Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: volksverhalen

Het meisje en de vogels

Het meisje en de vogels
- Een verhaal uit de Surinaams-Indiaanse vertelcultuur -
Iedereen in het dorp wist het dat het meisje Matuwi zoveel van de vogels hield, dat zij met haar gevederde vrienden hele gesprekken kon houden. Zij zelf was heel gelukkig met deze vriendschappen.

Matuwi was eenvoudig en vriendelijk tegen iedereen. Elke morgen en elke avond kreeg zij bezoek van vele vogeltjes. Zwaluwen, grietjebie's, tjontjons, de rediborsu, kanaries, noem maar op; allen kwamen met een lekkernij in hun snaveltje naar het meisje. Matuwi op haar beurt had allerlei kruimeltjes klaar voor haar ‘vriendjes’. Zo ging het dag in dag uit. En ze babbelde vriendelijk tegen haar vliegende ‘vriendjes’.

Op een dag werd Matuwi ernstig ziek. De ouders van Matuwi waren radeloos geworden om de ziekte van hun dochter. Van alles hadden ze reeds geprobeerd om haar beter te doen worden. Maar niets had geholpen. Matuwi werd met de dag zwakker.

O, wat waren de vogeltjes verdrietig. Bij honderden kwamen ze aangevlogen om haar te troosten en beterschap te wensen. Overal zaten ze op de grond, op de spanten van het kamp, op het dak, aan de rand van haar hangmat, zelfs tegen de bladerwand van het kamp. Overal. En ze piepten en floten al maar door. En ze hadden heel wat lekkernijen voor haar meegebracht, heel wat bosvruchten. Het hele vogelrijk was in de waar en in de weer gekomen.

Sommige vogeltjes stierven van verdriet, omdat zij weigerden te eten toen zij Matuwi maar zagen wegkwijnen. De vogels kwamen bij elkaar en zeiden: "Matuwi is onze koningin. Hoe kunnen wij haar helpen?" Rediborsu dacht bij zichzelf: "Matuwi wordt niet beter." En hij bracht zijn familie om de vogelkoningin te groeten en een goede reis naar het hiernamaals te wensen.

Een der kleine grijze vogels sprong op Matuwi's armen en pikte haar. Er kwam wat bloed uit dat op de vogeltjes viel.

Enkele dagen daarna was het dorp en het hele vogelrijk in rouw gedompeld. Matuwi was overleden. Bij haar begrafenis zaten duizenden vogeltjes stil op de takken van de bomen toe te kijken. De vogels hadden zo'n verdriet dat zij nooit meer grote vriendschap met de mensen hebben gesloten. Vanaf die tijd vliegen zij snel weg als je in hun buurt komt.

En jij die dit verhaal hebt gehoord, weet nu ook waarom de rediborsu rode veren en een roodachtige bek heeft.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Indiaanse vertellingen" verzameld en naverteld door A.C. Cirino. Paramaribo, 1970.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:12 5 reacties Reageer op dit bericht

Holle bolle jan

Holle Bolle Jan
- Een grappig Gronings volksverhaal over een vriendelijke vreetzak -
Er was eens een rijke heer, die had gehoord dat Holle Bolle Jan verschrikkelijk veel kon eten. Maar hij dacht dat het wel opschepperij zou zijn. Jan werd knecht bij die heer. Die wou hem meteen maar op de proef stellen. Ze hadden net een heel schaap gebraden en de heer zei tegen de meid dat ze Jan het hele schaap moest voorzetten, en ze moest ook zeggen dat hij net zoveel brood mocht eten als hij lustte.

Toen at hij tien broden op met het hele schaap erbij. Er was niet meer, maar Jan had nog niet genoeg gehad. De meid ging naar de heer om te vertellen hoe het was gegaan. "Wat!" riep hij. "Tien broden en een heel schaap en dan nog niet genoeg?" Hij zei tegen de meid dat Jan meteen bij hem moest komen. Van die knecht moest hij af, die stopte de hele boel in zijn keelgat. Holle Bolle Jan kwam bij hem. De heer vroeg of hij niet genoeg had gehad. "Nee," zei Jan, "ik ben het nog niet zat." - "Nou," zei die heer, "we hebben net ook een os geslacht en als je kans ziet, mag je die er ook nog wel bij opeten."

Jan ging aan de slag en at de hele os op. Toen werd die heer woedend en joeg hem weg. "Als je niks anders kunt als vreten, maak dan maar datje de poort uitkomt!" zei hij.

Jan wou eerst zonder geld niet weg, maar toen dacht hij, een os, een schaap en tien broden is voor een dag niksdoen ook genoeg, en hij ging op reis. Hij liep door een groot bos en daar kwam hij een oud vrouwtje tegen met een grote mand vol pruimen en een andere vol kaas.

Daar had Holle Bolle Jan ook nog wel zin in. Hij vroeg aan het oude mens wat die twee manden vol moesten kosten. "Vier daalders," zei ze. - "Wat?" zei hij. "Vier daalders? Wie er zin in heeft, eet alles in één keer op." - "Als je dat kunt," zei ze, "mag je ze voor niks hebben." Jan ging erbij zitten en at in drie tellen alles op.

Toen begon het vrouwtje te huilen. "Hee," zei Jan, "wat is dat nou? Waarom huil je?" - "Ach," zei ze, "het geld dat ik met die pruimen en kazen zou verdienen, had ik zo hard nodig. Ik wou er een ton voor kopen." - "Ga maar mee," zei Jan, die medelijden met haar kreeg. "Ik zal zorgen dat je een reuzenton krijgt."

Ze gingen naar een kuiper, die tonnen en vaten te koop had. Daar vroeg hij: "Wat kost zo'n tonnetje?" - "Die grote ton kost vier daalders," zei de kuiper. "Noem je dat een grote? Een flinke kerel poept hem in één keer vol." - "Als je dat kunt, mag je hem voor niks hebben," zei de kuiper. Jan ging er op zitten en poepte hem meer dan vol. De kuiper kneep zijn neus dicht en liep de deur uit, maar het oudje kreeg haar ton.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Alle sprookjes van de Lage Landen" door Eelke de Jong en Hans Sleutelaar.
            Rebo, Sassenheim, 1985.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 21:47 5 reacties Reageer op dit bericht

De nieuwe leerling

De nieuwe leerling
- Rembrandt - De nieuwe leerling -
Het was op een dezer avonden, toen hij uit wilde gaan en de deur achter zich sloot, dat er een jonge man aarzelend op hem toetrad. Hij was jonger dan Titus zelf; hij droeg een baret, zoals vroegere schilders het soms deden; zijn haar was zacht en donker, waar het zichtbaar was. Toen hij gegroet had en begon te spreken, was zijn stem onzeker en schuw.

Het is hier de Rozengracht, naar ik meen? Titus knikte benieuwd.

Weet u hier meester Rembrandt van Rhijn te wonen? De schilder?

Weer knikte Titus.

De jonge man zette zijn tas neer, en veegde zich het voorhoofd af met een gebaar van verlichting. - De hele dag heb ik lopen zoeken. Men wees mij van de ene kant van de stad naar de andere. Ik ben blij, dat ik hem eindelijk gevonden heb; ik ben geloof ik wel op vijftig plaatsen geweest.

En wat wilt u van de meester? vroeg Titus. De jonge man keek hem aan en zijn bruine ogen begonnen donker te schitteren in het ovale gezicht.

"Zijn leerling wil ik worden!"

En alsof hij eensklaps bemerkte, dat hij het voornaamste had vergeten, voegde hij er haastig aan toe:

"Ik kom uit Dordt. Mijn naam is Aert de Gelder." Titus opende de deur.

Ga binnen, De Gelder. "We staan voor het huis van Rembrandt; en ik ben zijn zoon.

Toen Aert de Gelder door Rembrandt is aangenomen, was hij zeventien jaar. Zijn tekeningen, die hij niet thuis vergeten heeft, hebben hem bij de eerste oogopslag Rem-brandt"s genegenheid doen winnen. En nu heeft hij als leerling zijn vertrekje gekregen achter het atelier van de meester. "s Morgens en "s middags en "s avonds zit hij mee aan tafel, en het lijkt, of hij er steeds is geweest. Hendrickje zorgt als een moeder voor hem. In de vroegte wordt hij door Rembrandt gewekt. Zij ontbijten met de anderen in de keuken en gaan dan tezelfdertijd aan het werk. Zij houden op om dezelfde tijd. Rembrandt is als een oudere vriend. Wanneer hij met de jongen, aandachtige knaap alleen is zijn laatste leerling! spreekt hij langdurig, vertelt van de moeiten van het schildersambt, ofschoon hij weet, dat de leerling er toch ongelovig naar luistert; onthult schildersgeheimen, verbetert in het werk van De Gelder, is onuitputtelijk in het bedenken van raadgevingen, en doet ondertussen de jongen Dordtenaar verbaasd staan door zijn eigen doeken. Het is, of de meester voor het laatst iemand gevonden heeft, tegen wie hij kan spreken over de vergode schilderkunst, die zijn liefde begrijpt en weet, welke betekenis zijn woorden hebben. De jonge leerling is als een wassen plaat, waarin de meester zijn sporen en tekens grift. Ieder woord van Rembrandt dringt diep tot hem door. Hij zou alles kunnen herhalen, wat de meester hem heeft gezegd over de naturelle bewegelijkheid, of het mengen van de kleuren of over de Italianen. Hij kan in gedachten iedere penseelstreek natrekken, die de meester gemaakt heeft. Hij denkt bij elke beweging, die hij zelf op het linnen of het papier verricht, aan wat Rembrandt zou doen of hem leerde.

Wanneer er derden bij hen zijn op het kleine atelier, is Rembrandt stilzwijgend als steeds en het lijkt, of er iets van de geheimzinnige betovering tussen de meester en de leerling gebroken is. Er wordt gezwegen; het werk gaat verder, maar onregelmatig en gedwongen. Men denkt niet meer in het goede verband. Gedachten, die er niet thuis horen, doorzweven het vertrek en verwarren de verbintenissen, die de geest heeft gelegd.

Rembrandt is opgetogen over de vorderingen van de jongen Aert. Nimmer heeft hij bij zijn weten zulk een leerling gehad. Onbewuste, gelukkige voldaanheid warmt zijn binnenste. Een leerling. Een hand, die zich schikt naar de wetten, die ook Rembrandt"s hand en kunst beheersen. Een hoofd, dat zijn -woorden overdenkt. Een mens, die in daad en gedachte iets zal voortzetten van de droom, dien hij nu nog op aarde leeft.

Flinck, Renesse, Fabritius, Maes, Dullaert en weer: Eeckhout, Mayr, Veyerman, Filips de Koninck... zijn leerlingen. Zijn beste leerlingen. Waar zijn zij gebleven? Leven zij alle nog? Gedenken zij hem?... Neen, niet daaraan denken. Trouw, dankbaarheid -woorden, woorden. Het moet hem genoeg zijn, dat er, in steden, die hij niet kent, in ateliers, die hij nooit zal zien, handen en hoofden zijn, die schilderen, zoals hij het heeft gewild en gewenst, en die hun kunstvermogens te danken hebben aan -wat hij hun heeft geleerd. En hier is de laatste hunner een knaap, maar een stille, begaafde schilder, die naar hem luistert, zoals velen naar hem geluisterd hebben, en die bereid is, om, nu niemand anders meer aan hem denkt, de flambouw over te nemen met eerbiedige handen, en verder te dragen door de goudigen aardse nacht.

Aert de Gelder vertelt aan Titus:

Ik was klein, zeven of acht jaar oud, toen mijn vader mij meenam naar Amsterdam, waar hij voor zaken naar toe moest. Ik deed toen al niets dan tekenen. Al de -witte muren van ons voorhuis en de gangen -waren vol gekrast, zo hoog als mijn hand kon reiken. Er was geen boek, waarvan de marge breed genoeg was, dat niet met mijn proeven prijkte.

Mijn vader scheen mijn grootste vreugde te kennen hoe het zij, hij nam me, de laatste avond, dat we in Amsterdam waren, mee naar de kunstkopers de gebroeders Danckerts ; iets, waarvoor ik hem altijd dankbaar zal blijven...

Het regende. "Wij kwamen in een groot voorvertrek, dat vol stond met huiverende, doorweekte mensen. De muren waren bedekt met doeken en platen. Ik bekeek ze, ademloos en verrukt. Ik begreep niets van de voorstellingen en sommige ervan benauwden me zelfs door hun raadselachtigheid. Maar ik verloor er me zelf in. Hun taal was zo sterk en nieuw en dwingend, dat de uiterlijke bekoring ervan mij alleen al opgetogen maakte. Ik hoorde nog slechts vaag het gedrang en gepraat om ons heen. Ik zag mijn vader nauwelijks meer. Doch ik bemerkte onverwacht, dat de omgeving veranderde. Het werd doodstil. Ik keek op. Er moest iets ernstigs gebeurd zijn. Eensklaps zag ik, dat men in groepen uiteen trad. Een donker man kwam binnen, die niemand groette en als een koning door de rijen schreed. Hij droeg een lange mantel, de hoed diep in de ogen gedrukt. Ik voelde mijn hart kloppen. Ik nam mijn vaders hand en trok hem mee, vooraan in de voorste rij. Waarom weet ik niet: het was als met de prenten en etsen aan de wand: de onbekende trok mij heftig aan. Wij hoorden doffe stemmen murmelen; dan volgde er weer een lange stilte, waarin ik nog het water uit de mantels droppelsgewijs op de estriken hoor tikken. Plotseling boog mijn vader zich naar me over en fluisterde aan mijn oor: Dat is nu Rembrandt, de schilder, wiens tekeningen je hier ziet hangen.

Ik weet niet meer, wat er verder gebeurd is, of hoe wij buiten kwamen. Mijn herinneringen waren koortsig en verjoegen elkaar in de opvolgende jaren. Ik weet alleen, dat ik mijn meester gekozen had in dat ogenblik. Ik had het toen niet kunnen zeggen: maar een gouden weerlicht had mij geslagen. Ik weet dit eerst nu. En nu ben ik gekomen, negen jaar later, om te werken op het atelier van mijn meester en door hem te worden gemaakt tot de schilder, die ik toen al heb willen zijn.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Rembrandt" door Theun de Vries.
           Van Loghum Slaterus Uitgeversmaatschappij, Arnhem, 1931.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 22:46 4 reacties Reageer op dit bericht

De stompe toren van Muiderberg

De stompe toren van Muiderberg
- Een Nederlands volksverhaal -
Er doen heel wat verhalen de ronde over de stompe toren van Muiderberg. Het is echter niet waar dat men niet genoeg geld had en daarom halverwege de bouw maar stopgezet heeft. Ook is het niet zo dat Spaanse kogels de torenspits weggevaagd hebben.

Nee, de zaak heeft zich heel anders toegedragen, want hoe is het anders te verklaren dat er langs de Zuiderzee drie van zulke stompe torens staan: in Muiderberg, Elburg en Ransdorp? Dat moet immers wel een gemeenschappelijke oorzaak hebben. Nou, de ware geschiedenis luidt zo.

In een zeer ver verleden waren de Urkers geduchte zeerovers. Tot ver buiten hun eiland, dat toentertijd veel groter was dan nu, waren zij berucht en gevreesd. In de Urker havens wemelde het van de botters, maar helaas ook van de piratenschepen. En deze werden bevolkt door jongens van Stavast. Ze waren sterk als reuzen, deze Urkers, wel acht voet lang, en ze waren de schrik van de zeevaarders. Wie eenmaal met hen te maken had gehad, zorgde in het vervolg wel, ze ver uit de weg te blijven.

Nu voer er in die tijd eens een koopvaardijschip de Zuiderzee op. Het was groter dan ooit iemand gezien had. De lengte was niet eens te meten en om het overdwars door te lopen had men minstens een half uur nodig. Dit zeemonster nu, was verzeild geraakt op de Zuiderzee. Dat op zich was al niet zo slim van de kapitein, maar nog dommer was dat hij geen rekening gehouden had met de Urker piraten, die hij toch zeker op zijn weg zou tegenkomen.

Hoe dan ook, hij was er nu eenmaal en een hele tijd ging het goed. De kleine bootjes van de vissers maakten dat ze wegkwamen wanneer ze het reuzengevaarte zagen naderen, maar zo niet de Urkers!

Zodra ze vernomen hadden dat er een geweldig koopvaardijschip op de Zuiderzee rondvoer, sprongen ze in hun piratenschepen en zeilden hun haven uit. En het duurde niet lang of ze hadden het mammoetschip ontdekt. Niet voor een kleintje vervaard, gingen de helden dadelijk over tot de aanval.

Maar het viel toch niet mee de reus te rammen en te enteren, want de kapitein bleek slimmer dan ze gedacht hadden. Die had duidelijk al vaker met zeerovers te doen gehad. Behendig laveerde hij van bakboord naar stuurboord, streek en hees de zeilen, voer voor- en achteruit, kortom hij speelde met zijn gevaarte alsof het een notendop was.

De Urkers keken verbaasd toe, maar werden toen woedend. De mogelijke buit was niet belangrijk meer, nee, het ging nu om de eer! Vastberaden hielden ze vol, ze bleven op de koopvaarder toevaren, dreven hem in het nauw, en uiteindelijk wisten ze hem dicht op de kust te brengen, weliswaar niet bij hun eiland, maar bij het vasteland.

Het grote schip bevond zich nu toch wel in een hachelijke positie. Niet dat het meteen stranden zou, want zo dicht zat het nog niet op de dijk, maar de boegspriet stak er toch al een eind overheen. De Urkers grepen nu hun kans. Ze vielen als leeuwen aan en trachtten de koopvaarder tegen de dijk te duwen. Maar de kapitein, ook niet van gisteren, wendde nog net op tijd het roer en de kop stak weer naar volle zee. Maar door die beweging raakte de boegspriet van het schip zo'n eind over de dijk heen, dat hij met een zwaai de spitsen van de torens van zowel Muiderberg, als Ransdorp en Elburg tegen de grond maaide.

Hoe het verder met het grote schip afgelopen is, weet niemand. Ook niet hoe het de stoere Urkers is vergaan. Maar dat de drie torens stomp zijn is algemeen bekend. En hoe dat gekomen is weet men nu eveneens.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit Utrecht en het Gooi" samengesteld door Willem de Blécourt.
           Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1979. ISBN: 90-274-7083-9
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 23:47 3 reacties Reageer op dit bericht

Waarom de mensen moeten werken

Waarom de mensen moeten werken
- Afro-Amerikaanse verteltraditie -
Vroeger heeft de hemel ooit heel dicht boven de aarde gehangen. Hij hing niet hoger dan de uitgestrekte hand van een mens kan reiken. En als iemand honger had, dan hoefde hij maar naar boven te grijpen, een stuk van de hemel af te breken en het op te eten. Toendertijd hoefde niemand te werken.

Dat was dus niet slecht georganiseerd, maar soms braken er mensen meer af dan ze konden opeten, en wat ze niet opaten, gooiden ze gewoon op de grond.

Tenslotte was de hemel groot genoeg en zou er altijd genoeg te eten zijn. Wat gaf het, als ze meer afbraken dan ze werkelijk nodig hadden? Misschien maakte het hen niets uit, maar voor de hemel maakte het wel wat uit. De hemel werd woedend, als hij zag hoe hij daar op de grond lag, aangevreten, als afval. Daarom sprak de hemel op een dag:

"Luister eens even! Dit zint mij niet. Het zint me niet, dat de mensen altijd een stuk afbreken als hun maag knort, en dan maar een hap nemen en de rest weggooien. Als jullie daar niet mee ophouden, ga ik zo ver omhoog, dat jullie niet meer bij me kunnen. Begrepen?"

En de mensen hoorden het. Ze werden nogal bang, en een tijdje letten ze erop, dat niemand méér van de hemel afbrak dan hij kon opeten. Maar in de loop der tijd vergaten ze de waarschuwing.

Op een dag kwam er een man aan en die brak zo'n groot stuk van de hemel af, dat veertig mensen er een maand van hadden kunnen eten. Hij beet er een paar stukjes af, gooide de rest over zijn schouder en liep toen weg, zo dom en gelukkig als je nog nooit iemand gezien hebt. De hemel zei geen woord, maar met een geweldig onweer steeg hij zo ver omhoog als hij kon, en dat was behoorlijk hoog.

Toen de mensen merkten, wat er gebeurd was, begonnen ze te huilen en smeekten de hemel weer naar beneden te komen. Ze beloofden nu meer aandacht aan zijn waarschuwing te besteden, maar de hemel deed alsof hij doof was. De volgende dag hadden de mensen niets meer te eten. Ze moesten werken om zich te voeden, en bij werken is het tot aan vandaag de dag gebleven.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volkssprookjes en legenden van zwart Amerika"
           verzameld door Frederik Hetmann. Elmar, z.j..
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:07 5 reacties Reageer op dit bericht

De hoed van oom Nacho

De hoed van oom Nacho
- Een grappig volksverhaal uit Nicaragua -
Oom Nacho had een kapotte hoed die hem zelfs al niet meer deugde om er zich koelte mee toe te waaien en oom Nacho zei: "Die oude hoed zet ik niet meer op," en gooide hem bij het afval. Op dat moment kwam zijn comadre* Chola** voorbij. "Eh!" zei ze, "de hoed van oom Nacho!" en ze pakte hem op, wikkelde hem in een stuk papier en bracht hem naar haar compadre*. "Je hebt je hoed laten vallen, oom Nacho! Ik breng hem hier voor je mee."

"God lone het je, comadre," zei oom Nacho.

Hij pakte de kapotte hoed en ging hem een heel eind verderop weggooien, in de beek. Toen hij weer naar huis liep begon het te regenen en de stroom sleepte de hoed mee terug. "Kijk daar eens!," riep oom Chente**, "de hoed van oom Nacho drijft op het water! Vooruit jongens, haal hem er uit!" Ze rennen, vissen de hoed op en gaan naar oom Nacho.

"Oom Nacho, stel je voor, het water sleepte je hoed al mee. We hebben hem voor je meegebracht."

"Dank je wel, jongens, dank je wel. En doe de groeten van mij aan oom Chente," zei oom Nacho.

"Daar is die rot-hoed al weer," dacht oom Nacho en smeet hem op een stoel.

Kort daarop kwam een arme bedelaar voorbij en oom Nacho zegt tegen hem: "Neem die hoed maar mee, hij beschermt je tenminste tegen de zon." De man ging weg, maar zodra de mensen uit de wijk hem zagen begonnen ze te schreeuwen: "Houdt de dief, houdt de dief, hij heeft de hoed van oom Nacho gestolen!" Ze grijpen hem vast, geven hem een stel klappen, pakken hem de hoed af en komen hijgend aanrennen. "Oom Nacho, stel je voor, een dief ging er met je hoed vandoor! We brengen hem hier weer voor je mee!"

"Dank je wel! Dank je wel!" zei oom Nacho, buiten zich zelf. Nauwelijks waren de mensen uit de buurt weg of hij pakte zijn nieuwe hoed, gooide die bij de afval en zette de oude op zijn hoofd. Maar de nieuwe hoed bracht niemand hem terug.

* de peettante is t.o.v. de ouders van het gedoopte kind en de peetoom 'comadre', de peetoom is t.o.v. de ouders en peettante 'compadre', maar de term wordt ook wel gebruikt tussen buren en vrienden.

** de ch spreek je uit als het nederlandse tsj.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Muestrario del Folklore Nicaragüense"
           van Pablo Antonio Cuadra en Francisco Pérez Estrada, Managua, Banco de América, 1978.
           Vertaling: Tine van der Gulden.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 09:13 4 reacties Reageer op dit bericht

Nasreddin Hodja - Kleren maken de man

Nasreddin Hodja - Kleren maken de man
- Een Turks hodja-verhaal over eerbied voor uiterlijk vertoon -
De streek rond het dorp van Hodja behoorde bijna in zijn geheel aan één man, een door iedereen gevreesde aga. Of de jaren goed of slecht waren, de aga was onverbiddelijk in zijn eis dat twee-derde van de oogst hem toebehoorde.

Een goede oogst betekende voor de boeren in die dagen leven in armoede; een slechte oogst bracht diepe ellende. De ratten in de vele graanpakhuizen hadden toen een beter leven.

Dit jaar bracht nog meer rampspoed: de dochter van de aga ging trouwen. Zijn onderdanen had hij verplicht om vrijwillig een tiende van de oogst als huwelijksgeschenk af te staan.

De voorbereidingen voor de bruiloft waren in volle gang. In het ene gedeelte van het huis zaten de vrouwen bij de bruid. Haar handen werden zorgvuldig versierd met roodbruine henna. De moeder van de bruid tekende de traditionele motieven op haar vingers, die toen afzonderlijk in verband werden gewikkeld. Daarna hieven de vrouwen een hartstochtelijk gejammer aan om het meisje aan het huilen te krijgen. Ze móest huilen, omdat ze afscheid nam van haar jeugd en haar onschuld.

In een ander gedeelte van het huis ging het vrolijker toe. Dit was het domein van de bruidegom. Omdat hij haar neef was, die al jarenlang door de aga werd opgevoed, vonden de voorbereidingen in hetzelfde huis plaats. Samen met zijn vrienden en de mannelijke familieleden danste hij tot diep in de nacht op de muziek van de vele muzikanten. Dansend en etend nam hij afscheid van zijn jongensjaren.

De volgende dag werd de bruidegom onder luid geschreeuw door zijn vrienden naar de bruid gebracht.

De gasten droegen prachtige kostuums van zijde, vol goudbrokaat en edelstenen. Maar die verbleekten bij het gewaad van de bruid. Vele vingers in een verre stad hadden een hemels kleed gecreëerd. De waarde ervan moest voldoende zijn om het hele dorp jarenlang te eten te geven.

Onze Hodja was de enige hodja in het land van de aga, daarom gaf deze hem de opdracht de huwelijksceremonie te leiden. Hodja koesterde weinig genegenheid voor deze man; diep in zijn hart wilde hij zelfs weigeren. Maar ook Hodja was slechts een marionet in het schaduwbeeldenspel van de aga.

Hodja had speciaal voor vandaag de kleding aangetrokken die hij droeg, als hij zijn land bewerkte. Hij deed juist op deze dag zijn best er nog alledaagser uit te zien dan gewoonlijk.

Hodja mompelde de voorgeschreven soera's en zijn mond blies ze in de richting van het bruidspaar om ze daar werkzaam te laten worden. Het huwelijk was gesloten.

's Avonds was er een grote feestmaaltijd. Tientallen lammeren eindigden hun leven aan het spit. Alle boeren en hun families waren uitgenodigd. Daar maakten ze dankbaar gebruik van, zodat ze nog iets van de afgedwongen oogst in hun maag kregen. Ook Hodja liet zich deze overheerlijke maaltijd niet ontgaan, waarbij het jaarlijkse feestmaal van het offerfeest niets voorstelde.

Als hodja kreeg hij een plaats aan de tafel van de aga en zijn gevolg. In zijn vale en vaak verstelde kleren viel hij zo uit de toon bij al het geglitter, dat de bedienden hem niets serveerden. Ze vonden dat hij buiten tussen de boeren thuishoorde. Nadat al enkele heerlijke spijzen zijn bord voorbij waren gegaan, verdween Hodja stiekem. Vol honger spoedde hij zich naar huis.

Hier kleedde hij zich om. Hij trok een fijn zijden boernoes aan, deed de gouden ring met rode robijn aan zijn vinger, zette zijn schitterende met juwelen versierde tulband op en voltooide de fraaie uitmonstering met zijn mantel van vossenbont.

Zo nam hij zijn plaats aan tafel weer in. De bedienden spoedden zich om de nieuwe gast te bedienen. De aga zelf schepte zijn bord vol met de zeldzaamste heerlijkheden.

Verbaasd over zoveel aandacht stond Hodja op. Hij deed zijn mantel uit en hield deze dicht bij zijn bord. Plechtig zei hij: "Eet meester, deze heerlijkheden zijn de uwe."

"Hodja, wat doe je nu?" vroeg de verbijsterde aga.

"Aga effendi," zei Hodja, "het zijn de kleren aan wie u deze spijzen gegeven hebt, niet aan de man die erin zit."


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Nasreddin Hodja: achterstevoren tóch de goede kant op" verteld door Ufuk Kobas.
           Aldus Uitgevers, 's-Hertogenbosch, 1987 /
           Nederlands Bibliotheek en Lektuur Centrum, Novib's, Gravenhage.
           ISBN: 90-70545-15-2.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 22:41 6 reacties Reageer op dit bericht

De Thaise schilder en de Dood

De Thaise schilder en de Dood
- Een Oosters verhaal over een man die nog niet dood wil -
In Thailand leefde lang geleden eens een schilder. Die zat van 's morgens tot 's avonds op plekken waar een heleboel mensen kwamen. In een grote mantel gehuld, en met een hoed op tegen de zon, zat hij daar te kijken. Hij keek naar alle mensen op marktpleinen, op kermissen, in wijnhuizen, in theehuizen. Als het dan avond geworden was, ging hij naar zijn huis en hij begon alle gezichten die hij overdag gezien had, te schilderen: de gezichten van kinderen, van oude mensen, van rijke mensen, van arme mensen, van magere mensen, van dikzakken. Maar alleen hun gezichten. Hij had zijn hele huis vol gehangen met gezichten, gezichten en nog eens gezichten.

Op een nacht stond hij in zijn huis te schilderen. Terwijl hij ingespannen bezig was, werd er hard op de deur geklopt.

"Wat krijgen we nou? Wie kan dat zijn, midden in de nacht? Ik heb helemaal geen afspraak. Hè, wat vervelend nu!"

Hij liep naar de deur en deed open. Voor de drempel stond een vreemdeling. Die zei op barse toon: "Goedenavond, vriend! Ik kom je halen!"

"Goedenavond... U komt mij halen? Maar ik heb helemaal geen afspraak!"

"Ha! Dat is een mooie grap! Kijk, als ik iemand kom halen, dan gaat hij altijd met me mee. Dat is altijd zo geweest en dat zal voorlopig nog wel even zo blijven."

"Maar... wie bent u dan?"

"Ik ben de Dood!"

"De Dood? Dat moet een vergissing zijn. Ik voel me kerngezond! Ik ben trouwens druk bezig met het schilderen van een portret. Ik heb geen tijd! Ik denk dat je bij de buren moet zijn!"

Vlak voor de neus van de Dood gooide de schilder de deur dicht. En mopperend liep hij terug naar zijn schildersezel. "Belachelijk! Wat denkt die Dood wel!"

De Dood stond buiten en dacht: Dat is me nou nog nooit overkomen. Toch eens kijken waar die schilder mee bezig is.

Muisstil opende hij de deur en sloop naar binnen. Op zijn tenen liep hij door de kamer, tot hij vlak achter de schilder stond. Voorzichtig keek hij over diens schouder. En wat zag de Dood? Een beeldschoon meisjesportret! Zo'n mooi portret had de Dood van zijn leven nog nooit gezien. Ademloos bleef hij staan kijken naar het schilderij dat daar ontstond, en hij vergat de tijd.

Al die tijd stierven er op aarde dus geen mensen...!

Opeens besefte de Dood waarvoor hij gekomen was en hij zei: "Nu moet je toch echt met me mee, vriend!"

De schilder, die helemaal niet had gemerkt dat de Dood zo vlak achter hem stond, draaide zich verschrikt om. "Man, wat doe jij hier! Ik schrik me bijna dood! Wil je wel eens maken dat je wegkomt!" En hij duwde de Dood de kamer uit, de straat op, en wees naar de lucht. "Ga maar naar de Keizer van de Hemel en zeg dat het me niet uitkomt! Ik heb het veel te druk!"

De Dood, totaal overbluft, rees op naar de Hemel. Daar zat de Keizer van de Hemel hoog op zijn troon.

"Zeg Dood," zei de Keizer op verontwaardigde toon, "waar is die schilder die ik je opdroeg te gaan halen?" De Dood keek verlegen naar de Keizer op. "Hij eh... had geen tijd, Heer," antwoordde hij zachtjes. "Geen tijd?? Wat is dat voor onzin! Wil jij wel eens gauw naar beneden gaan en onmiddellijk die schilder halen!"

Dus de Dood daalde razendsnel af naar de aarde en klopte hard en dringend op de deur van de schilder. Er klonken driftige voetstappen en daar zwaaide de deur open. "Wat, ben jij het nu alweer, Dood? Hoepel op!" Maar nu was de Dood niet te vermurwen. "Geen praatjes meer! Ik krijg de grootste herrie daarboven! Je moet nu mee!"

Tja, toen zag de schilder wel in dat er niets meer aan te doen was. "Rustig maar! Even mijn spullen pakken en dan ga ik mee!" Hij begon op zijn dooie gemak al zijn schilderspullen in te pakken. Rollen met zijdepapier, verfblokken, inkt, penselen. "Zeg, komt er nog wat van?" foeterde de Dood. "Rustig! Innerlijke rust, daar komt het op aan! Dat heeft mijn moeder me vroeger altijd gezegd." De schilder stak een offerkaars aan. "Nou... ik ben zover. Zullen we dan maar?"

En samen stegen ze op naar de hemel. De Keizer zat ongeduldig op zijn troon. "Zo, ben je daar eindelijk. Waar bleef je al die tijd?"

De schilder blies zijn offerkaars uit, zette zijn spullen neer en sprak met onderdanige stem: "Heer, ik weet dat ik op aarde nooit meer zal kunnen schilderen. Daarom heb ik al mijn schilderspulletjes meegenomen, zodat ik hier verder kan schilderen."

"Hier verder schilderen? Geen sprake van!"

"Maar Heer... u zit zo hoog op uw troon, met al die prachtige tapijten eromheen die tot op de grond hangen. Zou ik die eens een beetje uit elkaar mogen schuiven en onder uw troon mogen kijken?"

Voorzichtig schoof de schilder de tapijten van elkaar.

"Nee maar... dat is een mooie ruimte daarbinnen. Zou ik daar misschien wat mogen schilderen? Ik kijk af en toe door een kiertje naar buiten en dan kan ik weer uren doorwerken."

"Dat gebeurt niet!" sprak de Keizer van de Hemel streng.

"Heer... als ik om me heen kijk... wat is uw hemel groot...! Weet u wat? Stuurt u me heel ver weg! Naar een hoekje van uw hemel waar u me niet ziet en niemand last van me heeft! Zodat ik daar een beetje door kan werken!"

De Keizer van de Hemel haalde zijn schouders op en zuchtte. "Nou... vooruit dan maar!"

En wat deed de Keizer? Hij zond de schilder naar de Geest van het Leven. En daar zit hij, tot op de dag van vandaag. Daar schildert hij de gezichten van de zielen die geboren gaan worden op aarde. En als Thaise vrouwen in verwachting zijn, offeren ze aan die schilder - in de hoop dat hij hun kind een mooi gezicht zal schenken...


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De Wolkenberg. Oosterse sprookjes" verteld door Peter van der Linden.
           Ziederis, Rotterdam, 2004. ISBN: 90-70042-07-X
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:09 15 reacties Reageer op dit bericht

Grootvader, de vloedgolf en het vuur

Grootvader, de vloedgolf en het vuur
- Een oud Japans volksverhaal over een tsunami -
Op een eiland in het mooie land Japan leefde eens een goede oude man. Zijn huis stond op een vlakke berg en om het huis lagen de rijstvelden van de mensen die aan de voet van de berg woonden, op de smalle strook grond langs de zee. Vanuit zijn huisje had de man het uitzicht over de rijstvelden, en daarachter over de mooie blauwe zee, die het hele land omspoelde. Elke morgen en elke avond keken de oude man en zijn kleinzoon naar de mannen uit het dorp, die ijverig hun velden bewerkten.

De kleine jongen hield van de rijstvelden. Hij wist heel goed dat die het voedsel moesten opbrengen voor heel het volk in de omtrek; en dikwijls hield hij met zijn grootvader de wacht bij de velden, als de werkers naar huis gingen om een poosje te rusten.

Eens op een dag stond de grootvader alleen voor zijn huisje. Eerst keek hij een poos naar de rijstvelden en toen keek hij naar de zee. Maar plotseling stond hij daar als verlamd van schrik en staarde strak in de verte, waar zee en lucht elkaar schenen te ontmoeten!

Daar rees iets op uit de golven, iets als een reusachtige wolk, en het was alsof de wateren van de zee zich daar ophieven tot hoog, hoog in de lucht! De oude man hield zijn handen boven de ogen en keek nog eens goed toe, zo goed als zijn oude ogen het hem mogelijk maakten.

Toen wendde hij zich plotseling om en rende het huisje binnen. "Yone, Yone," riep hij zijn kleinzoon toe,"breng mij dadelijk een brandende tak uit het haardvuur!" De jongen begreep niet waarvoor zijn grootvader dat vuur nodig had, maar hij was, als alle kinderen in Japan, altijd gehoorzaam. Vlug trok hij een brandende tak uit het vuur en holde daarmee naar zijn grootvader. Maar zie - die had zelf óók al een brandende tak in de hand en liep daarmee, zo hard zijn oude benen hem konden dragen, naar de rijstvelden. "Volg mij, Yone!" riep hij, en de jongen draafde achter hem aan, de brandende tak nog altijd in de hand houdend.

Daar zag hij tot zijn schrik dat de oude man zijn tak midden in de droge, rijpe rijst slingerde, en hij gilde in doodsangst: "O, grootvader! Grootvader! O, o, wat doet u daar? Wat doet u daar?" - "Vlug, jongen, vlug! Steek de boel in de brand!" was het enige antwoord dat hij kreeg. Yone dacht niet anders dan dat zijn grootvader krankzinnig was geworden, en hij gaf een gil van ontzetting; maar hoe ontsteld hij ook was, tóch wist hij dat hij moest gehoorzamen.

Ook hij slingerde dus zijn tak in de rijst, en een felle vlam begon weldra tegen de dorre stengels op te klimmen. Meer vlammen volgden - rode vlammen en gele vlammen. In een ogenblik stond het hele veld in lichterlaaie, en dikke zwarte rookwolken verhieven zich hoog in de lucht. Als een donkere wolk steeg de rook op, en de mensen beneden begrepen met schrik dat hun kostbare velden in brand stonden!

Ha, hoe holden, draafden en sprongen ze de berg op! Ieder wou proberen nog iets te redden; oude mensen, vrouwen en kinderen, allen haastten zich naar de brandende velden! Geen sterveling bleef thuis. Maar toen ze de top van de berg bereikten, zagen ze hoe heel hun kostelijke rijstoogst al in vlammen stond. Niets, niets viel er meer te redden, en een luid gejammer weerklonk door de lucht. "Wie heeft dit gedaan?" riep de een, en "Hoe is de brand aangekomen?" gilde een ander. "Ik was het, die de velden in brand stak," zei de oude man plechtig; en het jongetje herhaalde zijn verzekering: "Ja, grootvader heeft de brand aangestoken." Maar toen nu allen op de oude man aandrongen, luid gillend en krijsend "Waarom? Waarom toch?" toen wendde hij zich om, en wees naar de zee.

Allen staarden naar die kant - en zie; waar kort geleden nog de blauwe zee zo rustig had gelegen, daar zagen ze nu een geweldige muur van opgezweept water, zó hoog dat hij de hemel scheen te raken, op hun eiland afkomen! Niemand was in staat een geluid te geven, zó verschrikkelijk was deze aanblik! De watermuur had nu het land al bereikt, overstroomde de plek waar het dorp had gestaan, en brak toen, met geweldig geraas tegen de sterke bergwand.

Een tweede watergolf stortte zich over het land - en nóg een golf; toen zagen de verschrikte mensen rondom de berg niets anders meer dan water, water en nog eens water; het dorp waar ze gewoond hadden, was er onder bedolven... Maar - alle bewoners waren gered! Nu pas begonnen ze te begrijpen wat de oude man had gedaan, en hoe ze allen aan hém hun leven te danken hadden. Ze vereerden hem boven alle andere mensen.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Vertellingen en sprookjes van overal"
           naverteld door Nienke van Hichtum en geïllustreerd door Tjerk Bottema.
            De Arbeiderspers, Amsterdam, 1931.
           Oorspronkelijke titel: De rijstvelden branden
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 10 reacties Reageer op dit bericht

Nasreddin Hodja gaat goedkoop winkelen

Nasreddin Hodja gaat goedkoop winkelen
- Goedkoop winkelen -
Hodja ging naar de bazaar om stof te kopen voor nieuwe kleren. De kooplieden schreeuwden hun longen leeg om de klanten te verleiden in hun winkeltje naar de beste en goedkoopste waren te zoeken.

Hodja bevoelde hier en daar de stoffen, vergeleek de prijzen en stapte ten slotte een speciaal winkeltje binnen om daar naar de duurste zijden stoffen te kijken. De koopman, die wel merkte dat hij een dure klant binnen had, behandelde Hodja als de sultan zelf. Snel bestelde hij thee en bood Hodja deze aan.

Hodja liet de verschillende zijden stoffen door zijn handen glijden en liep ermee naar de galerij om ze daar in het binnenvallende zonlicht te bekijken.

Eindelijk maakte hij zijn keuze. Na nog eens thee gedronken te hebben en na een lange onderhandeling over de prijs, was de koop gesloten. De koopman pakte de stof voorzichtig en sierlijk in.

Op dat moment veranderde Hodja van gedachte. Hij bedacht dat voor de winter warme katoen geschikter was dan zijde. Het hele ceremonieel herhaalde zich, met dit verschil dat hij nu als goedkope klant geen thee kreeg aangeboden.

De koopman maakte van het katoen een iets minder mooi pakketje en gaf het aan Hodja, die er meteen mee wegliep.

"Effendi, effendi," riep de verkoper hem na, "u heeft nog niet betaald voor de stof."

"Dat klopt heer, maar ik heb de veel duurdere zijde toch teruggegeven."

"Ja, ja, maar daar heeft u evenmin voor betaald."

"Natuurlijk niet," zei Hodja, "waarom zou ik voor zijde betalen die ik niet neem?"


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. List & bedrog. Verhalen over eerlijkheid, gastvrijheid, list
           en bedrog uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en
           Indonesische verteltraditie"
           Lemniscaat, Rotterdam, 1990.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:04 6 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten