Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: sprookjes

De Bremer stadsmuzikanten

De Bremer stadsmuzikanten
- Een sprookje van Grimm over vier samenwerkende dieren -
In tijden dat trouw nog vanzelfsprekend was leefde er eens een man met een ezel. Jarenlang had het dier de zakken onverdroten naar de molen gedragen, maar zijn krachten verminderden en hij werd ongeschikt voor 't zware werk. Toen bedacht zijn meester hoe 't hem minder duur in de kost zou worden, maar de ezel merkte dat de wind uit de verkeerde hoek woei, hij liep weg en ging naar Bremen; daar dacht hij, kon hij wel stadsmuzikant worden.

Toen hij een poosje gelopen had, vond hij een jachthond, liggende op de weg, hijgend als één die zich moe heeft gelopen. "Nu, wat hap jij naar lucht, Pakaan?" vroeg de ezel. "Ach," zei de hond, "nu ik oud ben en elke dag minder word, en ik ook op de jacht niet veel meer waard ben, heeft mijn meester me willen doodslaan; toen ben ik weggelopen, maar waar moet ik nu de kost mee verdienen?" "Weet je wat," zei de ezel, "ik ga naar Bremen om daar stadsmuzikant te worden, ga mee en kom ook bij de muziek. Ik speel de luit en jij slaat de pauken." Dat vond de hond best, en zo gingen ze verder.

Het duurde niet lang of daar zat een kat op de weg, met een gezicht als drie dagen slecht weer. "Nu, wat zit jou dwars, arme snorrenbaard?" sprak de ezel. "Wie kan nu schik hebben, als 't om je hals gaat," antwoordde de kat, "omdat ik nu op jaren kom en mijn tanden stomp worden en ik liever bij de kachel zit te spinnen, dan rond te jagen naar muizen, heeft de vrouw me willen verdrinken. Nu ben ik weggelopen, maar goede raad is duur: waar moet ik heen?" "Ga jij met ons mee naar Bremen, je bent toch een goeie nachtmuzikant, daar kan je stadsmuzikant worden." Dat vond de kat best en ze liep mee.

Daar kwamen de drie weggelopen zondaars langs een hoeve en op de poort zat de huishaan en schreeuwde uit alle macht. "Je kraait dat 't iemand door merg en been gaat," sprak de ezel, "wat scheelt er aan?" "Ik had goed weer voorspeld," zei de haan, "omdat 't vandaag Onze Lieve Vrouwendag is, toen ze 't Kerstkindje z'n hemdje gewassen heeft en 't drogen wou; maar nu morgen, met de zondag, gasten komen, heeft de vrouw toch geen medelijden met me en ze wil me morgen in de soep stoppen en vanavond moet ik m'n kop laten afsnijden. Nu kraai ik maar zolang en zo hard als ik kan." - "Och kom, domme Roodkop," zei de ezel, "trek liever met ons mee, wij gaan naar Bremen, iets beters dan de dood kun je overal vinden; je hebt een prachtstem en als we samen muziek gaan maken, dan zal dat prachtig klinken." De haan ging op het voorstel in, en zo togen ze alle vier samen op reis.

Maar in één dag konden ze niet naar Bremen komen, 's Avonds bereikten ze een bos, waar ze wilden overnachten. De ezel en de hond gingen liggen aan de voet van een grote boom, de kat ging in de takken, maar de haan vloog in de top, want dat vond hij het veiligst. Vóór hij insliep, keek hij nog éénmaal alle vier de windstreken na, en toen meende hij dat hij heel in de verte een lichtje zag branden. Hij riep zijn kameraden toe, dat er niet ver vandaar een huisje moest zijn, want hij zag licht. De ezel sprak: "Dan moeten we daar nog maar heengaan, want dit is geen beste herberg." De hond zei: "en stuk vlees en wat been zou mij ook goeddoen." Dus togen ze alle vier in de richting waar het licht vandaan kwam, en het werd helderder, en groter, en eindelijk stonden ze voor een groot rovershuis. De ezel, de grootste, ging naar 't raam en keek naar binnen. "Wat zie je, Grauwtje?" vroeg de haan. "Wat ik zie?" zei de ezel, "een gedekte tafel zie ik met heerlijk eten en drinken, en er zitten rovers aan en ze smullen." - "Dat zou wat voor ons zijn," zei de haan. "Ja ja, waren we er maar," zei de ezel.

Toen beraadslaagden de dieren, hoe ze het zouden aanleggen om de rovers weg te jagen. Eindelijk vonden ze een middel. De ezel zou met de voorpoten op de vensterbank gaan staan, de hond op de rug van de ezel, de kat bovenop de hond en de haan op de kop van de kat. Zo gezegd zo gedaan. Toen ze zo opgesteld waren, gaf de ezel 't teken en ze begonnen: de ezel balkte, de hond blafte, de kat miauwde en de haan kraaide; toen stortten ze zich door het venster in de kamer, zodat de ruiten kletterden. De rovers vlogen bij 't ontzettend geschreeuw overeind, ze dachten niet anders of er kwam een spook naar binnen, en ze vluchtten in grote angst het bos in. Nu gingen de vier reizigers aan tafel, namen de rest van de maaltijd voor lief, en aten alsof ze in geen vier weken eten zouden krijgen.

Toen de vier muzikanten klaar waren, deden ze de lichten uit en zochten ieder een geschikte slaapplaats. De ezel ging op de mest liggen, de hond achter de deur, de kat in de haard op de warme as, en de haan op de hanenbalken; ze waren heel moe van hun lange tocht en sliepen dadelijk in.


                                      * * * einde * * *
Bron : "De sprookjes van Grimm. Volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:17 13 reacties Reageer op dit bericht

De kleermaker in de hemel

De kleermaker in de hemel
- Een sprookje van Grimm over Petrus en de hemelpoort -
Eens gebeurde het, dat, op een mooie dag, onze Lieve Heer een wandeling ging maken in de tuin van de hemel, en Hij nam alle apostelen en alle heiligen mee, zodat er niemand meer in de hemel overbleef dan de heilige Petrus. Onze Lieve Heer had hem bevolen om in die tussentijd niemand binnen te laten, dus stond Petrus bij de hemelpoort en hield wacht.

Het duurde niet lang, of iemand kwam aankloppen. Petrus vroeg, wie het was en wat hij wilde. "Ik ben een arme, eerlijke kleermaker," antwoordde een benepen stemmetje, "die toegang vraagt."

"Eerlijk?!" zei Petrus, "zeker als de dief aan de galg. Je had altijd lange vingers en je hebt heel wat mensen stof afgezet. In de hemel kom je niet, Onze Heer heeft me verboden, om iemand binnen te laten, zolang Hij er niet is."

"Wees toch barmhartig!" riep de kleermaker. "Kleine stukjes afval die vanzelf van de kniptafel vallen, dat is geen diefstal, daar praten we niet eens over. Kijk, ik hink en ik heb van de lange weg blaren aan mijn voeten, ik kan onmogelijk terug. Laat mij maar binnen. Ik zal het vuile werk doen. Ik wil met kinderen sjouwen, luiers spoelen, banken afnemen en drogen, en kapotte kleren maken."

Nu liet Petrus zich vermurwen en opende de hemelpoort net zo ver voor de kreupele kleermaker, dat z'n magere lijf door de kier kon. Hij moest maar in een hoekje achter de deur gaan zitten en daar heel stil en koest zijn, zodat onze Lieve Heer als Hij terugkwam, hem niet zien zou en boos worden. De kleermaker deed het, maar toen Petrus eens de deur uitging, stond hij stil op, en ging nieuwsgierig in alle hoeken van de hemel kijken, en nam alles eens goed op. Eindelijk kwam hij bij een plek, daar stonden veel mooie, kostelijke stoelen in een kring en in het midden stond een gouden zetel, met schitterende edelstenen bezet, die ook veel hoger was dan de andere stoelen, en er stond een gouden voetenbank voor. Maar dat was de troon waarop Onze Lieve Heer zat als hij thuis was en daarvandaan kon men alles zien wat er op aarde gebeurde.

De kleermaker bleef een hele poos bij die troon staan kijken, want dat vond hij nog het mooiste van alles. Eindelijk kon hij zijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen, klom erop en ging erop zitten. Toen zag hij alles wat op aarde gebeurde; en hij zag een oude, lelijke vrouw. Ze stond bij een beek te wassen en ze legde twee sluiers heimelijk opzij. De kleermaker werd daar zo woedend om, dat hij de gouden voetenbank greep en door de hemel op aarde gooide naar de oude dievegge toe. Maar daar hij de voetenbank niet meer terug kon halen, sloop hij verlegen van de troon weg en kroop stilletjes naar z'n plaatsje achter de deur en deed of er geen vuiltje aan de lucht was.

Toen de Heer en Meester met het hemelse gevolg weer terugkwam, zag hij het kleermakertje achter de deur niet; maar toen Hij op de troon ging zitten, was de voetenbank er niet. Hij vroeg aan Petrus, waar de voetenbank gebleven was, maar Petrus wist er niets van. Toen vroeg Hij verder, of Petrus niemand binnengelaten had. "Ik zou niemand weten," zie Petrus, "dan een manke kleermaker, die nog achter de deur zit te wachten." Toen liet Onze Lieve Heer de kleermaker komen en vroeg hem of hij de voetenbank soms weggenomen had en waar hij hem neergezet had.

"O Heer," zei de kleermaker verheugd, "ik heb hem in woede naar de aarde geworpen, naar een oud mens dat ik bij 't wassen twee sluiers zag stelen."

"O jij schelm," sprak de Heer, "als het recht zo ging als jij het doet, hoe denk je dan dat het met jou gesteld zou zijn? Ik zou al lang geen stoelen, geen banken, ja zelfs geen pook meer hier hebben gehad, maar alles naar de zondaren geworpen hebben. Voortaan kun je niet meer in de hemel blijven, maar je moet weer naar buiten voor de poort; zie dan maar waar je terecht komt. Hier mag niemand straffen dan Ik alleen, de Heer."

Petrus moest de kleermaker weer buiten de poort brengen, en omdat hij kapotte schoenen had en voeten vol blaren, nam hij een stok in de hand en trok naar 'Wacht-een-Wijle' waar de dappere soldaten zitten te drinken!


                                      * * * einde * * *
Bron : "De sprookjes van Grimm. Volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 01:02 10 reacties Reageer op dit bericht

Van de mus met de gebroken poot

Van de mus met de gebroken poot
- Een Japans sprookje over pompoenen vol met rijst -
Lange tijd geleden woonde er eens in een of ander bergdorp in Japan een goedhartig oud vrouwtje. Op een dag kwam er een mus in haar tuin die een poot gebroken had en zich bitter beklaagde.

Toen de oude vrouw dat bemerkte, kreeg ze medelijden; ze pakte de mus op, zette hem in een mand van bamboe, gaf hem het voer dat mussen graag lusten en verzorgde hem met grote liefde.

In korte tijd heelde ook de wond aan de poot van de mus en kon hij weer vrij in de mand rondfladderen. De oude vrouw verheugde zich daarover en steeds meer begon de mus haar na aan het hart te liggen. Op een dag hupte de mus uit de mand en vloog weg. Omdat hij niet meer terugkeerde, maakte het vrouwtje zich zorgen en probeerde erachter te komen waarheen hij gevlogen was. De volgende dag kwam er een mus onder het afdak zitten en zijn vrolijke stem verheffend begon hij te tjilpen. Het vrouwtje vond dat iets heel bijzonders en opende de deur en zag dat hij pompoenpitten op het erf strooide.

De vrouw raapte alle pitten op en zaaide ze uit op het achterveld. Er kwamen wonderbaarlijke scheuten uit de grond, waaraan bloesems kwamen. Er groeiden vruchten uit en ze kon ten slotte een groot aantal flinke pompoenen oogsten. De oude was daar erg blij om en op een zonnige plek onder het afdak hing ze ongeveer tien dagen lang al deze grote pompoenen op.

Na deze tijd kwam er uit de eerste pompoen, korreltje voor korreltje een soort glanzende rijst stromen. Ze raapte een korreltje op en proefde het; het bleek kostelijke glanzende rijst te zijn. Toen ze daarna alle pompoenen eraf haalde en erin keek, zat elk ervan vol rijst. Vol vreugde kookte het moedertje meteen een maaltijd van deze rijst en at ervan; het smaakte goed! Ze deed een deel van de rijst in dozen en deelde die ook rond in de buurt. Ze verheugde er zich over dat dit gerecht iedereen goed smaakte. Hoeveel ze ook van de rijst nam, de voorraad verminderde in het geheel niet en daardoor werd het oude vrouwtje bijzonder welgesteld.

In de buurt woonde echter een hebzuchtige oude vrouw. Toen zij van deze geschiedenis hoorde, werd ze door grote afgunst gegrepen en ze nam zichzelf voor om ook een mus te vangen. Nadat ze er eindelijk een gevangen had, brak ze zijn poot en zette hem in een mand. Omdat ze hem echter in het geheel geen voedsel gaf, leed de mus honger en fladderde moeizaam in de mand rond. Al spoedig haalde de hebzuchtige oude het deksel eraf. Het musje stootte een smartelijke kreet uit en vloog weg. De oude stelde zich al voor hoe de mus haar de volgende dag een of ander geschenk zou brengen.

De volgende dag kwam de mus op de vensterbank zitten tjilpen. Toen ze haastig de luiken opende, zag ze dat hij pompoenpitten had meegebracht en uitgestrooid. Vol blijdschap daarover zaaide de hebzuchtige oude vrouw, zonder iets over te laten, ze op haar veld uit. Er kwamen wonderbaarlijke scheuten te voorschijn, er kwamen bloesems aan en vruchten en er rijpten een groot aantal pompoenen aan. Ze plukte ze en hing ze allemaal onder het afdak. "Als er nu maar gauw rijst uitkomt! Als er nu maar gauw rijst uitkomt!" riep ze en keek er elke dag naar, maar het liet zich niet aanzien dat er ooit rijst uit zou komen.

De hebzuchtige oude vrouw werd heel woedend; ze rukte alle pompoenen omlaag en brak de ene na de andere open. Toen kwamen er uit de pompoenen grote slangen, duizendpoten, horzels en hagedissen in grote scharen te voorschijn. Ze grepen de oude vrouw, slingerden zich om haar heen en beten of staken haar; de oude hebzuchtige vrouw kon er helemaal niets tegen doen en stierf ten slotte waanzinnig. Zo wordt er verteld.


                                      * * * einde * * *
Bron : "Japanse volkssprookjes" bijeengebracht door Horst Hammitzsch,
           vertaald door Ef Leonard, keuze en eindredactie Karla Reiss.
           A.W. Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen, 1974
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:05 15 reacties Reageer op dit bericht

De Magische Klok 2

De Magische Klok (2/2)
- Een sprookje uit de Efteling over zes herauten -
De tovenaar was intussen de hele dag op stap geweest om de klok te verkopen. Maar hij had niemand kunnen vinden die zomaar drie zakken goud kon betalen. En hij was zó moe geworden van al dat geloop, dat-ie met z'n rug tegen een boom was gaan zitten om wat uit te rusten. Plotseling zag-ie in de verte een klein kereltje aankomen. "Wat vreemd," zei de tovenaar tegen zichzelf. "Dat lijkt Slimme Toon wel. Ik dacht dat-ie op de klok zou passen, e-en nou loopt-ie hier, door het bos?"

Hij verstopte zich achter de boom, en ja hoor, daar kwam Slimme Toon voorbij, met de klepel op z'n rug. De tovenaar begreep er niets van, maar hij dacht wel dat er iets niet pluis was. En toen hij zag dat Slimme Toon de weg naar het kasteel insloeg, besloot-ie hem ongezien te volgen.

De zes koningszonen stonden al vol ongeduld te wachten, en ze hielpen Slimme Toon om op het torentje te klimmen. Daar hing hij de klepel in de bel, en toen riep-ie naar beneden: "Blaast u nog 'ns. Nu zal het wel beter gaan." De zes koningszonen hieven hun trompetten naar hun mond, en bliezen. De ruitertjes begonnen te rijden, en de bel begon te luiden.

Maar wie kwam daar door de poort? De tovenaar. Hij begreep ineens alles en werd wit van boosheid. "Lelijke dieven die jullie zijn," riep-ie tegen de koningszonen, "die mooie klok te stelen, waar ik drie jaar aan gewerkt heb! Wacht maar eens, ik zal jullie leren!" En hij prevelde de sterkste toverspreuk die-t-ie kende. Plotseling konden de koningszonen zich niet meer bewegen. Ze moesten stokstijf blijven staan, met de trompet aan hun mond. "Ieder kwartier zullen jullie moeten blazen," zei de tovenaar, "en als de ruitertjes dan gaan rijden, dan kunnen de mensen zien hoe jullie vroeger vrij en blij te paard door de velden reden, en hoe jullie nu voor straf in stenen beelden veranderd bent." Slimme Toon probeerde zich nog te verstoppen achter de bel, maar de tovenaar had 'm al gezien. "En jij, Slimme Toon, jij zult voor altijd op het dak van de toren moeten blijven zitten en de bel luiden. Dan kunnen de mensen horen waar ze moeten komen kijken om een oneerlijke knecht te zien." En, zoals de tovenaar zei, zo gebeurde het...

En zo is het nu nog. Ieder kwartier blazen de koningszonen op hun trompetten en ieder kwartier luidt Slimme Toon de bel. Maar hij is niet zó slim dat-ie van de toren afkan. Misschien dat ooit de toverspreuk z'n kracht verliest en ze allen weer levend worden, dat de koningszonen weer vrij en frank door de velden kunnen rijden, en dat Slimme Toon een eerlijke knecht wordt... Wie weet, gebeurt dat nog 'ns. Want ja; in sprookjes is alles mogelijk.


                                      * * * einde * * *
Bron : http://members.home.nl/efteling/verhalen/magischeklok.html
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:10 18 reacties Reageer op dit bericht

De Magische Klok

De Magische Klok (1/2)
- Een sprookje uit de Efteling over zes herauten -
Heel lang geleden woonden hier op een prachtig kasteel zes koningszonen. Ze waren zo ijdel, dat ze aan de machtige tovenaar een klok besteld hadden, met zes ridders te paard, zodat iedereen die de klok zag, aan hen zou denken. Bovendien mocht de klok pas gaan lopen en de bel gaan klinken, zodra de koningszonen op hun trompet bliezen. Ze hadden de tovenaar beloofd hem daar drie zakken goud voor te geven. Maar toen de klok klaar was en ze bij hem kwamen om de klok te halen, hadden ze zoveel geld uitgegeven aan mooie kleren en lekker eten, dat ze nog maar één zak goud over hadden, en 'm dus niet konden betalen.

De tovenaar werd vreselijk boos. "Als jullie niet genoeg geld hebben, dan hadden jullie ook niet zo'n dure klok mogen bestellen," zei hij. "Maak nu maar gauw dat jullie wegkomen. Ik verkoop die klok we-we-we-wel aan iemand anders." En toen zette hij hen buiten de deur.

Nu had Slimme Toontje, het knechtje van de tovenaar, achter de deur staan luisteren en zodoende alles gehoord. Aan deuren luisteren is een lelijk iets, maar Slimme Toontje had nog meer slechte eigenschappen. Hij kon liegen als de beste en was nog oneerlijk ook. Hij was alleen maar bij de tovenaar in dienst gekomen om stiekem achter alle geheimen te komen, in de hoop daar veel geld mee te kunnen verdienen. En hij verzon dan ook een heel boos plan.

De volgende dag zei de tovenaar tegen Slimme Toon: "Toon, Toon, ik moet op reis. Ik ga proberen of ik niet iemand kan vinden, eh, die de Magische Klok wil kopen. Hier is de sleutel van m'n kamer; pas goed op dat 'r niemand binnenkomt."

"Hèhè, niet zolang ik er ben," zei Slimme Toon en hij wuifde de tovenaar na tot die achter een heuvel verdwenen was.

Toen rende Slimme Toon de trappen af en liep op een holletje het donkere bos door, naar het kasteel, waar hij zich bij de koningszonen liet aandienen. "Wat kom jij hier doen?" vroeg de oudste koningszoon. "Ik-ik-ik-ik ben de knecht van de tovenaar," zei Slimme Toon, "en ik kom jullie vertellen hoe je voor één zak goud de Magische Klok kunt krijgen. Als jullie mij die zak goud geven, dan zal ik de deur van de kamer van de tovenaar opendoen. Dan kunnen jullie de klok, nou, gewoon meenemen."

"Hoeraaa!" riepen de zes koningszonen, en toen ze hoorden dat de tovenaar op reis was, nam één van hen Slimme Toon voor zich op z'n paard, en reden met z'n allen in galop naar de toren van de tovenaar.

De koningszonen pakten daar de gouden wijzers, de wijzerplaat, de zes ruitertjes en de bel op hun paarden en reden terug naar het kasteel. Slimme Toon begon hard te werken. Hij metselde de wijzerplaat in het torentje van het kasteelplein. Daarboven kwamen de ruitertjes. En helemaal op het dak van de toren maakte hij de bel. De koningszonen keken hun ogen uit. Oh, wat een mooie klok was dat. En ze hadden veel plezier dat ze die goeie tovenaar zó lelijk bij de neus hadden genomen. Toen de klok klaar was, gingen de koningszonen hun trompetten halen. "Blaas maar," zei Slimme Toon, "dan zul je eens wat zien." Dat deden ze, en ja hoor: de wijzers van de klok begonnen te draaien, de ruitertjes begonnen te rijden en de bel... Mis. De bel begon niet te luiden. Hoe ze ook bliezen, de bel deed het niet. De koningszonen werden vreselijk boos op Slimme Toon. Want de bel, ja, de bel vonden ze het mooiste van de hele klok. Maar... Slimme Toon had het al gezien: "Hèhè, eh, eh, we zijn de klepel vergeten," zei hij, "die ligt zeker nog in de kamer van de tovenaar. Uh, ik zal 'm wel even halen."


                                * * * wordt vervolgd * * *
Bron : http://members.home.nl/efteling/verhalen/magischeklok.html
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:12 17 reacties Reageer op dit bericht

De man die het huishouden zou doen

De man die het huishouden zou doen
- Een Noors sprookje van Asbjørnsen en Moe -
Er was eens een man, die altijd zuur en gemelijk was en nooit tevreden over wat zijn vrouw in het huishouden had gedaan. Op een avond tijdens de hooioogst kwam hij thuis en knorde en ketterde weer, dat de vonken er afvlogen.

"Maar mijn beste vriend, ga toch niet zo tekeer," zei zijn vrouw. "Morgen zullen we ruilen: ik zal met de hooiers meegaan, dan kun jij het huishouden doen."

Ja, daar kon de man zich best mee verenigen, dat wilde hij wat graag…

's Morgens vroeg nam de vrouw de zeis over de schouder en vertrok naar de wei om te hooien en de man begon maar meteen aan het huishouden. Eerst wilde hij boter karnen; maar toen hij een poosje gekarnd had, kreeg hij dorst en ging naar de kelder om wat bier te tappen. Terwijl hij daarmee bezig was, hoorde hij, dat het varken naar binnen gewandeld was. Met de tap van de bierton in zijn hand liep hij even vlug de keldertrap op om te voorkomen, dat het varken de karn zou omgooien.

Maar toen hij zag, dat het varken de karn al omvergeworpen had en smakkend van de room stond te snoepen die over de vloer stroomde, werd hij zo uitzinnig van woede, dat hij de bierton volkomen vergat en meteen op varkensjacht ging. Hij haalde het dier bij de deur in en gaf het een fikse trap, zodat het bleef liggen waar het lag. Tot zijn schrik bedacht hij, dat hij nog steeds met de tap in zijn hand liep; maar toen hij in de kelder kwam, was het biervat al leeg.

Hij ging toen naar het melkkoetje en vond daar nog zoveel room, dat hij er de karn mee vol kreeg. En hij begon opnieuw te karnen want boter wilde hij voor het middagmaal hebben. Toen hij een poos had gekarnd, bedacht hij, dat de thuiskoe nog binnen stond en haar natje en droogje nog niet had gehad hoewel de dag al een heel eind gevorderd was. Hij vond de wei te ver en dacht, dat hij haar maar liever op het dak moest laten grazen: het huis had een plaggendak en er groeide prachtig sappig gras op. Het huis lag tegen een steile heuvel aan, en als hij nu een plank op het dak legde, dacht hij de koe er wel bovenop te kunnen krijgen. Maar de karn durfde hij niet alleen te laten want zijn zoontje scharrelde en kroop door het vertrek; die zou hem wel eens kunnen omgooien. Daarom nam hij de karn op zijn rug mee. Maar hij wilde de koe eerst nog even water geven voor hij haar op het dak losliet. Hij nam dus een emmer om daar water mee te putten, maar op hetzelfde ogenblik, dat hij zich over de putrand boog, vloeide de room de karn uit en langs zijn nek omlaag.

Het liep al hard naar de middag en nog steeds had hij geen boter; toen bedacht hij, dat hij ook best pap kon koken en hing een pan met water boven het haardvuur. Na dat gedaan te hebben, kwam de gedachte bij hem op dat de koe wel eens naast het dak kon stappen en haar poten of nek breken; hij klom daarom naar boven om haar vast te binden. Het ene eind van het touw bond hij om de hals van de koe, vervolgens liet hij het door de schoorsteenpijp glijden en beneden deed hij zolang een lus om zijn eigen dijbeen want het water in de pot kookte al en hij moest nu eerst de pap gaan roeren.

Terwijl hij daarmee bezig was viel de koe toch van het dak en trok de man door de pijp omhoog; daar bleeft hij vastzitten. En de koe, dat arme beest, hing langs de wand van het huis, zweefde tussen hemel en aarde en kon omlaag noch omhoog.

De vrouw liep er intussen allang op te wachten, dat de man haar voor het middageten zou komen roepen. Maar het duurde en bleef duren en er gebeurde niets. Ten slotte was zij het wachten moe en liep naar huis. Toen zij zag hoe akelig de koe daar hing, liep ze snel op haar toe en kapte het touw met de zeis door. Op hetzelfde ogenblik viel de man door de pijp omlaag en toen de vrouw binnentrad, stond hij op zijn kop in de pappot.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Noorse sprookjes" verzameld door P. Chr. Asbjørnsen en Jørgen Moe.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993. ISBN: 90-389-01-445
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:08 9 reacties Reageer op dit bericht

Harteleed

Harteleed
- Een vertelling van Andersen over het verdriet van een jong meisje -
Eigenlijk is het verhaal waar ik hier mee kom, een verhaal in twee delen. Het eerste deel zou je wel weg kunnen laten, maar het geeft voorkennis en die is nuttig.

We bevonden ons op een landgoed buiten en toen trof het zo dat de eigenaars een dagje weggingen. Toen kwam er uit het stadje daar vlak bij een juffrouw. Ze had haar mopshond bij zich en ze kwam, zoals ze zei, om 'aandelen' in haar leerlooierij te verkopen. Haar papieren had ze bij zich en we gaven haar de raad ze in een envelop te doen en daar de naam van de landeigenaar op te schrijven: "Luitenant-majoor van speciale diensten der eerste klasse oudste categorie van de Koninklijke Reserve."

Ze luisterde naar ons, ze nam de pen ter hand, hield op en vroeg ons de adressering te herhalen, maar langzaam. Wij deden het en zij schreef. Maar midden in "Luitenant-majoor" bleef ze steken, zuchtte en zei: "Ik ben maar een vrouwmens!" De mopshond had ze onder het schrijven op de grond gezet, en hij bromde. Hij was toch voor zijn genoegen en zijn gezondheid meegenomen en dan moet je niet op de grond terechtkomen. Een stompe neus en een spekrug waren zijn uiterlijke kenmerken.

"Hij bijt niet!" zei de juffrouw. "Hij heeft geen tanden. Hij is als het ware lid van het gezin, trouw en nijdig, maar dat doen mijn kleinkinderen hem aan met hun geplaag. Ze spelen bruiloft en dan willen ze dat hij bruidsmeisje is, die arme stumper!"

En ze leverde haar papieren af en nam de mopshond op haar arm. Dit is het eerste deel, dat we eigenlijk kunnen missen.

"De mopshond stierf!" - dat is het tweede deel.

Het was een week later. We kwamen naar het stadje en namen onze intrek in de herberg. Onze ramen zagen uit op de binnenplaats die door een schutting in tweeën was gedeeld. In de ene helft hingen vellen en huiden, verse en gelooide. Alle materialen voor een leerlooierij lagen er en de looierij was van de weduwe.

De mopshond was deze morgen gestorven en hier op de binnenplaats begraven. De kleinkinderen van de weduwe, dat wil zeggen van de looiersweduwe, want de mopshond was nooit getrouwd, streken de aarde glad, en het was een prachtig graf, het moest een genoegen zijn om daar te liggen.

Het graf was omheind met potscherven en bestrooid met zand. Een half bierflesje hadden ze erbovenop gezet, met de hals naar boven, en dat was helemaal niet allegorisch.

De kinderen dansten rond het graf en de oudste jongen, een praktische jongeling van zeven jaar, stelde voor het graf van de mopshond tentoon te stellen en wel voor iedereen uit de steeg. De toegang moest je betalen met een bretelknoop, dat was iets wat iedere jongen had en wat hij ook kon leveren voor de meisjes, en dat voorstel werd met algemene stemmen aangenomen.

Alle kinderen van de steeg en ook van het zijsteegje kwamen met hun knoop. Er waren er heel wat die die middag met één bretel moesten rondlopen, maar dan had je ook het graf van de mopshond gezien en dat was wel wat waard.

Maar buiten de leerlooierij stond, dicht bij het hek, een klein, slordig ding, heel lieftallig, met het mooiste krulhaar en ogen zo blauw en helder dat het een lust was. Ze zei geen woord, ze huilde ook niet, maar keek zo ver als ze kon, iedere keer dat het hek openging. Ze had geen knoop, dat wist ze, en daarom bleef ze bedroefd buiten staan, stond daar tot iedereen was uitgekeken en iedereen weer weg was. Toen ging ze zitten, hield haar kleine, bruine handjes voor haar ogen en barstte in snikken uit. Zij alleen had het graf van de mopshond niet gezien. Dat was harteleed en zo diep als dat van een volwassene vaak kan zijn.

We zagen het van boven - en van boven gezien kunnen we om dit en om zoveel van ons en andermans verdriet lachen! - Dit is het verhaal en wie het niet begrijpt, kan aandelen nemen in de looierij van de weduwe.


                                    * * * EINDE * * *
Bron : "Hans Christian Andersen - Sprookjes en verhalen"
           opnieuw uit het Deens vertaald door Dr. Annelies van Hees.
           Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1992. ISBN: 90-6069-840-1
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:07 14 reacties Reageer op dit bericht

Het duivelsmeer

Het duivelsmeer
- Een kort heldenverhaal uit Ecuador over een drakendoder -
In een dorp woonde eens een zekere oude man die Pedro heette, en die had een zoon die Juan heette. Op een dag, toen Juan juist twintig werd, zei zijn vader tegen hem: "Mijn zoon, ik heb een geheim zo lang bewaard tot je twintig werd. Achter deze grote vlakte ligt een meer dat het duivelsmeer wordt genoemd. En midden in dit meer staat een boom met gouden appels. Voor degene die zo'n appel plukt, deelt het water van het meer zich en dan ziet hij een schitterend paleis."

Toen vroeg Juan aan zijn vader: "Wie heeft dat paleis dan in het meer neergelaten?" En de vader antwoordde hem: "Heel, heel lang geleden was er een ontaarde koning die zich niet om zijn volk bekommerde; en voor straf overstroomde de duivel zijn paleis."

De volgende dag ging Juan op weg om de boom met de gouden appels te zoeken. Hij liep door de vlakte en toen hij midden op de weg was, hoorde hij plotseling een gelach. Hij keek naar alle kanten, maar hij zag niemand. Toen klom hij in een boom, en in die boom zat een vogel met prachtige veren. Opnieuw hoorde Juan een gelach en hij vroeg zich af: "Wie is dat?" Toen zag hij de vogel die met zijn vleugels klapperde en die met een liefelijke stem zei: "Juan, wees maar niet bang? Zet je tocht naar het duivelsmeer voort." Toen vervolgde Juan zijn weg weer en opnieuw hoorde hij het gelach van de duivel en hij zei bij zichzelf: "God, geef me kracht!"

Zo liep hij door tot hij eindelijk het duivelsmeer zag, en in het midden ontwaardde hij de boom met de gouden appels. Net toen hij een appel wilde plukken, verscheen er plotseling een draak met achttien koppen om hem op te eten. Maar Juan zei: "Mijn God, verlaat me niet!" Hij raapte al zijn moed bij elkaar, trok zijn zwaard en gordde zich aan tot de strijd. Toen de eerste kop zich naar hem toeboog om hem te verslinden, sloeg hij deze met een krachtige houw van de romp. En zo vocht hij verder tot hij alle achttien koppen had afgeslagen.

Daarna plukte hij een van de gouden appels en op hetzelfde ogenblik deelde het water zich aan zijn voeten en hij zag een schitterend kasteel. Hij ging het kasteel binnen en zag daar zijn vader met een aardig meisje. En de vader zei tegen hem: "Vanwege jouw dapperheid moet jij met dit meisje trouwen, en je zult de koning van dit volk worden." Zo werd Juan koning van dat volk, en hij leefde gelukkig met zijn geliefde vrouw.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volkssprookjes en legenden uit Zuid-Amerika," door Felix Karlinger.
           Uitgeverij Elmar B.V., Rijswijk. ISBN: 90-6120-433-X
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:07 12 reacties Reageer op dit bericht

Tweeërlei leven(2/2)

Tweeërlei leven (2/2)
- Een sprookje uit Venezuela over een reis door de tijd -
Hij nam Pedro dus met zich mee naar huis, in een prachtig paleis midden in de stad, met veel mooie en rijke kamers en zalen. Pedro vond het leven in de stad prettig, en vooral raakte hij verliefd op een dochter van de onbekende heer, van wie hij nu hoorde dat hij een rijke graaf was. Maar na een paar dagen wilde Pedro terug naar huis, de graaf zei echter tegen hem: "Pedro blijf nog wat bij ons. Je vader weet wanneer je terugkomt, en je zult ook precies op tijd thuis zijn." Toen liet Pedro zich overhalen en hij bleef in de stad. En er verliep nauwelijks een jaar of hij trouwde met de dochter van de graaf, en die liet een ander paleis voor het jonge paar bouwen, het was niet minder prachtig dan zijn eigen paleis.

Pedro, die nu al helemaal ingeburgerd was in het land, had daar zijn zaken. Zijn vrouw baarde hem zoons en dochters, en hij leefde gelukkig en tevreden. Slechts van tijd tot tijd had hij verlangen naar zijn ouders en broers en zusters, maar altijd troostte zijn schoonvader hem: "Dat heeft de tijd nog. Je komt vroeg genoeg thuis."

Zo verstreken de jaren, en Pedro was al grootvader geworden, toen hij zijn verlangen naar thuis niet meer kon bedwingen, en op een avond zei hij tegen zijn schoonvader, die nu al een gebrekkige grijsaard was: "Vader, morgen wil ik vertrekken om mijn familie te bezoeken." - "Wil je dat echt?" - "Ja. Ik vrees wel dat mijn ouders al lang in het graf liggen, maar mijn broers en zusters zullen nog wel in leven zijn, want ik ben immers de oudste." - "Nu, dan zal ik je morgen iemand meegeven die je de weg wijst," zei de graaf.

De volgende dag liet Pedro een pakpaard met geschenken voor zijn broers en zusters opladen en nam afscheid van zijn vrouw en zijn zoons en kleinkinderen. De knecht van de graaf reed voor hem uit en bracht hem zo bij de rivier waardoor hij destijds bij de achtervolging van de bandiet gereden was.

"Ik zal omkeren," zei de knecht, "want aan de overkant vind je je weg zonder moeite zelf."

En zo was het. Nauwelijks was Pedro aan de andere kant van de rivier of alles kwam hem weer bekend voor. Hij reed de hele dag en kwam 's avonds bij het huis van zijn vader.

"He, hola," riep hij, "wie is nu de heer des huizes?"

Toen kwam zijn vader naar buiten en vroeg: "Vreemdeling. wat wil je?"

"Ach, vader," zei Pedro, "herken je me niet? Jij bent helemaal niet veranderd." - "Wat klets je daar, oude man?" vroeg de estanciero, "ik heb je nog nooit van mijn leven gezien!" - "Maar vader, ik ben toch je zoon Pedro."

Intussen was ook de moeder met een paar broers en zusters van Pedro naar buiten gekomen. De estanciero zei: "Nu geloof ik dat je gek bent, oude man! Jij met je witte baard wilt mijn zoon zijn? Mijn Pedro reed gisteravond weg om bandieten te verdrijven en als je wat wacht, kun je hem straks zelf zien, want hij moet vanavond weer thuiskomen." Toen steeg Pedro van zijn paard, hij was helemaal verbluft en zei: "Wat, is je zoon gisteren weggereden?" - "Jawel, verduiveld, ben je zo slecht van begrip?" De estanciero dacht dat de oude man last van zonnesteek had, en hij liet hem in huis brengen, waar Pedro direct op zijn plaats ging zitten, de plaats waar hij anders ook altijd zat.

Hij keek de kring rond en zei: "Dat is Juan, dat is Carlos, dat is Dolores, dat is Dorothea, dat is Mariana." - "Heer," zei de estanciero en bekeek de voornaam geklede oude man, "hoe ken je al de namen van mijn kinderen?"

Pedro ging voort de dingen op te sommen die in huis waren en die een vreemdeling niet kon weten. En hij overtuigde langzamerhand zijn ouders en zijn broers en zusters dat hij Pedro was, die de vorige avond was weggereden. En hij vertelde hun hoe hij over de rivier was geraakt en in de stad was terechtgekomen, hoe hij bij de graaf was gaan wonen en met diens dochter was getrouwd. Hij vertelde van zijn zoons en dochters, van zijn kleinkinderen.

Er is lang over dit verhaal gesproken. Maar het is al enige tijd geleden.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volkssprookjes en legenden uit Zuid-Amerika," door Felix Karlinger.
           Uitgeverij Elmar B.V., Rijswijk. ISBN: 90-6120-433-X
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:08 13 reacties Reageer op dit bericht

Tweeërlei leven (1/2)

Tweeërlei leven (1/2)
- Een sprookje uit Venezuela over een reis door de tijd -
Er leefde eens een estanciero die een aanzienlijke familie bezat. Op een avond toen ze net aan het souper zaten, riep er iemand voor de deur. "Ga naar buiten kijken wat ze willen!" zei de estanciero tegen een van de knechts. "Heer, buiten staat een ruiter die u graag wil spreken," gaf de knecht ten antwoord. Toen stond de heer op en ging naar buiten.

Wie zag hij buiten? In het donker herkende hij een grote man op een vurig paard en met zilver beslagen toom. De ruiter groette de estanciero en zei: "Er loert hier weer een bende struikrovers in de buurt. Sluit alles af! Of nog beter: geef me een flinke man mee! Wij hebben al een groep van betrouwbare mensen verzameld en willen de bende onschadelijk maken." - "Ik dank je voor de waarschuwing," zei de estanciero, "en ik geef jullie graag mijn oudste mee. Dat is de beste ruiter en schutter. Hoe lang zal hij dan wegblijven?" - "Heer, hij zal morgen weer thuiskomen," antwoordde de onbekende ruiter. "Goed, dan hoeft hij niet veel mee te nemen."

De heer liet voor zijn oudste zoon een paard zadelen, Pedro nam zijn geweer, nam vluchtig afscheid van zijn ouders en broers en zusters, sprong op zijn paard en reed met de onbekende weg.

Het was al middernacht toen ze een tamelijk grote groep ruiters ontmoetten en met hen de achtervolging van de bende inzetten. De onbekende ruiter die Pedro had afgehaald, bleek een bekwaam aanvoerder, hij liet de bandieten omsingelen en overvallen. De meeste rovers werden doodgeschoten of gevangengenomen; slechts één lukte het te ontvluchten. Pedro sprong op zijn paard en achtervolgde hem.

Hij reed en reed, het werd al licht, maar Pedro had de bandiet nog steeds niet bereikt. Die waadde door een grote rivier en was opeens verdwenen.

Pedro was achter de rover door de rivier gekomen en bevond zich nu in een streek die hij niet kende. Hij zag in de verte een huis en reed erheen. Toen hij daar aankwam, zag hij, dat het huis een herberg was en daar de nachtrit vermoeiend was geweest, besloot hij daar uit te rusten.

Hij riep de waard naar buiten en vroeg om een kamer, die hem ook bereidwillig werd toegewezen. Dan sliep hij en toen hij wakker werd, was het al weer avond. Hij wilde de waard naar de terugweg vragen, maar hij kon zich heel moeilijk met hem onderhouden, want de man sprak zo'n vreemde taal dat Pedro slechts enkele woorden verstond. Hij geloofde echter dat de waard hem wilde aanraden naar de stad te rijden. En dus bleef hij nog een nacht en reed de volgende dag naar de stad die niet erg ver lag. In de stad vroeg hij verschillende mensen de weg naar zijn geboorteplaats, maar niemand kende die. Vermoeid steeg hij van zijn paard en wist niet wat hij moest doen, tot er een ruiter kwam. Pedro had de onbekende aanvoerder in het donker weliswaar niet herkend, maar hij herkende het paard.

"Ach, daar ben je weer!" riep Pedro uit. "Ik ben bij de achtervolging van de bandiet verdwaald en kan de terugweg niet meer vinden. En nu voel ik me niet erg prettig want niemand van de goede mensen hier kent mijn geboorteland." - "Maar dat doet er toch niet toe," zei de onbekende, "je bent nu eenmaal hier, en ik ben blij dat je als gast in mijn huis komt. Later zal ik je wel de weg naar huis laten wijzen. Ik ben je dank verschuldigd voor je hulp en ik hoop dat je het naar je zin hebt bij ons."


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "Volkssprookjes en legenden uit Zuid-Amerika," door Felix Karlinger.
           Uitgeverij Elmar B.V., Rijswijk. ISBN: 90-6120-433-X
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:09 8 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten