Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: fabels

Fabel van de ezel, de stier en de koopman

Fabel van de ezel, de stier en de koopman (1/2)
- Een verhaal uit 1001-nacht over de kennis van de taal der dieren -
Er was eens een koopman, meester over grote rijkdommen en vee, gehuwd en vader van kinderen. Allah, de Allerhoogste schonk hem ook kennis van de taal der dieren en der vogels. Welnu, de woonplaats van deze koopman was een vruchtbaar land aan de oever van een rivier. In de woning van deze koopman bevonden zich ook een ezel en een stier. Op een keer kwam de stier op de plek waar de ezel thuis hoorde, en vond deze plek geveegd en besproeid; in de krib lag fijngezifte gerst en goed geschud stro; en de ezel lag prettig te rusten. Want wanneer zijn meester hem besteeg, was het alleen voor een kort ritje, dat toevallig nodig was, en de ezel herkreeg spoedig weer zijn rust.

Welnu, die dag hoorde de koopman de stier tegen de ezel zeggen: "Eet met genoegen! En dat het je wel bekome, tot je gezondheid en met goede appetijt! Ik ben wel vermoeid, en jij uitgerust; jij eet goed gezifte gerst en wordt bediend. En als een keertje uit vele je meester je bestijgt, brengt hij je gauw genoeg terug! Wat mij betreft, ik dien slechts voor gesjouw en werk in de molen!"

Toen antwoordde de ezel hem: "Als je buiten komt op het veld, en men je het juk op de nek legt, smijt je dan op de grond en sta niet meer op, zelfs niet als men je slaat. En wanneer je opgestaan bent, ga dan gauw weer voor de tweede keer liggen. En als men je dan naar de stal laat terugkeren, en men je bonen voorzet, eet er volstrekt niet van, net of je ziek bent. Zo moet je je best doen om een dag of twee, drie, niet te eten en niet te drinken. Op die manier zul je uitrusten van de vermoeienis en de last."

De koopman was echter daar en hoorde hun woorden.

Toen nu de veedrijver in de buurt van de stier kwam om hem zijn voer te geven, zag hij hem heel weinig eten; en toen hij hem 's morgens naar het werk meenam, vond hij hem ziek. Daarop zei de koopman tegen de veedrijver: "Neem de ezel en laat hem in plaats van de stier de hele dag lang werken." En de man kwam terug en nam de ezel in plaats van de stier en liet hem heel de dag lang werken.

Toen de ezel op het eind van de dag in de stal terugkeerde, bedankte de stier hem voor zijn welwillendheid en dat hij hem die dag van zijn vermoeienis had laten uitrusten. Maar de ezel antwoordde hem met geen stom woord en had het ergste berouw van de wereld.

De volgende dag kwam de zaaier en nam de ezel en liet hem werken tot het eind van de dag. En de ezel keerde niet terug voordat zijn nek ontveld was en hij uitgeput was van vermoeidheid. En toen de stier hem in die toestand zag, begon hij hem uitbundig te bedanken en hem te overstelpen met lof.

Hierop antwoordde de ezel hem: "Tevoren was ik heel op mijn gemak; ja, niets heeft mij geschaad behalve mijn weldaden." En hij vervolgde: "Niettemin behoor je te weten, dat ik je een goede raad ga geven. Ik heb onze meester horen zeggen: 'Als de stier niet van zijn plaats opstaat, moet ik hem aan de slager geven om hem af te maken, dat hij van zijn huid een lap maakt voor op tafel.' En ik, ik ben benauwd voor je en wens je alle heil toe!"

Op het horen van deze woorden van de ezel, bedankte de stier hem en zei: "Morgen zal ik uit eigen beweging met hen meegaan om mijn baantje te vervullen." Waarop hij begon te eten en al zijn voer verslond en zelfs de trog met zijn tong aflikte.


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "De vertellingen van duizend en een nacht" vertaald door J.C. Mardrus.
            Uitgeverij Manteau, 1975, Antwerpen.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 9 reacties Reageer op dit bericht

Anansi vindt een lekker baantje

Anansi vindt een lekker baantje
- Heer Spin als roeier -
Anansi, die achtbenige Meester Superspin, had honger en geen cent in huis om eten te kopen. "Dan ga ik wel werken," besloot Meester Superspin Anansi, "want wie werkt zal eten." En hij meldde zich aan als roeier bij Gouverneur. "Hoe heet je?" vroeg stuurman Aap Monkimonki. - "Hoe heet u?" - "Monkimonki," zei Aap.- "En die anderen?" wilde Anansi verder weten. - "Kaikaikai," blafte Hond, "noem mij maar Dagoe." - "Fremoesoe," zei Vleermuis. - "Todo," zei Kikker. - "Aangenaam," zei Meester Superspin Anansi, "B.V.D.B." - "Beeveedeebee?" vroeg Aap met een verbaasd gezicht. "Dat zei ik niet," antwoordde Anansi pinnig. "U bent toch niet doof. Het is B punt, V punt, D punt, B punt, punt uit."

"Aan het werk!" beval Aap. "We moeten de boot mooi schoonmaken voor als Gouverneur een beetje wil gaan varen." - "Als u me eerst vertelt hoe laat we eten krijgen," protesteerde Meester Superspin Anansi. "Zonder die informatie ga ik niet aan het werk." - "Elke dag om twaalf uur," zei stuurman Aap Monkimonki. "Dat wil ik wel eens zien," bromde Anansi en klokslag twaalf uur stopte hij met werken. En ja hoor, daar kwam een bode met een mand vol porties eten aan.

"Ik pak het wel even aan!" zei Meester Superspin Anansi. "Alsjeblieft," zei de bode tegen Anansi, "breng voor de bemanning." - "Wat zeg je? Herhaal dat eens!" eiste Anansi. "Breng voor de bemanning," herhaalde de bode. "Gouverneur heeft gezegd: Breng voor de bemanning. Dat is toch logisch?"

"Dank je," zei Meester Superspin Anansi. Hij pakte de mand aan en begon te eten. "Is er niets voor ons?" wilden zijn collega's weten. "Niets," zei Anansi met volle mond. "Het is alleen voor mij, zei de bode." - "Hoe kan dat nou?" zei stuurman Aap Monkimonki. "Gouverneur weet toch dat we hier met z'n vijven zijn." - "Ik kan het ook niet helpen," zei Anansi en hij kroop in een hoekje van de boot om aan de volgende portie te beginnen.

Zo ging het elke dag en Aap, Hond, Vleermuis en Kikker werden magerder en magerder tot... Gouverneur besloot een tochtje te gaan maken. Toen hij bij zijn boot kwam en de uitgehongerde stuurman en zijn roeiers zag, riep hij verschrikt uit: "Wat is er met jullie gebeurd?! Zo kunnen we toch niet uit varen gaan." - "We willen het wel proberen, Gouverneur, maar we zijn heel zwak," klaagde stuurman Aap Monkimonki. "Maar ik stuur jullie elke dag toch vijf grote porties eten." - "Ja maar, Anansi eet alles op. Hij zegt dat alles voor hem is." - "Is dat zo?" vroeg Gouverneur streng. - "Dat is zo," zei Meester Superspin Anansi, "ik doe precies wat u zegt."

"Wat zeg ik dan?" - "Weet u niet wat u elke dag tegen de bode zegt?" vroeg Anansi brutaal. "Breng voor de bemanning," zei Gouverneur, "dat zeg ik." - "Dank u wel," zei Anansi. "Wat dank je wel? Jij bent toch niet de enige bemanning hier." - "Nee, natuurlijk niet. Aap, Hond, Vleermuis en Kikker zijn er ook, maar u stuurt geen eten voor hen."

"Maar de bode zegt toch duidelijk: Breng voor de bemanning. Dan is dat eten toch voor jullie allemaal," schreeuwde Gouverneur verontwaardigd. "Dat wist ik niet, meneer." - "Wat wist je niet?" - "Dat die anderen ook zo heten." - "Wat heten? Wat bedoel je?" - "Ik weet dat ik B.V.D.B. heet."

"Hoe heet je?" vroeg Gouverneur dreigend. Anansi zuchtte: "Ik zal het nog één keer herhalen. Ik heet: Breng voor de bemanning. Dat weet iedereen: B punt, V punt, D punt, B punt, punt uit. Iedereen weet dat ik zo heet. Dus het eten is voor mij, Meester Superspin Anansi, beter bekend als Breng voor de bemanning."

Toen werd iedereen toch zo kwaad op Meester Superspin Anansi, dat ze hem een flink pak slaag wilden geven. Maar Anansi was al weg! Er waren genoeg hoeken en gaten waarin hij kon schuilen. "Waar is hij, waar is hij gebleven?" riepen Aap, Hond, Vleermuis en Kikker door elkaar. "Daar in die hoek!" verraadde de kleine vlieg Fréfré, die toevallig langskwam en goede ogen had.

Toen werd Meester Superspin Anansi zo razend op Vlieg Fréfré dat hij een dunne, kleverige draad uit zijn lijf perste; en nog één... en nog één... en nog één. Sinds die dag maakt Anansi vangnetten en loert hij op verraders, ook bekend als vliegen.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Dieren. Dierenverhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse,
            Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
            Lemniscaat, Rotterdam, 1990.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:02 6 reacties Reageer op dit bericht

De krekel en de mier

Op 13 april 1695 overleed Jean de La Fontaine
De krekel en de mier
- Jean de La Fontaine's fabel van de krekel en de mier -
De krekel sjirpte dag en nacht, zo lang het zomer was,
Wijl buurvrouw mier bedrijvig op en neer kroop door 't gras
"Ik vrolijk je wat op," zei hij. "Kom, luister naar mijn lied."
Zij schudde nijdig met haar kop: "Een mier die luiert niet!"

Toen na een tijd de vrieswind kwam, hield onze krekel op.
Geen larfje of geen sprietje meer: droef schudde hij zijn kop.
Doorkoud en hongerig kroop hij naar 't warme mierennest.
"Ach, juffrouw mier, geef alsjeblieft wat eten voor de rest

Van deze barre winter. Ik betaal met rente terug,
Nog vóór augustus, krekelwoord en zweren doe 'k niet vlug!"
"Je weet dat ik aan niemand leen,"
Zei buurvrouw mier toen heel gemeen.

"Wat deed je toen de zon nog straalde
En ik mijn voorraad binnenhaalde?"
"Ik zong voor jou," zei zacht de krekel.
"Daaraan heb ik als mier een hekel!
Toen zong je en nu ben je arm.
Dus dans nu maar, dan krijg je 't warm!"

Wie leeft van kunst gaat door voor gek.
Vaak lijdt hij honger en gebrek.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : http://www.lafontaine.net
           De Fabels van Jean de La Fontaine, Fabel 1, Boek 1.
           Oorspronkelijke titel : La cigale et la fourmi
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:28 17 reacties Reageer op dit bericht

Anansi - Met open mond

Anansi - Met open mond
- Een Surinaams verhaal over waarom de kaaiman met zijn bek open ligt -
Kaaiman lag al geruime tijd met zijn bek wijd open, toen hij opeens dacht: "Waarom doe ik mijn mond niet dicht? Waarom lig ik er altijd zo bij, zo met mijn tanden bloot?" Hij krabde eens op zijn kale hoofd: het had iets met zijn grootvader te maken en die had het weer van zijn grootvader gehoord en die wist het weer van de grootvader van zijn grootmoeder. Kortom, dit is het verhaal van Over-over-overgrootvader Kaaiman en het begon natuurlijk allemaal met Anansi, de Meester Superspin. Die ging op een dag vissen in de vijver van Over-over-overgrootvader Kaaiman. Hij stond bijna tot aan zijn middel in het water, toen hij werd vastgegrepen.

"Wie zit er aan mijn knieën? Wat betekent dat? Laat me los!" schreeuwde Meester Superspin Anansi. "Nee!" werd er terug geschreeuwd. "Wie is dat?" riep Anansi. "Lafaard, kun je je niet voorstellen? Laat zien wie je bent." - "Ik ben Uitsmijter," kreeg Anansi te horen. "Laat me niet lachen, een uitsmijter in een vijver," sarde Anansi. "Smijt me er dan uit, als je durft."

O jé, daar vloog hij al door de lucht en met een klap landde de Meester Superspin meters verder op de grond. "Au, m'n billen," jammerde hij en hij bleef versuft zitten. "Die heeft je mooi beetgenomen!" lachte Over-over-overgrootvader Kaaiman. Direct stond Anansi op. Dat liet hij niet op zich zitten.

"Je kletst," zei hij tegen Over-over-overgrootvader Kaaiman, "dat was afgesproken. Let maar eens op." Hij zocht in het bos tien stokken waaraan hij scherpe punten sleep en toen stak hij die stokken in de grond op de plek waar hij geland was. De punten wezen naar de lucht en zagen er gevaarlijk uit.

"Zo, nu zullen we eens iemand uitnodigen om mee te gaan vissen," zei Anansi. "Ha, daar komt Tapir aan. Hé, Bofroe, heb je trek in vis?" - "Waarom niet?" zei Tapir Bofroe, "maar ik heb geen geld." - "Je hebt geen geld nodig. Loop maar met me mee." En Anansi bracht Tapir Bofroe naar de vijver en raadde hem aan tot zijn middel in het water te gaan: "Vissen voor het grijpen, man! Probeer het maar." Tapir Bofroe liep voorzichtig de vijver in.

"Hé," riep hij opeens, "wie houdt me vast?" - "Ik!" zei Uitsmijter. "Dat is niets," zei Anansi snel, "dat is een soort uitsmijter. Zeg maar dat hij zijn werk moet doen." - "Gaat hij me er dan uitsmijten?" vroeg Tapir Bofroe verbaasd. "Inderdaad," juichte Anansi, "daar ga je." En tegen de puntige stokken gilde hij: "Vang hem op!"

Die dag kwam Anansi met een tapir thuis en de volgende dag liet hij Konijn Konkoni 'uitsmijten' en de dag daarop was Varken Agoe aan de beurt. En zo ging dat maar door voor de ogen van Over-over-overgrootvader Kaaiman, die behoorlijk jaloers op Anansi werd, want die werd dikker en dikker van al die lekkere wildhapjes.

"Ik lust ook wel wat," zei Over-over-overgrootvader Kaaiman en hij kroop naar de puntige stokken en trok ze een voor een uit de grond. Toen ging hij met zijn bek wijd open op die plek liggen en... verder hoefde hij niets te doen: de smakelijkste hapjes vlogen in zijn mond.

Wat Meester Superspin Anansi ook verzon om Over-over-overgrootvader Kaaiman van plaats te laten veranderen, Kaaiman bleef liggen waar hij lag. Je kunt nooit weten, dacht Achter-achter-achterkleinkind Kaaiman. En daarom ligt hij daar zo, met zijn bek wijd open en zijn tanden bloot.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Dieren. Dierenverhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse,
            Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
            Lemniscaat, Rotterdam, 1990.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 14 reacties Reageer op dit bericht

De reiger en de krab

De reiger en de krab
- Over een reiger die de vissen een fabeltje op de mouw speldt -
Er stond eens een reiger aan de oever van een meer. Hij was al oud en hij wilde het liefst veel eten zonder daar moeite voor te hoeven doen. Hij stond daar met een somber gezicht, zó somber dat hij zelfs de visjes niet leek te zien die vlak bij de oever zwommen en die hij makkelijk had kunnen pakken.

Tussen de vissen zwom ook een krab. Hij ging naar de reiger en vroeg: "Oom, waarom eet je helemaal niets en kijk je zo somber?" De reiger antwoordde: "Ik heb al zoveel jaren van vis geleefd, dat ik echt een vriend van de vissen ben geworden. Maar nu gaat er voor jullie iets vreselijks gebeuren en daarom zal ook voor mij het gemakkelijke leven ophouden, en dat op mijn oude dag... Natuurlijk ben ik somber, want een grote ramp hangt ons allen boven het hoofd, mij en allen die hier wonen."

"Maar Oom, wat is dat dan voor ramp?" vroeg de krab.

De reiger antwoordde: "Vanmorgen hoorde ik een paar vissers samen praten aan de oever van dit meer. Ze zeiden tegen elkaar: "In dit grote meer zitten massa's vis. Zondagavond zijn we uitgevist in de andere vier vijvers. Dan zullen we hier eens aan de slag gaan. We vissen met heel grote netten de hele zaak in één keer leeg." Je hoort het: binnen een week hebben ze alles wat hier leeft gevangen. En wat moet ik dan op mijn oude dag? Alle eetlust vergaat me!"

Dit slimme verhaal van de reiger bracht alle vissen in paniek. Bang voor wat komen ging vroegen ze de reiger vriendelijk of hij geen uitweg wist.

"U hebt dit nu wel gehoord, maar zeg ons toch hoe we hier weg kunnen komen. Als we hier blijven, wacht ons een zekere dood."

De reiger zei: "Ik ben maar een domme vogel, uit een ei geboren. Hoe zou ik tegen de mens opkunnen. Maar... hier niet zo ver vandaan staat een grote tempel en daarvoor ligt een vijver, een diepe vijver vol met lotusbloemen. Het is verboden om daar te vissen. Ik zou jullie daarheen kunnen brengen op mijn rug."

De bange vissen geloofden de slimme reiger en vroegen hem hen weg te brengen: "O goede Oom, neem ons mee! Mogen wij eerst..." riepen ze allemaal. "U hebt toch wel gehoord wat de ouden zeggen? Goede vrienden hebben hun leven over voor hun vrienden, en denken eraan dat zij daardoor de goede daden terugbetalen, die hun vrienden in het vorige leven voor hen gedaan hebben."

Die gemene reiger lachte in zijn vuistje en dacht: "Dit gaat goed zo. Nu kan ik dat zootje makkelijk te pakken krijgen en oppeuzelen."

Zo nam hij de ene partij vissen na de andere op zijn rug en deed alsof hij ze naar die tempelvijver bracht, maar hij vloog naar een grote rots waarop de zon lekker scheen en liet ze daar vallen en at ze op. Iedere dag werd hij vrolijker en hij bedacht allemaal boodschappen van de vissen die hij had weggebracht voor hun broeders in de vijver.

De krab wilde ook graag meegenomen worden en hij vroeg iedere dag aan de reiger hem ook te vervoeren. Nou, dacht de reiger, ik heb wel zin in een hapje. Ik heb nu zoveel vis gegeten, ik wil wel eens iets anders proeven. Dus nam hij de krab mee. Hij vloog naar de rots.

Maar de krab vroeg: "Oom, waar is nu die tempel met zijn diepe vijver?"

"Zie je daar die rots? Al je vrienden hebben daar eeuwige rust gevonden en die zal jij ook heel gauw smaken!" lachte de reiger.

De krab zag een grote hoop vissengraten en hij dacht: Mooie vriend ben jij. Je kunt beter met slangen te maken hebben, dan weet je tenminste wat je kunt verwachten. Maar het soort vriend als jij bent, dat zie ik nou eens. Je mag dan wel groot zijn en indrukwekkend, maar ik laat me niet bang maken door jou. Mijn scharen zijn scherper en sterker dan jij denkt!

En hij sloeg zijn poten om de nek van de reiger en begon te knijpen. Hij kneep net zo lang tot de kop van het ondier van zijn hals gescheiden was. Hij nam de kop en liep ermee terug naar de vijver. Het was een lange tocht voor die kleine krab, maar hij haalde het toch.

"Broertje, waarom ben je teruggekomen?" vroegen de vissen die nog over waren.

"We werden ertussen genomen door die gemenerik. De vissen werden niet naar een vijver gebracht, maar op een rots gesmeten en opgegeten door die huichelaar. Maar ik heb hem te pakken genomen. Hier is zijn kop. Zijn lijf ligt op de rots en nu kunnen we hier in vrede leven, want die vissers waren maar verzonnen.".


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Dieren. Dierenverhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse,
           Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           uitgegeven door Lemniscaat, Rotterdam, 1990.
Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door saagje om 09:01 17 reacties Reageer op dit bericht

De leeuwin en de kuikens van de struisvogel

De leeuwin en de kuikens van de struisvogel
- Een Afrikaanse fabel van de Masaï over rechtmatig ouderschap -
Het gebeurde eens op de savanne dat een leeuwin welpen ter wereld bracht op het moment dat de eieren van een struisvogel uitkwamen. Een paar dagen later kregen de welpen last van schurft, en hun moeder besloot om haar kinderen te ruilen voor het gezonde kroost van de struisvogel. Deze laatste voelde niets voor de ruil maar vreesde de leeuwin en durfde niet tegenspreken. Ze vertikte het om voor de welpen te zorgen en weldra waren ze dood. Ondertussen ging de leeuwin op stap met de kuikens.

Moeder struisvogel piekerde zich suf: hoe kon ze in godsnaam haar kinderen terugkrijgen? Ze vertelde haar verhaal aan iedereen die maar luisteren wilde, en kreeg dan steeds te horen: "Nu zijn ze van de leeuwin." Want ze waren allemaal bang.

Tenslotte legde ze haar probleem voor aan de mangoest. Hij luisterde aandachtig en zei toen: "Kom morgen terug."

Zodra de struisvogel weg was ging de mangoest op zoek naar een termietenheuvel met twee uitgangen. Daar liet hij de volgende dag alle dieren samenkomen voor een palaver. Het was de bedoeling dat de dieren het geding samen zouden bespreken, maar wanneer iemand het woord nam ging de leeuwin vervaarlijk grommen. De spreker hield zich dan gedeisd en verklaarde: "Het is zo klaar als een klontje: de jongen behoren toe aan de leeuwin."

Toen iedereen aan de beurt was geweest vroeg de mangoest: "Zijn jullie allemaal klaar? Heeft iedereen gezegd wat hij wilde zeggen?"

"Ja, we zijn uitgesproken," antwoordden de dieren in koor.

De mangoest vervolgde: "Goed, dan wil ik ook iets zeggen. Maar ik ben nogal klein van stuk. Om er zeker van te zijn dat iedereen me kan horen wil ik jullie toespreken op deze termietenheuvel."

Hij klom naar boven en begon aan zijn toespraak: "Dit is allemaal nogal ingewikkelde materie. Maar wie van jullie heeft ooit gehoord van iemand met een vacht die gevederde kinderen op de wereld zet? En wie van jullie heeft vrienden met pluimen en een behaarde kroost?"

Nee, niemand had ooit van zoiets gehoord, niemand had zulke vrienden. De mangoest haalde diep adem en besloot: "In dat geval zijn die kinderen van de struisvogel."

De leeuwin wilde zich op hem storten maar hij vluchtte de termietenheuvel in. Terwijl ze de wacht hield bij de uitgang waarin hij was verdwenen, ging de mangoest door de andere uitgang naar huis.

Ondertussen wandelde de struisvogel weg met haar kuikens. Het is sinds die dag dat we zeggen: Meite-menayu eisdai ilopir lenyenak. Je kan een struisvogel haar pluimen niet ontzeggen.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Masai sprookjes" verzameld door Kris Berwouts.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1999.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 11 reacties Reageer op dit bericht

De vos en de ganzen

De vos en de ganzen
- Fabel -
Op een keer kwam de vos op een weiland, waar een troep mooie, vette ganzen zat; hij lachte en zei: "Ik kom als geroepen, jullie zitten allemaal zó netjes bij elkaar dat ik de één na de ander kan oppeuzelen." De ganzen snaterden van schrik, sprongen op en begonnen te jammeren en klagelijk om hun leven te smeken. Maar daar wou de vos niets van horen en hij zei: "Geen genade, jullie moeten allemaal dood."

Tenslotte vatte één van hen moed en zei: "Als wij arme ganzen ons heerlijk jonge leven dan toch moeten verliezen, bewijs ons dan één enkele gunst en veroorloof ons nog één gebed, zodat we niet in zonde sterven; daarna zullen we dan op een rij gaan staan en kun je steeds de vetste uitzoeken."

"Goed," zei de vos, "dat is redelijk en het is een vrome wens; ga maar bidden, ik wacht wel zolang." Dus begon de eerste een heel lang gebed, altijd maar 'gak, gak, gak' en omdat die gans maar niet ophield, wachtte de tweede niet tot het haar beurt was, maar ze begon ook van 'gak, gak, gak' De derde en de vierde volgden toen en weldra gakten ze allemaal in koor.

(En als ze klaar zijn met bidden, vertel ik het sprookje verder, maar voorlopig bidden zij nog steeds.)


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           Oorspronkelijke titel: Der Fuchs und die Gänse
           Engelse tekst: The Fox and the Geese
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:18 4 reacties Reageer op dit bericht

De ezel en de os

De ezel en de os
- Een Egyptische fabel over zich onttrekken aan zware arbeid -
Een ezel en een os deelden eens een stal. De ezel had een gemakkelijk leven omdat zijn meester alleen zo nu en dan naar de markt reed terwijl de os iedere dag werd meegenomen om op het veld te werken. Op een nacht toen de twee dieren hun avondmaal gebruikten, klaagde de os over zijn zware leven.

"Misschien kun jij me helpen, broer ezel," zei de os. "Wat kan ik doen om mijn meester over te halen om vriendelijker voor me te zijn, en me niet zo hard te laten werken?"

De ezel dacht hier over na en antwoordde toen: "Ik stel voor dat je morgenvroeg net doet alsof je ziek bent en weigert het hooi te eten dat hij voor je neer legt. Als de meester ziet dat je het eten hebt laten liggen zal hij je in de stal laten. Je zal dan niet naar de velden hoeven om de ploeg voor hem te trekken. Je kunt dan van de rust genieten."

De os nam de raad van de ezel aan en deed net alsof hij ziek was. De man die zag dat de os niets had gegeten en ziek leek nam toen de ezel in plaats van de os mee.

Hij spande de ezel voor de ploeg en liet hem werken van de vroege ochtend tot de late avond. De ezel die niet gewend was aan dit zware werk, was geheel uitgeput aan het eind van de dag. Hij had grote spijt van het advies dat hij aan de os had gegeven.

Toen de ezel die avond terug keerde naar de stal, vroeg de os hoe het hem was vergaan. "Ik had een hele fijn dag," loog de ezel. "Het lopen in de velden is me goed bevallen. Ik geloof echter wel dat ik je moet vertellen wat ik onze meester hoorde zeggen."

"En dat is?" vroeg de os.

"Welnu," zei de ezel, "ik hoorde hem met zijn vrouw praten, en hij zei tegen haar dat als de os ziek bleef ze hem zouden moeten slachten voor zijn vlees."

De os werd helemaal wit toen hij deze woorden hoorde.

"Ik denk daarom," voegde de ezel eraan toe, "dat het 't beste is als je weer al je hooi op zou eten voor het geval dat onze meester denkt dat je niet in staat bent om te werken."

De os was het daarmee eens en op deze manier was het voor de ezel mogelijk om zich te behoeden voor nog meer ploegwerk.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Waarschijnlijk een bewerking van een 1001-nacht verhaal"
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 10 reacties Reageer op dit bericht

De apen en de tuinman

De apen en de tuinman
- Een boeddhistische fabel over dingen toevertrouwen aan dwazen -
Er was eens een prachtig park, vol met allerhande bomen en struiken, met her en der aangelegde bloembedden en eindeloos veel fruitbomen. Een tuinman zorgde voor het park; hij snoeide de bomen, wanneer ze teveel hout kregen, spitte de grond om en gaf de bloemen water bij droog weer.

Het gebeurde, dat er in de stad verderop een kermis gehouden zou worden, en de tuinman wilde er erg graag naar toe. Maar wie zou er voor het park en de tuin zorgen? Als zijn meester thuis zou komen en alle bloemen kwijnend of dood zou aantreffen, wat zou hij dan zeggen! Dat mocht niet.

Terwijl hij zo aan het peinzen was en weifelde, keek hij omhoog in de takken van de bomen en hij werd getroffen door een slimme inval. Ik moet jullie vertellen, dat er in dit park niet alleen roedels herten waren en volop konijnen en andere wezens die gewoonlijk in parken leven, maar er zaten troepen apen in de bomen die de hele dag lang klauterden en kletsten en noten kraakten en verder niets om handen hadden. En toen de tuinman naar de bomen keek, zag hij een paar apen die hij echt heel goed kende. Menigmaal was hij aardig voor hen geweest; en nu vond hij, dat ze hem hetzelfde behoorden te behandelen, omdat de ene dienst de andere waard is.

Dus riep de tuinman: "Apen, ik heb jullie nodig!"

Naar beneden klommen ze allemaal en in heel korte tijd zaten ze naast hem in het gras.

"Apen," zei hij, "ik ben een goede vriend voor jullie geweest door jullie mijn noten en appels te laten eten. En nu wil ik een dag vrij nemen. Willen jullie mijn tuin water geven, terwijl ik weg ben?"

"O ja, ja, ja," riepen de apen. Zij vonden het een geweldige grap en sprongen van de pret.

De tuinman overhandigde dus zijn waterkannen aan de apen, deed zijn zondagse kleren aan en ging op weg naar de kermis.

Intussen hielden de apen een plechtige vergadering, terwijl ze in een kring rond de apenhoofdman zaten.

"Broeders," zei de apenhoofdman, "onze goede vriend, de tuinman, heeft ons de zorg voor deze tuin gegeven en voor alles wat erin staat. We moeten ervoor zorgen, dat we niets beschadigen en bovenal, dat we het water niet verspillen. Er is erg weinig water en ik geloof eigenlijk niet dat we ermee zullen toekomen."

Het was in feite een bron, heel klein aan de bovenkant, maar heel diep en op de bodem stroomde altijd water. Je kon water putten uit die bron tot sint juttemis; maar, hoewel apen sluw zijn, zijn ze niet wijs en deze apen dachten, dat een klein, rond gat niet veel water kon bevatten.

"Jullie begrijpen dus," ging de apenhoofdman verder, "dat jullie elke plant juist genoeg water moeten geven en niet meer; en ik geloof, dat het het beste zal zijn om te kijken, hoe lang de wortels zijn."

Dus nam elke aap een waterkan en zij verspreidden zich over heel de tuin. Elke struik en elke plant trokken zij zorgvuldig uit en maten de wortels; en daarna gaven zij veel water aan planten met lange wortels en maar een beetje, wanneer de wortels kort waren. Dan zetten zij de planten en struiken weer terug in de gaten waar zij uit gehaald waren.

Na een dag of twee kwam de tuinman terug van zijn kermis. Maar hoe groot was zijn afgrijzen, toen hij zag, dat bijna alle planten in de tuin stonden te kwijnen, sommige van hen dood en vele stervend, terwijl de apen overal in het rond bezig waren met het uittrekken van de rest.

"Lieve hemel, lieve hemel, wat ter wereld zijn jullie aan het doen? Mijn tuin is vernield, mijn tuin is vernield!" De arme tuinman huilde van verdriet.

De apenhoofdman was heel erg verbaasd. Hij dacht, dat hij erg verstandig geweest was om water te geven volgens de lengte van de wortels, en dat zei hij.

"Verstandig!" zei de tuinman. "Verstandig noem je dat! Dwazen zijn jullie, er valt niet aan te twijfelen."

"Dwazen zijn het misschien," zei zijn meester, die van achteren op hem toe gekomen was zonder gezien te zijn, "maar tenslotte is dat hun aard. Je had beter moeten weten dan apen voor een tuin te laten zorgen en jij bent een grotere dwaas dan zij."

Toen stuurde hij die tuinman weg en zorgde voor een andere.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Boeddhistische sprookjes uit de Jataka afkomstig uit het oude India"
           uit het Pali vertaald en bewerkt door W.H.D. Rouse.
           Uitgeverij Sirius en Siderius BV, Den Haag, 1981. ISBN: 90-6441-019-4
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 7 reacties Reageer op dit bericht

De leeuw en het konijntje

De leeuw en het konijntje
- Een Tibetaanse fabel over de wraak van een geplaagd konijn -
Een leeuw en een konijntje woonden eens dicht bij elkaar. De leeuw gedroeg zich als een slechte buur; hij pochte en blufte tegenover het konijntje met zijn kracht, maakte het bij andere dieren belachelijk en treiterde het waar hij maar kon. Toen zon het konijntje op wraak, want zo wilde het niet langer meer voortleven.

"Heer buurman," zei het konijntje op een dag, gezeten voor het hol van de leeuw, "stelt u zich eens voor. Daar zag ik vanmorgen vroeg een kerel, net zo groot als u, die hier rondloopt en overal vertelt dat hij de sterkste leeuw ter wereld is. Ik ken u al jaren en weet dus hoe sterk u bent. U moet deze opschepper zijn gewichtigdoenerij afleren!"

"Heb je dan niet gezegd, dat ik er ook nog ben en er helemaal geen behoefte aan heb me met opscheppers in te laten?"

Het konijntje maakte een diepe buiging en zei: "Ik had nog nauwelijks uw naam uitgesproken toen de kerel al een stortvloed van beledigingen over u uitstortte. Hij zei u wel te kennen en u niet eens als zijn minste dienstknecht in dienst te willen nemen."

De leeuw beefde over zijn hele lichaam van woede en schreeuwde: "Waar is die opschepper? Ik zal hem eens wat laten zien!"

Toen nam het konijntje de leeuw mee de bergen in. Na een vermoeiende mars kwamen zij eindelijk bij een diepe put. De leeuw baadde in het zweet. Het konijntje wenkte hem met zijn poot en fluisterde: "Psst, daar binnen zit die kerel!"

De leeuw was met een zwaai op de rand van de put gesprongen en keek met een boze uitdrukking op zijn gezicht naar beneden. Uit de diepe put keek hem met een woedende blik zijn rivaal aan. Toen de boze leeuw nu naar beneden brulde, steeg het gebrul van de opsnijder weer naar hem terug. De kerel scheen zich helemaal niet te laten afschrikken.

De leeuw op de rand van de put hief nu, in woede ontstoken, zijn klauw op, waarbij zijn haren van woede overeind gingen staan. De ander in de put deed precies hetzelfde. Dat was teveel! "Hij verstout zich zelfs me uit te lachen en voor de gek te houden," dacht de leeuw, zette zich schrap en sprong naar beneden. Toen het konijntje de grote plons in het water hoorde, haalde het opgelucht adem en huppelde vrolijk naar huis.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Chinese volkssprookjes"
           uitgegeven door Elmar, Rijswijk, 1990. ISBN: 90-6120-8343
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 11 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten