Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: sprookjes

De boze kabouter

De boze kabouter
- Een Spaans sprookje over een gemene kabouter en een heldin -
Er was eens een student. Hij hield van een mooi meisje, maar haar ouders verboden haar om met hem om te gaan, omdat hij zo arm was. Toen besloot het meisje het huis van haar ouders te verlaten en zij sprak met haar vriend af, dat hij haar 's nachts zou komen halen om samen met haar te vluchten. Dan zou ze met hem tro uwen in een kleine kapel boven op de berg.

Op de afgesproken tijd ging het meisje naar het balkon en zij zag buiten in de duisternis een jongeman aankomen, die een paard aan de teugels hield. Ze dacht dat het haar geliefde was en ze zei: "Kom eens dichterbij en pak mijn koffer aan."

De jongeman nam zwijgend de koffer aan en het meisje liet zich langs een touw naar beneden glijden, steeg op het paard en reed samen met de jongeling weg. Het verwonderde haar wel, dat haar vriend geen woord tegen haar zei. Toen het
licht werd, zag ze dat de jongeman haar vriend helemaal niet was, maar een onbekende jongen. Hij was toevallig voorbijgekomen toen zij op het balkon stond. Toen zei ze tegen hem: "Breng mij in godsnaam niet verder, laat mij maar hier!" De jongen hield stil en het meisje steeg van het paard en ging op haar koffer zitten en de onbekende jongen reed verder.

Spoedig daarna kwamen er herders langs. "Wat een wondermooi meisje! Zo mooi als jonkvrouw Maria!" zeiden ze, en zij namen haar met zich mee.

In het dorp waar de herders woonden, leefden een man en een vrouw, die geen kinderen hadden. Zij namen het meisje bij zich in huis en zorgden goed voor haar. Zij zeiden dat zij niet eens hoefde te werken. Maar zij stond erop om samen met de herderinnen uit de buurt de schapen te hoeden en liet zich daar niet vanaf brengen. Zo bracht zij de dagen bij de
schaapskudde door.

Toch beviel het haar niet in het dorp, want alle mensen leefden in grote angst om wat er zich op het nabijgelegen paleis afspeelde. Iedere dag werd er namelijk iemand uit het volk door het lot aangewezen, die dan
's na chts bij de zieke prinses in de kamer moest gaan sl apen. M aar nooit was iemand levend uit het koninklijk pa leis vanda an gekomen. Op een dag viel het lot op de familie bij wie het meisje woonde, en toen zij dat vernam zei zij: "Ik wil niet dat er iemand uit dit huis in de kamer van de prinses gaat slapen. Ik zal er zelf naar toe gaan." En zij ging naar het paleis.

Toen de koning haar zag, zei hij: "Ik kan niet toestaan, dat zo'n mooi meisje zal sterven! Degene die door het lot was aangewezen, moet in de kamer van de prinses gaan slapen." Het meisje smeekte er echter zo dringend om, dat de koning tenslotte toegaf.


's Avonds ging zij in de kamer van de zieke prinses op een bed liggen. Hoewel ze al spoedig heel moe werd, lukte het haar toch om wakker te blijven. Kort na middernacht kwam er een kabouter de kamer binnen en stak een naald in het hoofd van de prinses, achter haar oor. De prinses begon te jammeren: "O wee, ze verschroeie n me; o wee, ze verbranden me!"

Toen zweeg zij een ogenblik en daarna zei zij tegen de kabouter: "Ik smeek je in godsnaam om het meisje dat daar ligt niet te doden."

"Er blijft me niets anders over dan haar te doden," zei het boze wezen.

"In godsnaam, dood haar niet, want zij is zo mooi!"

De boze kabouter keek naar het meisje, dat deed alsof zij
sliep, en hij zei: "Ja, zij is inderdaad heel mooi. Daarom zal ik haar pas doden als het dag wordt!" Daarop verliet hij de kamer.

Het meisje was nog steeds wakker gebleven en stond nu op en liep stilletjes achter de kabouter
aan. Hij ging een andere kamer binnen en begon te schrijve n. Steed s las hij wat hij had opgeschreven en gooide het velletje papier daarna in een ketel die boven het vuur hing. En iedere keer als hij het papiertje in de ketel wierp, sloegen er blauwe vlammen omhoog, en dan riep de arme prinses: "O wee, ze verschroeien me! O wee, ze verbranden me!" Tenslotte hield de dwerg op met schrijven en sliep in.

Toen pakte het meisje de ketel en goot de inhoud over hem heen, zodat hij verbrandde. Daarna ging ze naar de prinses, trok de naald uit haar hoofd en meteen was de prinses
helemaal gezond. De volgende morgen kwamen de dienaren van de koning om het dode lichaam van het jonge meisje te halen. Tot hun verbazing zagen zij, dat zij leefde.

Het duurde niet lang, of iedereen in het hele koninkrijk wist, dat het meisje de boze kabouter had gedood, en dat de prinses weer gezond was geworden.


Intussen had de student in het hele land naar het meisje gezocht. Nu kwam hem het bericht ter ore dat zijn meisje de prinses had gered. Spoorslags reed hij naar haar toe en na een paar dagen trouwden zij met elkaar. Op de dag van de bruiloft schonk de koning het meisje vele rijkdommen en hij bewees haar grote eer. En samen met haar man leefde zij haar leven lang heel gelukkig.

                                      * * * Einde * * *
Bron : "Kaboutersprookjes" vert. en samenstelling Els Boekelaar en Ineke Verschuren.
            Uitgeverij Christofoor, Zeist, 1985, p. 48-50.
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 01:05 12 reacties Reageer op dit bericht

Meneer Professor

Meneer Professor (Il Professore)
- Een Venetiaans sprookje over hoogmoed en eigendunk -
Er was eens een meestersmid die een ijverig en vakbekwaam man was, maar die wel een erg hoge dunk had van zijn eigen kunnen. Wie hem niet met de titel 'Meneer Professor' aansprak, hoefde niet te verwachten dat hij antwoord kreeg.

Op een goede dag verschenen Jezus en de heilige Petrus in zijn werkplaats. "Meneer Professor," zei Jezus, "wilt u mij wel toestaan iets te maken in uw werkplaats?"

"Als dat alles is," antwoordde de smid. "Wat wilt u dan maken?"

"Dat zult u wel zien."

Jezus greep een tang, pakte daarmee zijn apostel vast en hield hem in het smidsvuur tot hij roodgloeiend was. Daarop haalde hij hem er weer uit en begon lustig op zijn werkstuk los te hameren. In een handomdraai was de oude, kale Petrus veranderd in een flinke jongeman met een weelderige haardos.

Sprakeloos van verbazing stond de smid als aan de grond genageld, terwijl zijn beide bezoekers beleefd afscheid namen. Uiteindelijk kwam hij weer bij zijn positieven en rende hals over kop naar boven, waar zijn zieke oude vader in bed lag.

"Vader, kom snel. Ik heb zojuist geleerd hoe ik weer een gezonde, sterke jongeman van je kan maken!"

"Ben je soms gek geworden?"

"Geloof me toch. Ik heb het met eigen ogen gezien."

Toen de oude man zich hardnekkig bleef verzetten, sleepte zijn zoon hem naar beneden de werkplaats in. Daar hield hij hem in het gloeiende smidsvuur, maar alles wat hij er na enige tijd uithaalde, was een verkoolde klomp vlees, die onder de slagen van zijn hamer tot gruis uiteenviel.

Eindelijk begon het de smid te dagen wat hij had aangericht. Hij rende naar buiten om de twee vreemdelingen te zoeken en trof hen tot zijn opluchting nog aan op het marktplein. "Heren, wat hebben jullie me aangedaan! Ik wilde het ook proberen en nu heb ik mijn bloedeigen vader verbrand. Ik smeek jullie, kom me toch helpen, als dat tenminste nog mogelijk is."

"Ga rustig naar huis," antwoordde de Here God. "Daar zul je je vader gezond en wel aantreffen."

En tot zijn onuitsprekelijke vreugde was dat ook zo.

Sinds die dag was het gedaan met de hoogmoed van de smid. Als iemand hem nog eens aansprak met 'Meneer Professor', dan riep hij: "Ach, schei toch uit met die onzin. De rijke heren wonen in Venetië, de knappe professoren in Padua en ik ben maar een doodgewone prutser."


                                      * * * Einde * * *
Bron : "Venetiaanse sprookjes" verzameld door Herbert Boltz.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk. ISBN: 90-389-0855-5
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 12 reacties Reageer op dit bericht

Vechten met de reus

Vechten met de reus
- Een sprookje uit Litouwen over een rondzwervend weesjongetje -
In Litouwen leefde een arme weesjongen zonder vast adres. Hij zwierf rond met niets anders bij zich dan twee ronde kaasjes, een knots en een wandelstok. Dit bezit werd groter toen hij op zijn weg een ziek vogeltje vond; dat diertje deed hij - om het warm te houden - in zijn tas bij de kaasjes. Aldus gewapend en slecht uitgerust ontmoette hij een reus voor wie zelfs David ontzag zou hebben gehad. Maar onze weesjongen uit Litouwen liet zijn knuppel met kracht neerdalen op de teen van de reus, zodat de reus van pijn ronddanste en het uitbrulde.

"Wat een misbaar," zei de weesjongen. "Wat moet dat straks worden als ik je rug ga bewerken!"

"Niet doen! Niet meer slaan!" riep de reus. "Laten we de zaak kalm bepraten. Laten we ons meten in kracht en niet zomaar op elkaar losslaan. Dat is mij te pijnlijk. We beginnen met te demonstreren wie de grootste kracht in zijn handen heeft!"

En de reus greep een boomstronk vast waar hij zo stevig in kneep dat het hars eruit vloeide.

"Wat jij met hout kunt, kan ik met steen," zei de weesjongen. Hij nam een kaasje uit zijn tas en kneep erin tot het water er uitliep - want het was een zacht geitenkaasje.

"Wat een kracht! Laten we nu kijken wie het verste gooit," zei de reus. Hij nam een kei van de grond en hij gooide die een halve kilometer verder.

Daarop nam de weesjongen de vogel uit zijn tas. Toen hij hem weggooide, vloog deze weg als een pijl uit de boog, steeds hoger en hoger, tot hij verdween over de horizon.

"Dat is pas gooien," zei de reus. "Ik nodig je uit om met me mee naar huis te gaan en kennis te maken met mijn broers. Dat zijn reuzekerels!"

Toen de broers van de reus hoorden hoe sterk de weesjongen was, stonden ze reuzegek te kijken. Ze waren ook jaloers op zoveel kracht en ze spraken af de weesjongen 's nachts in zijn slaap dood te slaan. Die nacht slopen de reuzen het vertrek binnen waar de weesjongen in bed lag. Ze tastten over het kussen tot ze zijn hoofd voelden en toen ze het voelden, gaven ze er met een ijzeren staaf een denderende klap op; de poten van het bed braken ervan af als lucifershoutjes.

Maar de weesjongen had iets dergelijks al vermoed. Hij had uit voorzorg op het kussen een steen gelegd, die zo rond was als een hoofd, zijn hoofd neergelegd op het voeteneinde en zijn knieën opgetrokken tot zijn kin. De klap raakte hem helemaal niet. Zodra het bed doorzakte sprong hij op en riep: "Wie streek daar langs mijn voorhoofd? Iemand die mijn knuppeltje wil voelen?"

De reuzen hadden hier niet van terug en ze renden holderdebolder hun eigen huis uit. Nooit kwamen ze er meer terug - zo diep zat de schrik erin. Het was een reusachtig fijn huis, met reuzenvoorraden voedsel en brandstof. De weesjongen bleef er wonen. Nu had hij een vast adres en dat vond hij reuze!


                                      * * * Einde * * *
Bron : "Sprookjes en vertellingen uit Rusland" vertaald en bewerkt door Hans Werner.
           Deltos Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1972. ISBN: 90-10-30122-2
           www.beleven.org
afbeelding :     Raphael Seygnovert
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:17 15 reacties Reageer op dit bericht

Het majoraanplantje (vervolg)

Het majoraanplantje - vervolg
- Een Venetiaans sprookje over een fee in een marjoleinplantje -
Nu woonden in de omgeving van het kasteel zeven jonge vrouwen. Vroeger had de prins contact met hen gehad en hij zorgde altijd nog dat ze alles kregen wat ze nodig hadden om te leven. Omdat ze hadden gemerkt dat hun weldoener hen de laatste tijd geen blik meer waardig keurde, besloten ze de zaak uit te zoeken. Ze kochten twee metselaars om, die in de vertrekken van de prins een geheime gang moesten aanleggen. Zo stonden ze al gauw alle zeven in zijn slaapkamer, maar ze konden niets bijzonders ontdekken, behalve dan een opvallend fraai majoraanplantje op de vensterbank. Ieder van hen wilde een takje meenemen en daarbij brak de jongste de top van het plantje af, zodat het klokje begon te klingelen.

Een ogenblik later stond de lieftallige fee voor hen. Nauwelijks waren de vrouwen van hun verbazing bekomen, of ze begonnen als wilden door elkaar te schreeuwen: "Loopse teef! Dus jij bent het die ons de prins afhandig wil maken. Dat zullen we je wel eens even afleren."

Ze sloegen met stokken op de arme fee in, verbrijzelden haar schedel en namen er ten slotte ieder een stuk van mee. Alleen de jongste weigerde een dergelijke gruwelijke trofee en nam genoegen met een streng van het goudblonde haar. Daarna vluchtten de vrouwen door de geheime gang weg.

Toen de kamerdienaar die avond het drama ontdekte, sloeg de angst hem om het hart. Hij begroef het gebeente van de fee in de bloempot, stapelde er takjes en bladeren overheen en verdween zo snel hij maar kon.

Drie dagen later keerde de prins terug van de jacht. Hij haastte zich naar zijn slaapkamer en liet het klokje klingelen. Zijn geliefde verscheen echter niet. Toen zag hij hoe treurig het plantje was toegetakeld en hij brak in tranen uit. Hij at en dronk niet meer van verdriet en hij kon geen rust meer vinden, zodat zijn toestand ten slotte ernstig werd.

Op een nacht lag de prins weer slapeloos te woelen, toen hij merkte dat er iemand bij hem in bed glipte. "Treur niet langer," fluisterde een vertrouwde stem. "Je trouwe dienaar heeft me begraven. Nu ben ik opnieuw geboren en kan ik voor altijd mijn plantje verlaten."

De fee vertelde hem alles en van louter vreugde was ook de prins de volgende ochtend weer de oude. Het tweetal had niet gelukkiger kunnen zijn!

Enkele dagen later werd de bruiloft gevierd, waarvoor ook de zeven misdadigsters waren uitgenodigd. Tijdens het feestmaal bracht de bruidegom een heildronk uit op zijn bruid en vertelde de verzamelde gasten over haar lotgevallen. "Wat denken jullie," besloot hij, "welke straf moeten degenen die haar dit hebben aangedaan krijgen?"

"Vierendelen! Ophangen! Verbranden! Verdrinken!" Ieder bracht zijn mening naar voren. Ten slotte was het de beurt aan de bewuste vrouwen, die met opeengeklemde kaken aan tafel zaten. Noodgedwongen moesten ook zij hun oordeel uitspreken. "Ze moeten levend in een riool worden verdronken."

"Jullie hebben je eigen vonnis geveld," riep de prins. "Bind hen vast en smijt hen in de beerput van het kasteel. Daar waar alle vuiligheid samenkomt."

Het vonnis werd direct voltrokken. Alleen de jongste, die een goed hart had, bleef gespaard. De prins schonk haar een fraaie uitzet en liet haar ter plekke trouwen met zijn dienaar.

Beide paren werden heel gelukkig en leefden tevreden tot het einde van hun dagen.


                                      * * * Einde * * *
Bron : "Venetiaanse sprookjes" verzameld door Herbert Boltz.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk. ISBN: 90-389-0855-5
           www.beleven.org
foto : Dobromila    CC 3.0
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:14 5 reacties Reageer op dit bericht

Het majoraanplantje

Het majoraanplantje
- Een Venetiaans sprookje over een fee in een marjoleinplantje -
Lang geleden woonde op een kasteel eens een bediende-echtpaar dat al vele jaren innig verlangde naar een kind. Al het wachten bleef echter vergeefs en op den duur werd de vrouw wanhopig. In haar verdriet deed ze een vreemde uitspraak: "Ach, kon ik toch maar iets het leven schenken," riep ze, "al was het maar een majoraanplantje, dan zou ik al tevreden zijn."

Het idee liet haar niet meer los en uiteindelijk werd ze dan toch zwanger. Negen maanden later bracht ze een welgeschapen majoraanplantje ter wereld. De vrouw hechtte zich net zo aan het plantje als aan een heuse dochter. Ze gaf het elke dag te drinken en verzorgde het vol overgave. Ja, ze snoeide de tere, grijsgroene blaadjes zo kunstig, dat het plantje er op den duur uitzag als een kinderhoofdje, met prachtige ogen en een allerliefst gezichtje. Op het balkon richtte ze een zonnig plekje in voor haar lieveling.

Op een dag reed de zoon van de koning aan wie het kasteel toebehoorde, uit voor de jacht. Hij kwam langs het balkon, liet zijn gevolg stoppen en stuurde een hulpje naar de dienares. "De prins laat weten dat je majoraanplantje hem buitengewoon bevalt. Hij is bereid het voor een goede prijs van je te kopen."

De vrouw aarzelde, maar dan kregen de verlokking van het goud en haar angst voor de prins de overhand. Ze vroeg een aanzienlijk bedrag, dat ze echter zonder problemen ontving. De prins was intussen niet minder tevreden over de koop. De paarse kleur van de bloemetjes en de heerlijke geur die het plantje verspreidde, hadden hem betoverd. Hij zette het voor het raam van zijn slaapkamer en gaf het elke dag trouw water.

Op een nacht ontwaakte de prins uit een diepe slaap. Hij voelde heel duidelijk dat er nog iemand in de kamer aanwezig was. Eerst dacht hij aan een dief, maar hij hield zich doodstil en wachtte af. Zachte, vrijwel onhoorbare voetstappen naderden zijn bed en een onzichtbare hand tilde behoedzaam het beddengoed op. Het volgende moment voelde hij dat er een vrouw in zijn bed was geglipt. Ze bleef de hele nacht, maar voordat de ochtend aanbrak, verdween ze net zo geheimzinnig als ze was gekomen.

Dit herhaalde zich zeven nachten achtereen. Hoewel de prins brandde van verlangen om zijn onbekende lief een keer te zien, mislukte dit steeds opnieuw. Ten slotte bedacht hij een plan. Toen ze weer in het donker slapend naast hem lag, bond hij een streng van haar lange haar om zijn arm en gaf een dienaar het afgesproken klopsignaal. Die bracht een lamp en toen kon hij haar eindelijk in al haar schoonheid bewonderen. Ze sloeg haar ogen op, overwon haar eerste schrik en zei: "Ik ben een fee en ik woon in het majoraanplantje dat je voor zo veel geld hebt gekocht. Ik heb me voorgenomen alle nachten bij je door te brengen."

De prins sloot haar in zijn armen en zwoer haar tot zijn koningin te zullen maken.

Nu trof het zo, dat in die tijd een wild everzwijn ernstig huishield op de akkers van de boeren. De prins was een bekwaam jager en moest op bevel van zijn vader met het beest gaan afrekenen.

"Ik moet een paar dagen weg," zei hij tegen de fee. "Blijf in je schuilplaats en laat je niet zien."

"Doe mij ook een plezier," antwoordde zij, "en bind met een zijden draadje een klokje aan de top van mijn plantje. Trek na je terugkeer aan het draadje, dan weet ik dat je weer thuis bent."

Hij voldeed aan haar wens en riep zijn vertrouwde kamerdienaar bij zich. "Je moet elke avond zoals gewoonlijk het bed opschudden. Vergeet ook niet het majoraanplantje water te geven en denk erom: ik heb elk blaadje geteld. Wee je gebeente als er straks ook maar eentje ontbreekt." Daarop steeg hij op zijn paard en reed weg.


                             * * * wordt vervolgt * * *
Bron : "Venetiaanse sprookjes" verzameld door Herbert Boltz.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk. ISBN: 90-389-0855-5
           www.beleven.org
foto : Dobromila    CC 3.0
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 01:11 19 reacties Reageer op dit bericht

Het madeliefje

Hans Christian Andersen
- Overleden op 4 augustus 1875 -
Het madeliefje
- Een sprookje van Hans Christian Andersen -
Nu moet je eens horen!

Buiten op het land, dicht bij de weg, lag een landhuis; je hebt het zeker zelf wel eens gezien!

Aan de voorkant is een kleine tuin met bloemen en een geschilderd hek; vlak daarbij aan de greppel, midden in het heerlijkste, groene gras, groeide een madeliefje; de zon scheen net zo warm en zo mooi op dat bloempje als op de grote, rijke prachtbloemen in de tuin en daarom groeide het van uur tot uur. Óp een morgen was het bloempje helemaal ontloken met zijn helderwitte blaadjes, die als stralen rondom het gouden zonnetje binnenin staan. Het dacht er niet aan dat niemand het daar in het gras zag, en dat het maar een arm, geminacht bloempje was; nee, het was zo tevreden en blij. Het keerde zich naar de zon toe, keek erin en luisterde naar de leeuwerik, die in de lucht zong. Het madeliefje was zo gelukkig of het een grote feestdag was; en toch was het maar een maandag. Alle kinderen waren op school en terwijl zij in hun bank zaten en iets leerden, zat het bloempje op zijn groene steeltje en leerde ook: de warme zon en alles in de omtrek vertelden hoe goed God is; en het vond dat die kleine leeuwerik zo duidelijk en mooi zong, van wat het in stilte voelde. Het madeliefje zag met een soort eerbied op naar de gelukkige vogel die kon zingen en vliegen, maar het was helemaal niet bedroefd dat het dit zelf niet kon. Ik kan toch horen en zien!

dacht het. De zon schijnt op mij en de wind kust mij. O, wat ben ik toch rijk!

Binnen het hek stonden vele stijve, voorname bloemen; hoe minder zij geurden hoe trotser zij hun kopje opstaken. De pioenen bliezen zich op om nog groter te schijnen dan de rozen -- maar het is de grootte niet die het doet; de tulpen hadden de mooiste kleuren — dat wisten ze wel — en ze stonden daar zo rank, opdat men het nog beter kon zien. Ze letten helemaal niet op dat kleine madeliefje daarbuiten, maar het keek des te meer naar hen en dacht: Wat zijn ze toch rijk en mooi. Ja, daar komt die mooie vogel zeker op neervliegen!

Goddank, dat ik er zo dichtbij sta, dan kan ik dat moois toch zien!

En terwijl het bloempje dit dacht, kwam "kwierewiet!", de leeuwerik aanvliegen, maar niet naar de pioenen en de tulpen, nee, naar het arme madeliefje in het gras, dat van vreugde zo schrok dat het helemaal niet meer wist wat het daarvan denken moest.

Het vogeltje danste rondom het bloempje en zong: "Nee, wat is het gras toch zacht!

En kijk eens wat een lief bloempje met goud in 't hartje en zilver op zijn blaadjes!" En werkelijk zag het gele vlekje in het madeliefje eruit als goud, en de blaadjes eromheen waren helderwit.

Hoe gelukkig het madeliefje was kan niemand begrijpen. De vogel kuste het met zijn snavel, zong een lied voor het bloempje en vloog toen weer de blauwe lucht in. Het duurde zeker wel een heel kwartier, vóór de bloem tot zichzelf kwam. Half schuchter en toch zielsvergenoegd keek het naar de bloemen binnen in de tuin; die hadden immers de eer en de zaligheid aanschouwd die het bloempje ten deel waren

gevallen, die moesten toch begrijpen welk een vreugde dat was. Maar de tulpen stonden daar nog eens zo stijf en trokken een spits gezicht en waren vuurrood, want ze hadden zich geërgerd. De pioenen hadden helemaal dikke koppen, boe!, het was maar goed dat ze niet konden praten, want anders had het madeliefje een flink standje van ze gekregen. De arme, kleine bloem kon heel goed merken dat ze niet in hun humeur waren en dat speet haar heel erg. Op hetzelfde ogenblik kwam er een meisje in de tuin met een groot mes, scherp en blinkend, ze ging naar de tulpen toe en sneed de een na de ander af. "Hu!" zuchtte het madeliefje, "dat is toch verschrikkelijk, nu is 't met ze gedaan!" Toen ging het meisje met de tulpen weg. Het madeliefje was er blij om, dat het buiten in het gras stond en maar een klein, arm bloempje was; het voelde zich echt dankbaar, en toen de zon onderging vouwde het zijn blaadjes toe, sliep in en droomde de hele nacht van de zon en van de kleine vogel.

De volgende morgen, toen de bloem weer blij al haar witte blaadjes als kleine armpjes uitstrekte naar de lucht en het licht, herkende zij de stem van de vogel, maar nu was het een droevig lied dat hij zong. Ja, de arme leeuwerik had er wel een goede reden voor, hij was gevangen en zat nu in een kooi dicht bij het open venster. Hij zong van vrij en gelukkig rond vliegen, hij zong van het jonge, groene koren op het veld en van de heerlijke reis die hij op zijn vleugels tot hoog in de lucht kon maken. De arme vogel was in een droeve stemming, hij zat in de kooi gevangen.

Het madeliefje wilde zo graag helpen, maar hoe moest het dat doen; ja, dat was moeilijk te bedenken. Het vergat helemaal hoe prachtig alles rondom stond, hoe warm de zon scheen, hoe mooi wit zijn eigen blaadjes eruitzagen; ach, het kon alleen maar aan de gevangen vogel denken, waarvoor het helemaal niets kon doen.

Toen kwamen op hetzelfde ogenblik twee kleine jongens uit de tuin; een van hen had een mes in de hand, net zo groot en zo scherp als het mes dat het meisje had gehad om de tulpen mee af te snijden. Ze gingen recht op het madeliefje af, dat helemaal niet kon begrijpen wat ze wilden.

"Hier kunnen we een pracht van een graszode snijden voor de leeuwerik!" zei de ene jongen, en begon een diepe insnijding te maken aan vier kanten om het madeliefje heen, zodat het midden op de graszode kwam te staan.

"Trek die bloem uit!" zei de andere jongen, en het madeliefje beefde van angst. Want te worden uitgetrokken betekende het leven verliezen, en het wilde toch zo graag blijven leven nu het met de graszode in de kooi moest bij de gevangen leeuwerik.

"Nee, laat het zitten!" zei de andere jongen, "het staat zo aardig!" En zo bleef het zitten en kwam met de graszode in de kooi bij de leeuwerik.

Maar de arme vogel klaagde luid over zijn verloren vrijheid en sloeg met de vleugels tegen de ijzeren tralies van de kooi; het madeliefje kon niet praten, kon geen woord van troost zeggen, hoe graag het ook wilde. Zo verliep de hele morgen.

"Hier is geen water!" zei de gevangen leeuwerik, "zij zijn allemaal uit en hebben vergeten mij een druppel te drinken te geven. Mijn keel is droog en brandend. Van binnen ben ik vuur en ijs, en de lucht is zo zwaar!

Ach, ik moet sterven, ik moet weg van de warme zonneschijn, van 't frisse groen, van al de heerlijkheid, die God geschapen heeft!" En toen boorde hij zijn snaveltje in de koele graszode om wat op te frissen; daarbij vielen zijn ogen op het madeliefje en de vogel knikte tegen de bloem, kuste haar met zijn snavel en zei: "Jij moet ook hierbinnen verdorren, jij arm bloempje!

Jou en dit groen plekje gras heeft men mij gegeven in plaats van die grote, wijde wereld, die ik daarbuiten had. Elk grassprietje moet voor mij een groene boom zijn, elk van je witte blaadjes een geurende bloem. Ach, je vertelt me alleen maar hoeveel ik verloren heb!"

Kon iemand hem maar troosten!

dacht het madeliefje, maar het kon geen blad verroeren; de geur evenwel die uit zijn fijne blaadjes stroomde, was heel wat sterker dan anders bij dit bloempje voorkomt; dat merkte de vogel óók, en ofschoon hij versmachtte van dorst en in zijn kwelling de groene grassprietjes uittrok, raakte hij toch de bloem niet aan.

Het werd avond, en nog kwam er niemand om het arme vogeltje een druppel water te brengen. Toen strekte het zijn mooie vleugels uit, schudde ze krampachtig, zijn zang was een weemoedig piet-piet, zijn kopje boog zich naar de bloem toe en zijn hartje brak van gebrek en verlangen. Toen kon de bloem niet, zoals de avond tevoren, zijn blaadjes samenvouwen en slapen. Zij boog zich ziek en treurig ter aarde.

Eerst de volgende morgen kwamen de jongens, en toen ze zagen dat de vogel dood was huilden ze, huilden bittere tranen, en groeven een allerliefst graf dat met bloemblaadjes versierd werd. Het dode vogeltje werd in een mooi rood doosje gelegd, een koninklijke begrafenis moest het hebben, dat arme vogeltje. Toen het nog in leven was en zong vergaten zij hem, lieten hem zitten in zijn kooi en aan alles gebrek lijden, maar nu kreeg het praal en veel tranen.

Maar de graszode met het madeliefje werd op de weg in het stof geworpen, niemand dacht aan het bloempje dat toch het meest voor het vogeltje gevoeld had en het zo graag had willen troosten.


                                      * * * einde * * *
Bron : www.andersenstories.com
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:22 10 reacties Reageer op dit bericht

Waarom de zonnebloem zich altijd naar de zon draait

Waarom de zonnebloem zich altijd naar de zon draait
- Een Inca-sprookje over een meisje dat met de zon trouwt -
Voordat er in de tuinen gouden zonnebloemen groeiden, heerste er in het groene keizerrijk een groene keizer die maar één dochter had. Ze was zo mooi als een lentebloesem, maar de keizer maakte zich veel zorgen om haar. De prinses wilde absoluut niet trouwen. Niet één van de prinsen beviel haar, of hij nu groot was of klein, blond of donker. En steeds als haar vader haar toesprak antwoordde ze: "Ik hou alleen van de zon."

Op een dag werd de keizer daar zo boos over, dat hij woedend riep: "Wel, ga er dan heen en trouw met de zon, maar kom mij niet meer onder ogen."

En zo ging de prinses op weg naar de zon. Ze liep maar steeds naar het oosten over bergen en dalen, door bossen en woestijnen, tot ze bij een hoge berg kwam, waar de zon zijn paleis had. Maar de prinses zag daar alleen maar de moeder van de zon.

"Wat zoek je hier, meisje?" begroette de oude vrouw haar.

"Ik zoek de zon," antwoordde de prinses en vertelde de zonnemoeder, waarom ze door haar vader het huis was uitgejaagd.

De zonnemoeder had met het meisje te doen. "Goed, meisje! De zon is mijn zoon en ik geef je toestemming om met hem te trouwen. Maar vergeet één ding niet: Als je bij hem wilt blijven, mag je hem nooit aankijken." De prinses beloofde het.

Een jaar lang leefde ze gelukkig en tevreden met de zon en had ze hem niet één keer aangekeken. Maar tenslotte begon ze nieuwsgierig te worden: "Waarom zou ik de zon toch niet mogen aankijken, hij is toch mijn man," dacht ze steeds.

De zonnemoeder raadde haar gedachten. Ze kreeg medelijden met haar: "Ik weet, wat er aan scheelt, meisje. Als je wilt, zal ik je een goede raad geven. Zet een glas water voor je man neer en kijk hem in het glas aan. Maar op één ding moet je letten: als je hem te lang aankijkt zal hij het merken en zal het slecht met je aflopen."

De prinses deed zoals de oude zonnemoeder gezegd had. Toen de zon 's avonds terugkwam, zette ze een glas water voor hem neer en keek erin. In het glas zag ze voor het eerst het gezicht van haar man, en het was zo mooi en lief, dat haar hartje bijna stil bleef staan. Ze vergat de waarschuwing van de oude zonnemoeder en bleef maar kijken, tot haar man het tenslotte merkte. De zon riep toornig: "Als jij niet kunt gehoorzamen, wil ik je hier niet meer hebben!" en stuurde haar het paleis uit.

De prinses liep huilend over boomstronken en stenen, terwijl de tranen over haar wangen liepen. Maar erg ver kwam ze niet. Toen ze over het eerste veld liep, ontfermde de zon zich over haar en veranderde haar in een hoge plant met een grote gele bloem. Sinds die tijd draait ze steeds haar grote gele bloem naar de zon, en de mensen gaven haar daarom de naam zonnebloem.


                                      * * * einde * * *
Bron : "De betoverde tuin" door Marie Mrstikova. Nederlandse vertaling van Els Nuijen.
            Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1978. ISBN: 90-251-0297-2
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:15 12 reacties Reageer op dit bericht

De vogel Feniks

De vogel Feniks
- Een sprookje van Hans Christian Andersen -
In de tuin van het paradijs, onder de boom der kennis, stond een rozenhaag. Hier, in de eerste roos, werd een vogel geboren, zijn vlucht was als die van het licht, heerlijk was zijn kleur, heerlijk zijn zang.

Maar toen Eva de vrucht van de boom der kennis brak, toen zij en Adam uit de tuin van het paradijs werden verjaagd, viel van het vlammend zwaard van de straffende engel een vonk in het nest van de vogel en deed het in vlammen opgaan. De vogel stierf in de vlammen, maar uit het rode ei vloog een nieuwe, de enige, de steeds enige vogel Feniks. Het verhaal vertelt dat hij in Arabië woont en elke honderd jaar zichzelf in zijn nest verbrandt, en dat een nieuwe feniks, de enige in de wereld, uit het rode ei wegvliegt.

De vogel fladdert om ons heen, snel als het licht, verrukkelijk van kleur, heerlijk van lied. Wanneer moeder aan de wieg van haar kind zit is hij aan het hoofdeind en slaat met de vleugels een aureool om het hoofd van het kind. Hij vliegt door de kamer van de armoede en brengt zonneglans daarbinnen, de armelijke commode geurt van violen.

Maar de vogel Feniks is niet alleen de vogel van Arabië. Hij fladdert in de glans van het Noorderlicht over de ijsvelden van Lapland, hij springt tussen de gele bloemen in de korte zomer van Groenland. Onder de koperrotsen van Fahlun, in de steenkolenmijnen van Engeland, vliegt hij als een gepoederde mot, over het gezangboek van de vrome arbeider.

Hij vaart op het lotusblad in de heilige wateren van de Ganges, en het oog van het Hindoemeisje straalt wanneer zij hem ziet. De vogel Feniks! Ken je hem niet? De vogel van het paradijs, de heilige zwaan van het lied. Hij zat op de kar van Thespis als een lasterende raaf, en sloeg met zijn zwarte met droesem besmeurde vleugels; over de harp van IJslandse zangers gleed de rode zingende snavel van de zwaan; op de schouder van Shakespeare zat hij als Odins raaf en fluisterde hem in het oor: "Onsterfelijkheid." Hij vloog bij het zangersfeest door de ridderzaal van de Wartburg.

De vogel Feniks: ken je hem niet? Hij zong de Marseillaise voor je en je kuste de veer die van zijn vleugel viel; hij kwam in de glans van het paradijs en jij wendde je misschien af naar de spreeuw, die daar zat met bladgoud op de vleugels.

De vogel van het paradijs! ledere eeuw vernieuwd, in vlammen geboren, in vlammen gestorven, je beeld, in goud gevat, hangt in de zalen van de rijken; zelf vlieg je dikwijls eenzaam en verdwaald - een sage slechts: de vogel feniks in Arabië.

In de tuin van het paradijs, toen je geboren werd, onder de boom der kennis, in de eerste roos, kuste God je en gaf je je echte naam - de poëzie.


                                      * * * einde * * *
Bron : andersenstories.com
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:39 5 reacties Reageer op dit bericht

Het oude moedertje

Het oude moedertje
- De gebroeders Grimm over een oude, alleen overgebleven vrouw -
Er was eens in een grote stad een heel oud moedertje, en zij zat 's avonds alleen op haar kamer, en ze zat erover na te denken, hoe ze eerst haar man, dan haar beide kinderen, langzamerhand al haar familie, en tenslotte vandaag nog haar laatste vriend had verloren, en dat ze nu helemaal alleen en verlaten was.

Toen werd ze moedeloos en treurig in het diepst van haar hart, maar het zwaarste woog haar wel het verlies van haar beide zoons; en in haar verdriet gaf zij God er de schuld van. Ze zat zo stil en in gedachten verzonken, toen opeens de kerkklok luidde voor de kerkdienst. Zij verbaasde zich erover dat ze zo de hele nacht in verdriet had doorgewaakt, en ze stak licht aan en ging naar de kerk.

Bij haar aankomst was de kerk al licht, maar niet, als gewoonlijk, door kaarsen maar door een eigenaardige schemer. De kerk was ook al helemaal vol, ja, alle plaatsen waren bezet, en toen het moedertje op haar gewone plaats kwam, was die ook niet meer leeg, maar de hele bank zat vol. En toen ze de mensen aankeek, toen waren het allemaal gezichten van familie die al overleden was, ze zaten daar in hun ouderwetse kleren, maar met bleke gezichten. Ze praatten niet en ze zongen niet, maar er ging een zacht gemurmel door de kerk.

Toen stond er iemand op en ging naar voren en zei tegen het oude moedertje "Kijk eens naar het altaar, daar zult u uw beide zoons zien." De oude vrouw keek en ze zag haar beide kinderen, en de één hing aan de galg en de ander was op het rad gebonden. Toen zei de moei: "Zie je, zo zou het hun vergaan zijn, als ze in leven waren gebleven en God hen niet als onschuldige kinderen bij zich had genomen."

Sidderend ging het oude vrouwtje huiswaarts, en op haar knieën dankte zij God, dat hij het beter voor haar had gemaakt, dan ze had kunnen begrijpen. En op de derde dag ging zij liggen, en stierf.


                                      * * * einde * * *
Bron : "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           Oorspronkelijke titel : Das alte Mütterchen
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:22 18 reacties Reageer op dit bericht

Luisje en vlootje

Luisje en vlootje
- Een sprookje van Grimm -
Er waren eens een luisje en een vlootje. Ze hadden samen een huishoudinkje opgezet en brouwden bier in een eierschaal. Toen het bier kookte in de dop, viel het luisje er in en verbrandde. Daar begon het vlootje luid te schreien. En het kamerdeurtje zei: "Maar vlootje, waarom huil je zo?" - "Omdat 't luisje verbrand is!" Toen ging het deurtje piepen. Het bezempje dat in de hoek stond, zei: "Waarom piep je zo, deurtje?" - "Zou ik niet piepen?
Luisje is verbrand,
Vlootje schreit!"
Opeens begon het bezempje verschrikkelijk hard te vegen. Daar kwam een wagentje aan en zei: "Waarom veeg je zo, bezempje?" - "Zou ik niet vegen?
Luisje is verbrand,
Vlootje schreit,
Deurtje krijt!"
Toen zei het wagentje: "Dan ga ik heel hard rijden" en het begon heel hard te rijden over de weg. Toen zei een keuteltje dat op de weg lag, waar het wagentje langs reed: "Wat rijd jij hard, wagentje?" "Zou ik niet jagen?
Luisje is verbrand,
Vlootje schreit,
Deurtje krijt,
Bezempje vaagt,
Wagentje jaagt."
En toen zei het keuteltje: "Dan zal ik heel hard verbranden" en het begon met een helle vlam te branden. Er stond een boompje naast de weg waar het keuteltje lag, dat zei: "Keuteltje, waarom brand je?" - "Zou ik niet branden?
Luisje is verbrand,
Vlootje schreit,
Deurtje krijt,
Bezempje vaagt,
Wagentje jaagt,
Keuteltje vlamt."
Toen zei het boompje: "dan ga ik me schudden," en 't begon zich zo te schudden, dat alle blaadjes afvielen. Dat zag een meisje, dat aankwam met een waterkruikje, en zij riep: "Boompje! wat schud je je!" - "Zou ik mij niet schudden?
Luisje is verbrand,
Vlootje schreit,
Deurtje krijt,
Bezempje vaagt,
Wagentje jaagt,
Keuteltje vlamt,
Dat het verbrandt!"
En toen zei het meisje: "Dan gooi ik het waterkruikje stuk!" Toen zei het bronnetje, waar het water uit welde: "Meisje, waarom breek je het waterkruikje?" - "Zou ik het waterkruikje niet breken?
Luisje is verbrand,
Vlootje schreit,
Deurtje krijt,
Bezempje vaagt,
Wagentje jaagt,
Keuteltje vlamt,
Dat het verbrandt,
En het boompje gaat aan 't schudden."
"Zo," zei het bronnetje, "en nu ga ik heel hard stromen," en het begon verschrikkelijk hard te stromen. En in het water is tenslotte alles weggespoeld, het meisje, het boompje, het keuteltje, het wagentje, het bezempje, het deurtje, het vlootje - alles en alles!

                                      * * * einde * * *
Bron : "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           Oorspronkelijke titel : Läuschen und Flöhchen
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:04 10 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten