Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: volksverhalen

De streken van Djonaha

De streken van Djonaha
- Een Indonesisch schelmenverhaal over schulden terugbetalen -
Op een goede dag begaf het dorpshoofd van Padang-matogoe zich naar de woning van Djonaha om deze aan te manen zijn schulden te betalen. Hij vond Djonaha niet thuis en daarom begaf het dorpshoofd zich naar de sopo in de hoop hem daar wel aan te treffen. En inderdaad, daar zat Djonaha tussen zijn vrienden en had het hoogste woord. Hij vroeg het dorpshoofd waarom hij gekomen was en deze deelde hem toen mede dat hij hem nog tweehonderd bitsang schuldig was en dat hij deze vóór de volgende morgen moest betalen.

"Ik heb helemaal geen geld," moest Djonaha bekennen.

"Geef ons dan maar vast wat te eten," zei het dorpshoofd.

"Uitstekend," zei Djonaha, terwijl hij opsprong. "Laten wij eerst wat gaan eten."

Ze begaven zich naar het huis van Djonaha en de moeder maakte in allerijl een maaltijd gereed. Na de maaltijd beklaagde het dorpshoofd zich, dat ze geen vlees bij het eten gekregen hadden. "Het spijt me oprecht," zei Djonaha, "maar ik ben zó arm dat ik er geen kippen of varkens op na kan houden. Daarom eten wij hier ook geen vlees." De gasten verlieten de woning en begaven zich naar de sopo om daar de nacht door te brengen.

De volgende morgen wekte Djonaha zijn moeder in alle vroegte en zei: "Hebt u gisteren niet gehoord hoe boos het dorpshoofd was omdat hij en zijn dienaren geen vlees kregen? Maar vandaag zullen zij het hebben! Slacht zeven kippen en braad ze in potscherven. Houd ze goed warm op het fornuis en dien ze op in de potscherven op gevlochten onderleggers."

"Ik zal doen wat je vraagt, jongen," zei zijn moeder en zij ging meteen aan het werk.

Djonaha ging intussen naar de sopo om het dorpshoofd en zijn gevolg voor die dag voor het eten uit te nodigen. "Ik ga nu vogels in het woud schieten. Heer," zei hij, "Zou één van uw bedienden mij kunnen vergezellen?" Daar had het dorpshoofd niet het minste bezwaar tegen en zo trok Djonaha met zijn blaasroer, vergezeld door een bediende, naar het bos. Al heel gauw ontdekten zij een groep neushoornvogels die zich aan bessen te goed deden. Djonaha mikte met zijn blaasroer op één en riep toen: "Vogeltjelief, vlieg naar mijn huis dan kan mijn moeder je voor mijn gasten braden."

"Heb je die vogel werkelijk getroffen?" vroeg zijn metgezel. "Het leek net, of hij wegvloog."

"Welnee vriend," antwoordde Djonaha, "die ligt nu al op een potscherf te pruttelen."

"Dan heb je zeker een wonderblaasroer," zei de bediende die niet tot de slimsten behoorde.

Djonaha wees op een woudduif, mikte erop en riep: "Snel, vogeltje, vlieg naar mijn moeder en laat je braden." De bediende sperde van verbazing zijn mond wijd open toen hij de duif in de richting van Djonaha's huis zag vliegen. Nog vijfmaal achtereen schoot Djonaha op die manier een vogel af en daarna keerden zij naar de sopo terug. De bediende raakte niet uitgepraat over de wonderlijke trefzekerheid van Djonaha, maar deze was al weer naar huis gegaan om zijn moeder te helpen met het bereiden van het gastmaal. Toen alles gereed was, ging hij zijn gasten ophalen.

"Vrienden," zei hij, "ik hoop dat wat ik vandaag geschoten heb u goed zal smaken."

Het moet gezegd worden dat de gasten zijn tafel alle eer aandeden. Het gebraden gevogelte in de potscherven smaakte overheerlijk en ook de rijstkegels en de verschillende soorten sajoer werden duchtig aangesproken. Na de maaltijd sprak het dorpshoofd zijn dank en tevredenheid uit. "Maar," liet hij er meteen op volgen, "vergeet niet, beste Djonaha, dat je mij nog tweehonderd bitsang schuldig bent. Ik wil je echter die schuld kwijtschelden, wanneer je mij jouw blaasroer geeft."

"O nee Heer," sprak Djonaha, "dat is onmogelijk. Met dit blaasroer voorzie ik in ons onderhoud en voor geen geld zou ik het af willen staan."

"Maar ik beveel je mij het blaasroer te geven. Eerder ga ik niet weg."

"Ik weet dat wij een dorpshoofd gehoorzaamheid verschuldigd zijn," zei Djonaha met een onderdanig gezicht, "en daarom overhandig ik het u, al is het met een bloedend hart. Bedenk echter dat de wind nooit in het wapen mag blazen en dat er ook nooit een vlieg overheen mag lopen, want dan is het met de wonderkracht gedaan."

"Ik zal er goed op letten," zei het dorpshoofd, "en ik zal je ook nooit meer lastig vallen." Toen vertrok hij met zijn gevolg.

Een paar dagen later trok het dorpshoofd met het blaasroer het bos in. Al heel gauw zag hij een boom, waarin het krioelde van de vogels. Het was zeker geen kunst om er één te raken en daarom mikte hij naar een vogel hoog in de boom, terwijl hij riep: "Vogellief, vlieg naar mijn huis, dan kan mijn moeder je braden." Zo deed hij enkele keren achtereen en daarna ging hij naar huis.

"Moeder," vroeg hij, "hoeveel vogels hebt u gebraden?"

"Hoe kom je daarbij," zei zijn moeder, "ik heb geen enkele vogel in huis."

"Wel, dan heeft die Djonaha mij bedrogen!" riep het dorpshoofd woedend uit en hij zocht hem meteen op. "Djonaha," zei hij, "dat blaasroer van je is een waardeloos prul."

"Heeft u het wel goed opgeborgen?" vroeg Djonaha hem.

Het dorpshoofd moest bekennen dat hij dit niet gedaan had.

"Dan heeft er natuurlijk een vlieg overheen gelopen en is de toverkracht verbroken," stelde Djonaha vast. "Het spijt me, maar ik kan het nu niet terugnemen."

En het gefopte dorpshoofd moest onverrichter zake terugkeren.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. List en Bedrog Verhalen over gastvrijheid, eerlijkheid, list en bedrog, uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:29 9 reacties Reageer op dit bericht

Zilverworm

Zilverworm, zijn zoon en de tijger
- Een Mongools volksverhaal over een rijke zakenman -
Er leefde eens, lang geleden, toen het vorstenhuis had gewisseld, een rijk man met de naam Bayar. Er was niemand die hij zijn vriend kon noemen en hij had ook geen familie buiten één enkele domme zoon, op wie hij was aangewezen. Van jongs af was er geen fatsoenlijk werk uit Bayars handen gekomen en voor een ambacht voelde hij niets. Hij gaf de voorkeur aan handelen en zakendoen. Dat ging hem goed af en zo werd hij steeds rijker. Zijn begerigheid naar geld en bezit had hem de bijnaam 'Zilverworm' bezorgd.

Toen Zilverworm op een dag naar de stad ging, zag hij daar mensen brandhout verkopen. Het leek hem wel wat om op zo'n gemakkelijke manier winst te maken. Na zijn thuiskomst sleep hij een bijl, beval zijn domme zoon hem te volgen en trok de nabijgelegen bergen in.

Terwijl ze dor kreupelhout verzamelden en er de wortels afkapten, raakten vader en zoon meer en meer van elkaar gescheiden. Ze bevonden zich nog wel in eikaars buurt maar de ruimte tussen hen in werd groter en groter.

Plotseling kwam er een reusachtige tijger uit een bergspleet te voorschijn. Het dier bleef afwachtend op een vooruitstekend rotsblok staan, grommend en met platliggende oren, zijn lichaam gespannen voor de aanval. Zilverworm sprong uit pure angst in een greppel waarin hij nauwelijks kon liggen. Op datzelfde moment stormde de wilde tijger op hem af. Hij hield zijn prooi met zijn voorpoten tegen de grond en besnuffelde Zilverworms borst en hoofd. De koopman, die zich niet kon verweren en besefte dat hij zijn bezinning ging verliezen, gilde in doodsnood: "Hij wil me vermoorden!"

Zijn domme zoon hoorde het gegil. Hij kwam met de bijl aangerend en zag zijn vader onder de klauwen van de tijger liggen.

Toen de zoon in zijn angst de bijl tegen de tijger ophief, schreeuwde zijn vader: "Zorg dat je het tijgervel heel laat! Als je het in de stad verkoopt, krijg je er een hoge prijs voor!"

Dat leek de domme zoon verstandige taal en dus draaide hij zich om en haalde een forse boomstam.

Toen hij daarmee de tijger neer wilde slaan, schreeuwde zijn vader: "Vang de tijger levend. Als je hem in de stad verkoopt, krijg je er een hoge prijs voor!"

Dat leek de domme zoon verstandige taal en dus draaide hij zich om. Toen hij aan kwam zetten met het touw dat was meegenomen voor het bundelen van het brandhout, was het hoofd van Zilverworm al in stukken gereten. Daarop greep de tijger ook nog de zoon en hij keerde voldaan terug naar de top van de berg.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Mongoolse sprookjes" verzameld door Walther Heissig. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 2000.
           Oorspronkelijke uitgave: Mongolische Märchen. ISBN: 90-389-1111-4
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:11 6 reacties Reageer op dit bericht

Sidi el Waki

Sidi el Waki
- Een Marokkaans verhaal over gastvrijheid voor de afgezant van God -
Het begon al te schemeren in het dorpje in het Marokkaanse Rifgebergte toen een arme reiziger bij het voornaamste huis van de streek aanklopte. In het huis hoorde hij mensen lopen en praten, maar de deur bleef gesloten. Eindelijk vroeg een schelle vrouwestem: "Wie ben jij?" De reiziger antwoordde: "Sidi el Waki, ik zoek een bed voor de nacht."

Er kwam geen antwoord. De man hoorde de mensen in het huis steeds harder praten en lachen. "Denkt hij soms dat het hier een herberg is?"

"Wie is er zo brutaal een logeerplaats te vragen terwijl hij toch geen sultan of edele is? Weet hij niet dat het verboden is een huis binnen te dringen waar niet alleen mannen maar ook vrouwen en kinderen wonen? Je weet nooit wat voor bedoelingen zo'n zwerver heeft." Dezelfde vrouw die de man eerder te woord had gestaan vroeg hem nu spottend: "Ben je soms een edelman?"

Teleurgesteld droop de reiziger af. Moe sjokte hij verder tot hij even buiten het dorp een hutje ontdekte. Er brandde een lichtje. Toen de vreemdeling aanklopte openden de arme bewoners onmiddellijk de deur, haalden hem binnen, gaven hem water om zich te wassen, een stevige soep en een vacht om op te slapen.

Voordat Sidi el Waki de volgende morgen vertrok zei hij: "Jullie gastvrijheid zal ik nooit vergeten. Als jullie ook maar iets nodig hebben, wenden jullie je dan tot mij en ik zal jullie beschermen. Wacht maar af wat er met de mensen gebeurt die weigerden een arme reiziger één nacht in hun midden op te nemen."

Sidi el Waki hief zijn hand op en sprak zijn vloek. Onmiddellijk kwam er een wervelwind die het dorp wegblies als een strootje. Geen steen bleef op de andere. De bliksem trof alle bewoners en nooit heeft er op die plaats meer gras willen groeien.

Maar de dieren, die nergens schuld aan hebben, herinnerden zich deze ramp. Ieder jaar op de verjaardag van de ramp hoorden de nieuwe bewoners die rond het gastvrije huisje waren komen wonen de dieren jammeren. De schapen mekkerden verdrietig, het geloei van de koeien was somber, de ezels huilden, de honden jankten. Alle dieren beklaagden het droeve lot dat voor altijd die mensen beschoren is die het zonder bescherming moeten stellen omdat zij weigerden Sidi el Waki te ontvangen, de arme, de onverwachte gast, de afgezant van God.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Reizen. Verhalen over avontuurlijke reizen uit de Chinese, Joodse,
           Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:18 3 reacties Reageer op dit bericht

Zoete Hydromel

Zoete Hydromel
- Een grappig verhaal van Urbanus over een honingzoet meisje -
Vader Fleuris ging naar de tuin om er zijn laatste boerenkool af te snijden. Terwijl moeder Fleuris de aardappels schilde, zaten al hun vierentwintig kindjes reeds met rammelende buiken aan tafel. "Het is niet waar!" klonk het plots vanuit de tuin en moeder en kroost spoedden zich naar vader, die bleek en bevend met de kool in zijn armen stond. "Alweer eentje," zuchtte moeder en de vierentwintig kindjes staarden met opengevallen mond naar hun splinternieuwe zusje dat midden in de boerenkool lag. "God vergeve mij," schreide de arme man, "maar we kunnen dit meisje niet houden, we scheuren nu al van de honger."

Ze trokken met z'n allen naar het bos en legden de baby te vondeling in een bedje vergeet-mij-nietjes. Met een loden schuldgevoel en een lege maag gingen ze weer naar huis.

Het kleine meisje had geen flauw benul van wat er gebeurde en giechelde naar de witte wolkjes in de lucht. Ze grabbelde met haar ronde handjes naar de groene stengels en de bloemblaadjes kriebelden haar in haar neusje. Zo lag ze daar uren en niemand kwam voorbij.

Een zoemend bijtje, dat zich aangetrokken voelde door de geurige vergeet-mij-nietjes, verschoot bijna haar angel toen ze merkte dat er een rozig-blozend dingetje tussen de bloemen lag. Al gauw had ze begrepen dat het een verlaten mensenkind was en snorde als een spoedbestelling terug naar haar nest. "Ik moet dadelijk de koningin spreken," hijgde ze en ze werd dan ook onmiddellijk naar de troon gebracht. Met een ingewikkelde rondedans vertelde ze de koningin wat ze gevonden had en hoe je er weer naartoe kon vliegen. De koningin die al duizenden keren moeder was geweest, was onmiddellijk bereid om voor dat arme kind te zorgen. "Meester dar," sprak ze, "zeg aan al de werkbijen dat ze de helft van onze honing en een kwart van onze koninginnebrij naar dat meisje brengen. Het is onze plicht om ons over dat wichtje te ontfermen."

Van toen af werkten de bijen dubbel zo hard, zonder daarvoor in staking te gaan en de koningin legde tweemaal zoveel eitjes want de kolonie moest uitbreiding nemen om het opgroeiende kind te voeden. Toen het meisje één jaar werd kwam de bijenvorstin haar persoonlijk geluk wensen en gaf haar als verjaardagsgeschenk een naam. "Voortaan zal je Hydromel heten," sprak ze plechtig en al de bijen juichten: "Leve Hydromelleke!"

Zo groeide het meisje op en toen ze achttien was geworden, kon ze reeds goed voor zichzelf zorgen. Ze zoog de nectar uit de bloemkelkjes en de klaverbloempjes en knabbelde het stuifmeel uit de stampertjes.

In de schaduw van een zilverberk deed ze haar middagdutje en het toeval wou dat een jonge prins, vergezeld door een oude tovenaar, daar voorbijkwam. Ze sprongen allebei van hun paard en knielden bij het meisje neer. "Dit is wat ik zoek!" zei de prins, "de mooiste jonge vrouw van de wereld en nu heb ik ze gevonden."

Hij kuste haar zachtjes op de bovenlip en Hydromelleke werd wakker. "Wie ben jij?" vroeg ze angstig. "Ik ben de prins en ik wil met je trouwen want jij bent zo mooi en zoet als een kers." Hydromel, die van haar leven nog nooit een jongen had gezien, en zeker geen prins, voelde voor het eerst iets dat ze nog nooit eerder bij de bijtjes had gevoeld. De prins glimlachte en kuste haar weer en Hydromelleke liet hem begaan.

De tovenaar begreep dat hij daar niet nodig was en ging gauw een eindje verderop toveren. Ze kusten elkaar minuten lang op de mond. Toen de prins even ophield en naar adem snakte, gilde het meisje verschrikt: "Maar prins wat is er met je mond gebeurd?" De prins keek in zijn spiegel en zag dat al zijn tanden verdwenen waren behalve nog een paar bruine stompjes. "Oo, ljief meisje, jouww kwussen zjijn zo zoewt dat al mijn tjanden rjot geworden zjijn!"

Nu liep hij naar de tovenaar en zij: "Tover mij onmiddellijk een nieuw gwebit wjitste pwordelein." De prins kreeg zijn gebit en met een fonkelende glimlach stapte hij weer naar zijn geliefde. Hij kust haar opnieuw maar nu nog langer. Van al dat gezoen werd de prins zo suikerachtig, dat hij verlangde naar iets bitter, iets pikants. Hij knabbelde dan ook een ganse mand knoflook op.

Nu stonk zijn adem zo afschuwelijk, dat Hydromelleke hem de rug toekeerde. "Tovenaar, wil je eens komen?" riep de prins.

"Wat kan ik voor u doen?" vroeg de wijze. "Maak mij een gorgelwater en een drankje, dat ik het meisje kan beminnen zonder haar te kussen." De tovenaar brouwde een sudderend goedje en goot het in een fles. "Neem hiervan één eetlepel," zei hij en de prins dronk het flesje leeg. Nu begon hij te gloeien, het zweet spoot als fonteintjes uit zijn voorhoofd en zij oren floten stoom. Zijn vals gebit kletterde als een stepdanser. "Schone vrouwe, ik smacht naar jou."

En de prins omhelsde haar zo wild dat de tovenaar nog een heel eind verder moest gaan toveren. Maar Hydromelleke was zo zoet dat ze in de armen van haar vurige aanbidder begon te smelten als sneeuw voor de zon. Toen de tovenaar terug kwam, zag hij dat de prins huilend als een kind op zijn knieën zat met alleen nog een beetje stroop aan zijn handen. "Gesmolten," snikte hij.

En vandaag de dag zit een oude prins heel alleen in zijn kasteel. Koning is hij nooit geworden. Droevig kijkt hij door het raampje. Hij schenkt zichzelf het zoveelste kopje thee in en telkens voor hij het klontje suiker er in gooit, geeft hij er een kusje op.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - Tekstboek bij de LP: 3 sprookjes van Urbanus, 1977.
           Zie ook: De goede dennenboom en Het windemannetje.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:15 6 reacties Reageer op dit bericht

Een slimme man

Een slimme man
- Een Afrikaans verhaal over waarom slimheid wenselijk is -
Op een dag ging een man op weg met drie dingen: een geit, een luipaard en een mand vol cassave. Ze reisden drie dagen. Tijdens deze reis aten noch de man noch de dieren iets en ze kregen alledrie ongelooflijke honger. Ze reisden zo ver totdat ze een grote rivier bereikten. Er was een wet ingesteld die te maken had met het oversteken van deze rivier: een persoon mag per overtocht slechts één lading tegelijk meenemen.

De man bereikte de rivier en wilde oversteken met de geit, de luipaard en de mand vol cassave. Als de man de rivier oversteekt met alleen de mand vol cassave, zal hij de geit en de luipaard samen moeten achterlaten en zal de luipaard de geit opeten. Als hij de rivier oversteekt met alleen de luipaard, moeten de cassave en de geit samen achterblijven, en zal de geit de cassave opeten.

Wat moest hij doen?

Toen de man de oversteekplaats van de rivier bereikte en hem de wet werd uitgelegd, stak hij eerst de rivier over met de geit en bond hem vast aan de overkant voordat hij terugkeerde om de luipaard te halen. Toen de man met de luipaard de rivier was overgestoken, maakte hij de geit los en ging hij samen met de geit weer terug om hem aan de andere oever vast te binden. Toen nam hij de mand vol cassave en stak daarmee de rivier over en zette die aan de overkant naast de luipaard die er toch niet van zou eten. Toen stak hij de rivier nog een keer over, maakte de geit los en bracht hem als laatste naar de overkant. Toen vervolgde de man zijn reis met alledrie zijn bezittingen.

Deze man liet slimheid zien door te voorkomen dat de dieren elkaar op zouden eten. Hij bereikte veilig en wel zijn bestemming met zijn drie bezittingen. Dat is waarom slimheid wenselijk is.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Royal Antelope and Spider: West African Mende Tales", Marion Kilson, The Press of The Langdon Associates, Cambridge, Massachusetts, 1976.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:08 4 reacties Reageer op dit bericht

De strooppot

De strooppot
- Een volksverhaal uit Texel -
Eens, op een donkere, stormachtige nacht, liep een schip op het strand van Texel. De golven beukten over het schip en de wind scheurde de zeilen. De mast sloeg overboord en er sloeg een lek in de kiel. De boeg boorde diep in het zand en de lading rolde door het ruim. Het schip sloeg uiteen en de bemanning verdronk. Geen levende ziel is van het schip gekomen.

Toen de storm ophield en de zon weer scheen, lag het wrak op het strand. De donkere brokstukken staken schril af tegen het blauwe water. De zee klotste om en over het schip en met haar onmetelijk kracht sloopte ze steeds meer van schip. Er lagen brokstukken her en der over het strand verspreid en nog steeds spoelde van alles aan.

Ook de lading dreef naar de kust. Houten kisten, grote pakken en bundels stof, het leek enorm veel voor zo’n klein schip. En tussen al die balen en tonnen die al op het strand lagen, lag ook een heel klein kistje.

De jutter was die dag zo vroeg hij kon naar het strand gegaan, want het nieuws dat er een schip was gestrand, was allang over het eiland gegaan. Met snelle blik monsterde hij wat er aangespoeld was en hij zag iets glinsteren. Het was het kleine kistje, dat vol goud bleek te zitten. Snel liet hij het goud in zijn wijde zakken glijden, want van alle kanten kwamen de mensen al aan met paarden en karren, met zakken en touwen. Ook de strandvoogd kwam met grote stappen het strand opgelopen. Hij had een brede glimlach op zijn gezicht, want dit was nog eens een goede buit.

De jutter sloop met zijn volle zakken langs slinkse wegen terug naar zijn arme hut, ergens aan de Koogerweg.

Maar de strandvoogd miste de dukaten. Er was veel aangespoeld, maar het kistje was leeg. En volgens de scheepsinventaris hadden daar goudstukken in moeten zitten. En hoe het nu kwam is onbekend, maar de strandvoogd verdacht de jutter uit de arme hut aan de Koogerweg ervan de goudstukken te hebben weggenomen. Misschien was het hem ingefluisterd door giftige tongen, misschien was het gewoon de wind, wie zal het zeggen?

Maar vast staat dat de strandvoogd en de schout op weg gingen naar de hut van de jutter om de vermiste goudstukken op te sporen.

Maar ook hutten, al zijn ze nog zo nederig, hebben vensters en mensen kan je soms al van verre zien aankomen. De walletjes langs de paadjes rond het hutje mochten dan hoog zijn, de jutter had met zijn scherpe ogen de schout met zijn rakkers en de landvoogd al aan zien komen.

Het was een goede tijd om langs te komen. De jutter en zijn gezin zaten juist aan de middagmaaltijd. Brij met stroop. De landvoogd en de schout konden een bordje mee-eten als ze zin hadden. Maar daar kwamen ze niet voor, eten konden ze thuis wel beter krijgen. Ze kwamen voor de goudstukken, de kostelijke dukaten.

Dat had de jutter natuurlijk best begrepen toen hij ze aan zag komen lopen, en vlak voor ze bij zijn huisdeur waren liet hij de goudstukken één voor één in de strooppot glijden. Langzaam zonken de goudstukken door de dikke, kleverige stroop naar de bodem van de pot. En juist toen de twee bezoekers binnen stapten, zakte het laatste goudstuk naar beneden en sloot de bruine massa zich boven de glanzende schat.

Toen hem gevraagd werd waar de dukaten waren, hield de jutter zich van de domme. Hij wist van geen dukaten. Hij was wel aan het strand geweest en had er een beetje rondgekeken, maar dukaten had hij niet gezien. Dat geloofden de heren niet en ze doorzochten de hele hut. De kasten moesten open en het hooi uit de schuur moest naar buiten. Al snel was de huiszoeking voorbij. Want in zo’n arm hutje waren maar weinig kasten en in die kasten zat niet veel. Arme mensen hebben nu eenmaal niet veel hoekjes en gaatjes om schatten te verstoppen.

De schout en de strandvoogd moesten met lege handen vertrekken. Wanneer ze niet zo uit de hoogte waren geweest en hadden aangeschoven aan de eettafel, hadden ze misschien meer geluk gehad.

Jaren later brak de jutter zijn arme bouwval af. Hij zette er een boerenhuisje voor in de plaats en kocht een koe. Hij kocht ook nog wat schapen en geiten. Het verging hem goed. De schapen ooiden en de koe kalfde.

Hij bouwde een schuur en weer later een hooiberg en zo werd de arme jutter een boer. Hij kocht een stuk land en het jaar daarop volgende weer. Er kwamen steeds meer schapen en geiten bij en zo groeide het boerenhuisje uit tot een grote boerderij.

Het spreekt voor zich dat zo’n grote hoeve ook een naam moet hebben. De jutter hoefde er niet lang over na te denken. Wat was een betere naam dan De Strooppot? Want was het eigenlijk niet allemaal aan de strooppot te danken dat het zo in zijn leven gelopen was?

Natuurlijk had het ook aan de jutter zelf gelegen, maar dat is niet iets om ophef over te maken. Jutters zijn altijd slim en handig. Maar zonder die strooppot was alles misgelopen en daarom kun je nu nog langs de Koogerweg een hoeve vinden die De Strooppot heet.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - Uit Verhalen van de Waddeneilanden, uitg. HMP Voila 2002
           - www.hetopenboek.nl
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:09 5 reacties Reageer op dit bericht

Geld maakt niet rijk...

Geld maakt niet rijk als God niet helpt
- Een Fins volksverhaal over teruggevonden rijkdom -
Midden in het woud stond een hut waar een oude man woonde. Omdat de hut betrekkelijk dichtbij de stad lag, namen drie jagers, die op jacht waren, er tijdelijk hun intrek.

De oude baas van wie de hut was zat de ganse dag touw te draaien, aan één stuk door, en begon de jagers knap op hun zenuwen te werken.

"Hou toch op met dat touw draaien!" zeiden ze, en alle drie gaven ze hem een goudstuk, met de woorden: "Daar kun je mooi van leven." Nu ja, dat vond de bejaarde touwdraaier natuurlijk geen gek idee, en hij nam de goudstukken aan en verstopte ze tussen de klemringen van een klein kommetje.

Op een dag kwam er een voerman bij hem binnengestapt. De voerman vroeg: "Heeft de goede waard misschien niet een kommetje of zo voor mij, waaruit ik mijn paard z'n stro kan voeren?"

De oude man greep gedachteloos naar het inmiddels natuurlijk kostbare kommetje en sprak: "Alsjeblieft, laat 'm hier maar uit eten." De goudstukken, die tussen de ringen van het kommetje geklemd zaten, was hij glad vergeten.

Toen de voerman zijn paard gevoederd had stapte hij op en wierp met een achteloos gebaar het kommetje op de bok: "Dat kan ik onderweg nog wel eens gebruiken om m'n paard te voederen," mompelde hij, en weg was-ie.

Van arremoe begon de oude man maar weer touw te draaien om aan de kost te komen, want geld had hij nu niet meer en hij wist bij god niet waar hij anders van moest leven.

Toen de jagers een tijdje later weer eens op jacht gingen, besloten ze opnieuw bij de oude baas te gaan overnachten. Min of meer tot hun verbazing zat deze daar in zijn hutje als vanouds touw te draaien, en wederom zeiden ze tegen hem: "Hou nou op met dat touw draaien, ouwe!" Ten tweede male gaven ze hem elk een goudstuk. Het toeval wilde dat de oude man op dat moment een grote hoed op had, en omdat dat een voor de hand liggend voorwerp was stopte hij het geld ditmaal in de band van de hoed. Kort daarop namen de jagers afscheid en vertrokken.

De oude man ging naar buiten om een luchtje te scheppen, toen er als een wervelwind een grote vogel kwam aangevlogen die de grijsaard de hoed van zijn hoofd griste, en weg waren zijn goudstukken.

Berustend in zijn noodlot zette hij zich weer aan het touw-draaien en knoopte een prima sleepnet van zijn koorden, dat hij verkocht aan twee boeren die graag vissen mochten. Als extraatje gaf hij de kopers ook nog een goede hazestrik mee, met de woorden: "Die strik krijgen jullie van me cadeau, maar dan is wel de eerste vangst die jullie met dat net doen voor mij."

Dit leek de boeren een fideel aanbod, maar toen ze voor het eerst met het net uit vissen gingen en het uit het water trokken zat er maar één vis in. Deze gaven ze volgens afspraak aan de oude baas, die de bescheiden maaltijd mee naar huis nam.

Nu wilde het geval echter dat de vis in de zee een steen had opgeslokt, en toen de oude man het dier opensneed om hem toe te bereiden vond hij die steen in de maag van de vis. Het was duidelijk geen gewone steen, maar het soort steen dat heel voorname mensen in hun ringen dragen, of rijke dames in hun oorbellen - een zeer kostbare steen dus.

Na verloop van tijd kwamen de jagers opnieuw bij hem langs. Hij liet ze de steen zien en vertelde ze hoe deze op miraculeuze wijze in zijn bezit was gekomen.

Dit was het moment dat God koos om in te grijpen en er zorg voor te dragen dat de oude man weer wat beter in de slappe was kwam te zitten.

De heren jagers keerden terug naar de stad en vertelden daar over de waardevolle steen die de oude man bezat, en terstond rukte er een legertje kopers uit dat na enig heen en weer gehandel een kapitaaltje neertelde voor de steen. Om de koop rond te maken kochten ze ook nog een fraaie boerenhofstede voor hem, en drongen erop aan dat hij zijn karige hutje voor deze van alle gemakken voorziene, riante behuizing zou verwisselen.

De oude baas hoefde hier niet lang over na te denken en verhuisde weldra naar zijn nieuwe hofstede. Nauwelijks had hij het erf betreden, of zijn oog viel op een onooglijk kommetje, dat hij ogenblikkelijk als het zijne herkende. Hij bukte zich, raapte het op en sprak: "Dat is toch sterk, hier vind ik verdraaid zomaar het kommetje weer terug dat die man toen meegenomen heeft!" En toen hij keek tussen de ringen ontdekte hij tot zijn grote verrassing dat zowaar zijn goudstukken er nog in zaten! Tevreden liet hij het geld in zijn beurs glijden.

Een dag of wat later, toen hij wat door de tuin wandelde, ontwaarde hij daar in een grote berk een vogelnest. Naderbij tredend herkende hij in het nest de hoed die de grote vogel hem destijds zo onverwacht van z'n hoofd gerukt had, en hij kon een jubelkreet niet onderdrukken toen hij in de band van de hoed de andere drie goudstukken ontdekte.

Zo kreeg de oude man dus ook nog zijn hoed en zijn geld terug. En tot het eind van zijn dagen leefde hij tevreden en gelukkig op zijn prachtige boerderij.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Sprookjes uit Finland en Estland" bijeengebracht door August von Löwis of Menar. A.W. Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen, 1979.
           Oorspronkelijke titel: Finnische und Estnische Märchen © 1962 Eugen Diederichs Verlag Düsseldorf-Köln. ISBN: 90-229-3311-3
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:09 6 reacties Reageer op dit bericht

Tijl Uilenspiegel zal vliegen

Tijl Uilenspiegel zal vliegen
- Een Vlaams schelmenverhaal waarin Tijl de mensen een lesje leert -
't Was kermis in Mechelen en Tijl verdiende een aardige stuiver, door als acrobaat op te treden. Maar natuurlijk was hij daarmee niet tevreden, hij wilde de mensen weer eens te pakken nemen en liet bekend maken, dat hij de volgende morgen op de markt vanaf het hoogste dak naar beneden zou vliegen. Dat was me een gebeurtenis: gekke Tijl, de kunstenmaker, zou vliegen!

De volgende morgen was het op het marktplein zwart van de mensen. Tijl verscheen, ging één van de huizen binnen en kwam weer te voorschijn in de dakgoot. Hij zwaaide met de armen, net of hij vliegen ging en een langgerekt "Ha!" steeg er uit de menigte op.

"Dames en heren! Stilte asjeblieft!" riep Tijl.

Het werd doodstil en toen sprak Tijl: "Wel, ik dacht, dat ik de enige dwaas in het land was, maar nou zie ik, dat er duizenden dwazen zijn! Als een van jullie mij verteld had, dat-ie vliegen kon, zou ik hem niet geloofd hebben. Maar jullie hebben het allemaal geloofd, toen gekke Tijl het zei, jullie zijn dus nog gekker dan ik! Adieu mensen, wel bedankt!"

En na een sierlijke buiging stapte hij weer naar binnen.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Boek voor de jeugd"
           Uitgeverij de Arbeiderspers, Amsterdam, 1937.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:21 16 reacties Reageer op dit bericht

Een huilende koe

Een huilende koe
- Brahma helpt Moeder Aarde -
De aarde is een levend wezen. Ze heeft geen armen en benen, maar dat heeft een slang ook niet. Ze heeft geen ogen en geen mond, maar dat heeft een pompoen ook niet. Maar zoals een slang en een pompoen toch leven, leeft de aarde ook.

De mensen, de dieren en de planten wonen op de huid van de aarde zoals er mijten en microben op onze huid wonen. Hele kleine wezentjes die je met het blote oog niet kunt zien. Soms zitten er van een bepaalde soort opeens te veel op je vel. Als dat een kwaaie soort is, krijg je een huidziekte.

Meer dan vijftig eeuwen geleden had Moeder Aarde zo’n huidziekte. Er zaten te veel kwaaie mensen op haar vel. Het waren duivelse vorsten met oppermachtige legers.

Moeder Aarde voelde zich er akelig van. Ze zag maar één mogelijkheid om ervan af te komen. Als Visnu haar te hulp zou kunnen komen, zou ze weer gezond verder kunnen leven.

Moeder Aarde bezit vele wondervermogens. Een ervan is dat ze net als Visnu van vorm kan veranderen. Bijvoorbeeld in een smetteloos witte koe. Als zo’n koe kan ze dan over haar eigen huid heen en weer lopen: over de aarde. En als zo’n koe kan ze haar eigen aarde-gras grazen.

Toen de duivelse vorsten haar huid bezeerden, veranderde Moeder Aarde zich in een sneeuwwitte koe. Droevig loeiend hief ze haar kop op. Niet naar Visnu, want God was te ver weg. Ze hief haar kop op naar Brahma.

Brahma is de onderkoning van het heelal. Hij heeft vier armen en ook vier hoofden. In opdracht van Visnu heeft hij de hele wereld geschapen. Hij woont boven in de kosmos op een hemellichaam in de vorm van een lotusbloem. Met onze mensenogen kunnen we hem niet zien.

Maar Moeder Aarde, die geen mens is maar een godin, zag hem heel goed. Loeiend deed ze bij Brahma haar beklag. Meteen nam Brahma haar mee naar de kust van de Melkzee.

De andere goden kwamen in een stoet achter hen aan: Siva, Ganesa, Indra, Narada, Varuna, Kuvera en hoe ze allemaal ook mogen heten. Honderden, duizenden goden en andere hemelbewoners volgden de schepper met zijn vier hoofden en Moeder Aarde in de gedaante van een witte koe. Het was een wonderlijke stoet... Aan de kust van de Melkzee bleven ze allemaal staan.

De Melkzee is een eindeloze plas van licht, waarin Visnu en Lakshmi wonen. Visnu ligt languit op zijn rug op een reusachtige slang, die languit op zijn rug in de Melkzee drijft. Visnu ligt dus op de slangenbuik, die wit is en zacht als fluweel.

De slang heeft honderden koppen. Al die koppen houdt hij als een parasol over Visnu en Lakshmi heen. Lakshmi zit op de fluwelen slangenbuik aan Visnu’s voeten. Ze masseert ze met haar vier handen.

De naam van de slang is Ananta.

Dat betekent: Eindeloze. Je zult wel begrijpen dat hij geen gifslang is. Hij is een honingslang. Uit zijn monden komt geen gif maar honing. Zijn honderden koppen vertellen in alle eeuwigheid honingzoete verhalen over Visnu. En geen twee koppen zeggen hetzelfde: zo veel verrukkelijks is er over God te vertellen. En God maar zalig liggen luisteren naar al die prachtige verhalen over hem. Als we alles zouden proberen op te schrijven wat Ananta’s koppen over Visnu hebben te zeggen, zouden we aan al het papier van de wereld niet genoeg hebben.

We hebben al verteld dat Visnu in zichzelf vele vormen van God meedraagt; en dat een aantal van ze er anders uitziet dan hij. De slang Ananta is er één van. Ananta is even goddelijk als Visnu zelf. God kan eruit zien zoals hij wil. Hij is almachtig.

Moeder Aarde en de goden konden Visnu, Lakshmi en Ananta niet zien. Alleen Brahma de schepper zag God. Eerst aanbad hij hem, samen met de anderen. Toen bracht hij hem de klacht over van Moeder Aarde, die haar droevig loeien even staakte.

Visnu weet alles. Hij kent het verste verleden, hij kent het heden en hij kent de verste toekomst. Als je dat vreemd vindt, weet hij dat je dat vreemd vindt. Hij is immers alwetend. Hij wist dus ook dat Moeder Aarde last van haar huid had. Dat kwade vorsten er met hun reusachtige legers over rondrosten en de gewone goede mensen onderdrukten.

Maar Visnu liet Brahma helemaal uitspreken, alsof hij nergens van afwist. Dat was zijn goddelijke spel. Toen de schepper was uitgesproken zei Visnu:

"Luister. Heer Ananta en ikzelf zullen naar de aarde komen. Maar niet zoals we er nu uitzien. We zullen op aarde verschijnen in de gedaante van gewone mensenkinderen. We zullen ervoor zorgen dat we samen geboren worden in de koninklijke familie Yadu.

"En niet alleen wij tweeën zullen komen. Ook Yogamaya, mijn wonderkracht, zal neerdalen. Zij komt in de gedaante van een meisje.

"Ook jullie goden zullen in de familie Yadu op aarde geboren worden. En de godinnen. Daal allemaal neer. Met elkaar zullen we de aarde redden van het gespuis."

Toen Visnu zo gesproken had dankte de witte koe de Heer. Ze liet de Melkzee achter zich. En was de ronde aarde weer.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "De wonderbaarlijke avonturen van Krsna en Balarama" Verhalen uit het Bhagavata Purana.
           Opnieuw verteld voor de jeugd. Uitgevrij Miranda.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:06 8 reacties Reageer op dit bericht

De zoon van de rechter

De zoon van de rechter
- Een oud volksverhaal uit Celebes over de rechtspraak -
In veel oude volksverhalen uit Indonesië speelt het rijk Antah Berantah op het voormalige Celebes (Sulawesi) een rol en in dit rijk - dat nooit echt heeft bestaan - woonde vroeger een bekwaam rechter die bij iedereen in hoog aanzien stond om zijn rechtvaardigheid.

De rechter had een zoon die rechtswetenschappen studeerde en later ook rechter wilde worden. Tijdens zijn studie kwam echter bij hem steeds vaker de gedachte op dat rechtspreken niet altijd zonder gevaren was als er een niet rechtvaardige uitspraak werd gedaan.

De zoon raakte zo in zijn gedachten verstrikt dat hij tot de conclusie kwam dat het niet mogelijk was om een goed rechter te zijn. Hij maakte zich daardoor zorgen om zijn vader en vroeg hem om zijn functie neer te leggen, maar de rechter had daar geen begrip voor en ging gewoon door met zijn werk.

Dag in dag uit praatte de zoon op zijn vader in om hem te bewegen met rechtspreken te stoppen, maar de rechter weigerde zijn werkzaamheden te beëindigen. Uiteindelijk zag de jongeman in dat de gesprekken met zijn vader vruchteloos waren en besloot te vertrekken, de wijde wereld (Celebes) in. Hij wilde er niet bij zijn als zijn vader in gevaar zou komen als deze een onjuiste uitspraak zou doen in een belangrijke rechtszaak. Met lede ogen zag de rechter zijn zoon vertrekken en hoopte op een terugkeer als de jongen zou inzien dat zijn gedachten niet reëel waren geweest.

Op zijn reis door Celebes ontmoette de jongen een oude vriend waar hij van harte welkom was en waar hij bleef logeren. Na een paar dagen moest zijn gastheer, een handelaar in alle mogelijke goederen, op reis en hij vroeg de jongen de twee vrouwen waarmee hij getrouwd was, gezelschap te houden en eventueel te beschermen bij dreigend onheil.

De eerste vrouw van de handelaar had een baby en op de tweede dag na vertrek van de man gebeurde er een drama. De baby werd dood aangetroffen en bleek te zijn vermoord en de moeder, die haar kind zelf had omgebracht, gaf de tweede vrouw de schuld van de moord.

De moeder van de baby wilde kort na vertrek van haar man, naar een vriend, maar de baby begon te huilen toen zij weg wilde gaan. Nadat zij het kind tot bedaren had gebracht door het wat te eten te geven, wilde ze weer vertrekken, maar opnieuw begon de baby hard te huilen. Ook een derde poging om weg te gaan mislukte omdat het kind begon te schreeuwen. Daarop werd de moeder razend, pakte een grote steen en doodde haar baby.

De rechter in het dorp kwam er aan te pas en hij vermoedde dat de twee echtgenotes van de handelaar elkaar niet mochten en dat daarom de tweede vrouw de schuld kreeg van de moord op de baby. Deze kreeg dan ook de schuld en werd door de rechter veroordeeld. Maar omdat de veroordeelde in hoger beroep ging, kwamen beide vrouwen voor een andere rechter te staan, die echter hetzelfde oordeel uitsprak. De geschiedenis herhaalde zich keer op keer en de zaak van de moord op de baby kwam negenendertig keer voor. Alle rechters veroordeelden de (onschuldige) tweede vrouw van de handelaar.

Uiteindelijk kwam de zaak voor de rechter wiens zoon zijn ouderlijke woning had verlaten. Deze stelde het duo tijdens de rechtszitting slechts enkele vragen waaronder de vraag of ze wilden doen wat hij hen zou zeggen. De eerste vrouw ging direct akkoord, maar de andere wilde alleen doen wat netjes en rechtvaardig was.

De vraag van de rechter was of de vrouwen zich wilden uitkleden, naar een bepaald punt lopen en weer terugkeren, om zich vervolgens weer aan te kleden. De eerste vrouw ontkleedde zich meteen, snelde weg en keerde meteen weer terug. De tweede vrouw weigerde aan de opdracht van de rechter te voldoen omdat ze het niet netjes was om naakt rond te lopen en zou haar echtgenoot zou beledigen.

De rechter deed meteen uitspraak. Hij besliste dat de eerste vrouw, degene die haar kind had gedood, schuldig was, omdat zij beslist de rechtszaak had willen winnen en daarvoor niet had geaarzeld naakt te gaan rondlopen en zodoende haar man zou beschamen. De vrouw bekende de moord op haar baby en werd door de rechter veroordeeld.

De zoon van de rechter had het hele proces aandachtig gevolgd en was, nadat negenendertig rechters een verkeerde uitspraak hadden gedaan, er van overtuigd dat zijn vader een rechtvaardig rechter was. De zoon vond dat zijn vader zijn functie als rechter moest blijven vervullen en keerde terug naar het ouderlijk huis.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - Een oud volksverhaal uit Celebes opgetekend door Achmad, in een bundel "Indonesische volksverhalen"
           van de heer Schaap opgenomen en bewerkt door Karel van der Veen.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:09 11 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten