Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: volksverhalen

De goedhartige pelgrim

De goedhartige pelgrim
- Een hindoeïstisch verhaal over de god Krishna -
In Udipi staat een beroemde tempel gewijd aan de god Krishna. Jaarlijks is deze een trekpleister voor duizenden bedevaartgangers. Lang geleden besloot een groep dorpelingen ter bedevaart naar deze heilige plek te reizen om daar Krishna Janamashtmi (de geboorte van Krishna) te vieren.

Onder de pelgrims bevond zich ene Gopal Adiga. Terwijl ze onderweg waren, merkte deze Gopal dat een oud vrouwtje een eindje met hen opliep. In haar handen droeg zij een rotte spitskool. Hij vroeg haar: "O moedertje, waarom loop je rond met een verrotte spitskool? Die is toch niet meer geschikt om te koken en te eten?"

Het oude vrouwtje pinkte een traan weg en antwoordde: "Wat wil je dat ik doe, mijn zoon. Ik heb thuis drie dochters die al drie dagen niets gegeten hebben. Ik zal van deze kool een soepje voor hen koken. Ik ben vreselijk arm en mijn leven is me eerder een last dan een lust. Hoe het ook zij, mijn kinderen zal ik blijven voeden."

Het hart van Gopal was gesmolten. "Ik was van plan om Krishna in de tempel van Udipi te vereren. Het geld dat ik aan hem wilde offeren zal ik jou geven. Je kunt er boodschappen mee doen en behoorlijk eten voor je dochters koken." De oude vrouw was zeer verrast met deze mildheid. Verheugd nam ze het geld aan en na afscheid te hebben genomen, ging ze haar eigen weg.

Gopal had nu geen geld meer om naar Udipi te gaan. Hij brak zijn pelgrimstocht af en keerde huiswaarts. Diezelfde nacht had hij een droom, waarin de god Krishna zich aan hem openbaarde. Hij sprak tot zijn aanbidder: "Terwijl jij op weg was naar Udipi, ben ik in de gedaante van een oude vrouw verschenen. De andere pelgrims die in jouw gezelschap waren namen niet eens de moeite om mij aan te kijken. Jij alleen was zo goed om naar het trieste relaas van mijn armoede te luisteren. Je schonk mij al jouw geld, waardoor je de bedevaart niet kon volbrengen. Om mijn zegen te ontvangen is het echter geen noodzaak om naar heilige tempels te reizen. Degene die oprecht is in zijn liefdadigheid en toewijding, op hem rust altijd mijn zegen, waar hij zich ook bevindt. God is overal aanwezig. Het zijn de onwetenden die menen dat ze de een of andere bedevaartplaats moeten bezoeken om hem te vinden. Ik ben uiterst tevreden met jouw toewijding, mildheid en liefdadigheid. Jij zult altijd mijn gunst en bescherming genieten."

                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Reizen. Verhalen over avontuurlijke reizen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 01:01 2 reacties Reageer op dit bericht

Het verdwenen liedje...

Het verdwenen liedje van de sneeuwgors
- Een dierenverhaal van de Russische Eskimo's -
899737-1a5cb35291731895bbc37da594b45cfb.jpg Het was voorjaar geworden. Uit warme streken kwamen twee sneeuwgorzen aangevlogen, die op een hoge klip van de rotsen aan de Beringstraat hun nest gingen bouwen. Het wijfje legde een ei en begon te broeden. Om het ei voor de regen en de koude wind te beschutten, bleef ze er voortdurend op zitten. Nooit kon ze eens behoorlijk eten en nooit kon ze uitslapen.

Eindelijk kwam er een zoontje uit het ei gekropen, een snoezig klein diertje. Niemand aan de hele kust had zo'n lief kuiken, maar één ding was erg vervelend: het schreeuwde altijd. Nu hadden beide ouders helemaal geen tijd meer om te eten, te drinken of te slapen. Als de vader op jacht naar voedsel was, wiegde de moeder het kind. Als de moeder wegvloog, paste de vader op de kleine.

Op een dag zat het wijfje op de rand van het nest en zong een liedje voor haar zoontje:
"Tsjilp, van wie zijn die kleine pootjes?
Tsjilp, van wie zijn die vleugeltjes?
Tsjilp, van wie is dat lieve kopje?
Tsjilp, van wie zijn die schattige oogjes?
Tsjilp, tsjilp, tsjilp?"
Daar vloog een raaf voorbij. Hij hoorde het liedje, ging in de buurt van het nest zitten en luisterde verrukt. Hij vond het liedje zó prachtig, dat hij aan de sneeuwgors vroeg: "Geef mij dat liedje! Alstublieft! Geef het aan mij!"

"Wat haal je in je hoofd!" zei de sneeuwgors. "Ik kan het je niet geven. Ik heb maar één liedje."

"Ik smeek je er om," drong de raaf aan. "Ik kan zonder dat liedje niet meer leven."

"Maar mijn zoontje kan zonder dat lied niet slapen," legde de sneeuwgors uit. "Houd nu maar op met zeuren. Ik geef het niet weg!"

Nu werd de raaf nijdig. "Als je het niet goedschiks doet, dan maar kwaadschiks!" Hij vloog op de sneeuwgors af, ontrukte haar het lied en verdween uit het zicht.

Het kuiken begon jammerlijk te huilen. En ook de moeder weende bitter. Net kwam de vader van de jacht terug. Hij zag en hoorde het gejammer en vroeg: "Wat is er met jullie? Wat is hier gebeurd?"

"Een verschrikkelijk ongeluk," snikte de moeder. "Er is een raaf gekomen en die heeft ons liedje gestolen. Nu kan ons zoontje niet meer in slaap komen en huilt aan een stuk door. Wat moeten we beginnen?"

De vader ontstak in grote woede. Zijn ogen fonkelden en hij stampte met zijn voeten. "Geef mij mijn strijdboog en mijn trefzekere pijlen! Ik zal die rover zoeken en het liedje terughalen!"

Eindeloze afstanden legde hij af. Hij zag talloze vogels, maar nergens een raaf. Soms was het een patrijs, die tussen de stenen wipte, dan weer een pluvier, die een vrolijk deuntje floot. Eindelijk ontdekte hij op de rotsen een hele zwerm raven. Hij ging dicht in de buurt zitten, legde aan en wachtte. Degene, die het liedje zou inzetten, was de rover en zou hij raken met zijn pijl.

De raven hadden het inmiddels druk met zichzelf. De oude mannetjes warmden zich in de zon, de oude wijfjes zaten te kletsen. De jongens stoeiden met de meisjes en niemand zong een lied, niet dat van de sneeuwgors of enig ander. Enkele malen was een vals gekras te horen, maar dat was toch geen lied?

De vader-sneeuwgors vloog verder. Hij vloog in grote kringen boven het landschap en opeens zag hij een raaf op een tak zitten. Hij had zijn snavel omhooggericht, de ogen gesloten en wiegde zachtjes heen en weer, terwijl hij zong:
"Tsjilp, van wie zijn die kleine pootjes?
Tsjilp, van wie zijn die vleugeltjes?
Tsjilp, van wie is dat lieve kopje?
Tsjilp, van wie zijn die schattige oogjes?"
899737-8405e5e0497cdeef7001e765a2fcfaf4.jpg Hij floot het liedje tot het einde toe uit en begon dan weer overnieuw. "Dat is de boef! Dat is die schurk die het mooiste liedje van de wereld gestolen heeft!" zei de sneeuwgors. Hij ging zitten op een tak van dezelfde boom, spande de boog en schoot een pijl af. De pijl ketste af op de harde veren van de vleugel. De raaf had er niets van gemerkt en zelfs de ogen niet geopend. Hij kweelde al maar door.

De sneeuwgors nam alle pijlen uit de koker en schoot ze af op de rover, telkens vier tegelijk. Maar de raaf bleef zingen:
"Au, van wie zijn die kleine pootjes?
Au, van wie zijn die vleugeltjes?
Au, au, ik ben ergens door getroffen!
Au, van wie is dat lieve kopje?
Au, au, iets heeft mij gestoken!
Au, van wie zijn die schattige oogjes?
Au, au! Au, au! Ik kan niet meer! Kras, kras!"
Hij liet het liedje uit zijn snavel vallen. De vader-sneeuwgors ving het op en vloog er rap mee naar zijn nest. Toen hij dichterbij kwam, hoorde hij zijn zoontje schreeuwen en zijn vrouw huilen. "Jullie hoeven niet meer te schreeuwen en te huilen," zei hij. "Ik heb de boze raaf het liedje afgepakt. Hier heb je het!" Wat was de moeder-sneeuwgors blij. Ze begon meteen te zingen. Het zoontje hield op met huilen en sliep in. Sindsdien houden sneeuwgorzen zich muisstil als er een raaf voorbijvliegt. Zij zijn bang om hun snavel open te doen. Op deze manier hebben ze het liedje kunnen houden. Tot de dag van vandaag zingen alle moeder-sneeuwgorzen het voor hun huilende kinderen.
                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "De veer van de kraanvogel. Sprookjes uit het hoge noorden van Rusland en Siberië" voor kinderen naverteld door N. Gesse en S. Sadunaiskaja.
           Omniboek, Den Haag, 1978. ISBN: 90-620-70-52-3
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:41 2 reacties Reageer op dit bericht

De nieuwe schepper...

De nieuwe schepper van de mens
- Een modern Marokkaans djha-verhaal -
Op een dag stapte Djha een café binnen en nam plaats in de eerste de beste luie stoel. Maar aan hetzelfde tafeltje zat al een heel deftige klant. Hij was gekleed in een licht kostuum van de beste snit, had een schildpadbril en een echt gouden pen. Deze keurige heer was een beetje verbaasd over het vrijmoedige gedrag van onze Djha en sprak hem aan: "Zeg, ken jij me niet?"

"Nee," zei Djha.

"Wel, ik ben die-en-die, de ambassadeur van dat-en-dat land."

"En ik ben Djha, zoon van Djha."

"Maar je kent toch wel tenminste mijn land?"

"Nee."

"Hoe dat zo? Wij bezitten de atoombom. Wij hebben de belangrijkste fabrieken ter wereld en kunnen alle mogelijke dingen maken..."

"Wij maken geen dingen, wij maken personen."

"Wat, kunt u mensen maken?"

"Jazeker, en zelfs hele mooie, in alle soorten, alle lengten en alle kleuren."

"Dat is interessant! Juist dat ontbrak nog in onze productielijn! Ik zou graag uw vestiging willen bezoeken. Onze onderzoekers zouden zeker uw productie kunnen verbeteren!"

Djha legde met een ernstig gezicht zijn vingers op zijn lippen: "Sstt, zachtjes... fabrieksgeheim... Dat zou wel eens voor strategische of bedrijfsspionage aangezien kunnen worden. Want onze productie van mensen levert met de dag meer op..."

"Ik zal er genoeg voor betalen," zei de man, "als het moet een miljoen dinar..." Dat vooruitzicht leek Djha, die als gewoonlijk in geldnood zat, heel aantrekkelijk. Hij besloot dan ook zijn maatregelen te nemen.

"Waar en wanneer kan er betaald worden?"

"Wanneer u maar wilt," antwoordde de ambassadeur.

Djha dacht diep na en maakte toen een afspraak voor de betaling op een bepaalde tijd in een Turks bad. Hij kende het badhuis goed en wist dat er drie deuren in zaten.

Even voor de afgesproken tijd kwam Djha bij de hamman aan en bracht drie of vier kameraden op de hoogte van het plan.

Hij vroeg een van hen, die erg goed gebouwd en breedgeschouderd was om voor een handdoek te zorgen; een ander werd belast met de zorg voor een grote wolk stoom, wanneer Djha hem een knipoog zou geven; een derde werd voorzien van een slof in beide handen die hij op hetzelfde teken luid tegen elkaar moest kloppen, om zo het lawaai van een benzinemotor na te bootsen.

De ambassadeur, die nog nooit in een Turks bad was geweest, stapte door de hoofdingang naar binnen. Djha begroette hem heel hoffelijk voordat zij het bezoek aan de werkplaats begonnen.

De eerste man die te voorschijn kwam was de mooie Apollo, zonder kleren, slechts bedekt met een handdoekje.

"Wie is deze man?"

"Dat is een van onze producten. Hij is goed gelukt zoals u wel kunt zien." Het levende beeldschone model liep waardig weg door de deur van de kleedkamer.

Vervolgens troonde onze gids de onderzoeker mee naar de massageruimte.

"En hier, wat gebeurt hier?"

"Hier worden de toekomstige mensen gekneed om ze hun vorm te geven."

Terwijl ze door de zaal liepen kwamen ze langs een man waar de masseur extra zijn best op deed. "Wat is dat nu?" vroeg de ambassadeur. "O, dat is een fabrieksfoutje, die moet helemaal opnieuw vorm gegeven worden..."

Daarop gaf Djha met een knipoogje te kennen aan zijn makker dat hij de atmosfeer moest vullen met een flinke dot stoom, terwijl de andere handlanger de slofjes tegen elkaar sloeg, zodat een hels "tchac tchac" te horen was.

Een wolk vochtige stoom, gloeiend heet en verstikkend, verspreidde zich overal in de zaal.

Alle vormen vervaagden en des te meer omdat de brillenglazen van de ambassadeur beslagen raakten. Het was alsof men midden in de atmosfeer en nevels was terechtgekomen ten tijde van het ontstaan van de aarde.

Verblind, verstikt en badend in het zweet smeekte de bezoeker om genade.

Maar Djha deed het voorkomen alsof ze nog maar pas aan het begin van de rondleiding door het bedrijf waren gekomen.

Uiteindelijk slaagde de beloofde cheque erin om de onverbiddelijke gids te vermurwen en Zijne Excellentie naar de derde deur, de uitgang te leiden.

Die avond vierde de kashba groot feest, waarbij hulde werd gebracht aan de moderne wetenschap!

                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. List en Bedrog Verhalen over gastvrijheid, eerlijkheid, list en bedrog,
           uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:19 1 reactie Reageer op dit bericht

Waarom de spin...

Waarom de spin een bochel op zijn rug heeft
- Een Lets volksverhaal over een kwaadsprekende spin -
Ieder die in stoffige hoeken van de kelder, op zolder, in de schuur of in andere opslagplaatsen wel eens de moeite heeft genomen een spinnenweb van dichtbij te bekijken en daarbij vooral op het spinnetje zelf heeft gelet, die zal hebben kunnen zien, dat dit insect op zijn rug een klein bocheltje heeft.

Wat is eigenlijk de herkomst van die bochel op de rug van de spin? Dat zal ik jullie vertellen:

Lang geleden, toen alle dieren nog spreken konden, liep er eens een boer naar zijn akker. Daar zag hij plotseling een lange glanzende zilveren draad die uit de hemel naar beneden hing. De boer bevoelde de draad nieuwsgierig en toen hij merkte, dat deze sterk genoeg was om zijn gewicht te kunnen dragen, nam hij het besluit om langs die draad omhoog te klimmen naar de hemel.

Dat was een moeizame klimpartij! Toen hij een hele dag geklommen had en de wereld beneden hem er nog slechts als een wereldje van kinderspeelgoed uitzag, was hij nog lang niet in de hemel.

Ook de tweede dag had hij zijn doel nog niet bereikt. Hij was nu al wel tot boven de wolken gekomen en daar was het héél wat kouder dan de boer gedacht had, toen hij nog beneden op de aarde had gestaan. Want daar was het op dat ogenblik juist hartje zomer. En omdat hij nu weer een nacht hangende aan de draad moest doorbrengen vóór hij in de hemel zou aankomen, keek hij eens om zich heen of hij iets kon vinden om er een vuurtje mee te stoken, waarbij hij zich dan zou kunnen warmen.

Tenslotte vond hij een houten pin die hij voor in zijn muts had gestoken. Hij kloofde de pin tot stukken brandhout, leende van een van de sterren die hij zo met zijn hand kon bereiken een beetje vuur en bracht toen de nacht door bij een heerlijk knappend houtvuurtje. De volgende morgen zette hij zijn klimpartij voort en kwam toen betrekkelijk gauw in de hemel aan.

Hij volgde de glanzende zilveren draad en zag dat deze onder de gesloten hemelpoort door liep. Alvorens nu deze poort te openen, luisterde de boer eerst eens met zijn oor er tegenaan gedrukt, of hij kon beluisteren wat er aan de andere kant van de hemelpoort voorviel.

En daar hoorde hij, dat een spin met Onze Lieve Heer aan het praten was. "Als U eens wist," hoorde hij de spin tegen Onze Lieve Heer zeggen, "hoe slordig en achteloos beneden op aarde de mensen omgaan met een van de kostbaarste gaven die zij van U hebben gekregen, het brood. Ik heb een herder gezien, die bij het eten vol verkwisting overal in het rond broodkruimels vermorste. En toen hij zijn hond een stuk brood wilde geven, gooide hij het zo maar zonder meer op de grond. Ach, de mens is niet waard, dat hij een dergelijk kostelijk geschenk van U heeft gekregen." En de spin schudde zorgelijk zijn hoofd.

Toen de boer echter hoorde, wat de spin allemaal tot Onze Lieve Heer zei, kon hij zijn ergernis niet langer bedwingen. Hij opende de poort en trad voor de hemeltroon.

"Je hebt makkelijk praten," zei hij tegen de spin, "maar wat had die herder dan moeten doen? Hij kan toch niet iedere keer dat hij op de heide bij zijn kudde moet eten, een tafel meenemen om te voorkomen dat er wel eens een kruimeltje brood op de grond valt! En zou hij telkens als hij zijn hond een korst brood geeft, een schaal op de grond moeten zetten, om te zorgen, dat het brood niet met de aarde in aanraking komt? Dat zou immers zinloos zijn, want honden eten toch altijd gewoon van de grond. Nee, dat is louter lasterpraat wat je hier vertelt!" En de boer verzocht Onze Lieve Heer de spin te straffen, omdat hij de mens zonder enige reden aan het belasteren was.

Ook Onze Lieve Heer was zeer vertoornd, toen Hij hoorde dat de spin aan het kwaadspreken was, zonder dat daartoe enige grond bestond. En tot straf werd de spin toen uit de hemel naar beneden geworpen.

De spin tuimelde vele malen over zijn kop en viel toen met een smak op de aarde, precies op zijn rug. Hij bezeerde zich daarbij gevoelig en heeft sindsdien van de val een bochel op zijn rug overgehouden.

De boer echter dankte Onze Lieve Heer voor de gerechte straf die Hij de spin had laten ondergaan en liet zich weer langs de draad omlaag zakken naar de aarde. Hij was zeer verheugd, dat hij nog net op tijd de listen en lagen van de spin had kunnen verijdelen.

De spin echter heeft sindsdien zijn boze opzet niet opgegeven, om de mens alsnog een valstrik te spannen. En in duistere, verborgen hoekjes is hij nog altijd bezig daartoe zijn netten te vlechten.

Het is hem echter niet meer gelukt weer eens omhoog te klimmen tot in de hemel, om nog eens bij Onze Lieve Heer aan te komen met zijn kwaadsprekerijen. Zijn bochel heeft hem dat verhindert.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Sprookjes van Oost-Europa" verzameld en bewerkt door Doedy Bevelander.
           C.P.J. van der Peet, Amsterdam.
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:20 3 reacties Reageer op dit bericht

Snegoerka, het...

Snegoerka, het sneeuwpop-meisje
- Een oud Russisch volksverhaal over een kinderloos echtpaar -
De kikker die al het water opdronkEr was eens een boer die Iwan heette en zijn vrouw heette Maroesja. Zij waren al heel wat jaren getrouwd, maar zij hadden geen kinderen. Dat vonden zij verschrikkelijk. Zij keken vaak hoe de kinderen van de buren speelden; dat was hun enige vreugde.

Op een mooie winterdag, toen het 's nachts lang had gesneeuwd, keken Iwan en zijn vrouw naar de buurkinderen die lachend in de sneeuw speelden. De kinderen waren een sneeuwpop aan het maken en Iwan en Maroesja vonden het leuk om te zien hoe de pop steeds groter en mooier werd. Opeens zei Iwan: "Vrouw, laten we naar buiten gaan en ook een sneeuwpop maken!" - "Waarom niet?" zei Maroesja. "Wij mogen ook wel eens een pleziertje hebben. Maar waarom zouden we een grote sneeuwpop maken? Laten we een sneeuwkindje maken, nu God ons geen levend kindje heeft gegeven." - "Dat is een goed idee," zei Iwan tegen Maroesja en samen gingen zij naar buiten.

En in de tuin, vlak bij hun huisje, gingen zij aan het werk. Zij maakten een klein lijfje en kleine handjes en kleine voetjes. Toen dat was gebeurd, rolden ze een sneeuwbal en maakten daar een hoofdje van. "De hemel zegene jullie," zei een voorbijganger. "Dank je," antwoordde Iwan. "De hulp van de hemel is altijd goed om te ontvangen," zei Maroesja vroom. "Wat zijn jullie aan het doen?" vroeg de voorbijganger. "We maken een sneeuwmeisje," zei Maroesja.

Zij maakten twee kleine holten in het hoofdje, die de ogen moesten voorstellen en zij maakten ook nog een lief klein neusje en een kinnetje. En toen zij klaar waren - o, het was haast niet te geloven toen bewoog het kleine sneeuwpopmeisje! Iwan voelde een warme adem uit haar mond komen. Hij deed een stap achteruit en keek: de stralende ogen van het sneeuwmeisje waren blauw en haar lippen, nu roze gekleurd, krulden in een lieve glimlach.

"Wat gebeurt hier?" riep Iwan uit en hij sloeg een kruis. Het sneeuwmeisje boog haar hoofd en de sneeuw viel van haar nu blonde haar, dat om haar zachte ronde wangen krulde. Zij bewoog haar armpjes en beentjes alsof ze een echt meisje was. "Iwan! Iwan!" riep Maroesja huilend van blijdschap. "De hemel heeft onze gebeden verhoord." Ze sprong op het meisje toe en overdekte het met kussen. "O, Snegoerka, mijn eigen lief sneeuwmeisje," snikte zij en zij droeg het kind naar binnen.

Iwan had heel wat moeite om van zijn verbazing te bekomen en Maroesja werd haast gek van vreugde. Met het uur werd Snegoerka het sneeuwmeisje groter en mooier. De man en de vrouw konden hun ogen niet van het kind afhouden. In het kleine huisje, waar het altijd zo triest was geweest, was het nu vol leven en vrolijkheid. Alle buurkinderen kwamen met het sneeuwmeisje spelen. Ze babbelden met haar en leerden haar alle liedjes die zij kenden. Het sneeuwmeisje was erg knap. Ze lette goed op en leerde heel vlug. Zij was gehoorzaam, vriendelijk en erg lief. En zij praatte met zo'n lief stemmetje dat je er wel altijd naar zou willen luisteren. Zij speelde met de kinderen in de sneeuw en die zagen hoe goed haar handjes dingen van sneeuw en ijs konden maken. Maroesja zei: "Wat heeft de hemel ons na al die jaren toch gelukkig gemaakt." - "De hemel zij gedankt," zei Iwan.

Toen begon het lente te worden en de zon verwarmde de aarde. De sneeuw smolt, op de velden kon je het groene gras alweer zien en de leeuwerik zong zijn lied hoog in de lucht. De meisjes uit het dorp zongen:
"Lieve Lente, hoe ben je gekomen?
Hoe ben je bij ons gekomen?
Ben je op een eg of een ploeg gekomen?"
Alle kinderen waren blij dat de winter voorbij was en zongen en dansten, maar het sneeuwmeisje werd steeds bedroefder. Maroesja nam haar op schoot en vroeg: "Wat heb je toch, lief kind? Ben je soms ziek? Waarom ben je niet vrolijk." - "Maakt u zich maar geen zorgen om mij, moeder," antwoordde Snegoerka. Ik ben heus wel in orde."

Toen was de sneeuw overal gesmolten en verdwenen. In alle velden en tuinen bloeiden bloemen. In het bos zongen de nachtegalen het hoogste lied. Iedereen was opgewekt, behalve het sneeuwmeisje; zij werd steeds stiller en treuriger. Zij liep weg van haar vriendjes en vriendinnetjes en verstopte zich in donkere hoeken, als een schuwe bloem onder de bomen. Het liefst speelde zij bij het water, onder schaduwrijke treurwilgen. 's Nachts was zij het gelukkigst, of als er een storm woedde, zelfs als het een hevige hagelstorm was. Maar als de hagel gesmolten was en de zon weer doorkwam dan begon zij te huilen.

Het werd zomer, het koren rijpte en het zou niet lang meer duren of het feest van Sint-Jan zou gevierd worden. De buurkinderen vroegen of Snegoerka met hen meeging naar het bos om bessen en bloemen te plukken. Het sneeuwmeisje zei dat zij liever thuis bleef, maar de moeder drong erop aan dat ze meeging, hoewel ook zij zich angstig voelde. "Ga spelen, mijn liefje," zei zij. "En jullie, kinderen, let goed op haar. Je weet hoeveel mijn man en ik van haar houden."

In het bos plukten de kinderen bloemen en vlochten er kransen van. Het was warm en ze renden zingend rond, elk met een bloemenkroon op het hoofd. "Kijk eens naar ons!" riepen ze. "Kom met ons spelen. Ga toch mee!" Zingend en huppelend liepen ze verder. Opeens hoorden zij achter zich een zucht. De kinderen draaiden zich om, maar er was niets te zien, alleen een hoopje sneeuw dat vlug srnolt. Het sneeuwmeisje was nergens te bekennen. De kinderen gingen haar zoeken en riepen haar naam, maar zij kregen geen antwoord. "Waar zou Snegoerka zijn? Misschien is ze naar huis gegaan," zeiden ze.

Ze holden terug naar het dorp, maar daar had ook niemand haar gezien. Toen gingen alle mensen uit het dorp haar zoeken en de volgende dag zochten zij ook en de dag daarna ook. Ze liepen door het bos en ze keken onder elke struik, maar ze konden geen spoor van het meisje ontdekken.

Iwan en Maroesja dachten dat hun hart zou breken van verdriet en nog vele weken riep Maroesja huilend: "Snegoerka, mijn lief sneeuwmeisje, kom toch bij me!" Soms dachten de man en de vrouw dat zij de stem van hun kind konden horen. Misschien zou zij wel bij hen terugkomen als het weer ging sneeuwen...


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Sprookjesboek: 60 sprookjes en volksverhalen" samengesteld door de redacteuren van Reader's Digest.
           Reader's Digest, Amsterdam, 1988. ISBN: 90-640-715-86
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:03 3 reacties Reageer op dit bericht

Het Eierlandse Huis

Het Eierlandse Huis
- Een volksverhaal van Texel -
Ook het Eierlandse Huis op Texel bestaat allang niet meer. Op de plaats waar het ooit gestaan heeft, staat nu een grote boerderij die dezelfde naam heeft. Het echte Eierlandse Huis is lang geleden verbrand.

Maar toen het er nog stond gebeurden er veel dingen die tegenwoordig niet meer voorkomen. Zoals het geval met de kastelein van het Eierlandse Huis die overleden was. Hij was zo dood als een pier en zou begraven worden.

Maar dat mag goed gaan op andere plaatsen, in het Eierlandse Huis liep dat toen zeker niet van een leien dakje.

De kastelein ging in een kist en omdat hij een goed christelijk mens was geweest, werd hij ook in een behoorlijke kist gelegd. Normaal gebeurt er niets met zo’n kist, maar in dit geval ging het anders. Want de kist ging recht overeind staan. Zomaar zonder dat iemand daar een handje bij geholpen had. Hij rees met het hoofdeinde omhoog en stond daar midden in de gelagkamer van het Eierlandse Huis.

Het was heel erg griezelig, maar de eilanders waren voor geen kleintje vervaard en de kastelein was dood en die moest behoorlijk begraven worden. Dus dat hebben ze gedaan en naar het schijnt is er verder niets met de kist gebeurd.

Dat er wonderlijke zaken plaatsvonden bij het Eierlandse Huis was niet zo heel verwonderlijk want het stond tenslotte op het uiterste puntje van het eiland. De zee golfde op korte afstand en regelmatig overstroomde al het land in de omtrek. Alleen het Eierlandse Huis stond dan rechtovereind in een eindeloze waterplas. Al wat leefde zocht er dan een vluchtplaats en alles wat de zee aanspoelde werd er opgeslagen.

En dan was er nog vlak bij het Eierlandse Huis de Dooiemensenkuil. En het Engelse kerkhof. Daar was het vanzelf al erg griezelig en er gebeurden daar soms vreemde dingen. Vooral de postbode schijnt daar erg veellast van te hebben gehad. Andere mensen bleven er wel uit de buurt bij nacht en ontij, maar de postbode moest zijn post bezorgen, weer of geen weer.

Zo is het ooit een postbode overkomen, op een gure stormavond, terwijl de zee dreunde en de wind gierde, dat kille, klamme handen, koude, dode handen over zijn hoofd streken. Hij kon niets zien, deze postbode, want het was pikdonker. Hij kon ook niets horen, alleen het loeien van de storm en het stampen van de zee. Maar voelen kon hij wel. En hij voelde duidelijk die dode handen over zijn hoofd strijken, over zijn voorhoofd glijden, hij voelde de kille vingers in zijn nek. De kilte ging in een rilling langs zijn rug omlaag, zodat zijn armen verlamden en zijn benen van lood leken.

Zulke dingen gebeurden er vroeger dus bij het Eierlandse Huis. Niet bij de boerderij die er nu staat, maar bij het oude huis, dat ooit verbrand is.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - Uit Verhalen van de Waddeneilanden
           uitg. HMP Voila 2002
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:13 2 reacties Reageer op dit bericht

De vrouw die...

De vrouw die haar man naar Aguarenta volgde
- Een volksverhaal uit Bolivia over het dodenrijk en zijn bewoners -
I

Een meisje wilde met een man trouwen, maar hij stierf. Zij had veel van hem gehouden. De volgende morgen, de dag na zijn dood, stond zij voor het huis van haar ouders toen het nog donker was en stampte in de vijzel. Toen kwam er iemand die de vijzelstamper beetgreep. "Wie ben je?" vroeg zij. "Ik ben het," zei hij. Het was haar dode man. "Wil je meekomen?" - "Ja," zei ze, daar zij veel van hem hield.

Hij begaf zich nu in de richting waar de zon opgaat. Zijn gezicht was verborgen opdat niemand het zou zien. Zij liep achter hem aan. Ze gingen door het bos, ze liepen over de pampas en toen weer door het bos. Overdag sliep hij en 's nachts was hij wakker.

Toen de vader zijn dochter miste, ging hij haar zoeken. Hij volgde haar sporen. Voor hem liep een vossenspoor. "Anya heeft mijn dochter genomen," zei de vader. Tenslotte vond hij haar dood langs de weg. Hij maakte haar echter weer levend en bracht haar naar huis. Toen ze over de pampas liepen, zagen ze een vos rondsluipen. De volgende dag stierf zij. De vader weende. Toen kwam Ururuti, de witte condor en zei dat hij niet moest klagen. Ururuti nam hem op zijn rug en vloog met hem naar Aguararenta.

In Aguararenta sliep men overdag en was men 's nachts wakker. Toen de vader daar kwam, dronk men maïsbier. Uruturi bracht hem naar het huis van zijn schoonzoon. Hij sprak zijn dochter aan, maar hij kreeg geen antwoord. Hij ging nu naar Ururuti die hem naar huis bracht. Noch hij noch zijn vrouw beweenden de dode dochter. De volgende dag stierf de vader.

II

Er was eens een vrouw wier man was gestorven. 's Nachts kwam hij bij haar in de gedaante van een man en sliep bij haar. Hij vroeg haar met hem naar zijn dorp Aguararenta te gaan. Zij volgde hem. Toen ze vlak bij het dorp waren, hoorden zij gezang en gedans. Zij ging met haar man naar het marktplein waar een groot drinkgelag plaatsvond. Zij zag daar veel doden die zij kende. De doden waren echter bang van haar en bleven op behoorlijke afstand. Zij bleef daar tot het morgen werd. Toen verdwenen alle hutten en zij bevond zich op een vlakte vol vossensporen. Haar man veranderde zich in een rat. Zij bleef daar de hele dag, zittend op de stam van een algarrobo. Toen het donker werd, kwamen de mensen weer en er had daar een groot drinkgelag plaats. 's Morgens zeiden de doden: "Ik ga als boomstam; ik ga als rat; ik ga als gier; ik ga als vos; ik ga als vleermuis," etc.

Zij keerde terug naar huis. Haar man zei dat hij haar zou komen halen. Na drie dagen was zij dood. Zij was haar man naar Aguararenta gevolgd.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Volkssprookjes en legenden uit Zuid-Amerika" door Felix Karlinger.
           Uitgeverij Elmar B.V., Rijswijk. ISBN: 90-6120-433-X
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:08 2 reacties Reageer op dit bericht

De vrouwengek

De vrouwengek
- Een verhaal uit Gelderland -
Nog niet zo heel lang geleden woonde er op 't Zelle, een beetje op Ruurlo aan, een man van zo'n 50 jaar, Maneveld. Hij had geen vrouw meer, z'n oudste dochter was al vijf jaar getrouwd en je zou toch zeggen dat zo'n man die al opa is zich geen gekkigheid meer op de hals zou halen. Dat zou je zeggen, ja maar 't was wel heel anders: die zelfde Maneveld was gek op vrouwen.

's Zondags, hij was ook diaken in de kerk, dan keek hij meer naar de meisjes dan dat hij luisterde. En als hij dan met de collectezak rond was geweest en het geld naar de consistoriekamer gebracht had, liet hij de deur op een kier staan en keek of hij de meisjes van 't Zelle kon zien. Tenminste als de baron van 't Zelle er niet was, daar had hij ontzag voor, want hij was maar een gewone arbeider.

"Verdraaid knappe meisjes. Zoals die Hente er uit ziet, nee daar krijgt hij kippenvel van: zo'n zacht mondje, zo'n mooie kleur en altijd zo netjes gekleed. En dan een paar flinke armen. Maar Fenneke mag er ook zijn: eigenlijk is Hente wat aan de magere kant; Fenneke is wat ronder. Daar zou je nog aan kunnen denken als je nog eens wil trouwen. Dat met Hente moet maar bij wat malligheid blijven." Dit alles schoot onze Manus door z'n hoofd. En daarbij als de ene niet wil, kon hij het bij de andere proberen. "Lelijk of oud ben ik nog niet. ik wed dat de meisjes nog best zin in me hebben."

De beide meisjes hadden hem allang in de gaten, zo'n oude gek die af en toe al wat beverig is. Dan kennen jullie de Gelderse meisjes nog niet. Ze kunnen wel vijftig jonge kerels krijgen.

Maar wat ze ook zeiden, Manus zat maar steeds achter ze aan wanneer ze na de kerkdienst naar huis liepen en had het er maar over wie er allemaal in ondertrouw waren en dat hij zelf nog aardig fit was.

Fenneke zei: "Dan zul je het toch mooi vinden bij je dochter, die heeft al drie kinderen. Hoe gaat het met hen."

"Oh bedankt. wel goed," zei Manus, maar hij wou er ook nog wel één van zichzelf hebben.

En Hente die wel van gekkigheid hield: "Ach Manus ik denk er net zo over, maar echte vrijers zijn er tegenwoordig niet zoveel " Vanaf toen liep hij achter haar aan en vertelde steeds dat hij niet dronk, niet speelde en dat hij vooral van hard werken hield. Dan begon hij weer met andere malle praatjes en wilde haar kussen.

Het begon de meisjes zo te vervelen dat Hente aan Harmen de koetsier vertelde: "Die Maneveld wordt me zo lastig, hij wil maar steeds aan me zitten, die rare kerel. Kun jij ons niet helpen?"

Ik kan je vertellen dat die Harmen er schik in had. Hij mocht Hente graag. "Ik erger me allang aan die vent: hij loopt hier maar om het huis te lanterfanten. Die ouwe zeur zullen we eens flink te pakken nemen. Doe maar eens net of je hem helemaal ziet zitten." Dat deed Hente.

En zo kwam het dat Manus wat later dacht: nu of nooit, en wilde haar al mee naar huis nemen... Maar Hente stelde hem voor om als haar vriendin naar haar ouders in Ruurlo was de deur open te laten. "Maar," zei ze, "dan moet je me eerst beloven dat je met me zult trouwen."

"Dacht je dan dat ik dat niet zou doen?" had Manus in haar oor gefluisterd. Maar van binnen fluisterde de duivel hem in: "Zeg maar ja. Later kun je altijd weer nee zeggen. Wat kan jou dat schelen."

In de keuken besprak ze verder de tactiek met Harmen de koetsier en met Manus dat hij op hun uitgaansavond maar langs moest komen. En hij moest niet voor elf uur komen en dan kon hij niet gewoon door de deur naar binnen. Meneer draait alles al om acht uur op slot. Nee, hij moest maar in de turfmand gaan zitten. Die zou ze wel neerlaten en dan kon hij zo door het dakvenster bij haar komen. Ze zou hem wel naar boven trekken.

Wat was onze Manus blij! Hij kon er al bijna niet van slapen, de smiecht. Onder het grasmaaien moest hij maar steeds op zijn horloge kijken. Het begon ook nog te onweren, maar hij redde het net op tijd om z'n nette kleren aan te trekken. - Nou moest Hente gewoon wel zeggen dat hij er knapper uitzag dan menig jonge kerel. - En toen ging hij op pad.

Daar achter het grote huis hing zowaar de mand. En of onze Maneveld er rap in zat! "Bun ie-j et?" hoorde hij het lieve mondje van boven fluisteren. En daar ging onze Manus de hoogte in. Opeens ging het niet verder! Hij was al zo hoog dat hij haar in het schijnsel van de maan kon zien. Hij wou net gaan roepen, maar ze keek uit het raam en fluisterde: "O gut e gut. Daar komt meneer aan! Hou je stil, Manus, straks haal ik je wel op!"

Maar van straks kwam niks en de volgende morgen hing Manus nog net zo in de mand. Al was hij nog zo'n beste diaken, nu kon hij het vloeken niet laten.

Maar het ergste kwam nog. Toen Hente met Fenneke en Harmen hem halverwege opgehaald hadden, waren ze naar bed gegaan. De volgende morgen had Harmen aan meneer gevraagd of die eens wilde komen kijken: hij had nu zo'n rare nachtvogel aan het huis hangen.

Toen meneer, mevrouw, Fenneke en Harmen beneden waren liet Hente de mand zakken en je kunt je indenken hoe raar meneer er van opkeek dat er in de mand geen vreemde vogel maar Maneveld uit de mand stapte.

Maneveld tierde en vloekte er wat af, maar meneer zei: "Ja ja Maneveld,

Zó gaat het een vrouwengek
als hij te veel met vrouwen gekt."


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - Opgetekend door J.H. Gallée in 1870 en in het Nederlands vertaald door Hetty van der Kolk-Eggink.
           
           - Oorspronkelijke titel : De bebbenbek -->zie blog.seniorennet.be/hetty1943/
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:12 3 reacties Reageer op dit bericht

De vijfhonderd geldstukken...

De vijfhonderd geldstukken die er niet waren
- Een Mongools volksverhaal over het eerlijk verdelen van geld -
Er liepen eens twee mannen samen op straat. Ze praatten gemoedelijk met elkaar en plotseling zei de een tegen de ander: "Zeg, als we nu eens midden op straat vijfhonderd geldstukken zagen liggen, hoe zouden we die dan verdelen?" Daarop ontspon zich het volgende gesprek:

"Zou het niet eerlijk zijn als we allebei tweehonderdvijftig geldstukken kregen? Wat denk je?" - "Wat? Zou je dat zo willen verdelen? Ik heb het geld het eerst gezien, dus het spreekt toch vanzelf dat ik dan driehonderd geldstukken krijg!" - "Daar ben ik het niet mee eens! Niet jij hebt het geld gevonden, ik heb het het eerst zien liggen!"

En zo kregen ze ruzie en raakten ze zelfs slaags. In het vuur van de strijd botsten ze tegen een dschanggi op die toevallig hun kant uit kwam.

"Hé, waarom vechten jullie?" vroeg de dschanggi. Daarop antwoordde de een: "We hebben het over vijfhonderd gevonden geldstukken en nu zegt die kerel daar dat hem driehonderd geldstukken toekomen en dat ik me daarbij moet neerleggen."

Toen de ander meteen riep dat hij het geld het eerst had zien liggen en dat het toch heel normaal was dat hij er dan driehonderd van zou krijgen, zei de dschanggi: "Deze kwestie kan ik wel voor jullie oplossen. Jullie zijn met z'n tweeën en daarom krijgen jullie elk tweehonderd geldstukken. De overige honderd moeten jullie aan mij, de dschanggi, geven!"

Deze woorden wekten de woede van de ruziemakers op. "Hé, inhalige dschanggi, we hebben het over geld dat we nog helemaal niet hebben gevonden!" Daarop werd het gezicht van de dschanggi rood van schaamte en wist hij werkelijk niet wat hij moest zeggen.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Mongoolse sprookjes" verzameld door Walther Heissig. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 2000.
           Oorspronkelijke uitgave: Mongolische Märchen. ISBN: 90-389-1111-4
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:15 3 reacties Reageer op dit bericht

De kikker die...

De kikker die al het water opdronk
- Een oude overlevering van de Maori’s -
De kikker die al het water opdronkHeel ver weg, dichtbij 't grote vasteland van Australië, ligt Nieuw-Zeeland. De oorspronkelijke bewoners van dat land zijn de Maori's. En onder dat oude volk gelooft men nog altijd dat kikkers regen kunnen maken. Dit komt zeker doordat er, als er na een lange tijd van droogte eindelijk regen valt, opeens
zo heel veel kikkers te voorschijn komen. En niemand begrijpt waarvandaan. De kikkers worden daar dus bijzonder vereerd en wee degene die er een dood zou maken!

"Zo'n kikker heeft massa's water in zich," zeggen ze, "en als je er een doodtrapte, zou er een overstroming komen zoals er nog nooit een is geweest!" Oude mensen kunnen daar een grappig verhaal van vertellen.

Lang, lang geleden, voordat er zwarte of witte mensen in dit land woonden, verscheen er opeens een grote, grote kikker aan de oever van een meer. Hij was veel, veel groter dan alle andere kikkers en niemand wist waar hij vandaan kwam. Ook de andere kikkers niet. Die keken vreemd op dat het beest zo'n verbazende dorst scheen te hebben. Want kijk, hij dronk en dronk en dronk en dronk, net zolang tot hij dat hele meer had leeggedronken. En toen hipte hij naar een ander meer en dat dronk hij ook leeg en zo ging dat maar door, net zolang tot hij al het water uit alle meren en rivieren had opgedronken! En toen alles leeg was, ging hij midden in een droge rivierbedding zitten en zei maar aldoor: "Bluk! Bluk! Bluk!" Dat betekende dat hij nu genoeg had gedronken.

Nu, je kunt begrijpen, hoe verschrikt alle andere dieren in dat land waren, nu ze nergens meer een druppeltje water konden vinden om te drinken! Ze vroegen de grote indringer of hij niet een beetje water terug wou geven, omdat ze anders allemaal dood zouden gaan van de dorst. Maar hij zei niets dan: "Bluk! Bluk! Bluk!" en ze kregen niets.

Toen zeiden ze tegen elkaar: "We moeten proberen of we hem zover kunnen krijgen dat hij zijn grote, grote mond eventjes opendoet, zodat er wat water uitkomt." Hoe zouden ze dat het beste kunnen doen? Ze dachten er lang over na en toen bedachten ze dat ze hem aan het lachen moesten maken. Zo gezegd, zo gedaan. Eerst stuurden ze de koning van de kangoeroes op hem af. Die maakte allerlei dolle sprongen en op het laatst probeerde hij alleen op zijn korte voorpootjes te lopen. 't Was een heel gekke vertoning. Maar de kikker zei: "Bluk! Bluk! Bluk!" En hij lachte niet.

Toen kwam er een klein koalabeertje, zo'n wollig beestje, en dat rolde zich op tot een bal en liet zich van een heuvel naar beneden rollen tot het met allerlei malle sprongetjes belandde in het droge riet waar de grote kikker zat. Maar die zei alweer: "Bluk! Bluk! Bluk!" En hij lachte niet. Nu kwam er een grote zwarte slang te voorschijn en die vertoonde ook allerlei malle kunsten samen met een grappig klein slangetje.

Ze knoopten hun lange lijf ineen op de gekste manier die je maar kunt bedenken en alle andere slangen dansten en buitelden eromheen. 't Was o zo grappig om te zien, maar de kikker klokte diep in zijn keel: "Bluk! Bluk! Bluk!" En hij lachte niet.

Nu kwamen de kaketoes en de parkietjes aan de beurt. Die zwermden met z'n allen boven de kop van de grote kikker en ze riepen allerlei zotte dingen naar beneden. De andere dieren schudden van het lachen. De tranen liepen hun langs de wangen, zo moesten ze lachen, toen de spotvogel er ook nog bijkwam. Die kon toch zo grappig alle andere beesten nadoen. En hij wist zulke grappige oude sprookjes.

Hij ging vlak voor de kikker zitten en vertelde hem het malle sprookje van de slang die haar eigen staart verslond en zo langzamerhand zichzelf helemaal opat. En zo mooi als hij dat vertelde! Nee maar, het was gewoon te gek! Maar de kikker zat daar maar aldoor stil in het droge riet en diep in zijn keel klokte hij: "Bluk! Bluk! Bluk!"

Ook de grappige buideldieren en de stekelvarkens en de miereneters konden hem maar niet aan het lachen krijgen, hoe ze ook dansten en sprongen en wat voor malle dingen ze ook deden.

Eindelijk was de dag bijna voorbij en de dieren waren nog niets verder gekomen met de grote kikker, dan toen ze 's morgens begonnen. Hij zat daar maar aldoor stil in de rivierbedding en zei: "Bluk! Bluk! Bluk!"

En kijk, juist toen de dieren ten einde raad waren, kwam de zeepaling met zijn vrouw en zijn hele familie en die zeiden, dat ze het nu nog wel eens zouden proberen om de grote kikker aan het lachen te brengen. De dieren hadden op de oever van de rivier een vuurtje aangelegd en ze vroegen de zeepaling of dat in de schemering licht genoeg gaf voor zijn voorstelling? "O ja," zei de zeepaling, "dat is voldoende. We gaan zo dadelijk beginnen."

Nu plukte hij vlug alle groene grassprietjes die hij kon vinden en zijn vrouw haalde nog wat zeegras. En daarmee tooide hij zichzelf en al zijn familieleden. Daarna verhieven ze zich op hun staarten en al die palingen begonnen me daar rondom het vuur een dans uit te voeren... nee maar, wat een gekke dans was dat! Ze knikten en bogen dat de slierten gras en zeewier in de avondwind wapperden. En ze trokken er zulke gekke gezichten bij dat de grote kikker zich haast niet meer goed kon houden. En toen nu die opgesierde palingen met hun wit en bruine kronkellijven aldoor nog maller dansten, schaterde hij het opeens uit!

En daarbij ging zijn grote mond wijd, wijd open. En kijk, daar stroomde het water eruit met grote kracht. Het stroomde terug in al zijn oude beddingen en het hield niet op te stromen, voordat alle meren en rivieren weer vol waren. "Ziezo," zeiden de palingen, "nu gaan we maar weer naar de zee terug. Als je onze hulp ooit weer nodig hebt, roep ons dan maar." En meteen glipten ze weg. Daar zat nu die grote kikker. En kijk, hij was helemaal niet boos dat ze hem zo aan het lachen hadden gemaakt en dat hij al dat water weer was kwijtgeraakt.

Het was wel vreemd. Nu waren alle meren en rivieren weer vol en hij deed zijn bek weer dicht, maar het leek toch net, of hij nog een hele massa water in zijn buik had, zo dik was hij nog!

Nu waren de dieren bang dat hij hun hele land zou laten overstromen en ze pasten voortaan wel op, dat ze hem nooit weer aan het lachen maakten.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Het groot vertelselboek" verzameld door Nienke van Hichtum.
           Van Holkema & Warendorf, Bussum, 1973. ISBN: 90-269-0927-6
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:11 6 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten