Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: volksverhalen

Zonnescherm en sandalen

Zonnescherm en sandalen
- Een Indiaas verhaal over bescherming tegen de hitte van de zon -
Lang geleden leefde er een heilige kluizenaar, die Jamadagni heette. Dag aan dag oefende hij zich in het boogschieten en zijn vrouw Renuka raapte dan de pijlen op en bracht ze hem terug.

Nadat Jamadagni op een morgen in de heetste tijd van het jaar al zijn pijlen verschoten had, zei hij tegen Renuka: "Ga, schoonogige, en haal de pijlen terug, zodat ik ze opnieuw kan gebruiken."

Renuka ging, maar de zon brandde zo fel op haar hoofd en verschroeide haar voeten zo erg, dat ze wel even moest rusten in de schaduw van een broodboom. Maar lang durfde ze toch niet te blijven zitten, uit schrik voor de toorn van haar man. Ze zocht haastig de pijlen bijeen en keerde naar huis terug, bekommerd van hart en met pijnlijke voeten. Bevend naderde ze haar echtgenoot.

Die riep woedend tegen zijn bevallige vrouw met ronde dijen en ronde borsten: "Waar ben je zo lang gebleven, Renuka?"

Daarop antwoordde de onberispelijke vrouw: "Mijn hoofd en mijn voeten werden verzengd door de stralen van de zon. Uitgeput door de hitte heb ik even gerust in de schaduw van een broodboom. Daardoor ben ik wat te laat. Wees niet boos op mij."

Terwijl zijn ogen koperkleurig van woede werden, riep Jamadagni: "Vandaag nog zal ik de zon, die je met haar stralen zo gekweld heeft, met mijn onfeilbare pijlen doorboren!" En hij greep pijl en boog, en terwijl hij boos naar de zon keek, bestudeerde hij haar loop.

Toen de zonnegod Surya dit merkte, kwam hij naar hem toe in de gedaante van een welonderwezen brahmaan. En hij vroeg: "Waardoor heeft de zon je mishaagd? Het is de zon die de vochtigheid van de aarde opzuigt en ze in de vorm van regen weer op haar laat neerdalen. Daardoor komen bladeren, vruchten, kruiden en groenten tot wasdom. Hoe zou de mens zich kunnen voeden, als er geen zon bestond? En welk wezen kan er zonder voedsel bestaan? Wat zou je er mee winnen, als je de zon vernietigt?"

Maar ondanks die wijze woorden van Surya bleef Jamadagni wraaklustig in zijn gemoed en was hij vast van plan zijn voornemen uit te voeren.

Toen kwam de zonnegod in de gedaante van een andere brahmaan bij hem. En hij zei: "De zon is voortdurend in beweging. Je zult haar nooit kunnen treffen!"

Maar Jamadagni antwoordde: "Midden in de dag schijnt u een ogenblik stil te staan. Dan zal ik u doorboren met mijn pijlen."

"Je hebt me dus herkend," sprak de zonnegod teleurgesteld. "Maar kijk, nu sta ik hier als smekeling voor jou en ik vraag je om bescherming tegen mijn belager!"

Daarop antwoordde de heilige Jamadagni met een glimlach: "Nu hoeft u niets meer te vrezen. Wie zou immers een smekeling kunnen doden? Maar bedenk dan zelf een middel waarmee de mensen zich kunnen behelpen, als uw stralen op hen branden."

En toen gaf de duizendstralige zonnegod Sürya hem een zonnescherm en een paar lederen sandalen ten geschenke.


                                          * * * EINDE * * *
Bron : - "Mahabharata" door Krishna Dvaipayana Vyasa. Vertaald en bewerkt door H. Verbruggen.
           Mirananda, Den Haag, 1991. ISBN: 90-6271-815-9
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:19 18 reacties Reageer op dit bericht

De weg naar Samarra

De weg naar Samarra
- Een Arabisch verhaal over een man die opgehaald wordt door de Dood -
Een koopman uit Bagdad stond op een dag in zijn tuin te werken, toen zijn lievelingsbediende naar hem toe kwam. Het gezicht van de man was lijkbleek, zijn handen trilden en hij stond te wankelen op zijn benen.

De koopman liep vlug naar de bediende toe. Hij bracht hem naar een bank in de schaduw, haalde water voor hem uit de fontein en ging naast hem zitten.

"Wat scheelt eraan?" vroeg hij. "Ben je ziek?" De bediende schudde zijn hoofd. "Wat is er dan? Zeg het maar als je kunt."

Ten slotte begon de man praten. "Meester," zei hij, "vanmorgen stuurde u me naar de markt om eten te kopen voor vanavond."

De koopman knikte. "Dat klopt. Ben je geschrokken van iets op de markt?"

De man huiverde. "Ik zag daar de Dood staan. Hij keek me recht in mijn ogen! Meester, leen me een paard zodat ik weg kan rijden van hier, ver weg, naar een plek waar de Dood me niet zal vinden." De koopman mocht zijn dienaar graag, dus bracht hij er niets tegenin. Hij zei: "Haal het beste paard van stal. Rij waarheen je wilt en blijf er zo lang het je daar bevalt. Maar waar ga je heen?"

"Ik heb een neef in Samarra," zei de bediende. "Daar ga ik heen. Dat is ver genoeg."

De koopman bracht zijn dienaar naar de stal en hielp hem zijn mooiste paard zadelen, want de handen van de man trilden zo erg dat hij het in zijn eentje niet zou hebben klaargespeeld. De koopman gaf zijn bediende eten en geld voor onderweg en zwaaide de man uit toen die in galop naar Samarra vertrok waar de Dood hem niet zou vinden.

De koopman ging naar de markt en zag dat de Dood zich nog steeds in de menigte bevond. Hij zag dat niemand hem durfde aan te kijken en dat de mensen met een grote boog om hem heen liepen.

De koopman was een wijze man en niet bang om oog in oog met de Dood te staan. Hij ging naar hem toe en vroeg: "Waarom heb je mijn bediende zo bang gemaakt toen hij vanmorgen hier kwam?"

De Dood glimlachte. "Heb ik hem bang gemaakt?" vroeg hij. "Het spijt me, ik wilde hem niet recht in zijn ogen kijken. Maar ik was zo verbaasd dat ik hem hier in Bagdad zag, terwijl ik wist dat ik hem vanavond in Samarra moest halen."


                                          * * * EINDE * * *
Bron : - "De ruiter zonder hoofd en andere griezelsprookjes" naverteld door Maggie Pearson.
           Uitgeverij De Eekhoorn, Oud-Beijerland, 2001. ISBN: 90-6056-851-6
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:13 10 reacties Reageer op dit bericht

Het verlies van verdriet

Het verlies van verdriet
- Een boeddhistisch verhaal over treuren om vergankelijkheid -
Eens werd de Bodhisattva geboren in het huis van een landeigenaar. Knaap Sujata noemden ze hem. Toen hij al een grote jongen was, stierf zijn grootvader.

Sujata's vader, na de dood van zijn vader overmand door verdriet, haalde de beenderen van de verbrandingsplaats. Hij richtte in zijn eigen park een lemen grafheuvel op en na de beenderen daar begraven te hebben tooide hij telkens als hij daar kwam de grafheuvel met bloemen.

Niet bij machte zijn gedachten te verzetten jammerde hij, hij baadde niet en wreef zich niet in met oliën, hij at niet en behartigde zijn zaken niet. Hem aanziende dacht de Bodhisattva: "Mijn vader wordt sinds de dood van m'n grootvader gekweld door verdriet. Ik ben de enige die hem daarvan kan genezen, ik zal hem met een list van zijn verdriet verlossen."

Toen hij buiten de stad een dode koe zag liggen, haalde hij gras en drinkwater, legde dat de koe voor en zei: "Eet, eet! Drink, drink!" Voorbijgangers die hem zagen, zeiden: "Beste Sujata, ben je niet goed wijs, je geeft gras en water aan een dode koe!" Hij zei geen woord terug. Daarop gingen die mensen naar zijn vader en zeiden: "Je zoon is gek geworden, hij geeft gras en water aan een dode koe." Toen hem dat bericht werd, verdween het verdriet van de landeigenaar om zijn vader en rees er bezorgdheid over zijn zoon. Hij snelde toe en zei: "Lieve Sujata, ben je niet bij je verstand, waarom geef je gras en water aan een dode koe?" en hij sprak twee verzen:
"Waarom dan toch maai je haastig het groene gras af,
Momp'lend: eet, eet, tegen een oude koe
waaruit het leven geweken is?
Want door geen voedsel of drank
kan een dode koe zich verheffen
En je praat vergeefs tegen haar - zó dom ben jij!"
Daarop antwoordde de Bodhisattva met de verzen:
"Zoals vroeger is daar nog het hoofd,
zijn er de voor- en achterpoten en de staart,
En zijn daar nog de oren: me dunkt - de koe kan opstaan!
Van mijn grootvader is geen hoofd,
zijn geen handen en voeten meer te zien -
Gij, die jammert op een lemen grafheuvel - zijt gij niet dom?"
Dit horende dacht de vader van de Bodhisattva: "Mijn zoon is wijs, hij weet de juiste houding ten opzichte van deze wereld en de wereld van de overzijde - om mij tot rede te brengen haalde hij dit stukje uit!" En hij zei: "Lieve, verstandige Sujata, ik begrijp nu dat al wat ontstaan is ook voorbijgaat, van nu af aan zal ik niet meer treuren. Iemand als jij mag met recht heten: een zoon die zijn vaders verdriet wegneemt!" En daarop zong hij zijn zoons lof:
"Waarlijk, mij die brandde gelijk een met botervet begoten vuur
Als met water besprenkelend, doofde je heel mijn verdriet.
Waarlijk, de pijl, die in mijn hart was gestoken, trok je uit,
Jij die mij, toen ik boordevol verdriet was,
van het verdriet om de vader genas.
Nu de pijl is verwijderd, ben ik vrij van verdriet en zorgeloos,
Ik treur noch jammer meer, naar jou luisterend, knaap.
Zo handelen wijzen, die vol mededogen zijn,
Zij helpen anderen af van verdriet, zoals Sujata zijn vader."
                                          * * * EINDE * * *
Bron : - "Ongrijpbaar is de Ganges; verhalen uit het Pali" vertaald en ingeleid door Tonny Scherft.
           Meulenhoff, Amsterdam, 1981, De Oosterse Bibliotheek, deel 18.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:15 18 reacties Reageer op dit bericht

Een spiegel en een bel

Een spiegel en een bel
- Een Japans verhaal over een nieuwe bel voor een boeddhistisch klooster
Toen de priesters van Mugenyama voor hun tempel een grote bel nodig hadden, vroegen ze de vrouwen in de omgeving om hun oude bronzen spiegels te geven, zodat ze die konden omsmelten.

Honderden spiegels werden voor dit doel geschonken, en allemaal waren ze van harte gegund, behalve één: die spiegel was afkomstig van een boerenvrouw. Direct nadat ze haar spiegel aan de priesters had gegeven kreeg ze daar spijt van. Ze bedacht hoe oud de spiegel was, hoe hij de lach en de tranen van haar grootmoeder had weerkaatst, en zelfs die van haar overgrootmoeder. Elke keer dat de boerenvrouw naar de tempel ging, zag ze haar afgedankte spiegel in een grote hoop achter een hekje liggen. Ze herkende hem aan de tekening op de achterkant, die bekend staat als de Sho-Chiku-Bai, oftewel de drie emblemen van de pijnboom, de bamboestengel en de pruimenbloesem. Ze wilde dolgraag haar arm uitstrekken door het hek om haar beminde spiegel terug te stelen. Haar ziel was in de spiegelende voorzijde, en vermengde zich met de zielen van degenen die erin gekeken hadden nog voor zij geboren was.

Toen ze bezig waren om de bel voor Mugenyama te maken, ontdekten de belgieters dat een van de spiegels maar niet wilde smelten. Ze zeiden dat dat kwam omdat degene die de spiegel had geschonken daar achteraf spijt van had gekregen, waardoor het metaal hard geworden was, zo hard als het hart van de zelfzuchtige vrouw.

Al gauw wist iedereen wie de geefster was van de spiegel die niet wilde smelten. Boos en beschaamd verdronk de boerenvrouw zichzelf, maar eerst schreef ze een briefje met de mededeling: "Als ik dood ben zullen jullie de spiegel kunnen smelten, en je bel kunnen gieten. Mijn ziel zal komen tot degene die de bel zo hard slaat dat hij breekt, en aan hem zal ik grote rijkdom brengen."

Toen de vrouw dood was smolt haar spiegel onmiddellijk, de bel werd gegoten en opgehangen op de gebruikelijke plaats. Veel mensen hadden gehoord van de laatste geschreven boodschap van deze overleden boerenvrouw, en massa's mensen kwamen naar de tempel, en één voor één beukten ze zo hard als ze maar konden op de bel, in de hoop dat die zou breken, om daardoor een enorme rijkdom te verwerven.

Dag na dag ging het door, en uiteindelijk werd de herrie zo onverdraaglijk, dat de priesters de bel in het moeras gooiden, waar hij nog altijd aan het zicht onttrokken ligt.


                                    * * * EINDE * * *
Bron : - "Japanse sprookjes" samengesteld en vertaald door drs. L. Oosterhout.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1997. ISBN: 90-389-0646-3
           - foto : www.museumkennis.nl
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 14 reacties Reageer op dit bericht

De kracht van het willen

De kracht van het willen
- Een boeddhistisch verhaal over Tipoerna en Sri Tunmpa -
Tipoerna was een jongeling van 16 jaren uit Domba, gelegen in oost Tibet. Zijn vader was een welgestelde boer en de plannen voor een aanstaand huwelijk waren al in volle gang. Tipoerna was voorbestemd het familiekapitaal over te nemen en zijn vaders rol in de toekomst over te nemen. Tipoerna zelf had andere plannen.

Vlakbij, aan de oostkant van de landerijen stond het Lum Dunga Klooster. Een klein klooster met 20 monniken die altijd vrolijk waren. Tipoerna had vriendschap gesloten met Lama Kisanda, een oude man die niet zelf meer kon lopen en daar hielp Tipoerna hem dan bij.

Tegen Kisanda durfde de jongeling zijn dromen te vertellen. Hij wilde de wereld intrekken om spirituele kennis op te doen. Hij wilde niet trouwen, niet het familiekapitaal overnemen en geen boer worden.

Kisanda vertelde na een jaar deze verhalen aangehoord te hebben over Sri Tunmpi, een yogi die in centraal Tibet woonde en soms jongelingen aannam om deze op te leiden. Uiteindelijk besloot de jongen van huis weg te keren, en Tunmpi te bezoeken.

Na een reis van twee maanden kwam de jongeling in het dal waar Sri Tunmpi huisde. Om er achter te komen wat voor man Tunmpi was, vroeg hij de plaatselijke verkoper wat hij moest doen om in de gunst van de yogi te komen. "Koop jezelf nieuwe kleren en een band voor je haar. Was je en koop een ceremonieel kleed voor de yogi."

De volgende morgen ging hij op weg. Echter aangekomen bij de yogi, toonde deze geen enkele interesse in de jongen. Teleurgesteld trok deze weer naar het pension waar hij verbleef en bekommerde zich bij de vrouwe des huizes.

"Weet je wat je moet doen," zei de vrouw, "je moet hem laten zien dat je uit een welgestelde familie komt. Schenk hem een geit, een os en een zak tsampa (gemalen gerst), dan zal hij je wel aannemen."

De volgende dag ging de jongeling met zijn giften wederom op weg. Maar weer toonde de yogi geen enkele interesse. En weer keerde de jongen somber terug. Eenmaal thuis beklaagde hij zich bij een paar andere gasten.

"Weet je wat je moet doen," zeiden deze, "je moet laten zien dat je een belezen figuur bent. Dat je al een heel eind op weg bent, dat je van veel dingen afweet."

Maar ook de volgende morgen was de yogi niet geïnteresseerd naar de intellectuele redevoeringen van de jongen. En ook die dag daarop gaf de yogi geen krimp toen de jongeling hem een uitgebreide maaltijd serveerde, en ook toen hem verteld werd dat de jongen veel arme mensen een aalmoes gegeven had, bleef Sri Tunmpi in diepe meditatie.

Na weken proberen gaf de jongeling het op. Hij pakte zijn spullen om naar het ouderlijk huis te gaan. Hij zou de wens van zijn vader accepteren. Hij had het geprobeerd, maar verloren.

Op de dag van vertrek, hoorde Tipoerna zijn naam roepen. Hij keek om en was verbaasd Lama Kisanda te zien. Geholpen door vier novicen deed de Lama een laatste pelgrimage naar Lhasa.

"En hoe gaan de vorderingen bij de geliefde Goeroe," lachte de Lama.

Toen deze de verhalen van de jongeling hoorde moest hij nog harder lachen tot verbazing van zijn jonge vriend.

"Dus als ik het goed begrijp heb je de yogi laten zien dat je goed kan koken, dat je rijk bent, dat je smaak voor mooie kleren hebt en dat je wat boeken hebt gelezen. Maar heb je de yogi ook verteld waarom je zelf meester wilt worden?" Toen zag de jongen in dat hij dom was geweest.

Alleen de intentie van het waarom zal een meester overhalen een jongeling als zijn leerling aan te nemen.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : - http://www.dharma-lotus.com/
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:15 18 reacties Reageer op dit bericht

De mooiste droom

De mooiste droom
- Een grappig Toscaans verhaal over een gewonnen weddenschap -
Drie vrienden namen eens hun intrek in een eenzame herberg. Toen ze voor het naar bed gaan afspraken gezamenlijk te ontbijten, zei de waard: "Het spijt me, heren, ik ben door mijn voorraad heen. Ik heb nog wel een stuk brood, een brok Mortadella Bologna en een slok wijn in huis, maar dat zal alleen genoeg zijn voor één van u."

De vrienden lieten hun plezier hierdoor niet bederven. Ze. sloten onder elkaar de volgende weddenschap af: wie van hen drieën de volgende ochtend de mooiste of de akeligste droom kon vertellen, die zou het ontbijt winnen. De twee verliezers moesten dan samen de rekening betalen. De waard kreeg hierbij de rol van scheidsrechter toebedeeld.

Nog voor het aanbreken van de dag stond een van het drietal op. Hij ging naar de keuken en at met smaak de restjes op die als ontbijt waren bedoeld.

Uren later kwamen de vrienden bijeen in de gelagkamer. "Stel je voor," begon de eerste, "ik droomde dat ik in het paradijs was. O, wat een vreugde, wat een verrukking en gelukzaligheid. Geen sterfelijke tong kan zoveel heerlijkheid beschrijven. Kan er een mooiere droom bestaan?"

"Wat zijn de zegeningen van de hemel in vergelijking met de verschrikkingen van de hel?" zei de tweede. "Mijn droom bracht me naar het diepste inferno, waar de zielen van de verdoemden tot in alle eeuwigheid gruwelijk jammeren. Ik heb zulke afgrijselijke kwellingen gezien, dat mijn lippen zouden verschrompelen als ik erover zou spreken. Werkelijk, welke droom zou akeliger kunnen zijn?"

"Jullie hebben allebei voortreffelijk gesproken," was de reactie van de waard, "de derde zal het bepaald niet gemakkelijk hebben."

De man die aan de beurt was liet zich niet in het minst van zijn stuk brengen. "Ik droomde," zo begon hij, "dat jullie allebei waren gestorven. De een ging naar het paradijs en de ander moest naar de hel. Nu weet ieder fatsoenlijk christenmens dat noch van de ene, noch van de andere plek ooit een sterveling is teruggekeerd. Daarom ging ik beneden mijn ontbijt opeten. Jullie hadden het toch niet meer nodig."

Daar moesten ze allemaal hartelijk om lachen. Het was duidelijk wie de weddenschap had gewonnen. Zo kon het gebeuren dat twee vrienden met een knorrende maag de rekening betaalden, terwijl de derde verzadigd en tevreden op zijn paard stapte.
Ja, zo kan het volgens zeggen gaan.
Wie het begrijpt,
mag het leuk noemen.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : - "Toscaanse sprookjes" verzameld door Herbert Boltz.
            Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 2001. ISBN: 90-389-1231-5
            - www.beleven.be
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:08 9 reacties Reageer op dit bericht

De jongen die de wolven roept

De jongen die de wolven roept
- Een Nieuw-Zeelands verhaal over ongepast de saaiheid verdrijven -
Er was eens een klein dorp. Er was niets speciaals aan dat dorp. Er kwam niemand vandaan die beroemd was geworden en er had nooit een grote veldslag plaatsgevonden of zelfs maar welke andere gebeurtenis van betekenis in de streek dan ook.

Ook vandaag gaat het leven er als iedere andere dag gewoon verder. De molenaar maalt tarwe, de bakker bakt brood en iedereen is tevreden want alles is bekend, bepaalt en regelmatig. Iedereen merkt dat ook deze dag is zoals die hoort te zijn. Daar zijn ze blij om in het dorpje. Behalve jonge Peter.

Jonge Peter is de herder voor alle schapen van het dorp. Dagelijks neemt hij ze mee de heuvels in. Daar gaat hij in het gras zitten en kijkt naar de grazende schapen en hoeft maar af en toe op te staan om een schaap dat van de kudde af is gedwaald terug te halen.

Ook vandaag zit jonge Peter in de heuvels. Zoals iedere dag voelt hij zich ontevreden. Hij vindt het saai. Hij wil dat er iets nieuws, iets leuks of iets spannend gebeurt.

Opeens komt hij op een idee. Hij haast zich terug naar het dorpje en zodra hij in de buurt ervan is begint hij te schreeuwen: "De wolf! De wolf! De wolf is gekomen! Help! Help!" Meteen stopt iedereen met alle bezigheden en grijpt naar stokken, stenen, messen en zwaarden en haast zich de heuvels in. Als ze bij de schaapskudde aankomen, blijkt daar niets aan de hand te zijn. De schapen lopen even rustig als altijd rond.

"Misschien is de wolf wel gevlucht door dat schreeuwen van mij," zegt jonge Peter. De dorpelingen geven hem complimenten. Opnieuw tevreden gaat iedereen terug naar het dorpje en pakt de draad weer op. Een week lang is jonge Peter de held van het dorp omdat hij de schapen heeft gered. "Leuk," denkt jonge Peter, "er gebeurde eindelijk eens iets." Tot zijn spijt merkt hij ook dat alles weer bij het oude is; saai en regelmatig. En dus besluit hij hetzelfde nog eens te proberen…

Weer komt iedereen om de wolf te verdrijven, maar nog steeds is er geen wolf te bekennen. Jonge Peter vindt al die opwinding in het dorp zo leuk, dat hij het ook een derde en een vierde keer doet.

Maar dan, terwijl hij met de schapen in de heuvels is, ziet hij plotseling iets… Wat is dat? Het is ver weg, maar het beweegt naar hem toe… Jong Peter kijkt en kijkt… Een wolf! Nee, drie… Vijf! Het is een heel pak!

Jong Peter springt overeind en rent zo snel hij kan naar het dorp: "Wolven! Help! Een heel pak!" Maar niemand reageert op zijn geschreeuw. "Snel," roept hij, "bewapen je, we moeten de schapen redden!" De dorpelingen negeren hem. Ze schudden meewarig hun hoofd. Ze geloven jonge Peter niet langer. In paniek en met tranen in zijn ogen klampt hij iedereen persoonlijk aan, maar wat hij ook zegt, hoe hij ook smeekt, hij wordt niet geloofd. Terneergeslagen laat hij zich in een hoekje zakken.

Die dag verloor het dorp al zijn schapen. Ze waren door de wolven vermoord of werden nooit terug gevonden. Iedereen, ook jonge Peter, had vreselijke spijt.

Zo gaat het verhaal van jonge Peter, de jongen die de wolven riep.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : - Opgenomen voor een project van stichting Beleven door Michiel Jaspers.
            - www.beleven.be
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:09 9 reacties Reageer op dit bericht

De getemde feeks

De getemde feeks
- Van de gehoorzame Vrouw -
Er was eens een boer en die had een best wijf, maar het was een grote bazin. Zij deed het werk thuis zoo ijverig mogelijk, maar haar man moest dan ook, weer of geen weer, het land in.

Nou gebeurde het op een dag, laat in den herfst, dat het hagelde en sneeuwde en waaide van belang; maar hij moest toch naar het land, meer dan een half uur van huis. Geen mens was er met dat gemene weer op weg. Alleen een paardenkoopman, die voor zijn zaken noodzakelijk op het pad moest, reed met zijn paard en wagen voort. Maar op het lest kon zijn paard er haast niet meer tegen op en het bleef effekes staan. Daar hoorde hij zuchten. "Wat kan dat wezen?" dacht hij, "wie zou er nou nog buiten wezen?" Maar jawel, daar werd alweer gezucht; dus hij ging even kijken. En ja, daar achter het hek stond ons boertje, koud en verkleumd. "Wat moet jij daar doen?" vroeg hij. "Och," zei de boer, "ik heb een best wijf, maar ze zegt dat als zij werkt ik ook moet werken, en ze wil daarom niet hebben dat ik overdag thuis ben." "Hoor es," zei de paardenkoopman, "dan moet het nou toch maar, want het is nou geen weer; stap maar op, dan rij ik je naar huis." Dat ging aan. Ze kwamen natuurlijk weldra bij de boerderij en toen moest de voerman ereis opsteken. Ze raakten aan den praat en de koopman bleef eten en op lest ook slapen, want het weer bedaarde maar niet.

Nou had de boer een dochter, een weergaasch aardige meid. Dat vond de koopman ook en het ging hem aan zijn hart toen hij eindelijk weg most. Het was hem dan ook zoo goed bevallen, dat hij niet lang daarna nog eens terugkwam, en later nog eens. En zoo raakte hij aan 't vrijen en op 't lest besloten ze samen te trouwen ook.

Toen hij nu goed en wel de bruigom was en de bruid aan haar te kleden was, hoorde hij toevallig de moeder zeggen: "Kind, zorg toch vooral dat je de baas in huis blijven, want dat ben ik ook." De dochter beloofde dat. "Jongens," dacht de koopman, "dat ziet er mooi uit!" Maar hij trouwde toch met haar.

Toen ze nu een poosje getrouwd waren, gingen ze naar de ouwe lui. Moeder riep haar weer apart en zei: "Nou? ben-je de baas?" "Ja," zei ze, "dat gaat wel, maar nog niet helemaal." "Pas dan op," zei moeder; "denk er om dat ik ook altijd het hoofd geweest heb."

Ze kwamen 's avonds weer thuis, maar zijn vrouw werd van toen af met den dag baziger. Toen vond hij op lest dat het nou mooi genoeg was, en hij zei: "We mosten nog ers naar je moeder gaan. 't Is nou mooi weer en we zijn er in zoo lang niet geweest." Zij wou dat wel. Dus hij spant in. Maar hij nam den oudsten knol dien hij had. Ook nam hij een ouden hond mee.

Nou mocht die hond oud wezen, hij liep altijd toch nog harder dan het paard. Dus hij roept: "Achter blijven!" Maar de hond loopt door. "Achter blijven!" roept hij weer. "Hoor je me niet, pot hier en gunter! Als ik het nog eens zeg en je doet het niet, dan steek ik je gelijk hartstikke dood. Achter blijven! zeg ik." Maar de hond liep door. "Vrouw, hou de leidsels vast." Hij er uit en den hond aan zijn mes geregen. "Zie zoo," zei hij, "nou zal hij niet ongehoorzaam meer wezen."

Een eindje verder struikelt zijn paard. "Sta vast," zei hij. Wat verder stroffelt het paard alweer. "Sta vast, zeg ik," zei hij voor de tweede maal. "Als ik het nog eris moet zeggen, rijg ik je ook aan het mes." Nou, de knol stronkelde weer en hij stak hem zoo dood als een pier.

Daar stond de wagen. "We moeten toch verder," zei hij; "ala vrouw, jij het haam over je schouder en het hoofdstel om." "Dat doe ik niet," zei ze. "Bij çi en la," zei hij, "nou zeg ik het voor de tweede keer, maar pas op als ik het voor de derde keer moet zeggen." Trillend gehoorzaamde ze toen en zullie op haar moeder af: hij in den wagen met de zweep in zijn handen.

Ze hadden natuurlijk veel bekijks en de boerin zag ze ook al in de verte aankomen. Dat was natuurlijk een plezier van heb ik jou daar. "Wie zouden dat toch wezen?" "Het is die." "Nee," zei een andere, "het is die." "Mijn dochter is het vast niet," zei de boerin, "want die is de baas." Maar ja, toen ze dichterbij kwamen, was het haar dochter toch. "Hoe heb ik het nou met je?" zei ze. "O moeder, hou je stil; hij heb den hond en het paard ook dood gestoken, en als ik nog een keer niet doe wat hij zegt moet ik er ook an."

Na dien tijd was ze de gehoorzaamste vrouw van de wereld en hebben ze altijd een best leven gehad.


                                    * * * EINDE * * *
Bron : - Volksverhalenbank Meertens instituut
           - www.beleven.be
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:12 4 reacties Reageer op dit bericht

De jager en de koningspapegaai

De jager en de koningspapegaai
- Een Surinaams-Indiaans verhaal over een scherpschutter -
Naar de oude Karaiben vertellen, woonde in een dorp een scherpschutter. Hij leefde van de jacht, en bracht zijn tijd grotendeels in het bos door. Overal kon men zijn jachtkampjes aantreffen.

Zijn vrouw en haar ouders waren domme, hebzuchtige mensen. Gebeurde het een keer dat de jager pech had ondervonden en zonder wild thuis kwam, dan scholden zij hem uit voor luiaard. De dorpelingen waren dan erg met hem begaan. Want als de scherpschutter veel wild thuis bracht, deelde hij zijn buit met de dorpelingen. Daarom hielden ze veel van hem.

Op een dag kwam de jager druipnat thuis. Het had de hele dag zwaar geregend. Maar hij had een goede jacht gehad. Hij deelde zijn buit weer met de dorpelingen. Iedereen kon naar hartelust eten. De jager werd geprezen om zijn bekwaamheid. Hij liet de loftuitingen langs zich heen gaan zonder een spier van het gezicht te vertrekken. Hij ging een bad nemen en kroop daarna lekker in zijn hangmat. De avond viel.

De volgende morgen verdween hij als een schaduw weer in het bos. Het leven in het natte bos begon pas te ontwaken, de vogels begonnen te fluiten. Na een tijdje vonden de eerste zonnestralen hun weg door het bladerdak van de bomen. Ondertussen speurde de jager scherp rond naar wild.

Plotseling suisde er een pijl langs zijn hoofd. Geschrokken keek hij in het rond. Wie had op hem geschoten? Met welk doel? Hij speurde nog scherper om zich heen in het nog nevelige bos. Plotseling hoorde hij zijn naam roepen. Hij schrok, keek om, hij keek naar links en naar rechts. Weer werd zijn naam geroepen.

Toen zag hij voor zich een jonge Indiaan op hem toekomen. De vreemdeling lachte en stelde de jager gerust: "Schrik niet, vanaf dit ogenblik moeten wij elkaar als vrienden beschouwen, wij zijn beiden op jacht."

Ze liepen samen verder en speurden naar wild. Na een tijdje hadden ze een paar konijnen en boshoenders geschoten.

Ze gingen tegen een boomstam zitten uitrusten. De vreemdeling vertelde toen dat hij Kreiwako heette.

Onze scherpschutter vond het een rare naam, want Kreiwako betekent papegaai. Toen hoorde onze jager in de verte een troep papegaaien komen aanvliegen. Hij stond op en zei dat hij een paar papegaaien zou gaan schieten. Nauwelijks had hij dit gezegd of de vreemdeling veranderde in een grote papegaai. Met een van zijn grote vlerken gaf hij de jager een klap op het hoofd.

De jager viel flauw.

Toen hij na een tijdje weer bij kwam, was de vreemdeling verdwenen.

De jager begreep dat hij de koning der papegaaien ontmoet had.

Vanaf die tijd maken de Indianen uit vergelding verwoed jacht op papegaaien.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Indiaanse vertellingen" verzameld en naverteld door A.C. Cirino. Paramaribo, 1970.
            www.beleven.be
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:10 15 reacties Reageer op dit bericht

De heldere zon brengt het aan het licht

De heldere zon brengt het aan het licht
- over hoe de waarheid altijd boven water komt -
Ooit lang geleden in een land hier ver vandaan, of misschien wel gisteren in een stad hier vlakbij, was er eens een kleermakersleerling die de wereld rondreisde voor zijn beroep. Hij kon geen werk vinden en was zo arm dat hij geen cent meer had om uit te geven. In die tijd kwam hij onderweg een rondtrekkende marskramer tegen, en toen dacht hij: die kon wel veel geld bij zich hebben, en hij verstootte God uit zijn hart, ging op hem af en zei: "Geef me je geld, of ik sla je dood."

Toen zei de marskramer: "Laat me toch leven, geld heb ik niet, alleen acht centen."

Maar de kleermaker zei: "Geld heb je toch, en dat moet ik hebben ook," en hij sloeg erop los en sloeg zo lang tot hij bijna dood was. En toen de marskramer ging sterven, was zijn laatste woord: "De heldere zon zal het aan het licht brengen!"

En toen stierf hij. De kleermakersleerling zocht in zijn zak en zocht naar geld, maar hij vond niet meer dan de acht centen waarover de marskramer gesproken had. Toen pakte hij hem op, droeg hem achter een paar struiken en trok verder om werk te zoeken. Toen hij lang gereisd had, kwam hij in een stad bij een meester en die had een mooie dochter, en daar werd hij verliefd op en hij trouwde haar en leefde met haar in een goed en gelukkig huwelijk.

Lang daarna, ze hadden al twee kinderen, stierven de schoonvader en de schoonmoeder, en het jonge paar had het huis voor zich alleen.

Op een morgen, de man zat op tafel voor het venster, bracht de vrouw hem koffie, en toen hij die op het schoteltje had gegoten en juist wou uitdrinken, scheen de zon erop, en de weerschijn blonk op de muur en maakte daar kringetjes op. Toen keek de kleermaker naar boven en zei: "Ja, die wil het graag aan het licht brengen en het kan niet!"

De vrouw zei: "Maar lieverd, wat is dat? Wat bedoel je daar mee?"

Hij antwoordde: "Dat mag ik je niet zeggen."

Maar zij zei: "Als je echt van me houdt, moet je het me zeggen."

En ze beloofde hem met de liefste woordjes dat zij het aan niemand zou vertellen, en ze liet hem niet met rust. Tenslotte vertelde hij dan toch, hoe hij jaren geleden als zwerver helemaal zonder geld en zonder eten was geweest, en dat hij toen een marskramer beroofd had, en hoe de man in doodsnood gesproken had: "De heldere zon zal het aan het licht brengen."

En nu had de zon het juist aan het licht willen brengen, en had op de muur geschenen en daar kringetjes gemaakt, maar het was haar toch niet gelukt. En daarna smeekte hij haar nog in het bijzonder, dat ze het niemand zou zeggen, anders kostte het hem zijn leven, en dat beloofde ze hem ook.

Maar toen hij aan het werk was gegaan, ging zij naar haar peettante en vertrouwde haar het hele verhaal toe, maar zij mocht het aan niemand verder vertellen; maar voor er drie dagen voorbij waren, wist de hele stad het, en de kleermaker werd aangeklaagd en veroordeeld.

Zo had de heldere zon het toch aan het licht gebracht.


                                    * * * EINDE * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - Oorspronkelijke titel : Die klare Sonne bringt
           - foto : Dr. Meierhofer
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:10 6 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten