Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: volksverhalen

Was het zo of niet ?

Was het zo of niet?
- Een sterk verhaal uit Lapland over het begin van de lente -
Op een avond zaten we allemaal rondom het open haardvuur en vertelde een Lap een verhaal, waarvan ik maar in het midden zal laten of het waar was of niet, echt beleefd of een sprookje. Hij zei, dat het hem zelf overkomen was en dus echt waar. Als je niets anders te doen hebt, lees dan zijn verhaal en bekijk dan zelf maar wat je er van vindt.

De hele geschiedenis zou nooit ontstaan zijn als het voorjaar in de noordelijke landen niet zo lang uitgebleven was. Het bleef maar stormen en sneeuwen. De Lap dacht, dat er in de hemel iets mis was gegaan en dat het een goed idee zou zijn zelf maar eens te gaan kijken hoe dat nu zat. Maar hoe moest hij er komen? De hemel is ontzaglijk hoog en ver!

De Lap, die lang niet dom was, kreeg een idee. Hij pakte een bijl en een schaaf en ging naar het bos. Hij hakte een enorm hoge den om en schaafde de stam in spaanders. Nu lag er een berg spaanders, die hoog boven het bos uitstak. Hij legde er een natte rietmat overheen en ging er bovenop zitten. Toen stak hij de spaanders aan. Het vuur laaide flink op, de rietmat droogde op en een dichte wasem ging omhoog. In die wasem werd de Lap omhooggetild.

Al buitelend steeg hij op tot in de wolken. Hij greep zich vast aan de rand van een wolk en stapte er bovenop. Nieuwsgierig keek hij in het rond. Er was niet veel te zien. Alles was leeg en wit, geen sterveling te zien, rondom niets dan wolken, wit en zacht als sneeuw.

Opeens zag hij in de verte een wolk, die hoger was dan de andere en de vorm had van een iglo. "Aha," dacht de Lap verheugd, "er woont hier in de hemel dus toch iemand!" Hij haastte zich naar het wolkenhuis. Hij ging naar binnen en wat zag hij daar? De Donder zelf, aan handen en voeten gebonden.

"Goed dat je gekomen bent, mens," sprak de Donder. "Maak me gauw los!"

"Als ik je losmaak, begin je te donderen," antwoordde de Lap. "Ik ben erg bang voor onweer. Het lijkt me maar het allerbeste, dat degene die je vastgebonden heeft, je ook weer losmaakt."

"Doe toch niet zo dom," sprak de Donder geërgerd. "Ik ben gebonden door de Vorst. Hoe moet die mij losmaken? Zolang ik niet kan donderen, blijft de Vorst heersen op aarde en kan in de toendra het voorjaar niet beginnen."

"O, zit het zo?" dacht de Lap. "Tja, dan moet ik hem wel losmaken."

Hij maakte de handen van de Donder los. Meteen begon deze met zijn armen te zwaaien en het begon zo hard te donderen, dat de Lap snel opzij sprong. Het was maar goed, dat de wolken zo zacht waren. Hij deed zich bij het vallen geen pijn.

"Hé, kom hier!" riep de Donder. "Je moet mijn voeten nog losmaken."

Wat te doen? De Lap was begonnen en moest nu ook doorzetten. Met een van angst vertrokken gezicht maakte hij ook de voeten van de Donder los.

O, o, wat begon het nu verschrikkelijk te onweren. De Donder stampte flink met zijn voeten en de donderslagen waren niet van de lucht. Met zijn handen slingerde hij bliksemstralen naar de aarde.

De Lap wist niet hoe hij het had. Hij trilde en beefde van angst en wist maar één ding zeker: "Hier moet ik zo gauw mogelijk weg!"

Maar de aarde was te diep om zomaar naar beneden te springen. Net ging een bliksemstraal vlak langs zijn gezicht. De Lap pakte de bliksem beet en suisde naar beneden. In tijd van ja en nee was hij geland, midden in een moeras. Hij zakte er tot zijn schouders in. Hij probeerde zich omhoog te werken, maar dat lukte niet. Hij zakte zelfs nog wat dieper.

Rondom hem was het nu voorjaar. Struiken stonden in bloei en de vogels waren druk doende nesten te bouwen... Een zwanenechtpaar vloog over het moeras. Het vrouwtje ontdekte, dat er iets uitstak, een boomstomp of een heuveltje of zo. In ieder geval een goede plaats voor een nest. Zij vlocht haar nest bovenop het hoofd van de Lap, die alles geduldig onderging. Nu hij toch vast zat in het moeras, was het misschien wel zo goed iets op het hoofd te hebben. Dan zou hij tenminste geen zonnesteek oplopen. En bij regen bleef hij tenminste van boven droog.

Het zwanenwijfje legde drie eieren en ging zitten broeden. Op zeker moment moest zij even weg en liet het nest onbewaakt. Een wolf, die al lang op het nest loerde, zag zijn kans schoon en sloop naderbij. Hij smikkelde de drie eieren schoon op, maar hij had nog meer honger. Zoekend trok hij met zijn grote poten het nest uit elkaar. Zijn scherpe klauwen krasten op het hoofd van de Lap. Deze had grote moeite het niet uit te schreeuwen van pijn, maar hij beheerste zich.

Eindelijk keerde de wolf zich om en wilde verdwijnen. De Lap wachtte het juiste moment af en zette zijn tanden in de staart van de wolf. Met alle kracht beet hij zich vast. De wolf schrok vreselijk. Met een reusachtige sprong ging hij er vandoor, waarbij hij de Lap uit het moeras trok. Nog drie geweldige sprongen en de Lap was op het droge. Daar liet hij de staart van de wolf los. Het dier wilde niet eens weten wat hem gebeten had en verdween ijlings in het bos. De Lap evenwel liep naar huis.

Meer dan eens vertelde de Lap bij het haardvuur wat hem was overkomen. Sommigen geloofden hem, anderen niet. De één zei - het is een sprookje, een andere weer - een bedenksel. Maar de Lap hield voet bij stuk: "Het is de zuivere waarheid! Zo'n verhaal kan toch niemand bedenken?"


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De veer van de kraanvogel. Sprookjes uit het hoge noorden van Rusland en Siberië"
           voor kinderen naverteld door N. Gesse en S. Sadunaiskaja.
           Omniboek, Den Haag, 1978. ISBN: 90-620-70-52-3
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

De druif

De druif
- Een volksverhaal uit Afghanistan -
Men vertelt dat er eens in Herat een machtige sjah woonde. Hij was de heerser van Chorazan en had maar één zoon, mooi als de dag en moedig als een leeuw. Zijn zoon heette prins Badan. Alles wat hij deed lukte hem. Maar het meeste succes had hij met boogschieten. Zo'n goede schutter had Chorazan nog nooit gekend en zou het ook nooit meer krijgen.

Op een dag was de sjah met zijn onderdanen en zijn zoon aan het wandelen in de tuin. Toen gebeurde er iets vreemds. Nauwelijks had de sjah een voet op het gras gezet, of er vloog een adelaar voor zijn voeten en om de hals van de adelaar kronkelde een giftige slang. De sjah kreeg medelijden met de adelaar en riep: "Wie durft hem te bevrijden?" Prins Badan pakte zijn pijl en boog en zei: "Ik vader, als u het mij toestaat!"

Hij spande zijn boog en schoot een pijl af; precies zo, dat hij de slang in zijn kop raakte. De dode slang viel op de grond, de adelaar spreidde zijn vleugels en met een dankbare krijs verdween hij in de wolken.

Vele jaren later toen de sjah met zijn zoon en zijn onderdanen in de tuin wandelde, gebeurde er weer iets vreemds. Nauwelijks had hij een voet op het gras gezet, of boven hun hoofd krijste een grote adelaar die voor de voeten van de sjah een paar zaadjes liet vallen. Toen verdween hij weer in de wolken.

De machtige sjah keek verbaasd op en zei: "Dat was zeker dezelfde adelaar, die we jaren geleden gered hebben. Vandaag bracht hij ons een geschenk. Laat de zaadjes uitzaaien!"

De tuinier van de sjah zaaide de zaadjes op een daarvoor bestemde plek. Na enige tijd was er een onbekende struik uit gegroeid en deze struik werd steeds groter en voller, tot hij helemaal bedekt was met grote zware trossen druiven. De druiven waren rijp geworden door de zon en barstten uit elkaar. Uit de opengebarsten druiven liep sap. Toen men het sap in een beker opving en in de schaduw zette, ging het gisten, daarna werd het helder en tenslotte glinsterde het als goud. Maar wat het voor vocht was, dat wist niemand, ook de knappe ministers van de sjah wisten het niet.

Ze konden de sjah alleen de raad geven om het sap te laten drinken door iemand die ter dood veroordeeld was.

De man die ter dood veroordeeld was dronk de eerste beker en trok een zuur gezicht. De ter dood veroordeelde man dronk een tweede beker en begon te lachen.. De man dronk een derde beker en hij begon vrolijk te zingen, alsof hij vergeten was, dat hij ter dood veroordeeld was.

De machtige sjah zag dat het niet giftig was. Hij liet de man vrij en proefde zelf van de wonderlijke drank. Zo kwamen de wijnranken op de wereld. En zo heeft de adelaar er voor gezorgd, dat de mensen zoete druiven eten en zure wijn drinken.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De betoverde tuin" door Marie Mrstikova.
           Nederlandse vertaling van Els Nuijen.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1978. ISBN: 90-251-0297-2
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 6 reacties Reageer op dit bericht

De zeemeermin van Schweinfurt

De zeemeermin van Schweinfurt
- Een Beiers ridderverhaal over een nieuwsgierige zeemeermin -
Dit verhaal gaat over de rondreizende ridders, die van kasteel naar kasteel, van stad naar stad trokken, en zich door hun dapperheid en bekwaamheid de gunsten veroverden van de edelvrouwen, die zij zich vóór het steekspel hadden uitgekozen.

Ook in Schweinfurt namen de ridders het in het strijdperk tegen elkaar op, misschien wel op dezelfde plaats, die nu nog de naam: 'het grote strijdperk' draagt.

Eens moet daar namelijk een beroemd steekspel hebben plaatsgevonden, waarvoor de ridders van heinde en ver kwamen. Velen lieten al voor de opening van het toernooi door de herauten omroepen, waarvoor ze wilden strijden. Sommigen hadden het zakdoekje van hun dame om de arm gebonden, anderen aan de helmpluim de handschoen van hun uitverkorene, er waren er, die een rivaal een nederlaag betaald wilden zetten of hun vaardigheid wilden bewijzen in de omgang met zwaard of lans. Zo had iedereen wel een reden, alleen de onbekende ridder die vlak voor de opening het plein opreed, had nog geen doel om voor te strijden.

Dus reed hij voor het begin van de strijd het veld rond, om onder de aanwezige dames een schone vrouwe te kiezen, wiens kleuren hij wilde verdedigen. Hij behoefde niet lang te zoeken. Een beeldschoon meisje, met ogen, onpeilbaar als de diepte van de zee, viel hem dadelijk op. Hij sprong van zijn paard, maakte een diepe buiging en vroeg haar, voor haar groene kleur te mogen strijden. Het meisje knikte zonder woorden en wierp de ridder haar sluier toe, licht als een veertje en groen als zeegras. Het meisje was zo mooi als een sprookjesprinses, en toen de ridder naar het strijdperk reed, was hij zeker van de overwinning.

Het trompetsignaal was nog niet verklonken, of de onbekende reed fier en zonder dralen het strijdperk binnen. Onfeilbaar trof zijn zwaard elk schild of helm van zijn tegenstander. Hij was de beste van allemaal en werd tot overwinnaar uitgeroepen.

Het was de gewoonte, dat de overwinnaar door zijn edelvrouwe met de erekrans werd onderscheiden. Onze ridder nam de helm van zijn hoofd en reed naar de tribune, waar zijn uitverkorene al op hem wachtte.

Ook het meisje was verheugd en lachte de ridder toe. En daarbij bemerkte de ridder tot zijn grote schrik en verwondering, dat het meisje niet alleen een groen gewaad, groene ogen en een groene sluier had, zij had ook groene tanden!

Door zijn zichtbare ontsteltenis scheen het meisje zich plotseling weer van haar uiterlijk bewust te worden. Bliksemsnel veranderde ze in een meermin, baande zich een weg door de mensenmenigte, die angstig achteruitweek, terug naar de nabijgelegen Main. Ze dook de rivier in en was het volgende ogenblik door de golven meegevoerd.

Nog vele weken was deze gebeurtenis het gesprek van de dag in Schweinfurt, maar langzamerhand raakte het in de vergetelheid.

Onze ridder kon het meisje echter niet vergeten. Hij besloot, wapenuitrusting en sporen af te leggen, het klooster in te gaan, afstand te doen van de wereld en haar de rug toe te keren. Hij leefde hier als kluizenaar en bleef in gedachten de meermin van Schweinfurt trouw.

De arme man kon immers niet weten dat de zeemeermin, door louter nieuwsgierigheid gedreven, het toernooi had bezocht. En nieuwsgierigheid, zo zegt men, is een echt vrouwelijke eigenschap, maar ik geloof, dat sommige mannen er ook raad mee weten!


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Sagen van Europese steden"
           verteld door Vladimír Hulpach.
           Holland, Haarlem, 1980. ISBN: 90-251-0412-6
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door saagje om 00:00 9 reacties Reageer op dit bericht

Drie gouden rozen

Drie gouden rozen
- Een volksverhaal uit Slowakije -
In het zuidoosten van Slowakije, daar waar de laatste berghellingen van het Slowaakse ertsgebergte langzaam wegzinken in het Sajodal bij de rivier de Slana, leefden in vroeger tijden maar weinig mensen. Ze woonden in schamele herdershutten, die her en der verspreid in de bergen lagen en verdienden de kost met het hoeden van de schaapskudden, die hier in groten getale voorkwamen. Het was hier voor de dieren een waar paradijs - welig en sappig gras van het vroege voorjaar tot de winter.

Het herdersleven was niet bijzonder zwaar; de enige taak van de herdersjongens bestond eruit, de schapen 's morgens vroeg naar de weiden te brengen en 's avonds weer terug naar de schaapskooi. Verder konden ze de hele dag luieren en lekker in het gras naar de blauwe lucht liggen kijken.

Maar Janko was anders. Plichtsgetrouw hoedde hij elke dag de hem toevertrouwde schapen, tot op een ochtend - het was juist aan het begin van de zomer - er een vreemde gebeurtenis plaatsvond: alle dieren verdwenen letterlijk voor zijn ogen.

Weliswaar stond het gras er ongewoon hoog bij, zodat een schaap er gemakkelijk in kon verdwalen, maar een hele kudde tegelijk? Janko liep naar de rivier, beklom alle bergen, keek naar alle kanten en riep zo hard hij maar kon, maar geen belletje, geen geblaat was er te horen en van de schapen was geen spoor te bekennen. Het leek erop, alsof ze van de aardbodem verdwenen waren.

Het liep al tegen de middag, toen de vermoeide jongen bij een bergweide kwam. Zijn voeten konden hem nauwelijks meer dragen, het zweet gutste van zijn voorhoofd en omdat hij toch niet meer wist, waar hij verder nog zoeken moest, ging hij uitgeput in het gras liggen om te rusten.

Het gras rook zo heerlijk, de vlinders fladderden over hem heen, de bijen zoemden en de zon brandde en brandde...

Geen wonder dus, dat zijn ogen langzaam dichtvielen. En in zijn slaap beleefde hij een wonderlijke droom: een goudgelokte nimf in een ragfijn wit en golvend gewaad kwam naar hem toe en boog zich over hem heen. Toen haar mond zich opende om te spreken leek het hem of duizenden herdersfluiten begonnen te spelen.

"Ik was het, die je naar deze bergweide voerde, Janko," sprak ze in zijn droom. "Wees niet bang, je schapen zijn al lang in hun kooi. Kijk hier liever maar eens goed rond..."

Toen zag de herdersjongen tot zijn verbazing, dat er drie prachtige rozen naast hem begonnen te groeien. Geen gewone rode, gele of witte rozen waren het, maar gouden, en zo fel schitterden ze in de middagzon, dat hij zijn ogen ervoor moest sluiten.

"Ja, ze zijn van puur goud," hoorde hij de waternimf zeggen. "Ik schenk ze jou en alle herdersjongens uit de verre omtrek, en de rozen zullen jullie geluk en voorspoed brengen. Vergeet niet, waar ze groeien..."

Toen verdween de nimf en op hetzelfde ogenblik opende Janko zijn ogen. Nog helemaal slaperig keek hij om zich heen, maar noch van de rozen, noch van de nimf was er een spoor te bekennen.

"Ach wat, het was maar een droom," zei Janko bij zichzelf en hij glimlachte een beetje treurig voor zich uit. Toch deed hij geen verdere pogingen om zijn schapen te gaan zoeken. Het leek wel, of de nimf hem toeriep dat hij naar huis moest gaan.

Al van verre zag hij, dat zij de waarheid had gesproken. Alle schapen waren in de kooi en begroetten hem met luid geblaat. Bij het tellen ontbrak er niet één.

Die avond kon Janko niet in slaap komen. Hij kon die vreemde droom niet kwijtraken, steeds weer zag hij voor zijn ogen de gouden rozen. De volgende dag ging hij naar een oude herder, die in de hele streek om zijn wijsheid werd geëerd. Hij vertelde hem het hele verhaal van het begin tot het einde.

De oude luisterde belangstellend, dacht lang na en zei tenslotte: "Mijn zoon, je bent niet de enige die door de goede fee is geholpen. Het is al vaker gebeurd dat de schapen van andere herdersjongens zijn verdwenen en ook bij hen kwam de fee in een droom vertellen waar ze de dieren weer terug konden vinden. En wat die gouden rozen op de bergweide betreft, het zou kunnen betekenen dat we het goud onder de grond moeten zoeken..."

De raad van de oude herder werd opgevolgd. Alle schapenhoeders uit de omgeving werden door Janko naar de bergweide geroepen, en nauwelijks waren ze met graven begonnen, of ze stootten op goudstukken zo groot als een vuist.

Janko en zijn vrienden werden welvarend. En aangezien het nieuwtje zich als een lopend vuurtje verspreidde kwamen er steeds meer mensen, zodat er binnen korte tijd een dorp en later zelfs een stad ontstond, die weliswaar nooit de omvang van een grote stad bereikte, maar die vanwege haar beroemde bouwstijl en haar rijkdom andere en grotere steden overtrof.

Velen kwamen zich hier vestigen en de ijverigsten werden ook de rijksten, want de goudader bood iedereen, die maar diep genoeg wilde graven, de gelegenheid om veel geld te verdienen.

Deze stad werd genoemd naar de drie rozen, die ook nu nog in het stadswapen van Rožnava zijn terug te vinden.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Sagen van Europese steden"
           verteld door Vladimír Hulpach.
           Holland, Haarlem, 1980. ISBN: 90-251-0412-6
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 11 reacties Reageer op dit bericht

De brief in het nachtkastje

De brief in het nachtkastje
- Een verhaal van Marinus van den Berg -
In een Engels ziekenhuis stierf onlangs een oude vrouw op de geriatrische afdeling. Toen de zuster die haar in de laatste levensfase had verzorgd, het kastje naast het bed opruimde, vond ze daarin geen voorwerpen van enige waarde. Maar wel lag er een vel papier in, dat de oude vrouw met moeizaam gevormde lettertjes had volgeschreven. Er stond:

"Wat zie je zuster? Wat zie je? Een kribbige oude vrouw, niet meer bij de tijd. Een beetje onzeker, met starende ogen. Een oude vrouw, die met haar eten knoeit en die geen antwoord geeft, als je met een hard stemmetje tegen haar zegt "Ik wou dat je het nou maar eens probeerde." Een oude vrouw die schijnbaar niets merkt van de dingen die jij doet. Die steeds weer iets kwijt is, een kous of een schoen. Die zonder tegenstribbelen laat doen wat jij wilt. Die met wassen en eten de lange dagen laat vullen. Denk je dat? Zie je dat?

Doe dan je ogen eens open, zuster. Je kijkt niet eens naar me. Ik zal je zeggen wie ik ben, als ik hier zo zit. Als ik plas op jouw bevel en eet, wanneer jij het wilt.

Ik ben een jong meisje van tien, met een vader en een moeder, met broers en zusters die van elkaar houden.

Een bruid van twintig ben ik en mijn hart springt op als ik denk aan de belofte die ik deed.

Vijfentwintig ben ik, en ik heb zelf kinderen die me nodig hebben om een veilig, gelukkig huis te bouwen.

Een vrouw van dertig ben ik en de kleintjes worden snel groot, verbonden door banden die zullen blijven.

Veertig ben ik. Mijn zoontjes zijn volwassen geworden en uitgevlogen. Maar mijn man is bij me om te zorgen dat ik niet treur.

Vijftig ben ik - en weer spelen er kinderen op mijn schoot.

Dan komen de donkere dagen. Mijn man is dood. Ik kijk naar de toekomst en ik huiver van angst. Want mijn kinderen hebben nu zelf een gezin. Ik denk aan de jaren van liefde die ik kende.

Nu ben ik een oude vrouw.

De tijd is wreed. Het is een grap van de tijd, ouderen er als dwazen te laten uitzien.

Mijn lichaam is vervallen, gratie en kracht zijn verdwenen.

En er zit nu een steen op de plaats waar ik ooit een hart had.

Maar... binnen in dat oude karkas woont toch nog dat jonge meisje.

Soms klopt mijn oude hart wat sneller.

Ik herinner me de vreugde en de pijn.

Ik heb weer lief. Ik leef mijn leven opnieuw.

Ik denk aan de jaren die voorbij zijn, te snel vervlogen, en ik accepteer de harde waarheid dat niets kan duren.

Doe je ogen open, zuster, en kijk.

Niet naar die kribbige oude vrouw.

Kijk eens goed, zuster.

Kijk eens naar... mij."


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Verhalen en sprookjes op de grens van leven en dood"
           samengesteld door Bert Voorhoeve.
           Christofoor, Zeist, 1999. ISBN: 90-6238-637-7
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 13 reacties Reageer op dit bericht

Waarom de sneeuw het sneeuwklokje geen kwaad doet

Waarom de sneeuw het sneeuwklokje
geen kwaad doet

- Een kort verhaal over hoe de sneeuw aan zijn kleur komt -
Alles had een kleur, behalve de sneeuw. De aarde was bruin, het gras groen, de rozen rood, de hemel blauw en de zon was van goud. Alleen voor de sneeuw bleef er geen kleur over. De arme sneeuw besloot om aan één van de anderen een beetje kleur te vragen.

Eerst ging hij naar de aarde: "Aarde, mag ik een beetje van jouw bruine kleur?" Maar de aarde sliep en antwoordde niet.

Daarna ging de sneeuw naar het gras en vroeg: "Gras, mag ik een beetje van jouw groene kleur?" Maar het gras was gierig en deed alsof het niets gehoord had.

Toen ging de sneeuw naar de roos en smeekte: "Roosje, alsjeblieft, geef mij een beetje van jouw rode kleur." Maar de roos was erg verwaand en draaide zijn hoofd af.

De sneeuw probeerde het bij de hemel en riep: "Hemel, mag ik een beetje van jouw blauwe kleur?" Maar de hemel was veel te ver weg en hoorde de sneeuw niet.

En zo moest de sneeuw weer verder en vroeg aan de zon: "Zonnetje, mag ik een beetje van jouw gouden kleur?" Maar de zon had het veel te druk met schijnen en had geen tijd om te antwoorden.

En tenslotte vroeg hij aan een klein wit bloempje aan de rand van het bos: "Wit bloempje, mag ik een beetje van jouw mooie kleur?"

En het lieve bloempje antwoordde: "Natuurlijk sneeuw, neem zoveel als je wilt!"

Zo nam de sneeuw een beetje van de witte kleur van de bloem en vanaf dat ogenblik was de sneeuw wit.

Daarom werd het tere bloempje aan de rand van het bos sneeuwklokje genoemd en het is het enige bloempje, dat van de sneeuw geen last heeft.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De betoverde tuin" door Marie Mrstikova.
           Nederlandse vertaling van Els Nuijen.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1978. ISBN: 90-251-0297-2
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 01:16 5 reacties Reageer op dit bericht

De oneerlijke vriend

De oneerlijke vriend
- Een boeddhistisch verhaal over door de mand vallen -
Er was eens een man die op reis ging en hij vroeg een vriend om voor zijn ploeg te zorgen tot hij weer terug zou keren. De vriend beloofde hem er heel goed zorg voor te dragen. Maar nauwelijks was de man weg of hij verkocht de ploeg en stak de opbrengst in zijn eigen zak. Was dat geen gemene streek een vriend zo te behandelen?

De man kwam terug en vroeg zijn vriend om de ploeg.

"O, het spijt me heel erg," antwoordde de vriend; "mijn huis wemelt van de ratten en op een nacht kwam er een hele grote rat en at hem op."

"Ach, nou ja," zei de man, "men moet zich in het onvermijdelijke schikken! Het moet wel een erg grote rat geweest zijn."

"Dat was zij ook," zei de ander, "erg groot." Je moet niet denken, dat deze man precies zo dwaas was als hij leek. Je zult spoedig zien, waarom hij geen drukte maakte over zijn ploeg.

De volgende dag nam hij de zoon van zijn vriend mee uit wandelen. Toen zij een stuk gelopen hadden, bracht hij de jongen naar het huis van een andere vriend en vertelde deze vriend, dat hij goed op de jongen moest passen, maar dat hij hem niet het huis uit moest laten gaan, totdat hij terugkwam.

Toen rende hij terug naar de vader van de jongen.

"Waar is mijn jongen?" vroeg de vader.

"Je jongen? O, ik weet het weer - een havik kwam naar beneden gedoken en nam hem mee."

"O, jij leugenaar! O, jij moordenaar!" zei de vriend. "Kom voor de rechter en dan zullen we zien."

"Zoals je wilt," zei de man.

Dus gingen zij naar de rechtbank.

"Wat is uw klacht?" vroeg de rechter.

"Heer, deze man nam mijn zoon met zich mee op een wandeling en kwam alleen terug en nu zegt hij, dat een havik er met hem vandoor ging. Hij moet de jongen vermoord hebben! Recht, heer, recht!"

"Wat heeft dit te betekenen?" vroeg de rechter streng. "Kom, man, zeg de waarheid."

"Het is de waarheid, heer," zei de man; "hij ging mee wandelen met me en werd weggevoerd door een havik."

"Onzin!'' sprak de rechter. ''Wie heeft er nu ooit gehoord van een havik die er met een jongen vandoor gaat?"

"En wie heeft er ooit gehoord, heer, van een rat die een ploeg opeet?"

"Wat bedoel je?" vroeg de rechter.

De man vertelde zijn verhaal. Toen zag de rechter, dat de man die klaagde zijn vriend bedrogen had en begreep hij wat de reden was van deze kleine list. Dus zei hij tegen de man die zijn zoon kwijt was: "Als je de ploeg vindt die je toevertrouwd was, kan je zoon misschien ook gevonden worden."

De man was erg boos, dat hij door de mand gevallen was, maar, of hij nu wilde of niet, hij moest de ploeg teruggeven. Daarna werd zijn zoon veilig bij hem teruggebracht. En hij begon te begrijpen, dat eerlijk het langst duurt.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Boeddhistische sprookjes uit de jataka, afkomstig uit het oude India" uit het Pali vertaald en
           bewerkt door W.H.D. Rouse
           Vertaald door Chris Mouwen © 1980. Uitgeverij Sirius en Siderius, Den Haag, 1981.
           ISBN: 90-6441-019-4
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 03:56 10 reacties Reageer op dit bericht

De helft van de beloning

De helft van de beloning
- Een Tibetaans volksverhaal over stokslagen delen met de paleiswacht -
In Tibet leefde eens een koning, die dolgraag vis at. Bij elk van zijn maaltijden moest minstens één visgerecht zijn en zonder vis at hij geen rijst. In een bepaald jaar bleef de regen in Tibet uit, een enorme droogte teisterde het land. De rivieren vielen droog en zo verdwenen ook langzamerhand de vissen. Ze vielen allemaal ten offer aan deze verschrikkelijke droogte.

De koning werd steeds mismoediger en niets smaakte hem meer. In het hele land werd bekendgemaakt dat hem, die vis naar het paleis kon brengen, een rijke beloning zou wachten.

Van heel ver kwam er tenslotte een boer, die een grote vis gevangen had die hij de koning wilde aanbieden. De paleiswacht stond met een grote speer voor de poort. "Halt, wie is daar? Waar wil je heen?"

"Ik ben een boer en wil naar de koning."

"Wat moet je daar?"

"Ik heb een geschenk voor de koning in mijn tas, een grote vis."

De wachtpost, die een hebberige knaap was, dacht aan de grote beloning en zei: "Goed boer, laat die vis maar hier. Ik geef hem wel voor je af."

"Nee, nee, dat doe ik liever zelf; ik heb een lange reis achter de rug en wil niet zo maar bij de deur afgescheept worden,"

"Wil je die vis ook niet verkopen? Ik geef je er een goede prijs voor!"

"Nee, nee, ik verkoop hem aan niemand. Ik wil deze vis persoonlijk aan de koning als geschenk overhandigen."

De wachtpost bemerkte wel dat de boer niet over te halen was en daarom probeerde hij het met dreigementen: "Boertje, ik laat je niet door, tenzij je me de helft van de beloning geeft, die je van de koning krijgt."

De boer dacht hier even over na en zei toen: "Nou goed dan, je kunt de helft krijgen!"

"Zweer het hier en nu," zei de wachtpost wantrouwig, "zodat je me niet kunt bedriegen!"

"Ik zweer het," zei de boer op ferme en besliste toon.

De wachtpost grijnsde over zijn hele gezicht en liet de boer doorlopen naar het paleis.

De boer maakte een lichte buiging en zei: "Als ik van de koning de beloning ontvang, moet ik wel weten met wie ik deze zal delen. Hoe heet je, waarde vriend?"

"Iedereen kent mij," zei de wachtpost, "men noemt mij de Eenogige Brombeer."

De koning was buiten zichzelf van vreugde toen hij de vis zag en vroeg de boer direct wat hij zich als beloning wenste.

"Ik zou graag duizend stokslagen hebben!" zei de boer. "Dat meen je toch niet?" antwoordde de koning, en begon hartelijk te lachen. De boer vertrok echter geen spier en volhardde bij zijn zonderlinge wens. De koning dacht dat de boer niet goed wijs was en beval zijn mensen hem maar heel zachte klappen te geven.

De boer werd op de grond neergelegd en de hovelingen telden de stokslagen op zijn achterwerk; ze sloegen echter heel zachtjes, zodat hij er nauwelijks iets van voelde. Bij de vijfhonderdste klap sprong de boer op en riep: "Genoeg, ik heb mijn deel gekregen!"

Nu hielden ze hem allemaal voor een dwaas en de koning vroeg onder gelach van de hovelingen: "Wie moet dan het andere deel krijgen?"

"De Eenogige Brombeer," antwoordde de boer en vertelde de koning en zijn personeel wat er zich bij zijn aankomst bij de poort had afgespeeld.

En met een ernstig gezicht voegde hij eraan toe: "Ik heb hem gezworen dat hij de andere helft van de beloning zou krijgen; betaal deze dus in mijn bijzijn uit!" Bij dit verhaal was de koning het lachen vergaan, hij was rood geworden van woede en beval de Eenogige Brombeer direct bij hem te brengen.

Voor de poort had de Eenogige Brombeer intussen vrolijk heen en weer gelopen en had bij zichzelf overlegd wat hij met zijn deel van de beloning zou gaan doen. Hij wreef zich steeds maar in de handen als hij aan de domme boer dacht. Toen men hem had laten roepen, ging hij stralend van blijdschap voor de koning staan. Maar wat was dat? De koning keek hem somber en boos aan en beval de hovelingen hem vast te binden en hem vijfhonderd harde slagen met een stevige stok te geven.

Toen hij verbaasd en geschrokken naar de oorzaak van het koninklijke strafgericht wilde vragen, snauwde de koning hem toe: "Je hebt om de helft van de beloning van de boer gevraagd, die zul je nu ook krijgen, precies de helft!" De Eenogige Brombeer kronkelde al spoedig van de pijn, maar er werden hem precies vijfhonderd stokslagen op zijn achterwerk toegediend.

Toen hij de beloning ontvangen had, zei de koning tegen hem: "Zo, en nu bedank je de boer hier voor jouw helft, die hij voor je heeft overgelaten."

De Eenogige Brombeer moest voor de slagen bedanken en hield onder het gelach van het hele hof jammerend zijn achterwerk vast, terwijl de boer vrolijk afscheid nam van het hof.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Chinese volkssprookjes"
           uitgegeven door Elmar, Rijswijk, 1990. ISBN: 90-6120-8343
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 8 reacties Reageer op dit bericht

De schrandere knecht

De schrandere knecht
- Een volksverhaal over een knecht die zijn eigen gevoel volgt -
Wat gelukkig is de heer en hoe goed gaat het met zijn huis, als hij een wijze knecht heeft, die wel naar zijn woorden luistert, maar er niet naar handelt, maar liever zijn eigen wijsheid volgt.

Zo'n wijze Hans werd eens door zijn baas weggestuurd, om een koe die verloren was, te zoeken. Hij bleef lang weg, en de baas dacht: "Die trouwe Hans, geen moeite is hem teveel in mijn dienst." Maar toen hij steeds maar niet terug kwam, was de baas bang dat er iets gebeurd zou zijn, en nu ging hij zelf weg om eens te kijken. Hij moest lang zoeken, en eindelijk zag hij de knecht in de verte; hij liep de akker op en neer.

"Wel, beste Hans," zei de baas toen hij bij hem was aangeland, "en heb je de koe ook gevonden, waar ik je voor weg had gestuurd?"

"Nee baas!" antwoordde hij, "die koe heb ik niet gevonden, maar ik heb haar ook niet gezocht."

"Wat heb je dan gezocht, Hans?"

"Iets beters, baas! en dat heb ik ook heel gelukkig gevonden."

"En wat is dat dan, Hans?"

"Drie merels!" antwoordde de knecht.

"En waar zijn die dan?" vroeg de baas.

"De ene zie ik; en de tweede hoor ik, en op de derde jaag ik," antwoordde de wijze knecht.

Neemt hieraan een voorbeeld; bekommer je niet om wat de baas zegt en wat hij beveelt, doe liever wat je invalt en waar je zin in hebt; en dan zul je even wijs handelen als de wijze Hans.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 4 reacties Reageer op dit bericht

De kokospalm

De kokospalm
- volkssprookje -
Soms is het moeilijker te leven dan te sterven. Toen de vader van Rahim en Rahman stierf, liet hij alleen maar schulden achter. Zijn zoons verkochten alles, maar ondanks dat konden ze maar een klein gedeelte van wat hun vader de mensen schuldig was, afbetalen. De broers hadden daar veel verdriet van. Ze wilden niet, dat hun vaders naam te schande werd gemaakt.

Op een dag besloten de broers: "We kunnen het beste de wijde wereld in trekken. Als we geluk hebben kunnen we rijk worden en betalen we alle schulden af. En als we geen geluk hebben, dan hoeven we niet te luisteren naar wat de mensen over vader vertellen."

En zo gingen Rahim en Rahman de wijde wereld in. De eerste nacht moesten ze in een diep> bos doorbrengen. Ze gingen onder een hoge boom liggen en hadden allebei dezelfde droom. In hun droom verscheen een grijsaard met een witte baard die tegen hen zei:

"Als jullie de goede naam van je vader wilt redden, moet één van jullie zijn leven opofferen. Als een van jullie de ander zijn hoofd afslaat en dat hoofd in de grond stopt, zal daar een boom met zeldzame vruchten uit groeien. Met de oogst daarvan kunnen jullie de schuld van je vader aflossen." De volgende morgen maakte Rahim zijn broer wakker, gaf hem zijn zwaard en zei:

"Rahman, ik droomde vannacht, dat je mijn hoofd moet afslaan en in de aarde stoppen. Dan kunnen we de schuld van vader aflossen."

Maar Rahman wilde daar niets van horen. Hij trok zijn zwaard en gaf het aan Rahim: "En ik heb gedroomd, dat jij mijn hoofd er af moet slaan."

Lange tijd overlegden de broers, wie z'n leven zou opofferen. Tenslotte zei Rahim tegen Rahman:

"Ik ben de oudste, ik mag het zeggen. Jij bent jonger en moet me gehoorzamen. Jouw lot is niet makkelijker dan het mijne. Soms is het moeilijker te leven dan te sterven. Daarom moet je me gehoorzamen en doen wat er gedaan moet worden." En zo gebeurde er wat Rahim zei. Rahman sloeg met één slag het hoofd van zijn broer af en stopte het in de vruchtbare grond.

Een jaar lang huilde Rahman om Rahim; een heel jaar wachtte hij af, wat er uit het hoofd zou groeien. Na een jaar stond er een grote boom en weer een jaar later droeg de boom grote vruchten. Ze waren zo rond als een hoofd en zo hard als een noot. Rahman plukte een mand vol, wierp de mand over zijn schouder en bracht de vruchten naar de veiling. De mensen op de veiling kwamen allemaal kijken. "Zeg jongen, wat zijn dat voor vruchten? Zulk fruit hebben we nog nooit gezien."

Toen men een vrucht openmaakte liep er zoete melk uit, en toen de vrucht helemaal openbrak vonden ze er zoet vruchtvlees in.

Ook de mensen aan wie zijn vader nog geld schuldig was, kwamen kijken en ze zeiden:

"Verkoop ons honderd van deze noten en we geven je daarvoor honderd gouden dukaten, dan heb je meteen de schulden van je vader betaald."

Zo betaalden de broers de schulden van hun vader, zo redden ze zijn goede naam en bewezen ze de mensen op de hele wereld een goede dienst. Sinds die tijd groeit de boom overal. Vanaf die tijd eten de mensen kokos van de kokospalm.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De betoverde tuin" door Marie Mrstikova. Nederlandse vertaling van Els Nuijen.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1978. ISBN: 90-251-0297-2
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 05:37 7 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten