we zijn niet gelukkig!" - "Waarom zijn jullie dan niet gelukkig?" vroeg Napi, "ik begrijp het niet, na alles wat ik voor jullie gedaan heb!"

"Ik kan niet leven in de bergen," zei de bizon, "ze zijn zo steil dat ik niet kan lopen en zo hard dat mijn hoeven pijn doen. Er is ook te weinig gras in de bergen, Napi, daarom kan ik er niet leven."

Het bergschaap zei: "Napi, ik kan niet leven op de vlaktes, ik kan er niet klimmen en er groeit geen mos om te eten."

Napi luisterde naar alle dieren, de bizon en het bergschaap, de antilope en de beer, de geit en de wolf. Toen zei hij: "Ik begrijp het, mijn kinderen. Ik zal de wereld opnieuw verdelen tussen jullie. Alle dieren die gelukkig zijn op de vlaktes gaan met de bizon mee, alle dieren uit de bergen gaan met het bergschaap mee. En jij mens, jij mag ook in een gebied leven."

En zo had Napi de wereld opnieuw verdeeld onder de dieren en ze waren allemaal gelukkig. Alleen de mens nog niet, hij wandelde maar rond en ging naar elk hoekje op de aarde. Daarom kun je nu overal op de aarde mensen vinden.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Dierensprookjes"
           Uitgeverij: Rebo Productions, Sassenheim, ISBN: 90 36600 766
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:05 14 reacties Reageer op dit bericht

De jaguar die 's nachts lawaai maakt

De jaguar die 's nachts lawaai maakt
- Een grappig dierensprookje uit Rio Branco (Brazilië) -
De jaguar was in een boze bui. Overdag kon hij zich nauwelijks bewegen of de papagaaien vlogen geschrokken op en maakten de andere dieren op hem opmerkzaam. Vaak trokken ze zelfs door hun kreten de aandacht van de jagers met hun pijl en boog. En de jaguar moest dan maar zien dat hij er zonder kleerscheuren af kwam.

Er bleef niets anders over dan 's nachts op jacht te gaan. Natuurlijk waren dan de volgende morgen zijn poten door de doornen en scherpe takken vol wonden en bloedend, omdat hij er in het donker op getrapt had. En natuurlijk lag hij dan met een hongerige maag in zijn nest en wachtte tot zijn wonden geheeld waren.

Eens, toen hij weer met een knorrende maag in zijn nest lag, zag hij een tapir, die vredig over de doornen en scherpe takken rond liep zonder zich te verwonden.

Toen kreeg de jaguar een idee: "Hé broertje tapir!" riep hij, "kom eens hier, ik heb iets van je nodig!"

"Dat weet ik al, je wilt me opeten," gaf de tapir ten antwoord en wilde weglopen.

"Als je me helpt, zal ik je de rest van je leven met rust laten! Ik heb werkelijk maar een kleinigheid nodig."

Het zou prachtig zijn als ik niet meer bang voor hem hoefde te zijn, dacht de tapir. Hij ging naar de jaguar en vroeg: "Zal je me werkelijk niet meer opjagen?"

"Op mijn erewoord, nee," zei de jaguar.

"Wat wil je dan?" vroeg de tapir snel want hij was bang dat de jaguar zich zou bedenken.

"Ik zei, een kleinigheid. Luister goed: als jij 's nachts slaapt, ga ik op jacht. Vaak zijn mijn poten 's morgens vol bloedende wonden, zodat ik, zoals vandaag niet eens kan opstaan. Als je mij voor een nacht je hoeven wilt lenen, kunnen doornen en stekels me niets doen."

"En jij geeft me jouw poten en als de zon aan de hemel omhoog komt, ruilen we poten en hoeven weer om," zei de tapir.

De ruil werd gesloten.

Dezelfde avond kreeg de jaguar de hoeven van de tapir en de tapir de poten van de jaguar.

Maar de jaguar was niet tevreden met de ruil, want nauwelijks was hij een stukje van zijn nest weggelopen of de apen werden wakker van het lawaai, dat zijn hoeven maakten. Opgewonden schreeuwend wierpen ze de jaguar van alle kanten met kokosnoten.

De jaguar maakte de ruil vlug weer ongedaan. Hij had nu niet alleen wonden aan zijn poten maar ook nog builen op zijn kop.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Sprookjes van de Indio's. Mythen, sprookjes en legenden van de Indianen uit Midden- en Zuid-Amerika"
           door Vladimir Hulpach, vertaald door Anke Eggink.
           Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1979. ISBN: 90-202-0044-5
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:52 17 reacties Reageer op dit bericht

De gestolen duit

Wilhelm Grimm
- Overleden op 16 december 1859 -
De gestolen duit
- zielerust na de dood -
Eens op een keer zaten er een vader en een moeder met hun kinderen 's middags aan tafel; en ook een goede vriend die een bezoek was komen brengen, at met hen mee. En toen ze zo zaten en het twaalf uur sloeg, toen zag de gast, dat de deur open ging en dat er een kind binnenkwam, sneeuwwit gekleed en heel bleek. Het kind keek niet rond en het zei ook niets, maar het ging recht op de zijkamer af. Weldra kwam hij weer terug en ging even stil de deur weer uit. En de tweede dag en de derde dag ging het net zo. Toen vroeg de gast eindelijk aan de vader van wie dat mooie kind was dat elke middag naar de zijkamer ging. "Ik heb het niet gezien," antwoordde de vader, "en ik zou ook niet weten van wie het was." Toen het kind de volgende dag terugkwam, wees de gast het aan de vader, maar die zag het niet, en de moeder niet en alle kinderen ook niet. Nu stond de gast op, ging naar de kamerdeur, opende die op een kier en keek naar binnen. Daar zag hij het kind op de grond zitten, het zocht met z'n vingers tussen de kieren van de planken en krabbelde ertussen, maar toen hij de gast zag, was hij opeens verdwenen. Nu vertelde hij, wat hij gezien had. Hij beschreef het kind nauwkeurig, en toen wist de moeder het en zei: "Maar dat is ons eigen lief kind, dat vier weken geleden gestorven is." Ze braken toen de planken vloer open en vonden twee penningen. Die had het kind eens van de moeder gekregen, om aan een arme man te geven; maar het kind had gedacht: "daar kun je zelf een broodje voor kopen," en het had de penningen bij zich gehouden en in een kier van de vloer verstopt; en nu kon het geen rust vinden in het graf en het was iedere middag gekomen om naar het geld te zoeken. Toen gaven de ouders 't geld aan een arme man, en sindsdien is het kind nooit meer gezien.

                                          * * * einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           oorspronkelijke titel : Der gestohlene Heller
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:10 5 reacties Reageer op dit bericht

Klein Duimpje

Klein Duimpje
- Een sprookje van een arm houthakkersgezin -
Er was eens een arm houthakkersgezin. Met vader, moeder en zeven zonen woonden ze in een klein huisje in een groot, donker bos. In dit bos hoorde je 's nachts enge geluiden. Gekraak. Gilletjes. Gegrom... De jongste zoon van het gezin heette Klein Duimpje. Hij had deze rare naam, omdat hij bij zijn geboorte níet groter was dan een duim. Hij was niet groot. Wel heel slim. Het houthakkersgezin was zo arm, dat op een dag zelfs de aller- allerlaatste kruimel brood op was. Wat een ellende. Met hongerige buikjes moesten de kinderen die nacht naar bed.

s'Nachts hoorde Klein Duimpje zijn ouders samen praten. "We moeten de kinderen naar het bos brengen, vrouw", zei zijn vader. "We hebben niet genoeg te eten voor allemaal. Bovendien, in het bos kunnen ze bosbessen eten, en beukennoten en zo..." Oh nee! dacht Klein Duimpje. "Naar dat enge bos!" Hij dacht snel na. Hij wilde helemaal niet naar het bos! In het bos, daar wonen wilde dieren, heksen, slangen en reuzen misschien. Vlug wipte hij zijn bed uit. Buiten pakte hij een handvol witte kiezelsteentjes van het pad en stopte ze in zijn zak. Glimlachend viel hij in slaap...

De volgende ochtend nam vader zijn kinderen mee het bos in. Dieper en dieper en dieper... Voorzichtig liet Klein Duimpje één voor één de kiezelsteentjes op de grond vallen. Plots was vader verdwenen. Klein Duimpje volgde het spoor van de kiezelsteentjes, en na een dag waren de kinderen weer thuis. Gelukkig had zijn vader weer wat geld verdiend, dus was hij blij hen te zien. Maar op een dag was al het geld weer helemaal op. Ook dit keer besloot de vader de kinderen naar het bos te brengen. 's Ochtends kregen de kinderen allemaal nog een homp brood om hun ergste honger te stillen. Klein Duimpje bewaarde wat brood in zijn zak. En hij strooide met broodkruimels een spoor, om de weg weer terug te kunnen vinden...

Maar ach, de volgende morgen hadden alle vogels hadden het brood opgegeten. Moedeloos dwaalden de zeven broers door het bos. Tot ze bij een huisje kwamen. Een vrouw deed open."Snel, ga weg" zei ze. Mijn man is een reus. Een echte menseneter!" Maar het was al te laat. De reus kwm thuis. "Wrouaaaaaaah!!!!!!" brulde hij. "Wat is dat? Ik ruik mensenvlees! Vrouw, waar zijn ze! Ik heb trek!" Hij volgde zijn neus en ontdekte de sidderende jongetjes onder het bed. Hij stopte ze in een kooi, en deed de kooi met een sleutel stevig dicht. "Mmmmm," zei hij. "Dat wordt een heerlijk ontbijt!" Toen viel hij in een diepe slaap.

Nu had de reus ook zeven dochters. Eén van die dochters kreeg erge medelijden met de dappere jongens. Ze kroop uit bed en opende de kooi met een sleutel. De broertjes ontsnapten bliksemsnel uit het huis. Toen de reus de ontsnapping ontdekte, werd hij RAZEND. Hij pakte zijn Zeven Mijls Laarzen en snelde de broers achterna. Onderweg werd hij een beetje moe. Hij besloot even een dutje te gaan doen. Toen Klein Duimpje de slapende reus zag trok hij hem stiekem zijn laarzen uit. Toen trok hij zelf de laarzen aan... en daar gingen ze, razendsnel. In de Zeven Mijls laarzen. Toen ze bij het kleine houthakkershuisje kwamen hoorden ze hun moeder huilen. "Mijn kinderen, mijn zeven jongens. Waar zijn ze! Papa heeft nu een baan bij de koning. Eten genoeg! Ik heb zo'n spijt." Glimlachend deed Klein Duimpje de deur open. "Hier zijn we, mam!" En toen...kom, we laten ze met rust. Want knuffels, kusjes en nog eens kusjes... maken alles weer goed.


                                          * * * einde * * *
Bron : - Histoires ou contes du temps passé, avec des moralités:
            Contes de ma mère l'Oye (Sprookjes van Moeder de Gans) van Charles Perrault
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 01:56 9 reacties Reageer op dit bericht

De kabouters 3

De kabouters 3
- Een sprookje van de gebroeders Grimm -
Er was eens een jong moedertje, en de kabouters hadden haar kind uit de wieg gestolen en er een wisselkind voor in de plaats gelegd, eentje met een dikke kop en starre ogen, dat niets deed dan eten en drinken. In haar droefheid ging het moedertje naar de buurvrouw en vroeg om raad. De buurvrouw zei: dat ze ‘t wisselkind naar de keuken moest brengen, bij de haard zetten, vuur aanleggen, en water koken in twee eierschalen; dat maakte ‘t wisselkind aan ‘t lachen; en als ‘t lachte was ‘t met hem gedaan. De vrouw deed precies wat de buurvrouw gezegd had. Toen ze de eierschalen vol water op ‘t vuur had gezet, sprak de dikkop:
"Nu ben ik zo oud,
als het Westerwoud,
maar ik heb nog nooit iemand gezien,
die kookte in eierschalen!"
En toen begon hij te lachen. Terwijl hij lachte, kwam er opeens een hele massa kaboutertjes, en ze brachten het goede kind terug, zetten dat bij de haard en namen het wisselkind mee.

                                          * * * einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:05 19 reacties Reageer op dit bericht

De kabouters 2

De kabouters 2
- Een sprookje van de gebroeders Grimm -
Er was eens een arm dienstmeisje. Ze was vlijtig en netjes en ze veegde elke dag het hele huis en schudde alle vuil op een grote vuilnishoop voor de deur. Op een morgen, toen ze juist weer aan ‘t werk zou gaan, vond ze een brief op die vuilnishoop. Ze kon niet lezen, ze zette haar bezem in de hoek en bracht de brief aan haar meesters, en het was een uitnodiging van de kabouters; ze vroegen haar om voor hen een kind ten doop te houden. Het meisje wist niet, wat ze doen zou, eindelijk na veel overreden en omdat ze tegen haar zeiden, dat men zoiets niet weigeren mag, stemde ze toe. Toen kwamen er drie kaboutertjes, en die brachten haar naar een holle berg, waarin de kabouters wonen. Alles was daar heel klein, maar zo sierlijk en zo rijk, dat het niet te zeggen is. De jonge moeder lag in een bed van zwart ebbenhout, met knoppen van parels; de dekens waren met goud doorstikt, de wieg was van ivoor, en er was een gouden badje. Het meisje hield het kind ten doop, en wilde toen weer naar huis. Maar de kabouters vroegen haar dringend, nog drie dagen te blijven. Nu, dat deed ze, en ze had een vrolijke, feestelijke tijd, en ze deden alles om haar plezier te doen. Eindelijk wilde ze weer terug, toen stopten ze haar alle zakken vol met goud, en brachten haar toen de berg uit. Ze kwam thuis, wilde weer aan ‘t werk gaan, nam de bezem weer uit de hoek en begon te vegen. Opeens kwamen er vreemde mannen ‘t huis uit. Ze vroegen wie ze was, en wat ze daar deed. Het waren geen drie dagen, zoals ze gedacht had, maar ze was zeven jaar bij de kabouters in de berg geweest; en de vorige meesters waren al lang overleden.

                                          * * * einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:16 17 reacties Reageer op dit bericht

De kabouters 1

De kabouters 1
- Een sprookje van de gebroeders Grimm -
Er was eens een schoenmaker. Die was buiten zijn schuld zo arm geworden, dat hem tenslotte niets meer overbleef dan leer voor één enkel paar schoenen. Nu sneed hij ‘s avonds de schoenen, om ze de volgende morgen te naaien. En omdat hij een goed geweten had, ging hij rustig naar bed, bad tot God en sliep in. ‘s Morgens deed hij weer zijn morgengebed, zette zich aan zijn werktafel, - daar stonden de schoenen al helemaal klaar!

Hij verbaasde zich erover en wist niet, hoe hij het had. Hij nam de schoenen in zijn hand, om ze beter te bekijken; ze waren zo mooi genaaid, dat er geen steekje verkeerd was, juist alsof het als meesterstuk moest dienen. En kort daarop kwam een koper en omdat hij de schoenen zo bijzonder goed vond, betaalde hij er meer voor dan gewoonlijk, en voor dat geld kon de schoenmaker leer kopen voor twee paar schoenen, ‘s Avonds sneed hij ze, en hij wilde de volgende morgen met frisse moed gaan naaien - maar dat hoefde niet: want bij het opstaan waren ze allebei al klaar, en kopers bleven ook niet uit; en ze gaven hem zo veel, dat hij leer kon inkopen voor vier paren.

‘s Morgens vroeg vond hij ook die vier paren klaar, en zo ging het maar altijd door, wat hij ‘s avonds gesneden had, was de volgende morgen al geheel verwerkt, zodat hij al gauw uit zijn moeilijkheden was en daarna tenslotte een vermogend man werd. Nu gebeurde het op een avond, kort voor Kerstmis, toen hij weer al het snijwerk voor de volgende dag had gedaan, dat hij voor ‘t naar bed gaan tegen zijn vrouw zei: "Wat denk je, zouden we vannacht niet eens opblijven om te kijken, wie het eigenlijk is die ons zo de helpende hand reikt?" De vrouw was het ermee eens, en ze stak een lamp aan, ze verborgen zich in een hoek van de kamer, achter kleren die daar hingen, en ze bleven opletten. Het werd middernacht. Daar opeens kwamen twee kleine, naakte mannetjes, gingen zitten aan de schoenmakerstaf el, haalden al de gesneden stukken leer naar zich toe en begonnen met hun vingertjes zo handig te prikken, te naaien, te kloppen, dat de schoenmaker er z’n ogen niet vanaf kon houden. Ze hielden niet op voor alles klaar was, en op een rij op tafel stond, en toen hupten ze vlug weg.

De volgende morgen zei de vrouw: "Die kleine mannekes hebben ons rijk gemaakt, daar moesten we ons toch erkentelijk voor tonen. Ze lopen maar zo rond, ze hebben helemaal niets aan, en zullen ‘t zo koud hebben. Weet je wat? Ik zal een paar hemdjes breien, maak jij er dan voor ieder een paar schoentjes bij." De man zei: "Mij best." En toen ze op een avond alles klaar hadden, zetten ze dat alles in plaats van ‘t gesneden leer, bij elkaar op tafel, en verstopten zich toen om te kunnen zien, hoe de mannekes dat zouden opnemen. Klokslag middernacht kwamen ze aangehuppeld, en ze wilden meteen aan ‘t werk gaan; maar ze vonden geen stukken leer, maar leuke kleertjes. Eerst waren ze verbaasd, toen toonden ze zich dolblij. In een wip hadden ze alles aangetrokken, maakten de mooie kleertjes precies vast, en ze zongen:
"Zijn onze kleren niet sierlijk en fijn?
En zouden we dan nog schoenmakers zijn?"
Toen huppelden ze en dansten en sprongen over stoelen en banken. En eindelijk dansten ze de deur uit. Sinds die tijd zijn ze niet meer gekomen. Maar de schoenmaker had het goed zolang hij leefde, en alles wat hij begon, lukte hem.

                                          * * * einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 13 reacties Reageer op dit bericht

De afvalrestjes

De afvalrestjes
- Een sprookje van de gebroeders Grimm -
Er was eens een meisje, heel mooi, maar ook erg lui. Als ze moest spinnen, dan had ze zo het land, dat ze, als er maar een klein oneffenheidje in het vlas was, meteen een heel brok mee uit trok en naast zich op de grond gooide. Maar ze had een dienstmeisje dat heel vlijtig was, die zocht al dat weggeworpen vlas bij elkaar, haalde het uit de knoop, spon het weer en liet er een mooi jurkje van weven voor zichzelf.

Nu had een jonge man het luie meisje gevraagd om met hem te trouwen en de bruiloft zou gehouden worden. Op de laatste avond danste het ijverige meisje in haar mooie jurkje vrolijk rond, en toen sprak de bruid:
"Ach, wat danst dat meisje netjes in mijn afvalrestjes!"
De bruidegom hoorde dat; en hij vroeg aan de bruid, wat ze daarmee zeggen wilde. Toen vertelde ze 't hem, dat het meisje een jurk gemaakt had van alle vlasresten die zij had weggegooid. Toen de bruidegom dat hoorde, en begreep hoe lui ze was, liet hij haar staan, ging naar het andere meisje en koos haar tot vrouw.

                                          * * * einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 16 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten