Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: volksverhalen

Yoeli

Yoeli
- Een verhaal uit Suriname over hoe het tabakszaad op de wereld kwam -
In de oude tijd, toen de Arowakken in vrede leefden met iedereen - zo luidt een verhaal der Indiaanse overlevering - ging hun alles naar de zin. Op zekere nacht kreeg de vrouw van een dorpshoofd een droom. Zij droomde dat een troep vogels van allerlei soorten op haar erf was neergestreken. Ze probeerde tenminste één vogeltje uit de kleurige groep te pakken te krijgen, maar de vogels wipten telkens buiten haar bereik. Ze vlogen niet op, maar maakten sprongetjes.

Doch één vogeltje bleef op het erf rondhuppelen. Het was een Pientjie, een kolibrie. Hij was de slimste van alle vogels. Daarom hadden alle vogels grote eerbied voor de Pientjie.

Hij had eens een weddingschap gehad met de aasgier wie het vlugst en het hoogst kon vliegen. En hij had het glansrijk gewonnen. De Pientjie had vele heldendaden op zijn naam. Vandaar dan ook dat alle vogels ontzag voor hem hadden.

De Arowakken zochten een middel om zich in verbinding te kunnen stellen met de geestenwereld.

Het was de Pientjie, die hen daaraan heeft geholpen.

Luister maar. De vrouw droomde verder. In haar droom zag ze dat de Pientjie een bundeltje naast een post van haar hut achterliet en toen wegvloog. Nadat de vrouw wakker geworden was, dacht ze aan haar droom. Ze vertelde haar familie ervan. "Laten wij kijken of de droom is uitgekomen," zeiden ze.

En waarachtig. Bij een der posten van het kamp lag een bundeltje kruiden. Heel voorzichtig namen de Indianen het op en peuterden het open. In het bundeltje vonden zij zaad, een heel fijn soort zaad, het glinsterde en was bijna zwart.

De Indianen keken naar het zaad, dat zij niet kenden. Ze wilden dit vreemde zaad weggooien.

Maar toen sprak het zaad: "Als jullie mij wegwerpen, zullen alle Indianen omkomen."

Jullie kunnen je voorstellen dat de man en de vrouw schrokken.

Het zaad sprak: "Ik ben Yoeli, en ik kom uit de hemel. Als jullie mij goed behandelen, zal ik de Indianen in tijd van nood bijstaan."

De Indianen stopten het zaad in de grond. Het ontkiemde. De plant, die eruit kwam, was de tabak.

De Indianen gebruiken tot vandaag de tabak als een bezweringsmiddel.


                                          * * * EINDE * * *
Bron : - "Indiaanse vertellingen"
           verzameld en naverteld door A.C. Cirino. Paramaribo, 1970.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:40 5 reacties Reageer op dit bericht

Kantjil en de krokodillen

Kantjil en de krokodillen
- Een Indonesisch volksverhaal over het bekende dwerghert -
Op een morgen stond Kantjil aan de oever van een rivier en riep met luide stem stroomop en stroomaf: "Krokodillen, hé krokodillen, kom eens gauw hier! Hier is een lekker hapje voor jullie!" Meteen ging hij er vandoor.

De krokodillen kwamen naar de oever en toen ze merkten, dat de kleine deugniet hen gefopt had, waren ze woedend. "Wacht maar," riepen ze hem achterna, "als je wilt drinken, zullen we je wel krijgen!"

Een dag of wat bleef Kantjil uit de buurt van de rivier, maar toen kreeg hij zo'n brandende dorst, dat hij het niet langer kon uithouden. Langzaam sloop hij naar de oever. Al spiedend, meende hij op een ondiepe plaats een krokodil te zien, die zo stil als een muis op de loer lag. 't Leek net een boomstam.

"Wat ben je," riep hij, "een krokodil of een boomstam?" Geen antwoord, geen teken van leven. "Wanneer je een krokodil bent, drijf dan stroomaf; ben je een boomstam, ga dan stroomop!" Langzaam kwam er beweging in de domme krokodil, stroomopwaarts ging hij, om te laten zien, dat hij een boomstam was! "O, jou schaapskop," riep het dwerghert, "heb je ooit van een boomstam gehoord, die stroomopwaarts dreef?" Van woede en schaamte dook de krokodil snel onder.

Maar daarmee was de dorst van Kantjil niet gestild. Nu zocht hij een stokje, net zo lang en zo dik als zijn pootje en nam dat mee naar de oever. Terwijl hij dronk, greep een krokodil hem plotseling bij een van zijn poten. "Mis," riep de schelm, "dat is mijn poot niet! Dit is hem!" Meteen hield hij het stokje in het water. Woedend hapte de krokodil er naar! Vrij was de poot en weg snelde Kantjil, terwijl hij uitriep: "Nu zoek ik net zo lang, tot ik een andere drinkplaats vind, vervelende vent!"

De krokodillen zetten hem ook over land na en verstopten zich tussen de omgehouwen boomstammen van een ladang
* , die daar juist werd aangelegd. Nauwelijks zag Kantjil dit, of hij liep naar de eigenaar van de ladang. "De Radja beveelt," berichtte hij hem, "dat alle ladangs vandaag afgebrand moeten worden." De boer gehoorzaamde, ging met zijn kinderen naar de ladang, die ze aan alle kanten met dor hout aanstaken. Van de krokodillen bleef niet veel over.

Op een andere dag zag Kantjil aan de overkant van de rivier een massa afgevallen bloesems. Daar hield hij juist zo van! Hoe moest hij echter aan de andere oever komen? Er stond een sterke stroom en dan al die krokodillen. Maar hij vond er wel weer wat op. Luid schreeuwend riep hij de krokodillen bij elkaar en vertelde hun, dat de Radja de stroom vergiftigen wou en dat hij gezonden was om hun dit mee te delen. O, wat smeekten de krokodillen hem nu, dat hij toch een goed woordje voor hen doen zou bij de Radja. Maar het scheen, dat Kantjil daar in den beginne weinig heil van verwachtte.

Eindelijk zei hij: "Ik zou het kunnen proberen. Gaat eens allemaal naast elkaar liggen, dan kan ik de stemmen tellen!" Goed, ze gingen allemaal naast elkaar liggen, dwars de rivier over. Toen ze daarmee gereed waren, hupte Kantjil van de ene rug op de andere, naar de overkant, al tellende: een... twee... drie... "Dank je wel," zei hij toen vriendelijk, "ik ben nu, waar ik wezen wilde."


* Droog rijstveld, de bomen van het woud worden omgehakt en verbrand, de as dient als mest. Tussen de overgebleven resten wordt gezaaid.

                                          * * * EINDE * * *
Bron : - "Uit het Sagenland. Sagen uit Nederland, Europa, Indonesië, Suriname en de rest van de wereld"
            - opgetekend en bewerkt door Nienke van Hichtum. ISBN: 906158 027 7
foto : Sakurai Midori
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:04 8 reacties Reageer op dit bericht

Tijl Uilenspiegel en de vette soep

Tijl Uilenspiegel en de vette soep
- Een Vlaams schelmenverhaal over een listige oplossing -
Tijl had werk gevonden als knecht bij een schoenmaker. Eens was de schoenmaker naar de markt gegaan en had daar van een boer een partij hout gekocht. Hij liep even naar huis en zei tegen Tijl: "Straks komt er een boer met een partijtje brandhout, laat hem dat netjes in de schuur bergen. Betaald is het al, maar ik heb de boer bovendien een vette soep beloofd; jij kookt die soep en als de boer het hout in de schuur heeft geborgen, dan laat je hem flink z'n genoegen eten. Ik moet nog terug naar de markt, maar zorg dat de boer tevreden is."

"Ja baas; ik begin d'r meteen aan. Maar wat moet ik er in doen, in de soep?"

"Nou, je kijkt de kast maar eens na, er is nog van alles in huis, genoeg om een heerlijk soepie klaar te maken."

Tijl maakte water aan de kook en wierp er van alles in, dat hem geschikt leek: een flinke portie erwten, wat fijngesneden uien, een paar brokken vlees, wat sneden brood en een handvol zout. En dat liet hij maar flink koken. "Het wordt een fijn soepie," dacht hij, "alleen nog wat mager, er moet vet bij, of boter." Hij zocht in alle kasten, en keek overal in de kelder, maar nergens vond hij boter of vet.

Ondertussen was de boer met het hout gekomen en zei: "O, ik ruik mijn soep al. Nou jong, ik heb er trek in, hoor."

"Ja, de baas heeft me gezegd, dat ik voor een stevige soep moest zorgen," zei Tijl.

Terwijl de boer het hout naar de schuur droeg, bleef Tijl maar zoeken naar vet, maar hij vond het niet. Toen kreeg hij ineens een ingeving: hij nam de pot met schoenenwas en deed daarvan een paar flinke scheuten in de soep. De boer zette zich aan tafel en schrokte het ene bord soep na het andere naar binnen. Geen druppel liet hij over, het vet droop hem langs z'n kin.

Net stond de boer op, voldaan over z'n dikke buik strijkend, toen de schoenmaker binnenkwam. "Wel," vroeg-t-ie, "hoe heeft de soep je gesmaakt?"

"Hij was heel goed," zei de boer, "alleen, hij heeft zo'n rare nasmaak, hoe zal ik het nou uitduiden... net een smaak als nieuwe schoenen, zou 'k zeggen."


                                          * * * EINDE * * *
Bron : - "Boek voor de jeugd" Uitgeverij de Arbeiderspers, Amsterdam, 1937.
            - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:13 11 reacties Reageer op dit bericht

Hoe Aldar-Kose de rijke man genas

Hoe Aldar-Kose de rijke man genas
- Een Kazachs volksverhaal over een slimme bedrieger -
"Salemaleikoem!" zo begroette Aldar-Kose eens een herder die een kudde schapen hoedde. De herder was oud en blind en liep in vodden. In zijn handen hield hij twee lange stokken. "Zeg me eens jongeman, lopen mijn schapen ver vooruit?" Hij hield zijn hand boven zijn ogen alsof hij in de verte keek.

"Och vadertje! Als je al zo oud bent en ook niets meer ziet, waarom verhuur je jezelf dan nog als schaapherder? Als de eigenaar merkt dat er één schaap weg is, zwaait er wat voor je!"

"Wat? Je denkt toch niet dat ik mezelf verhuur als herder! Het zijn mijn eigen schapen!"

"Je eigen schapen? Hoeveel heb je er dan?"

"Vierduizend. Maar hier graast alleen de helft."

"Zo te zien is Allah jou goedgezind geweest. En wie zorgt er voor de andere helft?"

"Duizend schapen worden door mijn zoon gehoed. De andere duizend hoedt mijn jongste vrouw, samen met de geiten."

"En je oudste vrouw? Zit die thuis?"

"Welnee! Die verzorgt de koeien. Mijn oudste zoon verzorgt de paarden en mijn schoondochter de kamelen."

"Je bent zo rijk. Waarom huur je dan geen herder in?"

"Wat heb ik daaraan? Een herder zal toch niet zomaar gratis mijn kudden hoeden? Waarom zou ik mezelf ruïneren door mijn herders elk jaar een geit als loon te betalen? Het enige nare is dat ik blind ben geworden. Ik zie geen schaap meer."

"Waarom ga je dan niet naar de dokter en laat je je genezen?"

"Onzin! Een dokter zal mij toch niet voor niets behandelen? Hij zal zeggen dat ik een schaap moet slachten en met de longen mijn ogen bedekken. De vacht en het vlees zal hij zelf houden. Hoe moet ik dat betalen? Nee, ik kan maar beter blind blijven. Trouwens, ze zeggen dat er op de steppe een medicijnman woont. Hij maakt iedereen beter met zijn kruiden en vraagt daar maar één glas yoghurt voor. Maar helaas ben ik hem nog niet tegengekomen," klaagde de oude man.

"Vadertje, dat is nu ook toevallig! Ik ben die medicijnman waar u het over hebt," zei Aldar-Kose.

"O, dat is mooi. Hebt u de kruiden bij u?"

"Natuurlijk! Ik heb kruiden tegen hoofdziekten en kruiden tegen oogziekten."

"Moge Allah je belonen! Genees me," begon de man te smeken.

"Ik moet wel je hoofd en je ogen insmeren met zalf en ze dan verbinden. Wie past er ondertussen op je kudde?"

"Ik zelf, natuurlijk!" antwoordde de rijkaard.

"Maar je moet een tijdje liggen en rust houden. Laat mij ondertussen je schapen hoeden," stelde Aldar voor.

"Wat weet een zwerver als jij van schapen hoeden? Straks laat je ze nog verhongeren. Maar ik heb geen keus, je mag op ze passen. Luister goed: er is één bok die altijd probeert te vluchten. Vang hem, bind hem vast en geef het uiteinde van het touw aan mij. Doe hetzelfde met de hond die de kudde bewaakt. Dan kan ik gerust zijn. En wees nu snel met die kruiden, drink meteen je yoghurt op en maak dan dat je wegkomt."

"Goed," antwoordde Aldar-Kose.

Hij smeerde de ogen van de man in met stinkende teer en de rest van zijn hoofd met hondenpoep. Daarna omwond hij het hoofd strak met een linnen band.

"Nu moet je rusten."

Aldar-Kose deed wat hem gezegd was: hij dronk de yoghurt op en maakte dat hij wegkwam. Maar niet zonder de kudde schapen!


                                          * * * EINDE * * *
Bron : - "Sprookjes uit Kazachstan. Oplichters en andere helden" door Els de Roon Hertoge.
           Koninklijk Instituut voor de Tropen, Amsterdam / Novib, 's Gravenhage, 2000. ISBN: 90-6832-905-7
            - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:10 9 reacties Reageer op dit bericht

De koolhaas in Lochem

De koolhaas in Lochem
- Een spotverhaal over de bijnaam van de Lochemmers -
Heel vroeger werd Lochem geplaagd door hazen die zich te goed deden aan de kool in de moestuinen. Omdat het geweer nog niet was uitgevonden en de Lochemmers heel slecht met pijl en boog wisten om te gaan, maakten zij van strikken gebruik om de hazen te vangen. Maar de vangst was altijd heel sobertjes. De hazen waren blijkbaar slimmer dan de Lochemmers.

Op een morgen ging een inwoner van Lochem weer naar zijn moestuin kijken om te zien hoe de kool er bij stond en zoals gebruikelijk zag hij van veraf al hoe de hazen zich de kool goed lieten smaken. Maar toen viel zijn oog op een verschrikkelijk grote haas, de grootste haas die hij ooit had gezien. Dat geweldige beest at van zijn kool en in zo'n tempo dat er bijna niets meer over was. De man rende de stad in en riep: "Ik heb de moeder van alle hazen in mijn tuin!"

De burgers van Lochem waren ontdaan, maar na de eerste schrik besloten ze toch dat het beest zou moeten worden gevangen. Voorzien van schoppen en hooivorken en alle andere werktuigen die ze bij de hand hadden togen de burgers zwaar bewapend naar de tuin waar de verschrikkelijke koolhaas was gezien. En ja hoor, bij de tuin aangekomen zagen ze dat het beest nog steeds zat te eten. Ze dronken zich wat moed in en gingen op het dier af. Toen het beest echter al die mensen op zich afzag komen gaf het een rare schreeuw waarvan de mannen zo schrokken dat ze ijlings de benen namen. Een van hen echter, die niet zo hard kon lopen, keek in zijn angst achterom en zag dat het beest in de kool lag te spartelen. Weer besloot men het dier te besluipen en na een hartig slokje had iedereen weer de nodige moed. Dichtbij gekomen zagen de mannen dat het dier een poot had gebroken en toen waren ze niet bang meer. De grote koolhaas werd nu snel gedood.

In optocht gingen de fortuinlijke jagers naar de stad. Zij hadden de 'moeder van alle koolhazen' immers gevangen. Het stadsbestuur besloot dat dit gevierd moest worden en alle inwoners werden uitgenodigd voor een maaltijd waarvan de hoofdschotel werd gevormd door de gevangen haas. Hoewel het vlees bij nader inzien niet zo mals was als van een haas mag worden verwacht, liep het feest toch goed af en de Lochemmers zouden als helden de geschiedenis zijn ingegaan als niet het volgende was gebeurd.

Op een boerderij, ver buiten Lochem, had men een ezel die daar op het land hielp bij het werk. Hij vluchtte op een dag uit zijn stal en liep door de uitgestrekte heidevelden. Toen hij bij de moestuinen van de Lochemmers kwam deed hij zich te goed aan de kool die daar in ruime mate aanwezig was. Toen hij echter al die bewapende mensen op zich af zag komen schrok hij zo geweldig dat hij luidkeels balkte. Een geluid waarvoor de mannen van Lochem op de loop gingen. Toen de ezel wilde weglopen struikelde hij en brak zijn poot. Helemaal weerloos werd hij toen door de mannen afgemaakt.

Toen dit verhaal buiten Lochem bekend werd, werden de Lochemmers, die bijna naast hun schoenen liepen van trots, vreselijk geplaagd, terwijl de nakomelingen van deze helden de naam 'koolhazen' kregen.


                                          * * * EINDE * * *
Bron : - "Spokerijen in Gelderland. Verhalen over reuzen, heksen, witte juffers, weerwolven, ridders en jonkvrouwen uit de 'Geldersche Volks-Almanak' van 1835 tot 1904, 1942 en 1947"
opnieuw verzameld en bewerkt door Ria Lissenberg-Hörter.
           Europese Bibliotheek, Zaltbommel, 1974.
            - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:21 11 reacties Reageer op dit bericht

Vrijgeviger dan een vorst

Vrijgeviger dan een vorst
- Een volksvertelling uit Kirgizië over vrijgevigheid -
In de tijd dat koning Jamasch nog regeerde over het land van de Kirgiezen leefde er een man die alles wat hij bezat met het grootste gemak afstond aan anderen. Als vreemde reizigers bij hem aanklopten waren ze dadelijk welkom. Als iemand hem iets vroeg, werd het niet geweigerd.

Deze zeldzame vrijgevigheid bleef voor niemand verborgen. Ook koning Jamasch hoorde van de goedgeefse Amitei. De koning vond: "Niemand prijst mij om wat ik aan anderen schonk en ik ben als koning toch niet karig met mijn gunsten." Hij zond boodschappers naar Amitei. Ze moesten Amitei om zijn paard vragen.

Nu kwam het zo uit dat de boodschappers bij Amitei aankwamen in het hartje van de winter, zodat Amitei geen voedsel kon halen buiten zijn huis voor de onverwachte gasten die van de lange reis door de koude moe en hongerig waren geworden. Daarom slachtte hij zijn paard. Hij zette zijn gasten het vlees van het paard goed gebraden voor.

Pas na de maaltijd vertelden de boodschappers waarvoor ze naar Amitei waren gekomen. Toen hij dat hoorde sprongen Amitei de tranen in de ogen. "Ik kan mijn paard niet aan de koning schenken," zei hij. "Het paard is er niet meer. Gisteren wist ik nog niet wat mij vandaag gevraagd zou worden. Vandaag wist ik alleen dat ik geen vlees in huis had. Dus slachtte ik mijn paard."

De boodschappers reden terug naar de koning en brachten hem verslag uit. De koning begreep nu dat de goedgeefsheid van Amitei geen grenzen kende en dat verbitterde hem. De jaloezie en de nijd van koning Jamasch kenden geen grenzen. Het kwam zover dat hij een beloning uitloofde voor degene die hem het hoofd van Amitei zou brengen.

Een schurk die deze beloning wilde verdienen, ging op zoek naar het huis van Amitei. Hij slaagde er niet in dat afgelegen huis te vinden. Op een avond klopte deze schurk uitgeput aan bij een Kirgies om voedsel en onderdak te vragen. De bewoner van het huis waar hij had aangeklopt, verleende hem onmiddellijk gastvrijheid, was heel vriendelijk, gaf hem rijkelijk te eten en te drinken en maakte een warm bed voor hem klaar.

De volgende morgen vertelde de gast aan zijn gastheer dat hij op zoek was naar Amitei, dat hij opdracht had om Amitei te doden en zijn hoofd in te leveren bij de koning. Hij besloot met te vragen: "Wie zou me kunnen helpen deze Amitei te vinden?"

De gastheer zei hierop geen woord. Hij ging een scherp zwaard halen en bood het zijn gast aan. Hij zei: "Ikzelf ben Amitei." Hij boog zijn hoofd en wachtte op de zwaardhouw waarmee de gast zijn hoofd zou scheiden van zijn lichaam. De gast was echter zo onder de indruk van de grenzeloze gastvrijheid van Amitei dat hij het zwaard niet tegen hem ophief.

Zo gebeurde het dat de man die uitgetrokken was om een moordenaar te worden als een vriend van de man die hij had willen vermoorden, terugkwam bij koning Jamasch. Hij vertelde koning Jamasch wat hem was overkomen. Door dat verhaal smolt de jaloezie van koning Jamasch als sneeuw in de bakkersoven en hij sprak: "Ik ben als koning vrijgevig op grote schaal, maar mijn hoofd gun ik toch aan geen ander. Ik beken het eerlijk: Amitei overtreft in vrijgevigheid zijn vorst."


                                          * * * EINDE * * *
Bron : - "Sprookjes en vertellingen uit Rusland" vertaald en bewerkt door Hans Werner.
           Deltos Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1972. ISBN: 90-10-30122-2
            - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:11 15 reacties Reageer op dit bericht

De jonge I Tjing geleerde

De jonge I Tjing geleerde
- Een Chinees moralistisch verhaal over de I Tjing -
Er was eens een jonge geleerde die zich in een bergtempel in het zuiden van het grote Chinese land had teruggetrokken om te studeren. Het was zijn bedoeling om het oude boek der wijsheden uit zijn hoofd te leren zodat hij de mensen met goede raad te woord kon staan. In die streek werd de I Tjing veel gebruikt door de eenvoudige boeren. Als zij een dringende vraag hadden gooiden ze zes keer drie munten op een tafel, elke worp leverde een teken op en die zes tekens bij elkaar een teken dat het antwoord was op de vraag. Dit antwoord stond in het grote boek en dan moesten knappe mensen de boeren helpen, want die konden niet lezen.

Op een warme avond aan het begin van de herfst zat de geleerde op het binnenplein van de koelte te genieten. Hij was heel tevreden over zichzelf omdat hij die dag aan de burgemeester van het dorp een heel mooie uitleg had geven over een vraag aan het orakel. De burgemeester had de muntjes geworpen en het antwoord van het boek was het teken van de wind en de macht. De geleerde vertelde dat dit teken betekende dat de mens de natuur kan overwinnen door hard te werken.

Zo zat de wijze man soezend in de avondzon en droomde van een belangrijke plaats bij de grootste geleerden van het land. Plotseling hoorde hij een windstoot en de poort van de tempel waaide wijd open. Er kwam een monster uit dat eruit zag als een menseneter. Het was tien voet lang en ging op het dak zitten. Zijn gespreide benen waren zo dik als boomstammen, zijn haar zag eruit als een graspol.

De geleerde verborg zich in zijn kamer, deed de deur dicht en kroop in zijn bed. Krak, daar ging de deur open en het monster kwam blazend het vertrek binnen dat door een lamp werd verlicht. Zijn gezicht was verscheidene voeten lang en zwart als rook en steenkool. Hij liep op het bed toe. In zijn doodsangst nam de man, die zich geen raad meer wist, een zwaard en wilde het hem in de buik stoten, maar het schampte knarsend af als op harde steen. Toen werd de geest kwaad, rukte hem het zwaard uit de hand en brak het alsof het een dorre twijg was. De man kroop onder de dekens en de geest greep naar hem met zijn reusachtige vuist alsof hij naar een mug of een vlo greep. Maar omdat zijn vingers te lomp waren, wist de man hem te ontwijken en verborg zich onder het bed. Zo kwam het dat de geest slechts de deken in zijn hand had toen hij wegging.

Toen de ochtend aangebroken was, keerde de geleerde ijlings naar huis terug en durfde niet meer in de bergtempel te komen.


                                          * * * EINDE * * *
Bron : - Dit sprookje is een vrije bewerking van het sprookje "De bergelf" dat verscheen in bundel "Chinese sprookjes"
            (een uitgave van Bruna, 1973).
            - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:05 8 reacties Reageer op dit bericht

Midherfstfeest

Midherfstfeest
- Een Chinees verhaal over 10 zonnen -
Het verhaal gaat dat in het verre verleden er tegelijkertijd tien zonnen aan de hemel stonden die de aarde zo verschroeiden dat de rook eraf sloeg, het gewas verdorde en de mensen het leven dreigden te verliezen.

In die tijd leefde er een held genaamd Yi, wiens kracht onuitputtelijk was. Hij kon een stijve boog van tienduizend pond spannen en hij kon grote slangen en wilde dieren neerschieten. Uit medelijden met het arme volk spande hij zijn boog, mikte, en schoot in één schot negen zonnen naar beneden.

Pas toen de laatste zon schuld bekende en smeekte om genade, onderdrukte Yi zijn woede en borg hij zijn boog weg, en hij gaf die zon het strenge bevel om 's ochtends op te komen, 's avonds onder te gaan en de mensen tot zegen te zijn. Vanaf toen was Yi's naam op de hele wereld beroemd en iedereen was vol achting.

Later trouwde hij een vrouw die Chang E heette. Zij kon zingen en dansen en was bijzonder mooi. De beide echtgenoten waren vervuld van wederzijdse liefde en hun leven was volmaakt gelukkig. Chang E had een goed hart en van het wild dat haar man op jacht had geschoten gaf ze ook steeds wat aan de buren zodat alle buren Yi prezen omdat hij zo'n goede vrouw had getrouwd.

Op een dag, toen Yi op jacht wilde gaan, ontmoette hij bij toeval een oude priester. Deze, vol bewondering voor Yi's goddelijke kracht, schonk Yi een onsterfelijkheidsmedicijn als beloning voor wat hij voor het volk had gedaan. Hij vertelde hem dat, als hij dit zou eten, hij als een onsterfelijke ten hemel zou varen! Maar Yi kon zijn teerbeminde vrouw niet in de steek laten - hij wilde niet alleen ten hemel varen. Weer thuis gaf hij het medicijn aan Chang E en zei haar het op te bergen.

Omdat Yi door het neerschieten van de zonnen beroemd was geworden waren er niet weinig mensen die aangelokt door zijn roem bij hem kwamen om bij hem in de leer te gaan. Zo was er ook iemand die Peng Meng heette en een leerling was geworden van Yi. Deze Peng Meng oogde van buiten eerlijk en trouw maar was van binnen vals en gemeen. Zodra hij hoorde dat Yi een onsterfelijkheidsmedicijn bezat, wilde hij dat stelen om het op te eten en als een onsterfelijke ten hemel te varen.

Op de vijftiende dag van de Achtste Maand van dat jaar was Yi met zijn leerlingen op jacht gegaan. Tegen de avond glipte Peng Meng stiekem weg. Hij drong de slaapkamer van Yi binnen, waar hij eerst, een en al glimlach, probeerde Chang E te verleiden en vervolgens trachtte haar met geweld te dwingen hem het onsterfelijkheidsmedicijn te overhandigen.

Chang E was een zwakke vrouw alleen. Ze wilde wel roepen om haar man maar die was nog niet terug van de jacht. Zou ze zelfmoord plegen, dan kreeg die schurk het onsterfelijkheidsmedicijn toch nog in handen! Ten einde raad haalde Chang E, toen Peng Meng er even niet op bedacht was, het onsterfelijkheidsmedicijn te voorschijn en slikte het zelf in! In een oogwenk werd ze zo licht als een zwaluw, ze vloog door het raam naar buiten en zwevende steeg ze omhoog naar de hemel tot ze aankwam in het Maanpaleis.

Toen Yi dit na thuiskomst hoorde, stormde hij naar buiten. Hij zag de maan aan de hemel: ze leek nog helderder en ronder dan wanneer ook, alsof zijn teerbeminde vrouw naar hem keek. Hoe groot zijn kracht ook was, toch kon hij de hemel niet bestijgen en hij was ten prooi aan verdriet. De buren zeiden dat als Chang E naar het Maanpaleis kon vliegen ze beslist ook terug kon komen en ze moedigden Yi aan om geduldig te wachten.

De avond van de vijftiende dag van de Achtste Maand van het volgende jaar brak aan, de dag waarop Chang E een jaar daarvoor gevlucht was naar de maan. Yi en zijn buren hoopten vol verlangen op de terugkeer van Chang E, en daarom namen ze allerlei ronde vruchten en maakten ze ronde koeken, die ze op de binnenplaats uitstalden om aan Chang E te tonen hoezeer ze een hereniging wensten.

Op deze manier wachtten ze jaar in jaar uit, maar Chang E is nooit teruggekomen. Uiteindelijk werd het een gewoonte. Omdat deze dag valt op Midherfst, noemt men het het Midherfstfeest.


                                          * * * EINDE * * *
Bron : - wikipedia
            - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 6 reacties Reageer op dit bericht

De vierde wake van de maan

De vierde wake van de maan
- Een Chinees verhaal over de volle maan -
In het gebied van Qingpu zegt men dat men op de vijftiende dag van de Achtste Maand (de dag van het Midherfstfeest) tot en met de vierde nachtwake moet genieten van de maan - maar waarom tot en met de vierde wake?

Het verhaal gaat dat er heel lang geleden in Liutian in Qingpu een familie Yang heeft gewoond, die een toekomstige schoondochter genaamd Yao Liujie in huis hadden genomen. Op haar zevende was ze al in huis gekomen bij de Yangs, en haar schoonmoeder dwong haar dag in dag uit om al in de vijfde wake, nog in het schemerduister, op te staan: ze veegde de haard, leegde de plee, en 's nachts moest ze nog katoengaren spinnen!

Tijdens de nacht van de vijftiende van de Achtste Maand van een zeker jaar scheen de maan helder, terwijl een licht briesje verkoeling bracht. De hele familie zat bij elkaar op de binnenplaats van het huis om te genieten van de maneschijn, maar de schoonmoeder zei tegen haar schoondochter: "Nu de maan vannacht zoveel licht geeft, kun je best wat meer garen spinnen!" En terwijl ze dat zei reikte ze haar zeven-en-een-half pond katoen aan. Yao Liujie durfde niets terug te zeggen, ze haalde haar spinnewiel uit de kamer en liet het snorren.

Toen later de stilte van de nacht was ingetreden en alle anderen naar binnen waren gegaan om te slapen was op de binnenplaats alleen Yao Liujie overgebleven, die zo moe was dat haar ogen voortdurend dichtvielen. Maar ze probeerde hardnekkig ze open te houden en terwijl ze een liedje neuriede liet ze onophoudelijk haar spinnewiel snorren. Zonder dat ze er erg in had sukkelde ze toch in slaap, zodat haar hoofd op het spinnewiel viel. Toen ze daardoor wakker schrok zag ze aan de stand van de hemel dat het al bijna de vierde wake was! En toen ze naar haar katoen keek zag ze dat ze nog tweeëneenhalf pond had! "Verschrikkelijk! Vannacht mag ik onder geen voorwaarde meer in slaap vallen!" Yao Liujie werd van al dat gepieker heel bedroefd en tranen druppelden uit haar ogen.

Opeens hoorde ze aan de hemel suizend de wind opsteken en toen ze omhoog keek kwam uit de maan een drakenboot naar buiten, die zwevend voortgeroeid werd door de lucht en op haar toekwam. De boot zat vol met oude onsterfelijken, elk van hen had een babygezicht en witte haren, terwijl boven hun hoofd bonte wolken dreven.

Yao Liujie was bang dat haar ogen haar bedrogen en haastig wreef ze goed haar ogen uit om nog eens te kijken. De onsterfelijken schaterden van plezier en wuifden en riepen naar haar. Het leek wel alsof ze haar wilden zeggen het spinnewiel naar binnen te dragen en zelf vlug te gaan slapen. Maar Yao Liujie dacht: "Ik ben nog niet klaar met het spinnen van mijn katoen en ik ben het die morgenochtend een pak slaag krijgt - niet jullie onsterfelijken!" En met gebogen hoofd bleef ze spinnen, zonder verder nog een blik te werpen op de drakenboot. Ze werd toen niet meer geroepen, de maan was verduisterd, en de wind begon harder, steeds harder te waaien.

Toen ze opnieuw opkeek waren - o hemel! - de onsterfelijken opeens veranderd in de Hellekoning en zijn duivels, en ze schrok zo dat ze als een schicht haar spinnewiel opnam en naar binnen vluchtte.

De hele nacht kon Yao Liujie van schrik en angst niet slapen en de volgende dag was ze ziek. Zodra haar schoonmoeder was opgestaan en had gezien dat nog niet alle katoen was gesponnen, sleurde ze zonder om uitleg te vragen haar schoondochter overeind om haar links en rechts een oorvijg te verkopen. Vervolgens holde ze naar de woonkamer om het spinnewiel te halen en voor haar bed te zetten, maar ze kreeg het spinnewiel niet van zijn plaats. Ze zag dat de kamer schitterde in het schijnsel van puur goud! Want de drakenboot was een schat uit het Maanpaleis, die ieder jaar in de nacht van het Midherfstfeest éénmaal verschijnt. Wanneer iemand hem ziet en op dat moment iets naar binnen brengt, dan verandert dat, wat het ook is, in goud.

Toen de schoonmoeder besefte dat haar schoondochter zo iemand was, behandelde ze haar voortaan beter. Vanaf die tijd is het in die streek een gebruik dat men op het Midherfstfeest tot de vierde wake moet genieten van de maan, en het doel daarvan is om uit te kijken naar de drakenboot. Maar niet iedereen, zeggen de oude mensen, kan deze boot zomaar zien - alleen de allerijverigsten!


                                          * * * EINDE * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Feestverhalen uit verschillende tradities"
           Lemniscaat BV, Rotterdam, 1990.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 9 reacties Reageer op dit bericht

De jager en de draak

De jager en de draak
- Een kort Fins volkssprookje over een sprekende boom -
Een jager trok het woud in, verdwaalde en raakte aan de oever van een ontzagwekkend groot meer verzeild. Uit het meer verrees een reusachtige draak die op bevende toon smeekte: "Niet schieten, alsjeblieft!" Sidderend van angst schreeuwde de man: "Waarom zou ik jou niet doodschieten? Als ik 't niet doe vreet je me geheid op!" - ""Welnee, man, ik vreet jou niet op," brulde de draak in paniek, "laat me alsjeblieft bij je komen! Kijk, ik word achternagezeten door een andere draak die mij wil opvreten! Daar moet je op schieten, en mik op de witte vlek op zijn borst!"

En ja hoor! Daar verhief een tweede draak zich briesend en met veel misbaar uit het onheilspellende meer. De jager vuurde op de witte vlek, en met een door merg en been snijdend gekerm liet het monster het leven.

De eerste draak beende het water in en slokte hem gulzig op. Vervolgens verzocht hij de man plaats te nemen op zijn rug, maar die vertrouwde het zaakje nog steeds niet. "Ga nou zitten en wees niet bang, man, ik breng je alleen even thuis!" De man klom op zijn rug. "Het is maar vijf werst naar je dorp," zei de draak, "kom, laat mij eens even in je mond blazen."

De man, die nu helemaal niet meer wist hoe hij het had, wierp zich wenend op de knieën, maar de draak zei: "Je hoeft niet te huilen, vriend, ik wil je alleen maar een dienst bewijzen en je heel erg knap maken."

Toen deed de man wat hem gezegd werd, en hij werd uitzonderlijk snugger. Thuisgekomen sprak hij tot zijn broers: "Hup jongens, span de paarden aan, we gaan een gouden schaal uit het bos halen!" Ze reden het woud in, maar toen ze een halve dag onderweg waren begonnen zijn broers van: "Sufferd, wat bezielt je eigenlijk om ons op zo'n onzinnige expeditie mee te nemen?" Eensklaps sprak een grote boom met ruisende stem: "Hier, onder mijn wortels, ligt de gouden schaal..."

Ze groeven de gouden schaal uit de grond, togen naar huis, en toen ze daar het deksel van de schaal lichtten zagen ze dat die boordevol goudstukken zat! De broers spanden als de bliksem de paarden weer aan, raceten het bos in en velden daar de boom. Deze sprak: "Gebruik mij als deurpost." Dat deden ze, en ziet, het aantal paarden en koeien op de boerderij vermeerderde zich wonderbaarlijk en het brood in de provisiekast raakte nooit meer op.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Sprookjes uit Finland en Estland" bijeengebracht door August von Löwis of Menar.
           A.W. Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen, 1979.
           Oorspronkelijke titel: Finnische und Estnische Märchen © 1962 Eugen Diederichs Verlag Düsseldorf-Köln.
           ISBN: 90-229-3311-3
           - www.beleven.be
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:13 7 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten