Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: volksverhalen

De overstroming van Bogota

De overstroming van Bogota
- Een oud verhaal uit Colombia over een zondvloed -
Een hele, hele tijd geleden, toen de aarde nog geen maan had, leefden er op de vlakte van Bogota mensen zonder cultuur als wilden. Zij kenden noch de akkerbouw, noch een wet en orde.

Op een dag verscheen er bij de wilde stammen een oude man, die stamde uit het gebied in het oosten van de Cordillere van Chingasa. Hij was van een geheel ander ras als de wilden van Bogota en had een lange, dichte baard. Deze grijsaard luisterde naar drie verschillende namen: Bochica, Nemquetheba en Zuhe. Hij sloot zich bij de mensen aan en bracht hen bij niet meer naakt te lopen, maar zich te kleden, akkers te bebouwen en vruchten te oogsten, hutten te bouwen en in gezinsverband te leven. De oude bracht ook zijn vrouw mee, die eveneens drie namen had: Chia, Yubecayguaya en Huythaca. Helaas was deze vrouw even mooi als boos. Zij haatte de mensen van iedere streek en als haar echtgenoot iets voor hen maakte, dan vernielde zij het vaak weer.

Door tovenarij liet zij de Río Funza zo zwellen, dat die het hele dal van Bogota overstroomde. Door deze vloed verdronken bijna alle mensen die daar woonden en slechts weinigen konden zich op de top van de omliggende bergen redden. Toen de oude man dit zag werd hij heel kwaad op zijn vrouw. Hij joeg haar weg van de aarde en verdreef haar naar de hemel. En sinds die tijd heeft de aarde een maan, die in de nacht schijnt.

De grijsaard Bochica werd echter gegrepen door medelijden met de mensen, die in het hooggebergte moesten leven. Hij verpletterde de rotsen, die het dal van Bogota aan de zijde van Canoas en Trequendama insloten, zodat door deze opening de watermassa's weg konden vloeien. Toen bracht hij de verspreide mensen weer tezamen, bouwde huizen en steden voor hen, leerde hun het aanbidden van de zon, benoemde opperhoofden, elk één voor de wereldlijke en voor de geestelijke macht.

Toen trok de grijsaard zich terug in het heilige dal van Iraca onder de naam Idacanzas, waar hij als kluizenaar vele duizenden jaren leefde.


                                      * * * Einde * * *
Bron : "Volkssprookjes en legenden uit Zuid-Amerika," door Felix Karlinger.
            Uitgeverij Elmar B.V., Rijswijk. ISBN: 90-6120-433-X
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:07 8 reacties Reageer op dit bericht

De twee muilen 3

De twee muilen (3/3)
- Een Arabisch verhaal over wat twee versleten schoenen veroorzaken -
Uit de hoofdleiding die alle fonteinen voedde, haalden ze niets minder te voorschijn dan - de muilen van Kasim! Ze waren in het water tot buitengewone omvang opgezet en hadden de watervoorziening voor de hele stad gestremd. De muilen werden in optocht door de volle straten naar de landvoogd gebracht. Luid schreeuwden de mensen dat de vrek, die hun zoveel overlast had bezorgd, streng gestraft moest worden.

"Het is me een onuitsprekelijk genoegen u vandaag voor de tweede maal te ontvangen, waarde Kasim," zei de landvoogd. "Je kunt kiezen: of een maand op water en brood de gevangenis in, of een boete. En om je te tonen hoe hoog ik je aansla, de boete wordt tweemaal het bedrag van vanmorgen."

De koopman die de gevangenis meer vreesde dan de armoede, moest nog eens zoveel zakken goud in de schatkist van de landvoogd storten, waarna hij naar huis mocht gaan. Hij was evenwel nog niet ver gekomen, toen een van de dienaren van de landvoogd hem inhaalde en hem het bevel overbracht dat hij terug moest komen, want hij had iets achtergelaten.

De vrek liet zich dat geen tweemaal zeggen. Hij repte zich terug naar het paleis in de hoop, dat de landvoogd spijt had gekregen van de hoogte van zijn boete. Hij had zich vergist; de portier wees hem naar zijn doorweekte muilen, die in een hoek op hem wachtten. Door de open deur riep de landvoogd hem toe: "Het recht boven alles, vriend! Je hebt je boete betaald en mijn geweten gedoogt niet, dat ik je ook maar iets meer ontneem. Daar zijn je muilen terug, verslijt ze in vrede. De gedachte iets in mijn bezit te hebben dat jou toebehoort, zou mij van de slaap beroven."

Kasim greep zijn muilen met vertwijfeld gezicht. Hij zag in wat hem te doen stond. Verbranden moest hij ze. Maar daarvoor zou hij ze eerst moeten drogen en om die reden zetten hij ze in de zon op het dak van zijn huis. Helaas kreeg hij bezoek van de kat van de buurman, die graag van het ene dak op het andere sprong.

En katten zijn nieuwsgierig en deze kat kwam de muilen eens beter bekijken en sloeg er met de voorpoot tegen. De muilen bleven waar ze waren en dat stond de kat niet aan; hij wilde met die dingen spelen. Maar wat voor de kat een spel was, werd een ramp voor Kasim - de zwaarste ramp nog wel die hem de afgelopen dagen was overkomen. De kat sloeg harder en harder tegen de muilen en ze werden steeds dichter verplaatst naar de rand van het dak en opeens vielen ze naar beneden - precies op het hoofd van de stadsschrijver, die toevallig passeerde.

Door de onverwachte klap op zijn hoofd struikelde de man en viel over de stoep, waarbij hij zijn been brak. De mensen verdrongen zich om hem, toen hij naar huis werd gebracht en gezien deze wolk van getuigen diende hij op slag een aanklacht tegen de bezitter van de muilen in. De muilen zelf voegde hij als bewijsstukken bij zijn aanklacht.

"Je drijft het wel wat ver, vriend," riep de rechter, nadat Kasim voor hem was verschenen. Hij hield de afzichtelijke overblijfselen van de muilen tussen duim en vinger omhoog en zwaaide ze onder Kasims neus heen en weer.

"Nog geen week is er om en nu krijg ik al weer met die weerzinwekkende muilen te maken. Ik merk dat ik de vorige keer te mild ben geweest. Deze keer zal ik zorgen dat je me goed begrijpt!" En hij veroordeelde de koopman tot een hoge boete, vergeleken waarbij alle vorige te verwaarlozen waren.

Kasim nam zijn muilen in de handen, hief ze op zoals een priester de offerande en riep met een stem die stenen tot tranen zou hebben bewogen: "O Allah, weet dat deze twee de oorzaak zijn van al mijn leed en kwellingen. Twee armzalige stukken leer hebben me tot de bedelstaf gebracht. Een ding maar smeek ik u af - laat me niet langer schuldig worden bevonden voor de misdaden die deze muilen nog kunnen begaan. Ik verloochen ze voorgoed als ontaarde kinderen, want ik kan niet langer de verantwoording voor hun daden dragen!"

Zijn hartenkreet ontlokte zelfs de rechter een lach en hij beloofde de bede van Kasim te verhoren.

En zo leerde een oude vrek voor veel geld wat een man kan overkomen die te gierig is om een paar nieuwe muilen te kopen, die hij toch echt wel nodig heeft!


                                      * * * Einde * * *
Bron : "Perzische sprookjes" bewerkt door Margot Bakker.
            Uitgeverij N. Kluwer N.V., Deventer, 1972. ISBN: 9020200151
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:19 13 reacties Reageer op dit bericht

De twee muilen 2

De twee muilen (2/3)
- Een Arabisch verhaal over wat twee versleten schoenen veroorzaken -
Onderwijl was ook de rechter klaar met zijn bad. Hij kleedde zich op zijn gemak aan, maar toen hij zijn voeten in zijn pantoffels wilden steken, bleken ze verdwenen en vruchteloos zocht de badknecht naar het fraaie schoeisel met het goudborduursel. In een hoek van de kleedkamer vond men alleen de opgelapte muilen met de losse zolen, die de rechter dadelijk als het eigendom van Kasim herkende.

"Dacht je zo van je oude muilen af te komen, jij schurk?" mompelde de rechter. "Je bent niet alleen een dief, maar een brutale rakker ook. Je moet wel lef hebben, als je de eerste rechter van de stad gaat bestelen, maar je zult ervan lusten, vriend!"

De rechter stuurde zijn sterkste knecht naar het huis van de vrek en Kasim werd al gauw voor hem geleid. Om te beginnen moest hij de pantoffels van de rechter afstaan en daarna werd hij in de gevangenis opgesloten en hij kreeg pas na het betalen van een stevige boete zijn vrijheid terug.

"Weg met jullie, oude muilen, jullie hebben me heel wat narigheid bezorgd," riep Kasim nijdig, zodra hij weer thuis was. Hij greep de muilen en smeet ze uit het open raam de rivier in, die langs zijn woning stroomde.

De muilen dreven overigens niet ver af. De vissers die hun netten even verder stroomafwaarts hadden uitgeworpen, haalden onverwacht een vangst op, die hun meer ergernis dan dankbaarheid gaf. Hun netten waren gescheurd door de spijkers, die uit de afgetrapte muilen staken en ze waren de hele nacht met herstellen bezig.

De volgende ochtend schrok Kasim wakker door het rinkelen van brekend glaswerk. Hij schoot overeind, wreef zijn ogen uit, keek om zich heen, keek beter toe en kon niet geloven wat hij zag - alle fraai geslepen glazen die hij voor een prikje had gekocht, lagen in scherven en de rozenolie die hij voor halve prijs had weten te bemachtigen, stroomde uit de gebroken flessen op het tapijt. Het meest schrok hij evenwel van de aanblik van zijn oude muilen, die te midden van de scherven lagen.

De vissers die de muilen als het eigendom van Kasim hadden herkend, hadden de moeite genomen stroomopwaarts naar zijn huis te roeien en ze door het raam weer naar binnen te gooien. Indien ze de schade hadden kunnen zien die ze met hun daad hadden aangericht, zouden ze bijzonder voldaan zijn geweest.

De oude vrek sprong zijn bed uit zo vlug als hij kon, ging op zoek naar een schop en een emmer en begon de grote hopen scherven op te ruimen en hij ging onderwijl te keer als een dolleman. "Vervloekte dingen, duizendmaal vervloekte dingen, nu zal ik wel zorgen dat jullie me niet meer geld kunnen kosten!" krijste hij tegen de muilen.

Hijgend en steunend groef hij later een diepe kuil in zijn tuin, smeet er de muilen in en bedekte ze met aarde. Hij was zo verdiept in zijn bezigheid, dat hij niet merkte over de haag te worden gadegeslagen door een andere buurman. Deze man kon Kasim niet luchten of zien en liet nooit een kans voorbij gaan hem onaangenaam te zijn. Toen hij de koopman zo driftig de spade zag hanteren, begaf hij zich ijlings naar de landvoogd en deelde mee, dat Kasim in zijn tuin een schat had opgegraven.

Meer was er niet nodig om de hebzucht van de landvoogd te wekken. Hij liet Kasim ogenblikkelijk door de politie uit zijn huis halen. En zodra Kasim voor hem werd geleid, begon de landvoogd tegen hem uit te varen met zo'n bulderende stem, dat de duiven op het dak van het zomerpaleis verschrikt opvlogen, alsof er een vuurwapen was afgeschoten.

"Weet je niet, dat alle geld en alle kostbaarheden die op het grondgebied van deze stad worden opgegraven, rechtens mijn eigendom zijn?"

"Zou ik de wet niet kennen, excellentie?" jammerde Kasim. "Maar ik heb niets opgegraven - ik heb alleen mijn oude muilen in de grond gestopt, die me al zoveel ellende hebben bezorgd."

Al zijn plechtige verzekeringen baatten hem evenwel niet. Er werden mannen naar zijn tuin gezonden en ze kwamen met de twee bemodderde muilen terug, maar de landvoogd zag zijn hoop op een kostbare schat vervliegen en daarvoor nam hij wraak op Kasim. Hij legde de koopman een hoge boete op, die hem zelf enigszins schadeloos stelde voor de schat die hem ontgaan was.

En zo moest de oude vrek voor de derde maal zwaar betalen voor zijn muilen.

"De duivel moge ze halen!" riep Kasim en in zijn wanhoop rende hij met zijn muilen in de hand tot ver buiten de stad, alsof de duivel hem zelf op de hielen zat. Hij draafde waar zijn voeten hem brachten en kwam uit bij een aquaduct, waar het snel stromende water hem opeens tot staan bracht. Hier kon hij van zijn muilen afkomen! Hij smeet zijn schoeisel in het snelstromende water, dat de muilen meevoerde naar onbekende verten. Overtuigd dat hij ze nu niet meer terug zou zien, keerde Kasim zich om en wandelde bedaard naar de stad terug om zijn verliezen op te tellen.

Overigens kan niemand in de toekomst kijken. Zodra Kasim de stad had bereikt, zag hij dat de huisvrouwen zich in de straten verdrongen en zich beklaagden over de ramp die hun was overkomen - alle fonteinen in de stad stonden opeens droog. De mannen die de zorg voor de bronnen hadden, trokken er dadelijk op uit om na te gaan wat de oorzaak van het raadselachtig verschijnsel was en al gauw wisten ze meer.


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "Perzische sprookjes" bewerkt door Margot Bakker.
            Uitgeverij N. Kluwer N.V., Deventer, 1972. ISBN: 9020200151
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:06 12 reacties Reageer op dit bericht

De twee muilen

De twee muilen (1/3)
- Een Arabisch verhaal over wat twee versleten schoenen veroorzaken -
Er was eens een bejaarde koopman, Aboe Kasim heette hij, die de rijkste koopman in heel Perzië was. Hij was overigens zo gierig, dat hij in lompen door de straten van de stad liep, alsof hij een arme bedelaar was. Zijn gewaad was oud en tot op de draad versleten en zo vaak versteld met lappen in andere kleuren, dat niemand meer kon beoordelen welke kleur het kledingstuk oorspronkelijk had gehad. Met zijn tulband stond het al niet veel beter. Het was een groezelige tulband van de goedkoopste stof, die ooit op enige markt was verkocht en die meer aan een dweil voor het schoonmaken van vloeren deed denken dan aan een hoofdtooi.

Dit alles werd nog ver overtroffen door zijn muilen. In de zolen zaten grote gaten en de bovenkanten vertoonden een mozaïek van opgezette lapjes - zoveel, dat men bij het tellen in de war zou zijn geraakt. Zeker tien jaar lang hadden diverse schoenlappers hun beste krachten aan die haveloze muilen gewijd en het was hun steeds moeilijker gevallen ze bijeen te houden.

De muilen waren geleidelijk zo berucht geworden, dat ieder die wilde beschrijven dat iets totaal waanzinnig of onmogelijk was, aan zijn woorden toevoegde: "alsof het de muilen van Kasim waren!"

Op een avond liep de koopman in voortreffelijk humeur over de markt. Hij had die ochtend een grote partij geslepen drinkglazen kunnen kopen tegen een zacht prijsje, doordat de man die ze te koop aanbood, hals over kop naar zijn glasblazerij terug moest en geen tijd voor onderhandelen had. Tegen de middag was hij aangeschoten door iemand die op zwart zaad zat, zijn schulden niet kon betalen en Kasim het enige te koop aanbood dat hij nog bezat - een partij rozenolie voor de halve prijs.

Volgens gebruik dienden dergelijke voordelige zaken gevierd te worden, men nodigde dan zijn vrienden uit voor een feestmaal. Kasim evenwel was van mening beter naar de badinrichting te kunnen gaan. Hoewel hij op water even gek was als de kat, viel het niet te ontkennen dat hij in het badhuis goedkoper uit zou zijn dan thuis met zijn vrienden, die hem de oren van het hoofd zouden eten.

Terwijl hij zich in de kleedkamer van zijn plunje ontdeed en juist uit zijn muilen wilde stappen, werd de koopman op de schouder getikt door een van zijn buren, met wie hij tamelijk goed bevriend was.

"Die muilen van jou, daar maakt de hele stad zich vrolijk om, Kasim," zei de vriend. "Het wordt hoog tijd dat je een paar nieuwe koopt. Geloof me, iedereen steekt de draak met je."

"Daar heb ik al heel lang over gedacht," antwoordde de koopman en hij kreeg rimpels in zijn voorhoofd; "ik heb voor en tegen van zo'n aankoop langdurig overwogen. Ik ben jammer genoeg nog niet tot een besluit gekomen, ik weet niet of mijn muilen werkelijk zo versleten zijn, dat ze niet meer gebruikt kunnen worden."

Kasim had niet eens gemerkt dat ze onder het praatje tot vlak bij de rand van het bad waren gekomen. Klappertandend stak hij behoedzaam de grote teen van zijn rechtervoet in het water, alsof hij zich in de bek van een leeuw waagde. Terwijl hij zich kweet van de hoogst onaangename wastaak, werd de deur aan de straat geopend en de eerste rechter van de stad kwam binnen, ook met het doel een bad te nemen.

De koopman was al heel gauw klaar en repte zich naar de kleedkamer, waar hij zijn bundeltje kleren bijeen zocht en zich haastig aankleedde. Maar bij de baard van de Profeet, waar waren zijn oude muilen? Waar hij ze achtergelaten had, stond nu een paar fraaie nieuwe pantoffels. Hij nam aan dat ze een geschenk waren van de buurman, met wie hij even tevoren had gepraat. Zonder zich te bedenken stak de oude vrek er zijn voeten in. "Aardige man," dacht hij bij zichzelf, "hij heeft me de aanschaf kosten van een paar nieuwe muilen willen besparen." Opgeruimd verliet hij de badinrichting.


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "Perzische sprookjes" bewerkt door Margot Bakker.
            Uitgeverij N. Kluwer N.V., Deventer, 1972. ISBN: 9020200151
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:21 11 reacties Reageer op dit bericht

Toen het pannenkoeken regende

Toen het pannenkoeken regende
- Een Argentijns volksverhaal over een praatzieke oude man -
Er leefden eens in een streek in het noorden van Argentinië een oude man en vrouw die straatarm waren. Ze hadden een kleine hut midden in het gebergte, waar alleen maar Sint-Jansbroodbomen groeiden. Niet ver daarvandaan was een dorp met een kleine school.

Op een dag toen de twee oude mensen hout gingen sprokkelen, vonden ze een beurs met veel geld, die een reiziger had verloren. De oude vrouw raapte hem op en verstopte hem, en zij zei tegen haar man: "Niets zeggen en gaan slapen!"

En zij liep naar het dorp en kocht eieren en meel. Zij bakte een enorme hoeveelheid pannenkoeken, die zij bij haar hut over berg en veld uitstrooide. Toen ging zij haar hut in en wekte de oude man en zei tegen hem: "Oudje, je moest toch eens naar school gaan en zien dat je nog wat leert!"

"Wat moet ik nog leren, ik ben toch al zo oud!" riep de man uit.

"Dat doet er niet toe," zei de oude vrouw, "ga nu maar wat leren!"

En de man liet zich nog twee of drie dagen naar school sturen.

Intussen hadden de eigenaars van de geldbeurs het verlies ontdekt en waren op zoek gegaan. En ze kwamen ook bij de hut van de twee oude mensjes en vroegen daar of ze niets gezien hadden. De oude vrouw antwoordde, dat ze niets gevonden hadden, maar de oude man zei: "Jawel, we hebben hem gevonden!"

"Ach, deze oude man is gek!" riep de vrouw, "we hebben immers niets gevonden. Je moet je mond houden, want je bent werkelijk getikt."

"Welnee, oudje! Herinner je je dan niet dat wij de beurs hebben gevonden?"

"Zo," zei de oude vrouw, "wanneer hebben we hem dan gevonden?"

"Herinner je je dat niet? Destijds toen het pannenkoeken regende, zoveel, dat berg en dal ermee bedekt waren."

"Zie je nou wel?" vroeg de oude vrouw aan de eigenaars van de beurs, "hij bazelt."

"Geen sprake van," zei de oude man, "weet je niet meer, dat was toen ik naar school ging."

"Die oude man is volslagen krankzinnig!" zeiden de eigenaars van de geldbeurs, "hoeveel jaren is het al niet geleden dat die naar school ging!" En ze gingen weg.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Zuid-Amerikaanse sprookjes" verzameld door Felix Karlinger.
            Oorspronkelijke uitgave: Südamerikanische Märchen, Fischer Taschenbuch Verlag GmbH, Frankfurt am Main.
            Nederlandse vertaling door Geert Redslo. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1992. ISBN: 9061209560
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:06 9 reacties Reageer op dit bericht

De wijze en de luiaards

De wijze en de luiaards
- Een grappig Chinees verhaal over goede raad -
In een dorpje woonde eens een oude man, die overal van zichzelf vertelde hoe wijs hij was. De mensen geloofden dat graag. En wie raad nodig had ging op bezoek bij de 'Wijze'.

In datzelfde dorp woonden ook een man en een vrouw, die ongelofelijk lui waren. Zo lui, dat zij er 's morgens niet eens toe kwamen op te staan. Als andere mensen allang ontwaakt waren en, na hun ontbijt, een flink stuk veld hadden omgeploegd, sliepen de twee luiaards nog als marmotten en maakten geen aanstalten uit bed te komen.

Op een dag zei een van de buren tot de vrouw: "Zeg buurvrouw, waarom koopt u niet een haan? Zo'n bonte vogel, die iedere ochtend voor het venster staat te kraaien en alle luiaards wakker maakt!"

"O buurman," riep de vrouw verheugd, "hartelijk dank voor die goede raad." En zij liep dadelijk naar huis om het nieuws te vertellen. En inderdaad besloot het luie echtpaar zich zo'n voortreffelijke vogel aan te schaffen. De volgende morgen gingen zij naar de stad waar juist markt was. Maar daar zij nooit een haan gezien hadden, zochten en zochten zij urenlang en kochten tenslotte een mooie, vetgemeste eend. Die namen zij mee naar huis, zetten hem onder het bed en sliepen vredig in. Het werd ochtend, het werd middag en nog steeds lagen de luiaards rustig te slapen. De eend zat ineengedoken onder het bed en verroerde zich niet...

Toen het echtpaar, laat in de middag, wakker werd, keek het verbaasd onder het bed.

"Dat is een vreemde kraaivogel!" merkte de man op.

"Kom mee naar de Wijze," opperde zijn vrouw, "misschien kan hij ons raad geven." De Wijze ging dadelijk met hen mee, bekeek de eend van links naar rechts, van onder en van boven en slaakte eindelijk een diepe zucht.

"Nu begrijp ik het," zei hij langzaam. "U hebt deze haan op zijn snavel getrapt en hoe zou het arme beest met deze platte snavel kunnen kraaien?"

De beide luiaards waren verrukt over zulk een wijs antwoord. En sindsdien spraken zij met nóg meer eerbied over de wijze man.

Na enige tijd gebeurde het dat de os van de luiaards losbrak en over hun erf wandelde. Plotseling ontdekte hij een stenen pot vol graankorrels. Vlug stak hij zijn kop erin… maar ach, hij kon hem er onmogelijk meer uittrekken! Het luie echtpaar trachtte hem te helpen, trok het ene ogenblik aan de pot en dan weer aan het achterwerk van de os. Maar niets hielp. Het enige redmiddel was: opnieuw de hulp van de Wijze in te roepen.

Deze kwam, bekeek nadenkend de os die nog steeds, met de pot op zijn kop, over het erf stapte, en sprak: "Maar beste mensen, dat is immers heel gemakkelijk! Als jullie de kop van het dier uit de pot willen halen, moet je eenvoudig de kop afhakken!"

"Natuurlijk, dat is het!" riepen de luiaards verheugd uit. Zij renden naar de keuken, haalden een groot mes en... even later had hun os geen kop meer. Doch de kop zat nog steeds in de stenen pot!

"Nu maar flink met de pot op de stenen slaan," raadde de Wijze, "dan zie je vanzelf de kop eruit komen."

"Dat wij daar nu zelf niet aan gedacht hebben," merkte de vrouw verbaasd op. En de man pakte kordaat de stenen pot en smeet hem in duizend stukken! En ziet, naast de scherven rolde de kop van de os over de grond.

"U weet niet hoe dankbaar wij u zijn voor deze kostbare raad," zei het echtpaar vol bewondering tegen de Wijze. "Sta ons toe dat wij u een eenvoudig middagmaal aanbieden."

De os werd geslacht en ter ere van de Wijze werd er een groot feestmaal aangericht. Midden in die gezellige smulpartij werd de Wijze plotseling heel verdrietig. Hij legde zijn eetstokjes neer en trachtte de tranen, die over zijn gerimpelde wangen stroomden, te drogen.

Ook het echtpaar legde verschrikt de stokjes op tafel en vroeg: "Wat is er gebeurd, geëerde gast? Hebt u zo'n pijn dat er geen stukje vlees meer naar binnen wil?"

"Nee, lieve vrienden," en de Wijze zuchtte pijnlijk, "dit verdriet geldt niet mijzelf maar u! Ik vraag mij maar steeds af wat u toch moet beginnen, als ik er niet meer ben!" En weer begonnen de tranen te stromen. Nu niet alleen bij de Wijze, maar ook het luie echtpaar boog zich snikkend over de maaltijd.

Doch die goede luiaards hadden zich werkelijk geen zorgen hoeven te maken. De Wijze leeft nog steeds en strooit zorgvuldig zijn onbetaalbare raadgevingen onder het volk.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Chinese sprookjes" bewerkt door Marijke van Raephorst.
            Uitgeverij N. Kluwer, Deventer, 1971, p. 128-129. ISBN: 90-20-20-00-62
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:41 9 reacties Reageer op dit bericht

Koobor de koala en het water

Koobor de koala en het water
- Een aboriginal-verhaal over waarom koala's geen water drinken -
Lang geleden, waren de dieren geen dieren - zij waren mensen. Koobor de koala was een jongen. Zijn ouders waren dood en hij leefde met familieleden in een zeer droog deel van het land, waar nooit genoeg water was. Iedereen in de familie kreeg elke avond water, maar Koobor kreeg altijd als laatste te drinken en er was nooit genoeg meer over om zijn dorst te lessen.

"Ik heb nog dorst!" schreeuwde hij, "ik wil meer water." "Wees stil Koobor," schreeuwde zijn famlie. "Jij bent een wees en wij hebben je een huis gegeven. Je zou dankbaar moeten zijn voor wat je gegeven wordt." Toen hij opnieuw klaagde, sloegen zij hem en noemden ze hem ondankbaar.

Wanneer zijn familie op weg ging om voedsel te zoeken, verborgen zij hun wateremmers zodat Koobor geen water kon drinken. Koobor leerde om het sap van gombladeren drinken, maar het was nooit genoeg om zijn dorst te lessen.

Op een dag toen de mensen Koobor alleen lieten en voedsel gingen zoeken, vergaten zij hun wateremmers te verbergen. Zodra zij uit zicht waren, dronk hij al het water dat zijn maag kon herbergen en voor het eerst had hij geen dorst meer, maar zijn lichaam zwelde op als een ballon.

Toen de zon onderging, wist Koobor dat zijn familieleden spoedig terug zouden komen. Zij zouden hem slaan en zouden al het water nemen zodat hij weer niets te drinken had. Hij verzamelde alle wateremmers en klom in de takken van een kleine boom. Toen zong hij een speciaal lied en de boom begon te groeien en te groeien. Tussen de takken zat Koobor met de wateremmers. De mensen kwamen bezweet en vermoeid terug van het zoeken naar voedsel. Zij konden hun wateremmers noch Koobor vinden. Toen zagen zij hem zitten in de hoogste boom met naast hem de wateremmers die aan de takken hingen.

"Koobor, breng onmiddellijk die emmers naar beneden, of je krijgt een pak slaag," schreeuwden zij. "Ik kom niet naar beneden," riep Koobor, "het is nu jullie beurt om dorst te hebben!" Verschillende mannen begonnen in de hoge boom te klimmen, maar Koobor wierp de wateremmers naar hen, en zo vielen ze terug naar beneden. Tenslotte lukte het twee mensen om omhoog te klimmen, de emmers ontwijkend. Zij grepen Koobor, sloegen hem hard en gooiden hem naar beneden.

Zijn gebroken lichaam lag op de grond, waar Koobor in een koala veranderde. Het dier klom in een nabijgelegen boom en begon gombladeren te eten. Toen keek hij neer op de mensen en zei: "Van nu af aan, kunnen jullie me doden als je voedsel nodig hebben, maar jullie moeten mijn lichaam eerst koken alvorens je mijn huid neemt of mijn beenderen breekt. Dit is mijn wet. Als je die niet volgt, zal ik terugkomen en zullen alle rivieren en meren opdrogen en zullen jullie altijd dorst hebben…"

Dit is waarom koala's geen water nodig hebben om in leven te blijven en waarom de aboriginals altijd de wet van Koobor volgen bij het koken van een dode koala. Zij worden bang gemaakt dat hij zal terugkomen en al hun water zal wegnemen, en hen voor altijd dorstig zal laten.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Myths &Legends"   planetozkids
            Oorspronkelijk verschenen onder de titel Koobor the Koala and Water
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:03 6 reacties Reageer op dit bericht

Het verhaal van de hond

Het verhaal van de hond
- Volksverhaal over een djinn en barmhartigheid -
Er was eens een hond die steeds om botjes bedelde en er was een man die net genoeg geld had om een klein stukje vlees te kopen. Op een dag kwam die hond bij de man langs. De man was arm, echt arm, maar hij had medelijden met de hond, die vies was en er meelijwekkend uitzag. De man gaf hem zijn eigen portie vlees, het enige wat hij had. En dat deed hij elke keer weer. Maar in werkelijkheid was het geen echte hond, maar een djinn.

Toen kwam op een avond de hond in de gedaante van een mens bij de man op bezoek en zei: "Vandaag nodig ik jou uit."

"Maar wie ben jij dan dat je me zomaar uitnodigt?" vroeg de arme man.

"Je kent me wel, want ik kom elke avond bij je langs."

De arme man was heel verbaasd: "Elke avond? Ik heb je nog nooit gezien. Hoe kun je dat nu zeggen?"

"Toch is het waar," zei de djinn. "Jij deelt jouw maaltijd met mij."

En de arme man zei: "Ik? Ik? Hoe kan dat nou?" Hij wist niet hoe hij het had.

De djinn vroeg toen: "Ontvang jij dan niet elke avond een gast bij de maaltijd?"

"Nee hoor, alleen een heel magere hond waar ik medelijden mee heb en ik deel m'n eten met hem of ik geef hem mijn hele deel, maar ik zie niets en niemand anders. Ik ben arm, ik kan geen gasten uitnodigen!"

Toen zei de djinn: "Die hond, dat ben ik!"

De arme man was stomverbaasd. Hij kon z'n oren en ogen niet geloven. "Dat kun jij toch niet zijn!"

"Jawel," zei de djinn, "jij hebt mij gisteravond nog onthaald, nu nodig ik jou voor vanavond uit."

Hij nam de arme man mee en zoals djinns plotseling kunnen verschijnen, zo kunnen ze ook opeens verdwijnen. Even later bevonden ze zich diep onder de aarde. De arme man at daar samen met de andere djinns die daar als een familie bij elkaar woonden.

De djinn sprak: "Jij hebt medelijden met mij gehad, terwijl er zoveel mensen zijn die me in plaats van eten een schop geven! Ik zal je rijk maken. Je bent nu nog arm, maar straks ben je rijk!"

De arme man geloofde zijn oren niet; hij had alleen maar een klein hutje, en hij begreep niet wat hij nu voor bijzonders gedaan had en dan was er die meneer die zei dat hij een hond was... Het was toch onmogelijk! "Ik geloof je niet, ik geloof er niets van," riep hij. Maar de djinn antwoordde: "Jij gelooft me niet? Kijk dan maar eens!" en hij veranderde in de hond. De arme man dacht dat hij gek werd. Een hond die zich in een man veranderde en een man in een hond... Nee echt, dat was ongelooflijk!

Maar toen hij van de eerste schrik en verbazing bekomen was, zei hij: "Goed, ik geloof je, ik geloof dat jij die hond bent en dat ik elke avond mijn maal met je deel. Maar ik zie nog steeds niet wat ik voor buitengewoons gedaan zou hebben om een fortuin te verdienen." Want eigenlijk zag hij zichzelf liever zoals hij was: arm. Hij hield niet van rijkdom.

Maar de djinn zei: "Ik heb jou uitgekozen om deze geldschat te krijgen. Er is niemand die hem meer verdient dan jij."


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Betoverd. Verhalen over mensen die in dieren veranderen
            (en omgekeerd) uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en
            Indonesische verteltraditie"
            uitgegeven door Lemniscaat, Rotterdam, 1991. ISBN: 9060697219
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:11 6 reacties Reageer op dit bericht

Tijl Uilenspiegel als bakkersknecht

Tijl Uilenspiegel als bakkersknecht
- Een Vlaams verhaal waarin Tijl bijzondere kerstbroden bakt -
Eens had Tijl zich in Leuven kort voor de Kerstdagen als bakkersknecht verhuurd. De bakker was blij, dat hij voor deze drukke tijd een knecht had en zei al de tweede dag: "Het deeg is klaar, ik neem 'es een dag vrij om kennissen op te zoeken, jij moet vandaag maar bakken."

"Goed baas. Maar wat moet ik eigenlijk bakken?"

"Wat is dat nou voor een vraag," zei de baas, kwaad om zoveel onnozelheid, "bak voor mijn part apen en konijnen, halve gare grappenmaker, als je maar zorgt, dat de boel vanavond klaar is!" En hij stapte weg, nog mompelend: "Wat-ie bakken moet, wat-ie bakken moet, nota bene!"

Uilenspiegel zei niets, maar kneedde van het deeg niets anders dan apen- en konijnenfiguren, en schoof het zaakje in de oven. Dat vond hij veel aardiger dan al die doodgewone broden.

's Avonds kwam de baas thuis en werd razend, toen hij in plaats van broden al die rare baksels zag. Hij nam Uilenspiegel bij z'n nek en dreigde hem zijn armen en benen kapot te slaan. Tijl werd bang, want de bakker was een stevige kwant.

"Genade!" riep hij, "ik zal u de koste van het deeg wel betalen, als u me maar even loslaat om m'n beurs te pakken."

De bakker dacht: "Dat moest ik maar doen, dan heb ik nog de minste schade," en hij vroeg vijf gulden vergoeding.

"Akkoord," zei Tijl en betaalde.

"En maak nou maar gauw dat je weg komt, zo'n malle knecht kan ik niet gebruiken hoor," zei de bakker.

"Ja," zei Tijl, "maar nou is het baksel toch mijn eigendom?"

"Neem het hele zootje maar mee, ik kan er toch niks mee beginnen, de mensen zouden me vragen of ik gek was, als ik ze zulk brood leverde. Hier, neem die oude mand maar en ruk uit met je apen en je konijnen. En gauw maar een beetje, of..."

Tijl pakte de baksels in de oude mand en maakte dat hij de deur uit kwam. Hij liep regelrecht naar de markt en bood daar zijn dieren te koop aan. Menigeen vond het wel aardig, tegen de feestdagen zo'n aap of konijn voor de kinderen mee naar huis te nemen en in een wip had Tijl al z'n vreemde broden voor een kwartje per stuk verkocht. Hij verdiende er nog dik aan en liet de lege mand onverschillig op de markt achter.

Intussen had de bakker gehoord, dat zijn rare knecht op de markt goeie zaken maakte en hij trok er op af om nu ook nog vergoeding te eisen voor het gebruik van zijn oven en zijn brandstof. Maar toen hij op de markt aankwam, vond hij daar de lege mand: Tijl was al weg!


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Boek van de jeugd"
            Amsterdam, Arbeiderspers, 1937.
            illustratie : Gebr. E. & M. Cohen
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 8 reacties Reageer op dit bericht

De samoerai-krijger en de zenmeester

De samoerai-krijger en de zenmeester
- Een Japans verhaal over een wijze les van een zenmeester -
In Japan leefde eens een soldaat, een samoerai-krijger. Het was een boom van een kerel. Gewoonlijk liepen de mensen met een grote boog om hem heen, want het was een enorme driftkop. Je hoefde maar iets te zeggen wat hem niet beviel, of hij werd reusachtig kwaad. Als je op zijn schaduw trapte, trok hij meteen zijn zwaard en scheidde je romp van je hals.

Die samoerai-krijger zat op een dag in een wijnhuis aan de rand van een groot bos. Hij had al aardig wat wijnkruiken geleegd en was behoorlijk aangeschoten. In een hoekje van de gelagkamer zaten wat dorpelingen uit het nabijgelegen dorp.

De samoerai-krijger hoorde de dorpelingen eerbiedig praten over een oude zenmeester, die in een eenvoudig hutje in het bos woonde. De zenmeester stond de dorpelingen met daad en raad ter zijde. Hij hielp de mensen als ze ziek waren met behulp van geneeskrachtige kruiden en sprak wijze woorden wanneer iemand een probleem aan hem voorlegde.

"Flauwekul!" riep de samoerai ineens. "Weet je wat die man is? Dat is een oplichter! Die klopt jullie geld uit de zak! Zit lekker te niksen voor zijn hutje onder een bladerdakje! Jullie brengen hem kippetjes, en vruchten, en geld, en hij verkoopt jullie alleen maar kletspraatjes! Geloven jullie me niet? Ik zal het jullie bewijzen, breng me er maar heen!"

De dorpelingen durfden niet tegen te spreken en met zijn allen liepen ze het bos in. De samoerai voorop, een beetje waggelend van de vele wijn, en de dorpelingen onderdanig achter hem aan.

Na een tijdje kwamen ze op een open plek in het bos en daar zagen ze de oude man. De zenmeester zat inderdaad voor zijn hutje onder een afdakje van bladeren op de grond. De samoerai stelde zich dreigend en groot voor hem op, en schreeuwde: "Zo! Nou moet jij me eens vertellen of er nou echt een poort van de hel en een poort van de hemel bestaan!"

Het eerste moment leek de zenmeester in gedachten verzonken. Toen richtte hij zijn hoofd langzaam omhoog, keek de samoerai in de ogen en zei met zachte stem: "Hé... dus jij bent die beroemde, die beruchte samoerai-krijger?"

De zenmeester nam de samoerai van top tot teen op en begon te grinniken.

"Neem me niet kwalijk dat ik lach... maar jij ziet er eigenlijk helemaal niet uit als een samoerai-krijger! Jij ziet er meer uit als een... ja, als een clown! Met die dikke wijnbuik van je, die rooie neus en die uitpuilende ogen! Weet je wat ik denk? Ik denk, dat als de mensen voor je op de grond vallen, dat ze dat niet doen van angst... maar van het lachen!"

De samoerai werd witheet van woede. Razendsnel trok hij zijn zwaard en hief het op om toe te slaan. Op hetzelfde moment zei de zenmeester rustig: "Kijk...! Nu sta je vlak voor de Poort van de Hel!"

Verbouwereerd staarde de samoerai de zenmeester aan. Langzaam liet hij zijn zwaard zakken.

"En nu," sprak de Zenmeester, "sta je vlak voor de Poort van de Hemel."


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De Wolkenberg. Oosterse sprookjes" verteld door Peter van der Linden.
            Ziederis, Rotterdam, 2004. ISBN: 90-70042-07-X
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:13 7 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten