Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: volkssprookje

Eenoogje, tweeoogje en...vervolg

Eenoogje, Tweeoogje en Drieoogje (vervolg)
- Een volkssprookje van Grimm -
Toen ze ‘s avonds met de geiten thuiskwam, stond er een aardewerken schoteltje met eten, dat de zusters hadden neergezet, maar ze keek er niet naar om. De volgende dag trok ze er met haar geiten weer op uit en ze liet de restjes die haar gegund werden, liggen. De eerste keer en de tweede keer merkten de zusters het niet, maar toen het steeds gebeurde, zagen ze het en zeiden: "Het is niet in orde met Tweeoogje, ze laat ‘t eten maar steeds staan en anders at ze alles op wat we haar gaven: ze moet andere middelen hebben gevonden." Om nu achter de waarheid te komen, moest Eenoogje meegaan, als Tweeoogje de geiten naar de weide dreef, en ze moest opletten, wat ze daar uitvoerde en of iemand haar eten of drinken bracht.

Toen nu Tweeoogje weer weg wilde gaan, kwam Eenoogje bij haar en zei: "Ik wil mee naar buiten en zien of je de geiten wel goed hoedt, en naar de goede wei worden gebracht." Maar Tweeoogje merkte wel, wat Eenoogje in de zin had, en ze dreef de geiten naar een plek waar heel hoog gras groeide en ze zei: "Kom, Eenoogje, laten we ergens gaan zitten, en dan zal ik voor je gaan zingen." Eenoogje ging zitten en was door ‘t ongewone lopen en de hitte van de zon moe geworden, en Tweeoogje zong steeds maar:
Eenoogje, waak je?
Eenoogje, slaap je?
en toen deed Eenoogje haar ene oog dicht en sliep in. En toen Tweeoogje zag, dat Eenoogje vast in slaap was, en niets zou verraden, zei ze:
Geitje, mek,
Tafeltje, dek!
en ze ging voor haar tafeltje zitten en at en dronk, tot ze genoeg had en toen zei ze weer:
Geitje, mek,
Tafeltje, weg!
en meteen was alles verdwenen. Tweeoogje maakte Eenoogje nu wakker, en zei: "Eenoogje, jij wou kijken of het met de geiten wel goed ging en ondertussen val je in slaap: de geiten hadden overal heen kunnen gaan en weglopen; kom, zullen we weer naar huis gaan?" En ze gingen weer naar huis, en weer liet Tweeoogje haar aardewerken schotel onaangeroerd staan, maar Eenoogje kon aan haar moeder niet uitleggen, waarom ze nipt at, en ze zei als een verontschuldiging: "Ik was buiten in slaap gevallen."

De volgende morgen zei de moeder tegen Drieoogje: "Nu moet jij eens meegaan en goed opletten of Tweeoogje buiten te eten krijgt, of dat iemand haar wat brengt, want ze moet 't in 't geheim doen."

Nu ging Drieoogje naar Tweeoogje en zei: "Ik ga met je mee, ik wil eens zien of de geiten goed gehoed worden en naar de goede weiden worden gebracht." Maar Tweeoogje merkte wel, wat Drieoogje van plan was, en ze dreef de geiten naar een plek met hoog gras en zei: "We zullen daar gaan zitten, Drieoogje, en dan zal ik een liedje voor je zingen." Drieoogje ging zitten, ze was moe van de lange wandeling en van de zon, en Tweeoogje begon weer het vorige liedje en zong:
Drieoogje, waak je?
Maar in plaats van wat ze nu zingen moest:
Drieoogje, slaap je?
zong ze zonder er bij te denken:
Tweeoogje, slaap je?
en zo zong ze aldoor:
Drieoogje, waak je?
Tweeoogje, slaap je?
Toen vielen Drieoogjes twee ogen toe en ze sliep in, maar het derde oog, dat door het versje niet toegesproken was, sliep ook niet in. Wel deed Drieoogje het dicht, maar dat was een list: alsof ze daar mee sliep, maar nu en dan blonk het en kon ze er alles best mee zien. En toen Tweeoogje meende, dat Drieoogje vast in slaap was, zei ze haar versje:
Geitje, mek,
Tafeltje, dek!
en ze at en dronk naar hartelust, en liet dan het tafeltje weer gaan:
Geitje, mek,
Tafeltje, weg!
en Drieoogje had het allemaal gezien. Nu kwam Tweeoogje bij haar, schudde haar wakker en zei: "Maar Drieoogje, was je in slaap gevallen? Wat kan jij mooi geiten hoeden! Laten we nu naar huis gaan." En toen ze thuis kwamen, at Tweeoogje weer niet, en Drieoogje zei tegen haar moeder: "Nu weet ik, waarom dat trotse ding niets eten wil! Als ze, daarbuiten, tegen de geit zegt:
Geitje, mek,
Tafeltje, dek!
dan staat er een tafeltje voor haar, met heerlijk eten volgeladen, veel beter nog dan wij het hier hebben, en als ze genoeg heeft, zegt ze:
Geitje, mek,
Tafeltje, weg!
en meteen is alles verdwenen, ‘k Heb het allemaal precies gezien. Ze had me met een versje in slaap gemaakt, maar ze deed ‘t voor twee ogen, en mijn derde oog, dat op mijn voorhoofd, was gelukkig wakker gebleven." Toen riep de moeder: "Wou jij het beter hebben dan wij? Dat zal je berouwen!" en ze haalde een slagersmes en stootte dat de geit in 't hart, zodat ze dood neerviel.

Tweeoogje had het gezien en sloop bedroefd 't huis uit, ging op de helling zitten en huilde bittere tranen. Maar opeens stond daar weer de wijze vrouw naast haar en zei: "Tweeoogje, waarom huil je zo?" "Zou ik niet huilen?" antwoordde ze, "de geit, die me elke dag, als ik uw spreuk opzei, zo goed verzorgde met een lekker tafeltje, die is door mijn moeder gedood; en nu moet ik weer honger lijden en verdriet." De wijze vrouw sprak: "Tweeoogje, nu zal ik je een goede raad geven. Vraag aan je zusters om de ingewanden van 't gedode geitje, en begraaf dat voor de huisdeur in de grond. Dat zal je geluk zijn." En tegelijk was ze weer verdwenen.

Tweeoogje ging weer naar huis en ze zei tegen haar zusters: "Lieve zusjes, wil je me wat van mijn geit geven; ik vraag niets bijzonders, maar geef me alleen maar de ingewanden." Ze lachten en zeiden: "Nu dat kan je krijgen, als je er verder niets van neemt." En Tweeoogje nam de ingewanden en begroef die 's avonds in alle stilte, op raad van de wijze vrouw, in de grond voor de huisdeur.


                                    * * * wordt vervolgd * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 04:49 1 reactie Reageer op dit bericht

Eenoogje, tweeoogje en...

Eenoogje, Tweeoogje en Drieoogje
- Een volkssprookje van Grimm -
Er was eens een vrouw, en die had drie dochters. De oudste heette Eenoogje, omdat ze maar één oog had, midden op haar voorhoofd; en de tweede heette Tweeoogje, omdat ze twee ogen had als gewone mensen, en de derde heette Drieoogje, want ze had drie ogen, en het derde stond bij haar ook midden op haar voorhoofd.

Maar omdat Tweeoogje er net zo uitzag als andere mensen, konden haar zusters en haar moeder haar niet uitstaan. Ze zeiden tegen haar: "Jij met je twee ogen bent niets beter dan ‘t gewone volk, je hoort helemaal niet bij ons." Ze duwden haar opzij en gooiden haar lelijke kleren toe, en ze kreeg alles te eten wat de anderen overlieten, en ze deden haar pijn waar ze maar konden.

Nu gebeurde het eens, dat Tweeoogje naar ‘t land moest om de geiten te hoeden, maar dat ze nog honger had, omdat haar zusters haar te weinig eten hadden gegeven. Toen ging ze op een heuvel zitten en ze begon te huilen en zo te huilen dat er twee beekjes uit haar ogen stroomden. En toen ze in haar verdriet eens opkeek, stond er een vrouw naast haar en die vroeg: "Tweeoogje, waarom huil je zo?" en Tweeoogje antwoordde: "Moet ik niet huilen? Omdat ik twee ogen heb, net als andere mensen, kunnen m’n zusters en m’n moeder mij niet uitstaan, en ze stoten me in de hoek en gooien me alleen oude vodden toe, en ik krijg alleen te eten wat er overblijft. Vandaag hebben ze me zo weinig gegeven dat ik nog honger heb." Toen zei de wijze vrouw: "Tweeoogje, droog je tranen maar, ik zal je eens wat zeggen, zodat je geen honger meer hebben zult. Zeg maar tegen de geiten:
Geitje, mek,
Tafeltje, dek.
dan zal er een keurig gedekt tafeltje voor je staan met ‘t heerlijkste eten erop, dat je maar eten kunt en zoveel als je trek hebt. En als je genoeg hebt en ‘t tafeltje niet meer nodig hebt, dan zeg je maar:
Geitje, mek:
Tafeltje, weg!
en dan verdwijnt het voor je ogen!" En toen ging die vrouw weg. Maar Tweeoogje dacht: "Dan moet ik meteen maar eens proberen, of het waar is, wat ze gezegd heeft, want ik heb toch zo’n honger." En ze zei:
Geitje, mek,
Tafeltje, dek.
en pas had ze die woorden gesproken, of daar stond een tafeltje, en een wit kleedje erover, en daarop een bord met een mes en een vork en een zilveren lepel, en het mooiste eten eromheen, het dampte en was warm, alsof het juist uit de keuken kwam. Tweeoogje deed het allerkortste gebedje dat ze wist: "Here God, wees Gij onze Gast, Amen," en ze tastte toe en liet het zich heerlijk smaken. En toen ze klaar was, zei ze, zoals de wijze vrouw haar had geleerd:
Geitje, mek,
Tafeltje, dek.
En meteen was het tafeltje en alles wat er opstond, weer verdwenen. "Dat is een goede huishouding," dacht Tweeoogje en ze was heel opgewekt.

                                    * * * wordt vervolgd * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:15 1 reactie Reageer op dit bericht

De pottenbakker

De pottenbakker
- Een Russisch raadselsprookje over geld en een gierige heer -
Eens liet een tsaar alle grote heren van zijn gehele rijk - zoveel als het er waren - bij zich komen om hun een raadsel op te geven. "Wie van jullie," zei hij, "kan dit wel raden? Zo luidt het raadsel: 'Wat is het wreedste en kwaadaardigste ter wereld?'" Ze peinsden en peinsden, ze gisten en gisten, ze dachten zus en ze dachten zo, ze bedachten van alles om er achter te komen - maar nee, niet een kon het raden. Toen liet de tsaar hen heengaan; hij liet hen gaan met de woorden: "Dan en dan, onthoud dit goed, komen jullie weer hier bijeen om dit raadsel op te lossen."

Nu moet je weten dat een van deze heren die bijzonder slim was, in die tussentijd overal navraag begon te doen, op zoek naar iemand die hem hierover iets kon zeggen. Hij probeerde het bij de kooplui, bij de handelaars, bij ons soort mensen; want hij was er op gebrand er achter te komen en het raadsel van de tsaar op te lossen. Toen ontdekte hij een pottenbakker, zo eentje, weet je, die potten verkoopt. "Ik kan dit raadsel oplossen," zei deze.

"Nu, zeg dan hoe?"

"Nee, dat zeg ik niet; alleen tegen de tsaar zal ik het zeggen." De heer trachtte hem er op alle manieren toe te bewegen: "Ik zal je dit en dat geven, broeder." Hij beloofde hem geld en allerlei andere dingen. Maar nee, de pottenbakker bleef op zijn stuk staan en daarmee uit: "Alleen tegen de tsaar zelf zal ik het vast en zeker zeggen, en verder tegen niemand." En de heer moest er maar genoegen mee nemen dat hij het, zoals hij verzekerde, van zijn leven aan niemand zou vertellen, dan alleen aan de tsaar.

Toen nu de heren opnieuw bij de tsaar bijeenkwamen en weer niemand het raadsel kon raden, zei de bewuste heer: "Uwe majesteit, ik ken een pottenbakker," zei hij, "die dit raadsel voor u kan oplossen." Toen liet de tsaar de pottenbakker roepen. Zodoende kwam deze bij de tsaar; en wat hij zei was: "Uwe majesteit, het wreedste en kwaadaardigste ter wereld is het geld; iedereen wil het hebben en de mensen schelden elkaar terwille van het geld uit, ze slaan en vermoorden elkaar om geld, soms met messen en dan weer op een andere manier. En," ging hij voort, "zelfs wie hongerig door de wereld zwerft of bedelen gaat, die ondervindt nog dat de zak van de bedelaar wordt gestolen, zodra hij een paar stukjes heeft verzameld die misschien met boter gebakken zijn. Wat valt er eigenlijk nog over te zeggen? Uwe majesteit heeft zeker ook wel het een of ander moeten verduren omwille van het geld."

"Zo is het broeder," zei de tsaar. "En je hebt het raadsel opgelost. Waarmee kan ik je nu belonen?"

"Ik heb niets nodig, uwe majesteit."

"Is er iets wat je graag zou willen hebben, boertje? Dan zal ik het je geven."

"Ik heb niets nodig," herhaalde de pottenbakker, "maar als het zou kunnen, vaardigt uwe genade dan een verbod uit om in een omtrek van zo en zoveel werst potten te verkopen. Dan zou buiten mij, niemand er in kunnen handelen."

"Goed," zei de tsaar, en vaardigde voor iedereen een verbod uit om potten te verkopen; en zo verkreeg alleen de pottenbakker het recht daarop.

Om hem winst te verschaffen, liet de tsaar bovendien afkondigen dat niemand zich bij hem mocht vertonen zonder een pot. Toen kwam een van de grote heren, die buitengewoon gierig was, bij de pottenbakker om over de aankoop, van een pot te onderhandelen. De pottenbakker zei: "Hij kost vijftig roebel."

"Wat zeg je? Heb je je verstand verloren?"

"Helemaal niet," zei de pottenbakker.

"Nu, dan koop ik hem ergens anders," zei de heer. Een poosje later kwam hij terug: "Hoor eens, geef me een pot."

"Neem er maar een en geef me er honderd roebel voor," zei de pottenbakker.

"Wat? Honderd roebel? Je bent zeker gek geworden," zei de heer.

"Gek of niet, de pot kost honderd roebel."

"Ach, vervloekte kerel, blijf jij maar bij je potten." En de heer ging weer weg. Hij was al half van plan zich zonder pot bij de tsaar te vervoegen, maar bedacht zich: "Het is niet goed," dacht hij, "als ik de enige ben die zonder pot bij hem kom." Weer keerde hij om. "Kom," zei hij, "geef me de pot maar. Hier heb je honderd roebel."

"Nee, hij kost nu honderdvijftig," zei de pottenbakker.

"Ach, jij ongeluk!"

"Nee, ik ben geen ongeluk, maar minder neem ik er niet voor aan."

"Nu, verkoop me dan je hele pottenbakkerij. Wat wil je er voor hebben?"

"Ik verkoop die niet voor geld, en je kunt ze als je wilt voor niets krijgen. Maar dan moet je me op je rug nemen en zo naar de tsaar brengen."

De heer was gierig en zeer afgunstig - hij stemde toe en droeg de pottenbakker op zijn rug naar de tsaar. De handen van de pottenbakker zaten onder de klei, zijn voeten in bastschoenen staken ver naar voren, en toen de tsaar hen zo zag aankomen, moest hij lachen: "Ha-ha-ha! Zo, ben je daar? (Hij had de heer en de pottenbakker allebei herkend.) Wat moet dit betekenen?"

"Ja, dat zit zo..." en de pottenbakker vertelde alles aan de tsaar.

"Wel, wel, broertje, trek nu wat je aan hebt uit en geef het aan deze heer. En jij," zei hij tegen deze, "trek al je mooie kleren uit en geef ze aan hem. Hij zal voortaan in jouw plaats een heer zijn, en jij in zijn plaats pottenbakker."


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Een engel zonder vleugels. Kerstverhalen" samengesteld door Els de Jong-van Gurp.
           La Rivière & Voorhoeve, Kampen, 1994. ISBN: 90-384-0746-7
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:16 Reageer op dit bericht

Slimme Grietje

Slimme Grietje
- Een volkssprookje van Grimm -
Er was eens een keukenmeid, en die heette Grietje. Ze droeg schoenen met rode hakken en als ze daarmee uitging, dan draaide ze zich om en om, was heel vrolijk en dacht: je bent toch een knap meisje. En als ze dan weer thuis kwam, dronk ze uit pure vrolijkheid nog een slok wijn; en omdat wijn dan weer hongerig maakt, probeerde ze het beste dat ze koken kon, zo lang tot ze volop had en zei: "Een keukenmeid moet weten hoe het eten smaakt!"

Nu gebeurde het, dat haar meester eens tegen haar zei: "Grietje, vanavond komt er een gast, maak me eens twee kippen klaar." - "Goed meneer," zei Grietje. En ze nam twee kippen, plukte ze, broeide ze, stak ze aan 't spit en bracht ze tegen de avond voor 't vuur, om ze te braden. De kippen begonnen al bruin en gaar te worden, maar de gast was nog niet verschenen. Toen riep Grietje haar mijnheer: "Als die gast nu niet komt, dan moet ik de kippen afzetten, maar 't is zonde en jammer, als ze niet meteen opgegeten worden, ze zijn nu knappend en mals en sappig." Mijnheer zei: "Ik zal zelf even de gast gaan halen."

Toen mijnheer zijn hielen gelicht had, legde Grietje het spit met de kippen eraan opzij en dacht: "Zolang bij 't vuur staan, maakt een mens warm en dorstig. Wie weet wanneer ze eindelijk komen! Ondertussen spring ik de kelder in en haal een teugje." Ze liep naar beneden, zette de kruik onder 't vat, zei: "Wel bekome het je, Grietje!" en nam een flinke teug. "Wijn hangt aaneen," zei ze weer. "Het is niet goed, 't af te breken" en ze nam nog een flinke teug. Dan ging ze weer naar boven, zette de kippen weer voor het vuur, bestreek ze nog eens met boter en liet het spit lustig draaien. Maar het rook zo heerlijk en Grietje dacht: "Er zou iets kunnen mankeren: ik moet even proeven" en ze likte haar vinger af en zei: "O, wat zijn die kippen heerlijk! Het is zonde en schande, dat ze op 't ogenblik niet gegeten worden!"

En ze liep naar 't venster of meneer er nog niet aan kwam met zijn gast, maar zij zag niemand: en ze ging weer naar de kippen en dacht: "straks verbrandt die ene vleugel, ik moest hem maar liever opeten." Dus sneed ze de vleugel af en at die op, en 't smaakte kostelijk, en toen ze ermee klaar was, dacht ze: "De andere moet er ook af, anders merkt meneer, dat er iets weg is." Toen ze de twee vleugels op had, ging ze weer naar het raam, keek uit naar mijnheer en ze zag hem niet. "Wie weet," zo schoot haar ineens te binnen, "wie weet of ze komen helemaal niet en zijn ergens anders heen gegaan."

Toen zei ze: "Hè, Grietje, wees nu verstandig, die ene kip is toch aangesneden, neem nog een flinke teug en eet hem helemaal op, als hij op is heb je pas rust: waarom moet zo'n kostelijk kipje verbrand worden?" Zo liep ze nog eens naar de kelder, nam een eerbare dronk, en at de ene kip met alle plezier op. Ze had nu de ene kip helemaal op en nog altijd was mijnheer niet terug. Maar nu keek ze de andere kip erop aan en zei: "Waar de één is, moet de ander ook zijn; die twee kippen horen bij elkaar: wat voor de één goed is, is evenzeer goed voor de ander, ik geloof, als ik nog eens een versterkende teug nam, dan kon niets me deren." Dus nam ze nog een hartversterkende dronk en liet toen de tweede kip weer naar de eerste lopen.

Ze zat nog te eten, toen mijnheer binnenkwam en zei: "Gauw, Grietje, de gast komt dadelijk." - "Ja, mijnheer ik ben al bezig," antwoordde Grietje. Intussen keek mijnheer toe of de tafel al gedekt was, nam het voorsnijmes om de kippen mee te snijden, en wette het nog eens in de gang. Nu kwam de gast; hij klopte bescheiden en keurig aan de voordeur. Grietje liep erheen en keek, wie er was, en toen ze de gast zag, legde ze haar vinger op haar mond en zei: "Stil! Stil! ik raad u aan: maak dat u wegkomt; want als mijnheer u ziet, dan bent u erbij: hij heeft u wel uitgenodigd voor 't avondeten, maar hij is van plan, u allebei uw oren af te snijden! Hoort u hem 't mes al slijpen?"

De gast hoorde het wetten van het mes en liep wat hij lopen kon de stoep af. Grietje was ook niet lui en liep huilend naar mijnheer en riep: "Daar hebt u me een mooie gast uitgenodigd!" - "Hoezo Grietje? wat bedoel je daar mee?" - "Ja," zei ze, "hij heeft me allebei de kippen - ik wou ze net opdoen - van de schotel genomen en is ermee weg!" - "Dat is ook wat moois!" zei mijnheer, en het speet hem zo van de mooie kippen, "had hij er dan tenminste één overgelaten, dat ik ook nog wat te eten had!"

Hij riep hem na, dat hij even wachten moest, maar de gast deed of hij niets hoorde. Dan liep hij achter hem aan, altijd nog dat mes in z'n hand, en hij schreeuwde "Eén maar, één maar!" en daarmee bedoelde hij, dat de gast bij hem één kip laten zou en ze niet alle twee meenemen; maar de gast dacht niet anders of hij moest één van z'n beide oren bij hem laten, en hij liep of er vuur onder hem brandde, om ze allebei veilig thuis te brengen.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 06:30 1 reactie Reageer op dit bericht

De vernachelde vrijers

De vernachelde vrijers
- Een grappig verhaal uit Estland over trouwlust -
Er was eens een niet alleen schatrijke, doch ook verrukkelijk ogende en nog jonge weduwe, wier echtgenoot al een jaar of wat terug was overleden. Haar deur werd bijkans plat gelopen door hele rissen mannen, die niets liever wilden dan met haar in het huwelijk treden, maar de mooie weduwvrouw dacht er eenvoudig niet aan om nog eens te trouwen.

Zo lieten zich op een goede dag wederom drie jongemannen bij haar aandienen, die om beurten naar haar hand dongen. Evenals hun voorgangers werden ze echter onverrichter zake weer naar huis gestuurd.

Deze drie huwelijkskandidaten waren echter vastbesloten zich niet zomaar te laten afschepen, en bleven de lieftallige weduwe door steeds terug te komen het leven ingewikkeld maken. Stuk voor stuk verklaarden ze haar vurig hun liefde en pochten op hun rijkdommen, totdat hun gezeur de jonge vrouw tenslotte danig de keel uit begon te hangen en zij in stilte op een plannetje begon te zinnen om het opdringerige drietal af te schudden.

Het kostte haar de nodige hoofdbrekens, doch na lang piekeren had ze een probaat middel bedacht: op een avond liet ze de drie kerels, met tussenpozen van een uur, een voor een bij zich komen, zonder dat de vrijers van elkaar wisten dat ze die avond waren uitgenodigd - de weduwe had hun namelijk volstrekte geheimhouding opgelegd.

Toen op de bewuste avond haar eerste bezoeker arriveerde sprak de vrouw tot hem: "Als je echt zoveel van me houdt als je beweert, bewijs dat dan maar eens door de nacht hier als dode in een echte doodkist door te brengen." Dat had de man best voor haar over, en gewillig liet hij zich in een lijkwade hullen en volgde haar naar het kamertje waar de kist reeds stond opgesteld. Moedig stapte hij erin en ging languit liggen, zodat hij op het eerste gezicht niet van dood te onderscheiden was.

Even later klopte de tweede bezoeker aan. "Als je me werkelijk lief hebt," vroeg de weduwe, "zou je dan vannacht voor me willen waken bij een dode die hier in zijn kist staat opgebaard?" Dat vond de man prima, en hij beloofde haar die nacht de wacht te zullen houden bij de dode. De weduwe hulde hem in een lang, wit gewaad, bond hem twee ganzenvleugels aan z'n schouders, gaf hem een brandende lantaarn in de hand en verwees hem naar het als rouwkamer ingerichte vertrekje. De eerste vrijer, die daar zogenaamd voor lijk lag, wierp een steelse blik vanuit zijn kist en dacht: "Waar zou ik nu nog bang voor hoeven wezen, als er een engel over me komt waken?" Geheel gerustgesteld sloot hij de ogen weer.

Het duurde niet lang of de derde vrijer liet zich aandienen. De weduwe ontving hem met een tedere en toch plechtige uitdrukking op haar schoon gelaat, zoals ze ook zijn twee mededingers had ontvangen, en vroeg: "Als je echt zoveel om me geeft, wil je dan een lijk voor me naar buiten brengen dat hier in een rouwkamertje staat opgebaard?" - "Voor jou doe ik alles," sprak de reddeloos voor haar charmes bezweken vrijer op dwepende toon. "Al wordt het door de duivel in eigen persoon bewaakt, ik breng dat lijk wel even voor je naar buiten!" De vrouw maakte met wat roet zijn gezicht zwart, knoopte hem twee bokkenhoorns op z'n hoofd en stuurde hem aldus uitgedost het rouwkamertje in.

Zijn entree daar bezorgde alle drie de vrijers een hevige schrik, want op de nu ontstane situatie had noch hijzelf, noch de engel, noch de dode gerekend. Zich langzaam herstellend van de schok vroeg de duivel de engel op onheilspellende toon: "Wat moet jij hier? Scheer je weg! Ik heb opdracht deze dode naar de hel te brengen." - "En ik heb opdracht dit lijk te bewaken!" diende de engel hem kernachtig van repliek. Weldra raakte het tweetal slaags, en het begon ernaar uit te zien dat de duivel de overhand kreeg. Zodra de man in de kist in de gaten begon te krijgen dat de engel het onderspit dreigde te delven, maakte een verschrikkelijke angst zich van hem meester dat hij in levende lijve naar de hel gebracht zou worden, en ontzet sprong hij uit de kist en snelde het kamertje uit alsof de duivel hem op de hielen zat.

De beide strijdenden, die daar eensklaps pal voor hun ogen een dode tot leven zagen komen, schrokken hier zo vreselijk van dat ook zij nog maar één gedachte hadden: weg wezen hier! Struikelend over hun eigen voeten en de vermommingen, die hen in hun bewegingen belemmerden, bliezen ze hals over de kop de aftocht.

De weduwe, die dit tafereeltje vanuit een schuilplaats gefascineerd had gevolgd, sloeg zich op de dijen van het lachen tot de tranen haar over de wangen biggelden. De trouwlust was het ondernemende drietal nu voorgoed vergaan, en vanaf dat moment lieten ze de bekoorlijke weduwe dan ook verder met rust.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Sprookjes uit Finland en Estland" bijeengebracht door August van Löwis of Menar.
           A. W. Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen, 1979. ISBN: 90-229-3311-3
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:04 1 reactie Reageer op dit bericht

De verkochte droom

De verkochte droom
- Een verhaal uit Japan over geluk -
Jukitshi en Mosuke waren sinds jaren goede vrienden. Jukitshi was een vrolijke, bijna lichtzinnige knaap, Mosuke daarentegen bekeek het leven ernstig en was meestal uiterst voorzichtig. Hoewel zij dus heel verschillend van aard waren, mochten zij elkaar bijzonder graag en als de één een zakenreis wilde maken - zij waren beiden koopman - wachtte hij meestal tot de ander met hem mee kon gaan.

Eens waren zij weer samen op reis. Zij hadden een warme dag achter de rug en waren dankbaar toen er onverwacht een woud voor hen opdoemde, waar zij, onder de donkere pijnbomen, wat konden uitrusten. En het duurde niet lang of Jukitshi was ingeslapen.

Mosuke bekeek hem aandachtig en zuchtte: "Hij slaapt hier warempel net zo vast als thuis. Ik kan dat niet. Altijd ben ik bang dat iemand me bestelen zal. Toch zou het wel goed zijn hier een dutje te doen. Maar ach, wat zeur ik, ik kan nu eenmaal niet buiten slapen!" Terwijl Mosuke, in gedachten verzonken, naar zijn vriend zat te kijken, zag hij plotseling uit diens linker neusgat een wesp vliegen. Verwonderd keek hij hem na. Het beestje vloog naar een eenzame pijnboom op een hoge rots, cirkelde driemaal rond de kruin, keerde dan terug naar Jukitshi en verdween in diens linker neusgat. Zoiets vreemds had Mosuke nog nooit beleefd!

Op dat ogenblik ontwaakte Jukitshi, rees lachend overeind en zei: "Daar had ik toch een wonderlijke droom! Die zal ik je vertellen. Stel je voor, op een hoge rots stond een pijnboom, net als die daar en om zijn stam vloog een wesp en die zoemde maar steeds: "Op déze plek moet je graven!" Goed, ik begon te graven en wat vond ik daar? Een grote aarden kruik vol met goudstukken! Zoveel geld had ik in mijn hele leven niet bij elkaar gezien. Maar ja, het was ook een droom..."

"Dat was inderdaad een vreemde droom," antwoordde Mosuke. "Onder die pijnboom zou ik maar eens gaan zoeken."

"Welnee, dacht je dat ik mij in deze hitte, alleen door zo'n pijnbomendroom, in het zweet ging werken? Laten we maar vlug verdergaan, dan zijn wij op tijd in de stad."

Doch Mosuke hield vol. "Zo 'n droom heeft beslist iets te betekenen. Als jij het niet doet, zou ik het kunnen proberen. Weet je wat, je mag mij die droom verkopen."

Jukitshi lachte hartelijk. "Dat is geen gek idee, een droom heb ik nog nóóit verkocht. Hoeveel geef je ervoor?"

"Je vertelde dat je een grote zak goudstukken vond. Welnu, ik ben je vriend en wil je niet tekort doen. Zeg zelf maar hoeveel die droom je waard is."

Na wat heen en weer praten kwamen zij overeen dat Mosuke de droom zou kopen voor driehonderd zilverstukken.

Jukitshi schoot opnieuw in de lach. "Zo heb ik nog nooit zaken gedaan. Driehonderd zilverstukken voor een gewone droom! Maar laten wij nu opschieten, anders komen we veel te laat op de markt."

De stemmen van de vrienden (die dachten dat ze alleen waren) hadden helder door het bos geklonken. Zij konden ook niet weten dat de gierige Katshiemon alles had afgeluisterd. Deze was eveneens op weg naar de stad en had onder een pijnboom wat geslapen. Maar het levendige gesprek van de vrienden had hem gewekt. Nu lachte hij vol leedvermaak. Wat 'n brave mensen, een droom verkopen! Het was een geluk dat zij zo hard gesproken hadden. Nu wist hij waar die schat verborgen lag. En hij had hem tenminste voor niets!

Katshiemon liet zijn plan, om naar de markt te gaan, varen en beklom de rots. Daar begon hij onder de pijnboom te graven, te graven... en ziet, hij stootte op iets hards en even later tilde hij een grote aarden kruik vol goudstukken uit de kuil. Hij sloeg de kruik aan stukken, verborg het goud in zijn reistas en haastte zich naar de stad. "Herberg te koop" was het eerste wat hij zag. Hij kocht hem, werkte hard en werd een rijk man.

Toch bracht de schat hem op de duur geen geluk. In de loop der jaren verloor hij niet alleen al het geld dat hij onder de pijnboom gevonden had, maar ook wat hij voor die tijd bezat. En tenslotte strompelde hij als bedelaar langs de wegen.

Toen Mosuke zijn zaken in de stad had afgehandeld, nam hij afscheid van Jukitshi en keerde terug naar de plaats waar hij diezelfde dag zijn droom verkocht had. Maar wie schetst zijn verbazing toen hij onder de pijnboom een grote kuil vond, waarin de wortels vreemd omhoog staken! En het moest een grote kruik geweest zijn die in scherven daartussen lag.

"Iemand is mij vóór geweest," mompelde hij triest. En gedachteloos greep hij een van de scherven. Ineens sprong hij op. In de grootste scherf waren letters gekrast! "De eerste van de zeven" las hij hardop.

Hoopvol staarde hij in de kuil. Als er stond "De eerste van de zeven" kon dat betekenen dat er nóg zes kruiken verborgen waren. Hij begon ogenblikkelijk te graven. En inderdaad, de ene aarden kruik na de andere kwam tevoorschijn en toen hij, hijgend en zwetend, niet verder kon, stonden er zes op de kant! En, constateerde hij tevreden, tot aan de rand gevuld met goudstukken!

Mosuke ging naar de stad, bouwde er een grote herberg en liet op het uithangbord schilderen: "In de Gelukskruik". En tot het einde van zijn leven had hij hier een vrolijk en gelukkig bestaan.

Dikwijls stapte Jukitshi de herberg binnen. Dan boog hij hoffelijk voor zijn vriend en vroeg: "Wel Mosuke, hoe gaat het met mijn droom?"

Dan sloegen zij elkaar lachend op de schouders en altijd weer kreeg Jukitshi de grootste aarden kruik, gevuld met de allerbeste rijstwijn!


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Japanse sprookjes" bewerkt door Marijke van Raephorst.
           Uitgeverij N. Kluwer, Deventer, 1971.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:52 2 reacties Reageer op dit bericht

De slimme en de...

De slimme en de domme koopman
- Een verhaal uit Irak over een maaltijd voor de kalief -
In Bagdad leefde eens een rijke koopman; maar op een dag had hij zich in de schulden gestoken en was hij failliet gegaan. Toen hij echter op een avond niets meer te eten had en de hele nacht niet kon slapen van de honger, sprak hij de volgende ochtend tot zijn vrouw: "Haal een kip voor me, Soheir!" Op haar vraag wat hij van plan was te gaan doen, antwoordde hij: "Ik wil de kip naar de kalief brengen."

De vrouw ging naar de buren, leende een paar piaster van hen en kocht een kip. Haar man beval haar het dier te braden. Omdat ze ook geen brood hadden, ging hij naar de markt, kocht op de pof twee stukken brood, legde de gebraden kip erop en deed alles op een schaal. Daarmee ging hij naar het paleis van de kalief.

Toen hij de binnenplaats van het paleis van de kalief opkwam, vroegen de dienaren hem: "Waar wil je heen, broeder?" Hij antwoordde: "Ik wil de kalief een ontbijt brengen." Daarop lieten ze hem naar binnen gaan. Hij kwam in de ontvangstzaal en de kalief vroeg hem: "Wat breng je daar, mijn zoon?" - "Ik heb een ontbijt voor u, o emir der gelovigen," antwoordde hij. "Voor mij alleen of ook voor mijn vrienden?" informeerde de kalief. "Voor u en uw vrienden," antwoordde hij. En de kalief beval: "Nu dan, verdeel het onder ons."

De koopman spreidde zijn mantel uit, legde het brood en de kip erop en begon alles te verdelen, terwijl hij een vreselijke honger voelde en het water hem in de mond liep. Allereerst trok hij de kop van de kip af, legde die op een stuk brood en gaf het aan de kalief; daarna trok hij er een vleugel af, legde die op een stuk brood en gaf dat aan de eerste grootvizier en toen trok hij de andere vleugel eraf, legde die op een stuk brood en gaf dat aan de tweede grootvizier.

De rest hield hij zelf en hij begon met grote eetlust te eten. De kalief vroeg hem: "Mijn zoon, zeg ons, waarom heb je dit zo verdeeld?" - "O kalief," gaf de koopman ten antwoord, "u bent het hoofd van alle mensen en om die reden heb ik u de kop van de kip gegeven, de ene grootvizier staat aan uw rechter schouder en de andere aan uw linker schouder: de rest is van geen betekenis, dus dat komt mij toe. Bovendien sterf ik van de honger."

Daarop beval de kalief hem 500 goudstukken te geven en de twee grootviziers gaf hij opdracht hem dezelfde som te geven. De koopman nam het geld en snelde er zeer verheugd mee naar zijn vrouw. Onderweg ging hij langs de markt en kocht etenswaren, tarwe, rijst, vet en allerlei huishoudelijke artikelen. Hij bestelde ook bouwlieden en liet zijn huis renoveren en er een stuk aan bouwen. De buren zeiden: "Gisteren bezat hij geen cent en ging slapen zonder avondmaal. Waar heeft hij plotseling dat geld vandaan om te gaan bouwen?" Dus ging een buurvrouw naar de vrouw van de koopman en informeerde bij haar: "Zuster, hoe komen jullie toch aan geld om te gaan bouwen, terwijl jullie gisteravond niet eens iets te eten hadden?" - "Mijn man heeft de kalief een kip voor zijn ontbijt gebracht," vertelde de vrouw van de koopman, "en de kalief heeft hem daarvoor geld gegeven."

De buurvrouw ging naar haar man en zei: "Stel je voor, onze buurman die gisteren zonder eten naar bed ging, heeft de kalief een kip gebracht voor zijn ontbijt en kreeg daarvoor veel geld. Laten wij ook een gerecht klaarmaken en breng dat naar het paleis."

De andere koopman kocht zeven kippen en liet die bereiden met rijst en saus. Hij liet kruiers komen die het gerecht droegen en ging met hen naar het pateis. Toen de kalief hem vroeg: "Wat breng je mee, mijn zoon?" antwoordde de koopman: "Dit is een middagmaal voor u, o kalief!"

"Voor mij alleen of voor ons allemaal?" wilde de kalief weten, en de koopman antwoordde: "Voor u allemaal!" - "We eten echter niet allemaal van één schaal, maar ieder apart," sprak de kalief, "verdeel het dus onder ons." Daarop gaf de koopman de kalief drie kippen en aan iedere grootvizier gaf hij er twee.

"Waarom heb je het zo verdeeld?" werd hem gevraagd, en de koopman antwoordde: "Dit is alles wat ik weet." Toen gaf de kalief opdracht hem ieder vijfhonderd slagen te geven. Deze koopman ging hinkend en klagend terug naar zijn vrouw en schreeuwde tegen haar: "Dat is allemaal jouw schuld, vervloekt wijf!"


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Volkssprookjes en Legenden uit Arabië: verzameld door Ursula Assaf-Nowak" - Uitgeverij Elmar, 1979.
           Ook wel "Arabische sprookjes uit het morgenland".
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 01:51 3 reacties Reageer op dit bericht

Speelhans

Speelhans
- Een moraalsprookje van Grimm over een aan gokken verslaafde man -
Er is eens een man geweest, en die had nooit niks gedaan dan spelen, en toen hebben de mensen hem Speelhans genoemd, en omdat hij toen helemaal niet opgehouden heeft met spelen, zo heeft hij z'n huis en alles verspeeld. En nou, net de laatste dag, voor 'm de schuldeisers het huis hebben willen wegnemen, is Onze Lieve Heer gekomen, samen met Sint Pieter, en die hebben gezegd dat hij 't voor die nacht nog mocht houden.

Toen heeft Speelhans gezegd: "Mogen de kinders dan vannacht nog blijven; maar ik kan hun zelfs geen botje en niks te eten geven." Toen heeft Onze Lieve Heer gezegd: hij moest ze maar bij zich houden, en zij zouden wel eten voor zichzelf kopen, en dat vond Speelhans dan wel goed. Dan heeft Sint Pieter hem drie stuivers gegeven, en dan moest hij naar de bakker gaan en een brood halen.

Nu is Speelhans wel weggegaan, maar toen hij langs 't huis gekomen is, waar de andere spelers altijd gewoon waren te zijn en waar ze hem alles afgewonnen hadden, toen zijn ze gaan roepen en schreeuwen: "Hans! Kom toch hier!" - "Ja," zegt-ie, "jullie willen me die drie stuivers ook nog afhandig maken." Maar ze hebben hem niet laten gaan. En nu is hij binnen, en toen heeft hij die drie stuivers ook nog verspeeld.

De heilige Petrus en Onze Lieve Heer hebben aldoor gewacht, en toen 't zolang duurde voor hij terugkwam, zijn ze 'm tegemoet gelopen. Maar toen Speelhans hen zag komen, heeft hij gedaan alsof 't geld 'm in 'n gat van z'n zak gekomen is, en daar zat hij aldoor maar naar te grabbelen, maar Onze Lieve Heer wist wel, dat hij 't weer verspeeld had. En toen heeft Sint Pieter hem nog eens drie stuivers gegeven. Maar nu heeft-ie zich niet meer laten verleiden, en hij heeft hun 't brood bezorgd. Toen vroeg Onze Lieve Heer, waarom hij er geen wijn bij deed, en toen heeft-ie gezegd: "Och, Heer, de vaten zijn allemaal leeg." Toen zei Onze Lieve Heer, hij moest maar eens naar de kelder gaan, "er is nog beste wijn." Eerst geloofde hij dat helemaal niet, maar tenslotte heeft-ie dan gezegd: "Ik zal dan wel gaan, maar ik weet, dat er niks is." Maar toen hij van het vat tapte, kwam er beste wijn uitstromen. En toen heeft hij hun die wijn gebracht, en toen zijn ze alle twee die nacht gebleven.

De volgende morgen, heel vroeg, heeft Onze Lieve Heer tegen Speelhans gezegd: hij mocht drie genaden vragen. Natuurlijk bedoelde Hij, dat hij de hemel zou vragen, maar Speelhans wenste: "Ten eerste kaarten, waarmee je elk spel wint; dobbelstenen waarmee je ook altijd wint, en dan een boom waar alle fruit aangroeit en dat als iemand erin klimt, hij er niet af kan, tenzij ik het wil." En Onze Heer heeft 'm alles gegeven wat hij verlangde, en toen is hij met Sint Pieter weer weggegaan.

Nu is Speelhans pas goed met spelen begonnen, en hij had al gauw de halve wereld gewonnen. Dikwijls zei Sint Pieter tot Onze Heer: "Here, dat is niks gedaan, hij wint de hele wereld nog, we moesten 'm nou maar de dood zenden." En toen hebben ze hem de dood maar gezonden. En toen de dood kwam, toen zat Speelhans net aan tafel, en toen zei de dood: "Hans, kom es even mee naar buiten." Maar Speelhans zei: "Wacht, maar even tot dit spel uit is, en ga ondertussen een beetje de boom in en pluk wat, zodat we onderweg wat lekkers hebben." Meteen ging de dood de boom in, en toen hij er weer uit wilde, toen kon hij niet, en Speelhans heeft hem zeven jaar in die boom laten zitten, en al die tijd is er niemand gestorven.

Dikwijls zei Sint Pieter tegen Onze Heer: "Here, dat wordt niks, er gaat geen mens meer dood, we zullen er zelf eens bij moeten komen." En toen zijn ze er zelf maar eens op af gegaan en toen heeft Onze Heer gezegd, dat hij de dood nu weer uit de boom moest laten. En toen is hij er meteen naartoe gegaan en zei tegen de dood: "Kom d'r maar af," en toen nam de dood hem meteen mee en wurgde hem. En toen gingen ze samen verder en heeft de dood hem naar de andere wereld gebracht en toen is mijn Speelhans naar de hemelpoort gegaan en klopte daar aan. "Wie is daar buiten?" - "Speelhans." - "O, die hebben we niet nodig, ga maar weer weg." Toen is hij gegaan naar de deur van het Vagevuur en daar heeft hij weer geklopt. "Wie klopt daar?" - "Speelhans." - "O, d'r is al genoeg verdriet en ellende hier bij ons, we willen niet spelen, maak maar dat je wegkomt." Toen is hij naar de hellepoort gegaan, en daar hebben ze 'm binnengelaten, maar er was niemand geneigd te spelen, behalve oude Lucifer en de kromme duivels (en die hadden juist boven in de wereld allerlei werkjes gehad) en toen is hij meteen gaan zitten en is weer begonnen met spelen. Maar nu had Lucifer geen hulp behalve die kromme duivels, en toen heeft Speelhans hem alles afgenomen, omdat hij met zijn kaarten wel altijd moest winnen.

En nu is hij met zijn kromme duivels aan 't werk gegaan, en vaak gingen ze naar Hogevoort en daar hebben ze alle hopstengels uitgetrokken en zijn daarmee de hemel ingeklommen en zijn begonnen te waaien en de hemel begon al te kraken. Toen zei de heilige Petrus weer: "Here, dat wordt niks, we moeten 'm binnenlaten, anders gooit hij ons de hemel nog uit."

En toen hebben ze hem er maar binnengelaten. Maar Speelhans is dadelijk weer met spelen begonnen, en toen is er meteen een lawaai en een drukte gekomen, dat je je eigen woorden niet verstaan kon. Nu heeft Sint Pieter weer gezegd: "Here dat wordt wéér niks, we moeten hem naar beneden gooien, want anders maakt hij de hele hemel rebels." Nu dat is gebeurd. Ze hebben hem omlaag geworpen, en toen is zijn ziel in stukken gesprongen en hij is in alle spelers gevaren, die nu nog in leven zijn.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:57 3 reacties Reageer op dit bericht

Vondevogel

Vondevogel
- Een sprookje van Grimm over een vondeling en zijn zusje -
Er was eens een houtvester. Hij ging op jacht in het bos, en toen hij in het bos kwam, hoorde hij schreien als van een klein kind. Hij speurde waar het gehuil vandaan kwam, en eindelijk kwam hij bij een hoge boom, en daarin zat een kindje. De moeder was met het kind ingeslapen aan de voet van de boom; een roofvogel had het kind in haar schoot in het oog gekregen, toen was hij erheen gevlogen, had het met zijn snavel opgepakt en bovenin een hoge boom gezet.

De houtvester klom nu de boom in, haalde het kindje naar beneden en dacht: "Je moest de kleine mee naar huis nemen en samen met Leentje opvoeden." Dus bracht hij het thuis, en de twee kinderen groeiden samen op. Het kind dat in de boom gevonden was, noemden ze Vondevogel. Vondevogel en Leentje hielden veel van elkaar, zoveel, dat, als de één de ander niet zag, zij verdriet hadden.

Maar de houtvester had een oude keukenmeid. Op een avond nam ze twee emmers en begon water te putten. Dat deed ze niet eens, maar heel veel maal. Leentje zag dat en zei: "Zeg, oude Sanne, waarvoor haal je zoveel water?"

"Als je 't aan geen mens zegt, dan wil ik het je wel vertellen." Toen zei Leentje: nee, ze zou het geen mens zeggen - en toen zei de keukenmeid: "Morgenvroeg, als de houtvester weer gaat jagen, dan kook ik al dat water; en als het ziedend is in de pan, dan gooi ik daar Vondevogel in en ga d'r koken!"

De volgende morgen, heel in de vroegte, stond de houtvester op en ging op jacht, toen hij weg was, lagen de kinderen nog in bed. Toen sprak Leentje tot Vondevogel: "Als je mij niet alleen laat, dan laat ik jou ook niet alleen." En Vondevogel zei: "Nooit ofte nimmer."

Toen zei Leentje: "Ik wou alleen maar zeggen - oude Sanne sleepte gisteravond zoveel emmers water naar huis - toen vroeg ik, waarvoor ze dat deed - toen zei ze, als ik 't geen mens zeggen zou dan zou ze 't mij wel zeggen - ik zei: ik zal 't zeker aan niemand zeggen - toen zei ze: morgenvroeg, als vader ging jagen, dan wou ze een pan vol water koken, en jou er instoppen en jou koken! Laten we gauw opstaan, ons aankleden en samen weggaan."

Dus stonden de twee kinderen op, kleedden zich snel aan en liepen weg. Toen het water ziedend aan het koken was, ging de keukenmeid naar de slaapkamer, wou Vondevogel halen en in de pan doen. Maar toen ze de kamer binnenkwam, toen waren allebei de kinderen weg; toen werd ze verschrikkelijk bang en ze prevelde in zichzelf: "Wat moet ik nu zeggen als de baas thuiskomt, en ziet dat de kinderen allebei weg zijn? Gauw ze achterna, ze weer terughalen!"

De keukenmeid zond hun drie knechts achterna, die moesten lopen wat ze lopen konden en de kinderen inhalen. Maar de kinderen zaten aan de rand van het bos, en toen ze de drie knechts van verre zagen aankomen, zei Leentje tegen Vondevogel: "Als je mij niet alleen laat, dan laat ik jou ook niet alleen." En Vondevogel zei: "Nooit ofte nimmer!"

Toen zei Leentje: "Verander jij je dan in een rozenstruik en ik in het roosje." Dus toen de drie knechts aan de rand van het bos kwamen, toen was er niets dan een rozenstruik met een enkel roosje eraan; en de kinderen waren nergens te zien. De knechts zeiden dus: "Dat is niks gedaan," en gingen weer naar huis. Ze zeiden tegen de keukenmeid: er was nergens iets te zien geweest, alleen de bosrand en 'n rozenstruik met 'n roosje. Toen riep de keukenmeid woedend: "Ezelsveulens dat jullie zijn, je had die rozenstruik in stukken moeten snijden en 't roosje afplukken en thuisbrengen; ga het maar gauw halen en doe het dadelijk!" Ze moesten dus nog eens op pad en weer zoeken. Maar de kinderen zagen hen uit de verte al aankomen en Leentje zei: "Vondevogel, je laat me niet alleen, dan verlaat ik je ook niet." Vondevogel zei: "Nooit ofte nimmer!"

En Leentje weer: "Verander jij je dan in een kerk en ik in de kroon die er hangt." Toen dus de drie knechts weer terugkwamen, was er niets dan een kerk met een luchter. Ze zeiden dus tegen elkaar: "Het is niets gedaan. Laten we maar weer naar huis gaan." Ze kwamen weer terug en de keukenmeid vroeg: "Hebben jullie nu alweer niets gevonden?"

"Nee," zeiden ze; ze hadden alleen een kerk gezien en daar was een kroon in geweest. "Dwazen," riep de keukenmeid, had dan de kerk afgebroken en de kroon mee naar huis genomen!" En daarom ging zij er nu zelf op af, en ging met de drie knechts de kinderen na. Maar de kinderen zagen de drie knechts van verre naderen en de keukenmeid schommelde er achteraan. Toen zei Leentje: "Vondevogel, laat je me niet alleen, dan laat ik jou ook niet alleen." Toen sprak Vondevogel: "Nooit ofte nimmer."

Leentje zei: "Word jij dan een vijver, dan ben ik de eend die erin zwemt." Maar nu kwam de keukenmeid erbij, en toen ze de vijver zag, ging ze ervoor liggen en wilde hem helemaal opdrinken. Maar de eend kwam dadelijk aangezwommen, pakte haar met z'n snavel bij haar haar en trok ze 't water in: zo is de oude heks verdronken. De kinderen gingen samen naar huis en waren uitgelaten blij, en als ze niet gestorven zijn, leven ze nog.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 01:04 3 reacties Reageer op dit bericht

De draak van Krakau

De draak van Krakau
- Een volkssprookje over een Poolse vorst die een draak verslaat -
Tot de mooiste en ook oudste steden van Europa behoort de Poolse stad Krakau. Als een ouderwets kleinood is ze getooid met schitterende edelstenen: de indrukwekkende burcht en de rivier de Wisla.

AI meer dan duizend jaren verhief zich op een rotsachtige heuvel de burcht Wawel, maar van een dorp, ja zelfs van een stad, was in de verre omtrek geen spoor te bekennen.

De machtige vorst Krak had hier zijn zetel. Graag had hij een gemeenschap gesticht, maar waar zou hij de mensen vandaan moeten halen, als iedereen met een grote boog om de plaats heenliep?

In de holten onder de burcht huisde namelijk een draak, en wee degene, die in de buurt kwam! Weliswaar nam de draak meestal genoegen met de kuddedieren, maar zijn vraatzucht nam elke dag toe, zodat het beslist niet lang meer zou duren, voordat hij de kudde van Krak helemaal zou hebben uitgeroeid. Ongetwijfeld zou hij dan de weg naar de burcht weten te vinden!

De vorst begreep, dat er iets moest gebeuren, om het dreigende gevaar af te wenden; hij besloot daarom het monster met zijn gewapende knechten onder aanvoering van zijn drie zonen tegemoet te treden.

Maar dat liep slecht af. De scherpe zwaarden braken als luciferhoutjes op het pantser van de draak. Sommigen van Kraks mannen bezweken onder de opstijgende giftige dampen die het monster naar alle kanten uitspuwde, anderen stierven een gewelddadige dood door de scheurtanden of klauwen van het ondier.

Slechts een klein groepje keerde heelhuids van deze ongelukkige strijd terug, en de vorst was het noodlot in ieder geval dankbaar, dat ook zijn zonen in leven waren gebleven.

Kilometers ver was het gesmak te horen, als bewijs dat het gruwelijke monster zijn slachtoffers zich goed liet smaken.

Reeds de volgende dag waggelde het afschuwelijke beest naar de schanspoort. De aarde dreunde onder het logge gevaarte en toen hij begon te schreeuwen, zwol de wind aan tot storm. De vorst gaf zijn knechten het bevel, een vet schaap over de schanspoort te werpen, zodra het monster tot aan het burchtplein was opgerukt. De draak verslond het arme dier met één enkele hap, onderwijl giftige vonken uitbrakend. Na dit feestmaal likte hij met zijn reusachtige zwarte tong zijn muil af. En pas toen hij merkte, dat er niets meer te halen viel, kroop hij voldaan terug.

Vorst Krak was een dapper man, voor niets en niemand bang. "Daar moet eindelijk een eind aan komen," zei hij, en kwam met een gedurfd plan: "Als dat ondier weer een slachtoffer komt opeisen, geven we hem in plaats van een levend schaap alleen de met kalk en zwavel gevulde vacht." En hiervan was hij niet meer af te brengen, omdat hij wist, dat ze anders allemaal reddeloos verloren zouden zijn.

Zelf vulde hij de vacht met het giftige mengsel en beval de dienstmaagden, de vacht dicht te naaien.

Weldra kondigde het dreunen van de aarde en een afschuwelijk geschreeuw de komst van het ondier aan. Dit keer hoefde hij niet op zijn prooi te wachten. De hamel lag voor hem klaar en hij begon zijn maal, met zijn klauwen om zich heen slaand.

Maar de holten onder de burcht bereikte hij niet meer...

En toen hij rochelend neerzonk en tenslotte stierf, verhief zijn machtig lichaam zich nog voor de laatste maal.

Zo had de wijze vorst de vreselijke draak bedwongen. Onder de burcht bouwde hij nu een stad. De mensen, die hier gingen wonen, noemden de mooie en roemrijke stad naar hun vorst, die ervoor had gezorgd dat het drakengeschreeuw voor altijd was verstomd. Daaruit is de naam Krakau ontstaan.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Sagen van Europese steden" verteld door Vladimír Hulpach.
           Holland, Haarlem, 1980. ISBN: 90-251-0412-6
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 2 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten