Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: volkssprookje

Het meisje in de groene japon

Het meisje in de groene japon
- Een oud Chinees verhaal over een vrouwelijke geest -
Een jongeman, Yu Djing genaamd, had zich in een huisje bij de tempel 'De Groene Bron' teruggetrokken om zich geheel aan de studie te wijden. Hij studeerde van de vroege ochtend tot de late avond tot hij eindelijk met pijnlijke ogen op zijn rieten mat in slaap viel.

Op een avond toen hij weer als gewoonlijk over zijn boeken gebogen zat, hoorde hij buiten een meisjesstem roepen: "Ei, ei! Die geleerde Yu kan er maar niet genoeg van krijgen!" Verbluft keek hij op en ontdekte voor de open deur een lieftallig meisje in een groene japon. Zij zag er zo betoverend uit dat de student meteen wist dat zij geen gewone sterveling was. Maar hij liet niets merken.

"Waar kom je vandaan, lief kind?" vroeg hij.

"Zie ik er soms uit of ik je op zal eten, of vind je mij niet knap genoeg?" plaagde zij hem.

"Ik vind je zo mooi als ik nog nooit iemand gezien heb," antwoordde hij. Met een handgebaar nodigde hij haar uit binnen te komen. Zij gingen samen op de mat zitten en Yu maakte haar haar los dat geurde als een lotusbloem en daarna ontdeed hij haar van haar groene japon. Haar middel was zo slank dat hij het bijna tussen duim en pink kon omvatten. Hij bracht de nacht met haar door, en toen het wateruurwerk het begin van de dag aankondigde, was zij ineens verdwenen.

Vanaf die tijd kwam het meisje elke avond terug, maar Yu had wel moeite om overdag zijn hoofd bij de studie te houden.

Toen zij op een avond weer bij elkaar zaten en aten, dronken en vrolijk praatten en lachten, zei Yu ineens: "Je stem klinkt zo fijn en licht. Ik geloof dat je ook erg mooi moet kunnen zingen."

"Ik zou wel iets voor je willen zingen," zei het meisje, "maar eigenlijk is ons dit niet toegestaan. Ik kan je niet uitleggen waarom."

"Kom, zing iets voor me, al is het maar een klein liedje," hield Yu aan, maar het meisje wilde niet toegeven. Toen hij bleef aandringen, zei zij eindelijk: "Ik zal zo zacht zingen dat jij alleen het kunt horen." Met een stem die klonk als zilveren klokjes zong zij, terwijl haar sierlijke voetjes op de maat bewogen:
"Een vogel zong 's nachts in een boom,
Ik ontwaakte 's morgens uit mijn droom.
Ik denk aan jou in het halfduister,
terwijl ik telkens je lieve naam fluister."
Haar stem was zo teer als de morgendauw, zo fijn als zijde en zo buigzaam als riet. Geen wonder dat Yu haar smeekte om nog meer te zingen. Maar het leek net of zij angstig was toen zij zong:
"De kaars flikkert onrustig in de nacht,
net of zij op ons afscheid wacht.
Wanneer zij verspreidt haar laatste stralen,
moet ik heengaan zonder dralen."
"Waarom ben je toch zo angstig?" vroeg Yu haar.

Zij antwoordde: "Ik denk aan het gezegde: Geesten die met mensen verkeren, roepen de wraak des hemels op."

Even later tuurde zij door het raam en terwijl zij rusteloos heen en weer liep, zei zij: "Ik kan het je niet verklaren. Mijn hart klopt zo onstuimig. Ik voel dat mijn einde nadert."

Yu trachtte haar op alle mogelijke manieren gerust te stellen, maar nog voor de morgenschemering was aangebroken, en terwijl de kaars langzaam uitdoofde, stond zij op, kleedde zich aan en wilde weggaan. Voor de deur draaide zij zich om en zei met bevende stem: "Ik heb zo'n angstig voorgevoel, ik weet niet waarom. Maar ik smeek je, ga met mij mee naar buiten." En toen zij buiten waren, zei zij: "Blijf hier staan en kijk me na tot ik weg ben."

Yu wachtte tot zij verdwenen was en wilde juist weer naar binnen gaan, toen hij om hulp hoorde roepen. Hij vloog naar de andere kant van het huisje, maar zag niets. Een zacht geweeklaag scheen van boven te komen. Onder het dak ontdekte hij een spinnenweb met een kolossale grote spin. Het dier hield een insect in zijn greep gevangen, dat klagelijke kreten uitstootte. Yu vernielde het web en bevrijdde het slachtoffer. Het bleek een groene bij te zijn die nog maar amper leefde. De student pakte het diertje op en zette het neer op zijn tafel. Langzaam begon de bij weer te lopen. Hij stak zijn angel uit en schreef op het papier dat er onder lag: "Heb dank..." Daarna spreidde hij zijn vleugels uit en vloog door het raam de morgen tegemoet.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Chinese sagen en verhalen" door M.A. Prick van Wely.
           Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, 1978. ISBN: 90-228-33445
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:33 6 reacties Reageer op dit bericht

Ombaq en Oemboel (vervolg)

Ombaq en Oemboel (vervolg)
- Een Javaans volkssprookje over een koninklijke tweeling -
De twee jongens haastten zich verder. Toen ze bij hun moeder aangekomen waren, bogen ze zich tot haar voorover en bevrijdden haar van de marteling. De beide jongens vertelden haar alles wat er gebeurd was. Ze gingen weg met hun moeder en vestigden zich in het bos. Op den duur werd dit een groot rijk, omdat er veel mensen kwamen wonen.

Nu willen we het hebben over Raden Poetra, die op een dag in het bos ging jagen. Hij zag dat er een dorp was, zo uitgestrekt als een koninkrijk. Hij zei tegen zijn patih: "Broeder! Hier is een nieuw groot dorp in het bos gekomen. Je moet eens onderzoeken of ik daar kan verblijven."

"Om u te dienen heer!"

De patih ging naar het grootste huis, en daar trof hij Limaran met haar twee zoons.

Patih Prasanta sprak: "Duizendmaal vergiffenis, mag ik ook vragen van wie dit huis is?"

Limaran zei: "Broeder, ken je me niet meer?"

"O hemel, het is mijn meesteresse, die ik hier voor me zie! En die twee krijgshaftige jongemannen daar, wie zijn dat?"

Dat zijn mijn zoons, broeder, met wie Wadal Werdi bedrog heeft gepleegd, en die ze met twee jonge hondjes verruild heeft, zodat ik veel geleden heb. Mag u hier wel komen, broeder?"

"Ja zeker, Raden Poetra heeft me gestuurd, om het dorp hier eens te bekijken omdat hier altijd vroeger een uitgestrekt groot bos geweest is."

"Ja, broeder. Ik heb dit dorp gesticht, met mijn twee jongens hier."

De twee jongemannen vielen haar in de rede: "Praat eens met vader. Want moeder heeft veel te lijden gehad in Wesi Asad; wij willen alleen maar dat haar recht gedaan wordt. Als vader uit eigen beweging geen gerechtigheid wil doen, dan dagen we hem uit, om het tegen ons op te nemen in toverkrachtige middelen."

"Goed, broeder, kom, laten we op weg gaan." De patih, Ombaq, Oemboel en hun moeder gingen naar Raden Poetra, en ze vertelden hem wat er allemaal gebeurd was. Raden Poetra wilde Limaran meenemen naar de rijkszetel. Ombaq zei echter: "Ik verzoek u, dat u moeder meeneemt naar Djenggala, maar ik smeek u Wadal Werdi naar de nederzetting te zenden, met een zadel op de rug, dan zal ik op haar rijden en haar mond op en neer doen gaan met de breidel, en dan zal ik ervoor zorgen, dat ze moeder begeleidt op haar tocht naar de rijkszetel."

Raden Poetra sprak tot zijn patih: "Roep die Wadal Werdi hierheen, en zeg, dat het mijn uitdrukkelijke wens is dat ze, wanneer ze hier gekomen is, terstond gegrepen zal worden en gebreideld en gezadeld. Geef haar aan mijn zoon Ombaq."

Al gauw was de patih te Djenggala gekomen, ging de vrouwenvertrekken in, en sprak tot Wadal Werdi: "Ik ben door Zijne Majesteit gezonden, met een halster. U moet nu mee naar het bos; zo wenst het Zijne Majesteit."

Toen vertrokken ze meteen. In de nederzetting van Limaran aangekomen, werd Wadal Werdi gegrepen, gebreideld, en gezadeld. Ze jammerde hartroerend.

Patih Prasanta zei: "Nou zul je je straf moeten ondergaan, omdat je de twee jongetjes voor jonge hondjes verruild hebt."

Om de beurt reden Ombaq en Oemboel op haar, zodat het een schouwspel werd voor de bevolking van het hele land. Toen ze aan het paleis van Djenggala gekomen waren, moest men Wadal Werdi begraven op de vroegere plaats van Limaran, tot aan de borst, en ze werd bewaakt door lijfwachten tot aan haar dood toe.

Verder wordt verteld, dat Raden Poetra en zijn vrouw Limaran weer vreedzaam leefden als voorheen


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Nieuwe Indonesische Sprookjes" samengesteld door Bert Oosterhout.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993. ISBN: 90-389-01461
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:02 5 reacties Reageer op dit bericht

Ombaq en Oemboel

Ombaq en Oemboel
- Een Javaans volkssprookje over een koninklijke tweeling -
De prins van Djenggala, die Raden Poetra heette, had twee echtgenoten, waarvan de ene Wadal Werdi heette en de andere Limaran. Op een dag kreeg Limaran een tweeling, twee jongens. Wadal Werdi was jaloers, dat Limaran kinderen had en zij niet. Uit afgunst stopte ze de tweeling in een kistje en verving ze door twee jonge hondjes. De tweeling liet ze de rivier afdrijven. Wadal Werdi speldde Raden Poetra op de mouw, dat de kinderen van Limaran er niet als jongetjes uitzagen, maar als jonge hondjes...

En inderdaad, toen Raden Poetra er naar kwam kijken, zag hij, dat het wel jonge hondjes leken. Aan zijn patih droeg hij op Limaran te verwijderen; te Wesi Asad moest ze tot haar hoofd begraven worden op een viersprong. De patih moest bekend maken dat de voorbijgangers haar mochten kwellen zoveel zij wilden, en als ze dat niet deden, ten minste hardop haar fout moesten verkondigen.

Nu willen we het hebben over het kistje met de tweeling. De vrouw van de Groene Reus was net naar de rivier gegaan om de was te doen. Daar zag ze een kistje de stroom afdrijven; ze ving het op, opende het en zag tot haar verbazing, dat er twee kleine jongetjes in lagen. Ze nam ze mee naar huis en stopte ze weg. Toen de Groene Reus thuiskwam, vertelde ze hem: "Man. ik heb een kistje in de rivier gevonden. Toen ik het deksel oplichtte, bleken er twee jongetjes in te zitten. Dit zijn ze!"

"Goed, wat wil je met ze doen, vrouw?"

"Ik wou ze grootbrengen, omdat ik zelf geen kinderen heb. Later pluk ik daar de vruchten van."

Toen er geruime tijd verstreken was en de jongens al groot geworden waren, werd de een Ombaq en de ander Oemboel genoemd. Op een dag moesten de jongens de Groene Reus luizen. Toen ze zijn haar losmaakten, zagen ze drie dingen. In de eerste plaats een vuurvlieg. Ombaq vroeg: "Wat is dat, grootvader, een vuurvlieg?"

"Dat is een tovermiddel: als ik met een vijand te doen krijg en ik haar laat vliegen, wordt het vuur."

Daarna vroeg Ombaq: "Wel, wat is dit, grootvader, een steentje?"

"Als je dat weggooit, kan het een berg worden."

En daarna: "Hé, dit is net een ranti vrucht."

"Als je dat weggooit, kan het een zee worden."

Ombaq nam de drie tovermiddelen weg.

De twee jongens kregen een influistering van de goden om weg te gaan en hun moeder bij te staan, die door rampspoed gekweld werd. Toen grootvader en grootmoeder Groene Reus sliepen, liepen de beide jongens weg. Grootvader Groene Reus werd wakker en riep Ombaq en Oemboel, maar ze kwamen niet. Om ze te krijgen liep hij hen door het bos achterna. De Groene Reus riep ze toe om stil te staan, maar zij namen het eerste tovermiddel, de vuurvlieg, die ze loslieten met de opdracht: "Vuurvlieg, pak de Groene Reus met je vuur en zorg dat hij doodgaat!"

De vuurvlieg veranderde in een mantel en viel de Groene Reus onhoorbaar op het lijf, zodat hij helemaal verbrandde.

Ombaq zei: "Broertje, laten we deze drie tovermiddelen vooral meenemen naar Raden Poetra van Djenggala."

"Goed, broer. Als Raden Poetra jou of mij mishandelen wil, dan zullen we het hem betaald zetten."

"Als je ze bij je hebt, kunnen ze ons geen kwaad doen."

"Kom broertje, laten we nu snel verder gaan om onze moeder uit haar ongeluk te verlossen."

De beide jongens gingen meteen op weg, en het duurde niet lang of ze waren in Djenggala gekomen. Ze kwamen nu bewoners van het rijk tegen. Ombaq vroeg aan een voorbijganger of het waar was, dat de echtgenote van Raden Poetra te Wesi Asad, midden op een viersprong begraven was.

De ander antwoordde: "Ja, het is me wat moois. Ik heb juist een omweg gemaakt, omdat nu eenmaal bepaald is, dat iedereen die daar komt en de koningin niet wil mishandelen, toch zeker haar fout hardop moet verkondigen."


                                  * * * morgen het vervolg * * *
Bron : - "Nieuwe Indonesische Sprookjes" samengesteld door Bert Oosterhout.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993. ISBN: 90-389-01461
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:20 4 reacties Reageer op dit bericht

De drie kleine biggetjes

De drie kleine biggetjes
- Het bekende Engelse sprookje "The three little pigs" -
Lang geleden was er eens een oude zeug en die had drie biggetjes. En omdat ze niet genoeg had om hun te eten te geven, stuurde ze hen de wereld in om hun geluk te zoeken.

De eerste die wegging, ontmoette een man met een bos stro en zei tegen hem: "Alsjeblieft man, geef mij dat stro om er een huisje van te bouwen." Dat deed de man en het varkentje bouwde er een huisje van.

Niet lang daarna kwam er een wolf aanlopen die aan de deur klopte en zei: "Varkentje, varkentje, laat mij erin." Waarop het varkentje antwoordde: "Nee, daarin heb ik geen zin, je komt er niet in!" De wolf antwoordde daarop: "Dan blaas ik maar en dan proest ik maar, en zo blaas ik je huisje uit elkaar." En toen blies en proestte hij, blies het huisje uit elkaar en at het kleine varkentje op.

Het tweede varkentje kwam een man met een bos takken tegen en zei: "Alsjeblieft man, geef me die takken om er een huisje van te bouwen." Dat deed de man en het varkentje bouwde zijn huisje. Toen kwam de wolf eraan, die zei: "Varkentje, varkentje, laat mij erin."

"Nee, daarin heb ik geen zin, je komt er niet in."

"Dan blaas ik maar en dan proest ik maar, en zo blaas ik je huisje uit elkaar," antwoordde de wolf ook deze keer. En toen blies en proestte de wolf, en hij proestte en hij blies, en tenslotte blies hij het huisje omver en at het varkentje op.

Het derde varkentje kwam een man tegen met een vracht stenen en zei: "Alsjeblieft man, geef mij die stenen om er een huisje van te bouwen." De man gaf hem de stenen en het varkentje bouwde er zijn huisje mee. Toen kwam, net als bij de andere varkentjes, de wolf, die zei: "Varkentje, varkentje, laat mij erin."

"Nee, daarin heb ik geen zin, je komt er niet in.""Dan blaas ik maar en dan proest ik maar, en zo blaas ik je huisje uit elkaar."

En de wolf blies en proestte, en blies en proestte, en hij proestte nog eens, maar hij kon het huisje niet omver krijgen. Toen hij merkte dat hij met al zijn blazen en proesten het huisje niet omver kon blazen, zei hij: "Varkentje, ik weet een mooi veldje met knollen."

"Waar?" vroeg het varkentje.

"In de tuin bij het huis van meneer Smit. En als je morgenochtend klaar bent, kom ik je afhalen en gaan we er samen een paar halen."

"Heel goed," zei het varkentje. "Ik zal klaar staan. Hoe laat wil je gaan?"

"O, om zes uur."

Het varkentje stond om vijf uur op en haalde de knollen vóór de wolf kwam. Die kwam om ongeveer zes uur en zei: "Varkentje, ben je klaar?" Het varkentje zei: "Klaar? Ik ben alweer terug en ik heb een mooie pot vol gehaald voor het eten." De wolf werd hier erg boos over, maar hij dacht dat hij het varkentje toch wel op de een of andere manier te pakken zou krijgen. Daarom zei hij: "Varkentje, ik weet een mooie appelboom te staan."

"Waar?" vroeg het varkentje.

"In het grote park," antwoordde de wolf, "en als je wilt, haal ik je morgen om vijf uur af om wat appels te gaan halen."

Het kleine varkentje nu repte zich de volgende morgen om vier uur het huis uit en hoopte terug te zijn voordat de wolf kwam. Maar hij moest nu verder lopen en ook nog in de boom klimmen. Zo kwam het dat hij de wolf aan zag komen toen hij net bezig was weer naar beneden te klimmen. En je kunt je voorstellen dat hij erg bang werd. Toen de wolf eraan kwam, zei hij: "Hé, varkentje, was je hier al vóór mij? En zijn het lekkere appeltjes?"

"Ja, erg lekker," zei het varkentje. "Ik zal er eentje omlaag gooien." En hij gooide hem zover weg dat, toen de wolf weg was om hem op te halen, het varkentje naar beneden sprong en hard naar huis liep.

De volgende dag kwam de wolf weer en zei tegen het varkentje: "Vanmiddag is er jaarmarkt in de stad. Ga je mee er naar toe?"

"O ja," zei het varkentje, "ik ga mee. Hoe laat sta jij klaar?"

"Om drie uur," zei de wolf.

Het varkentje ging zoals gewoonlijk eerder weg en kwam op de markt aan. Hij kocht een regenton, waarmee hij op weg naar huis was toen hij de wolf zag aankomen. Toen wist hij niet meer wat hij moest doen. Hij kroop in de regenton om zich te verbergen, maar toen begon de ton rond te draaien en rolde de heuvel af met het varkentje erin. Hierdoor werd de wolf zó bang, dat hij naar huis holde zonder naar de markt te gaan. Hij ging naar het huis van het varkentje en vertelde hem, hoe bang hij was geweest voor een groot rond ding dat langs hem heen de heuvel was afgerold.

Toen zei het varkentje: "Ha, ha, ik heb je bang gemaakt! Ik ben naar de jaarmarkt geweest en heb daar een regenton gekocht, en toen ik jou zag, ben ik erin gekropen en ermee de heuvel afgerold."

Toen werd de wolf toch zó vreselijk boos! Hij kondigde aan dat hij het varkentje op zou eten en door de schoorsteen zou komen om hem te pakken. Toen het varkentje begreep wat de wolf van plan was, hing hij een pot vol water op en stak er een groot vuur onder aan. En net toen de wolf door de schoorsteen kwam, nam hij het deksel van de pot en de wolf viel erin. Toen deed het varkentje ogenblikkelijk het deksel er weer op, kookte de wolf en at hem op als avondeten. En hij leefde nog lang en gelukkig in zijn stenen huisje.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Sprookjesboek, 60 sprookjes en volksverhalen"
           uitgegeven door Reader's Digest, Amsterdam, 1987.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:14 5 reacties Reageer op dit bericht

De oude grootvader en zijn kleinzoon

De oude grootvader en zijn kleinzoon
- Een moraalsprookje van de gebroeders Grimm -
Er was eens een stokoude man; zijn ogen waren troebel geworden, zijn oren doof, en zijn knieën knikten. Als hij aan tafel zat en zijn lepel nauwelijks kon vasthouden, morste hij de soep op het tafellaken en hij liet ook weer wat uit zijn mond lopen. Zijn zoon en diens vrouw gruwden daarvan en daarom moest de oude grootvader tenslotte in de hoek achter de kachel gaan zitten, en ze gaven het eten in een aarden schotel en bovendien niet eens genoeg; dan keek hij bedroefd naar de tafel en zijn ogen werden vochtig. Tenslotte konden zijn bevende handen het schoteltje niet meer vasthouden, het viel op de grond en brak.

De jonge vrouw werd boos, maar zij zei niets en zuchtte alleen maar. Toen kocht ze voor hem een houten bakje voor een paar stuivers en daar moest hij uit eten. Terwijl ze zo bij elkaar zitten, zien ze dat het kleinzoontje van vier jaar kleine plankjes bij elkaar raapt. "Wat doe je daar?" vraagt de vader. "Ik ga een houten bakje maken," antwoordde het kind, "daar moeten vader en moeder uit eten als ik groot ben." Man en vrouw keken elkaar een poos aan en begonnen beiden te huilen. Meteen haalden zij de oude grootvader weer aan tafel en lieten hem voortaan altijd meeëten en zeiden niets als hij een beetje morste.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 7 reacties Reageer op dit bericht

Het levende beeld

Het levende beeld
- Een volkssprookje uit Indonesië over mannen die strijden om één vrouw -
Er waren eens een asceet, een timmerman, een goudsmid en een wever, die met z'n vieren naar een stad gingen. Het werd avond en zij hielden ergens halt. Een van de vier zei: "Welaan, laten wij elk om de beurt twee uur waken, want er is hier veel slecht volk."

Die het eerst de wacht hield was de timmerman; hij zag een stuk hout liggen, zo groot als een mens. Hij maakte er het beeld, van een bijzonder mooie vrouw van en toen de twee uur om waren, was het beeld klaar.

Hij wekte de wever, en deze ontwaakte uit zijn slaap. De wever zag het beeld van een mooie vrouw, maar het had geen kleren aan. De wever dacht: "Draad heb ik, welaan, laat ik een kleed voor dat beeld maken," en hij weelde er een kleed voor. Toen hij er twee uur mee bezig was geweest, was het af. Hij kleedde het beeld aan en daarna wekte hij de goudsmid. Deze zag het beeld van een vrouw staan, voorzien van kleren, en van een bijzonder mooi voorkomen. Hij dacht bij zichzelf: "Jammer, dat ze geen sieraden draagt; het zou dus goed zijn als ik een sieraad voor haar maakte." Dit deed hij, en toen het klaar was deed hij het het beeld aan, waardoor haar gezicht nog mooier werd.

De twee uur waren om, en hij wekte de asceet. Toen die zag. dat er een bijzonder mooi beeld was, voorzien van kleren en waaraan alleen de adem ontbrak, dacht hik "Voorwaar, dit beeld is door mijn drie makkers gemaakt; in dit geval wil ik het door een of ander werk vervolmaken; welaan, ik zal tot de Verheven Allah smeken om het leven voor dit beeld; misschien verhoort Allah zijn dienaar."

Toen nam hij bidwater, en hij bad twee rakat's terwijl hij om de adem voor dat beeld smeekte. Door de genade van de Verheven Allah werd het beeld volkomen levend.

De dag brak aan en de andere drie werden wakker. De timmerman zei: "Mij komt ze toe, want ik heb haar gemaakt." Maar de wever zei: "Ik heb recht op haar, want ik ben het. die haar kleren heeft gegeven."En de goudsmid zei: "ïk ben haar eigenaar, want ik heb haar een gouden sieraad gegeven." En de asceet zei: "Wie het ook zij, niemand heeft zeker meer recht op haar dan ik, omdat ik voor haar om het leven heb gesmeekt tot de Verheven Allah." Ze begonnen ruzie te maken. De monnik sprak: "Wat heeft het voor zin dat wij hier zo twisten? Laten we de stad in gaan, naar de rechter." Zo gingen ze op weg, en ze namen de vrouw mee.

Onderweg ontmoetten ze een jongeman en ze vertelden hem wat er gebeurd was. "Wacht even, deze vrouw is mijn echtgenote," zei de jongeman. "Een tijd geleden is ze uit mijn huis verdwenen en heeft veel van mijn goederen meegenomen."

Op dat ogenblik kwam de hoofdman van de wacht voorbij, en ze vertelden hem de hele geschiedenis. Toen de hoofdman van de wacht gezien had, dat die vrouw bijzonder mooi was, zei hij: "Ik zweer je, deze vrouw is de echtgenote van een koopman die gestorven is. 2e komt mij toe, want die koopman was mijn broer. Deze vrouw is lang geleden uit mijn huis weggegaan, en nu zal ik haar van u terug nemen. Komaan, laten we naar de rechter gaan."

Ze gingen met z'n allen de rechtbank binnen, en elk droeg zijn eigen zaak aan de rechter voor. Nadat de rechter gezien had, dat die vrouw een bijzonder mooi gezicht had. zei hij: "Deze vrouw is een van mijn bijzitten; geruime tijd geleden is ze uit mijn huis verdwenen." Daarop wilde hij haar meenemen, zodat er een enorme ruzie uitbrak, omdat zij allemaal die vrouw begeerden.

En door de beschikking van Allah de Allerhoogste kwam er plotseling iemand, die niemand kende, en van wie men niet wist, waar hij vandaan kwam. Deze zei: "Ruzie niet langer, maar ga naar de grote boom, die midden op het veld staat, en daar zal jullie zaak zeker beslist worden."

Daarop gingen ze naar die boom en namen de vrouw mee.

Nadat ze bij die boom gekomen waren, vertelde elk daar hoe het volgens hem zat. Daarna spleet de boom in tweeën en de vrouw ging er in. Vanuit die boom kwam de stem van de vrouw, en ze sprak: "Alles keert terug naar zijn oorsprong."

Daarop sloot de boom zich en was weer als vroeger.

Alle zeven waren zij wanhopig en elk van hen keerde naar zijn eigen plaats terug.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Nieuwe Indonesische Sprookjes" samengesteld door Bert Oosterhout.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993. ISBN: 90-389-01461
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 17 reacties Reageer op dit bericht

De Geertruivogel

De Geertruivogel
- Een religieus getint Noors volksverhaal over een gierige vrouw -
In de goede, oude tijd toen Onze-Lieve-Heer en Petrus nog op aarde wandelden, kwamen ze ook eens bij een vrouw, die zat te bakken. Zij heette Geertrui, en had een rode muts op haar hoofd.

Daar zij al een eind hadden afgelegd en honger hadden, vroeg Onze-Lieve-Heer haar vriendelijk om een lefse* te mogen proeven. Ja, dat mocht. Ze nam een beetje deeg en rolde het uit. Toch werd het nog zo groot, dat het het hele ronde bakblik besloeg. Nee, die lefse werd te groot; die kreeg hij niet. Ze nam nu wat minder deeg; maar toen ze dat uitgerold en op het bakblik had gedaan, was die lefse ook te groot, ook die mocht hij met hebben. De derde maal nam ze nog minder deeg, een heel, heel klein stukje; maar ook deze keer werd de lefse te groot. "Ja, dan heb ik jullie niets te geven," zei Geertrui. "Jullie moeten maar weggaan, want de lefsen worden allemaal te groot."

Toen werd Onze-Lieve-Heer toornig en zei: "Omdat je mij zo weinig hebt gegund, zul je een vogel worden en je droge voedsel tussen schors en hout vandaan halen, en alleen maar te drinken krijgen wanneer het regent."

En meteen nadat hij de laatste woorden had gezegd, veranderde ze in de Geertruivogel**, en vloog van de deegplank door de schoorsteen weg. En nog heden ten dage kun je haar met haar rode mutsje en pikzwarte lijfje - omdat de pijp haar zwart had gemaakt - zien rondvliegen. Ze hakt en pikt maar in de bomen naar voedsel, en fluit als het gaat regenen: want ze heeft altijd dorst, en dan weet ze, dat ze drinken krijgt.


                                          * * * einde * * *

* Een lefse is een schilferachtig dunne, zachte, ronde plak ongegist brood van grof meel, die twee aan twee worden gegeten met stroop of boter en suiker er tussen. Min of meer een lekkernij
** Gjertrudsfuglen, Geertruivogel is de zwarte specht.
Bron : - "Noorse volkssprookjes uit de verzameling van Asbjørnsen en Moe" gekozen en vertaald door
           Greta Baars-Jelgersma.
           Uitgeversmaatschappij W. de Haan, Utrecht, 1944
           - oorspronkelijke titel : Gjertrudsfuglen
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:39 7 reacties Reageer op dit bericht

De aap Lawaaischopper en de maïskolven

De aap Lawaaischopper en de maïskolven
- Een Mexicaans kettingsprookje over de ontdekking van de maïs -
We hebben ons laten vertellen dat de nieuwsgierige aap Lawaaischopper de maïskolven gevonden heeft. Hij bekeek en besnuffelde ze net zo lang tot hij de gele korrels vond. Oh, dat was heerlijk! De aap keek voorzichtig naar alle kanten of iemand hem ook gezien had, maar alleen de oude palmboom groeide stakerig naast hem in de grond. "Een paar van deze heerlijke dingen verstop ik voor mijn avondeten!" riep de aap plotseling en hij gooide zand over de maïskolven. Toen rende hij het oerwoud in en nog voor iemand tot drie had kunnen tellen was er niets meer van hem te zien.

De oude palm was niet zo slaperig als hij er uit zag. Toen de aap verdwenen was trok hij met zijn wortels, die net vangarmen waren, de maïskolven naar zich toe en verstopte ze achter zijn stam.

's Avonds stormde de aap Lawaaischopper uit het oerwoud en groef naar zijn maïskolven. Hij groef en groef - maar tevergeefs! Driftig schudde hij de palmboom: "Je hebt mijn maïskolven gestolen! Waar heb je ze verstopt?" De palm zweeg. "Wacht maar!" dreigde de aap. "Ik zal je wel leren praten!" En hij rende naar het vuur: "Vuur, alsjeblieft help me en verbrand de palm. Hij heeft mijn maïskolven gestolen!"

Maar het vuur zweeg en stak zelfs niet eens zijn gloeiende tong naar hem uit. "Ik ga naar het water en vraag het om je te blussen," riep de aap. "Wacht maar, ik zal je wel laten praten!" En hij ging naar het water.

Maar ook het water luisterde niet naar de aap Lawaaischopper en daarom rende hij naar de tapir, die het water moest opdrinken. De tapir was zo slaperig, dat hij voor de opgewonden bezoeker helemaal geen aandacht had.

"Ik zal de hond op je afsturen! Wacht maar, ik krijg je wel aan het praten!"

En de aap Lawaaischopper ging naar de hond: "Ga gauw mee, dan doden we de tapir, maar we hebben geen tijd te verliezen. Hij ligt hier vlak bij en hij zal je goed smaken."

"Maak je geen zorgen om mijn volle maag," mopperde de hond en trok de schouders op.

"Wacht maar, daar zal je voor boeten," riep de aap en rende naar een jaguar.

Hij bleef op een afstand staan, want helemaal veilig voelde hij zich niet bij de jaguar en hij riep: "Ik weet een vette buit, die je goed zal smaken. Kom vlug mee, ik loop wel voor je uit, de vette buit ligt maar een klein eindje verder op!"

"Ho-ho - een aap wil mij goede raad geven!" gromde de jaguar.

"Dat is jouw stommiteit! Wacht maar, als je niet wilt luisteren, stuur ik de jagers achter je aan!"

En de aap Lawaaischopper rende naar het dorp. "Een jaguar, een jaguar!" riep hij al van verre, "kom vlug, ik breng jullie wel bij hem!" De Indianen gingen hun hutten in en haalden pijl en boog. De beste schutter spande zijn boog alvast en allemaal liepen ze met de aap Lawaaischopper mee.

Nauwelijks had de jaguar de jagers gezien of hij gehoorzaamde de aap en rende naar de hond en de hond rende naar de tapir en de tapir rende naar het water en het water liep naar het vuur en het vuur rolde met zijn gloeiende tong naar de oude palm. De palm slaakte een kreet van pijn: "Laat dat, laat dat, je doet me pijn! Ik zal de aap zijn maïskolven teruggeven."

En met zijn wortels trok hij de kolven te voorschijn en gaf ze aan de aap.

De aap nam de maïskolven en deelde ze met de jagers. Zo kwamen de Indianen aan hun maïs.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Sprookjes van de Indio's. Mythen, sprookjes en legenden van de Indianen uit Midden- en Zuid-Amerika"
           door Vladimir Hulpach, vertaald door Anke Eggink.
           Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1979. ISBN: 90-202-0044-5
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:21 17 reacties Reageer op dit bericht

De stoute jongen

De stoute jongen
- Een vertelling van Hans Christian Andersen over Amor -
Er was eens een oude dichter, zo'n echte, brave, oude dichter. Op een avond toen hij thuis zat brak er een vreselijk onweer los; het stortregende, maar de oude dichter zat warmpjes en wel bij zijn kachel waar het vuur brandde en de appels sisten.

"De arme stakkers die in dit weer buiten zijn, houden geen droge draad aan hun lijf," zei hij, want hij was een brave dichter.

"Help, doe open! Ik bibber van de kou en ik ben zo nat!" riep een kind buiten. Het huilde en klopte op de deur. En de regen viel bij stromen neer en de wind rukte aan alle ramen.

"Jij arme stakker!" zei de oude dichter en hij deed open. Daar stond een kleine jongen; hij was helemaal naakt en het water droop uit zijn lange, blonde haren. Hij bibberde van de kou; als hij niet binnen had kunnen komen was hij in dit slechte weer zeker doodgegaan.

"Jij kleine stakker!" zei de oude dichter en hij nam hem bij de hand. "Kom jij maar bij mij, dan zal ik je wel warm krijgen. Wijn en een appel zul je hebben, want jij bent een schat van een jongen!"

En dat was hij ook. Zijn ogen waren helder als sterren en al stroomde het water uit zijn blonde haar, het krulde toch zo aardig. Hij zag eruit als een klein engeltje, maar hij was bleek van de kou en hij beefde over zijn hele lijfje. In zijn hand had hij een prachtige boog, maar die was helemaal bedorven door de regen; alle kleuren op de mooie pijlen waren door elkaar gelopen van de nattigheid.

De oude dichter ging bij de kachel zitten, nam de jongen op zijn schoot, wrong het water uit zijn haar, warmde zijn handen in de zijne en gaf hem zoete wijn. Zo kwam hij wat bij. Hij kreeg weer rode wangen, sprong op de grond en danste om de oude dichter heen.

"Jij bent een vrolijke jongen!" zei de oude. "Hoe heet je?"

"Ik heet Amor!" antwoordde hij. "Kent u mij niet? Daar ligt mijn boog, daar kan ik mee schieten, pas maar op! Kijk, nu wordt 't goed weer buiten; de maan schijnt!"

"Maar je boog is helemaal bedorven!" zei de oude dichter.

"Dat is lelijk!" zei de kleine jongen, nam hem op en keek ernaar. "Och wat, hij is helemaal droog, er mankeert niets aan. De pees is goed strak. Nu zal ik hem eens proberen!" Toen spande hij hem, legde er een pijl op, mikte en schoot de brave oude dichter midden in zijn hart: "Merkt u nu dat mijn boog niet bedorven was?" zei hij, en toen lachte hij luid en verdween! Die ondeugende jongen! Zo op de oude dichter te schieten, die hem in zijn warme kamer had binnengelaten, zo goed voor hem geweest was en hem die heerlijke wijn en de lekkerste appel had gegeven.

De brave dichter lag op de grond en huilde, hij was werkelijk precies in zijn hart geraakt. En toen zei hij: "Foei, wat is die Amor toch een stoute jongen! Dat zal ik alle lieve kinderen vertellen, dan kunnen ze oppassen dat ze nooit met hem spelen, want hij doet hun verdriet!"

Alle lieve kinderen, jongens en meisjes, aan wie hij het vertelde, pasten op voor die slechte Amor, maar toch hield hij hen voor de gek, want hij was zo slim. Wanneer studenten van college komen loopt hij naast hen met een boek onder zijn arm en een zwarte jas aan. Zij herkennen hem absoluut niet, geven hem een arm en denken, dat hij ook een student is; maar dan steekt hij hun een pijl in de borst. Wanneer meisjes in de kerk staan om aangenomen te worden komt hij ook achter hen aan. Ja, hij zit altijd mensen achterna! Hij zit in de grote lichtkroon in de schouwburg en brandt stralend, zodat de mensen denken dat het een lamp is, maar later merken zij wel wat anders. Hij loopt in het park van de koning en op de wallen. Ja, hij heeft eens je vader en moeder in hun hart geschoten! Vraag het hun maar, dan zul je horen wat ze zeggen! Ja, het is een stoute jongen, die Amor, zorg maar dat je nooit met hem te maken krijgt. Hij zit iedereen achterna. Stel je voor, hij schoot zelfs eens een pijl naar onze oude grootmoeder, maar dat is lang geleden, dat is nu over; maar ze vergeet zo iets nooit. Foei! Die stoute Amor! Maar nu ken je hem en weet je wat een stoute jongen het is!


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Sprookjes en vertellingen" door Hans Christian Andersen.
           Van Holkema & Warendorf, Bussum, 1975. ISBN: 90-269-0924-1
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:15 12 reacties Reageer op dit bericht

Sukra en Kaca

Sukra en Kaca
- Een verhaal over het geheim om mensen uit de dood te laten herrijzen -
Lang geleden voerden goden en demonen oorlog om de heerschappij van de wereld. De goden wilden graag winnen en vroegen Brihaspati, de ziener, of hij hun opperpriester wilde zijn.

De ziener Sukra was de opperpriester van de demonen. Tussen deze zieners had altijd grote rivaliteit geheerst. De goden versloegen de demonen, maar Sukra bracht ze weer tot leven met de kracht van zijn magische kennis.

Telkens stonden ze weer op om met hernieuwde energie de strijd tegen de goden te hervatten. Wanneer daarentegen een god in de strijd sneuvelde, stond Brihaspati machteloos. Hij kende het geheim van Sukra niet en de goden bleven dood op het slagveld liggen. De goden waren ten einde raad en bevend van angst gingen ze naar Kaca, de oudste zoon van Brihaspati. "Als jij ons helpt om achter het geheim van Sukra te komen, dan zal een deel van de offergaven die wij dagelijks ontvangen aan jou ten goede komen. Sukra leeft in het land van de demonen. Zijn dochter heet Devajani, alleen jij kunt bij haar in de gunst komen. Door jouw deugdzaamheid, devotie en zachtmoedigheid zul je in staat zijn Sukra het geheim te ontfutselen." Kaca besloot de goden te helpen en vertrok meteen naar het huis waar Sukra met zijn dochter woonde.

Toen hij daar arriveerde, maakte hij een diepe buiging en sprak: "Ik ben Kaca, de zoon van Brihaspati. Ik wil bij u in de leer. Ik zal een voortreffelijk student zijn. Voor een periode van duizend jaren zal ik mij geheel wijden aan de studie en elke begeerte en hartstocht vermijden." "Ik heet je welkom," sprak Sukra. "Ik geloof je, jij verdient het om gerespecteerd te worden." Na een aantal geloften te hebben afgelegd werd Kaca de volgeling van Sukra. Hij hield zich aan al de regels die zijn leermeester hem oplegde.

Groot was zijn eerbied, niet alleen voor Sukra, maar ook voor diens dochter Devajani. Zij was een mooi meisje in de bloei van haar jeugd en Kaca deed al het mogelijke om haar te behagen. Hij ging naar het bos om bloemen en vruchten voor haar te plukken. Hij deed boodschappen en hielp haar met het huishouden. Devajani had een speels karakter. Zij liep voortdurend achter Kaca aan en op haar beurt hielp zij hem, maar zonder dat iemand er iets van merkte. Op deze wijze gingen vijfhonderd jaren voorbij. Op een dag zagen enige demonen tot hun woede dat Kaca in het bos koeien aan het hoeden was. Ze brachten hem heimelijk om het leven, sneden hem in stukken en voerden zijn vlees aan de jakhalzen.

Toen Devajani de koeien zonder Kaca uit het bos zag komen, zei ze tegen haar vader: "O vader, u heeft het vuuroffer reeds gedaan, de zon is al onder, maar de koeien zijn zonder Kaca teruggekeerd. Hij is nergens te vinden, wellicht is hij ontvoerd of is hij door iemand vermoord. Werkelijk, zonder hem kan ik niet leven." Sukra antwoordde: "Ik zal hem weer levend maken." En nadat hij een toverformule had uitgesproken, kwam Kaca op enige afstand aangehold. Hij boog voor Sukra en riep: "Ik was door demonen vermoord." Niet lang daarna was Kaca in het bos om bloemen voor Devajani te plukken. Weer werd hij door de demonen opgemerkt en gedood.

Dit keer maalden ze hem tot poeder en mengden het door de wijn die ze aan Sukra te drinken gaven. Voor de tweede maal sprak Devajani tot haar vader: "Ik heb Kaca het bos in gestuurd om bloemen voor mij te plukken en nu is hij nergens te vinden. Ik ben bang dat hij dood is. Zonder hem is het leven mij niets waard." "Lieve dochter," sprak Sukra, "Kaca, de zoon van Brihaspati, leeft inderdaad niet meer. Hij is wederom vermoord, ook al had ik hem eerder uit de dood doen opstaan. Wat moet ik nu doen? Treur niet om hem, Devajani, een vrouw zoals jij zou niet moeten huilen om een gewone sterveling. Dankzij mijn meditatie leef jij in een omgeving van goden en demonen."

Devajani antwoordde: "Waarom zou ik niet treuren om de zoon van een ziener? Ik hou van deze schone Kaca. Ik zal zijn weg volgen, ik zal vasten tot de dood erop volgt." Nadat Sukra zo hartstochtelijk was toegesproken, besloot hij om Kaca te roepen.

Tot zijn ontsteltenis kwam er zachtjes vanuit zijn maag antwoord. "Je bent in mijn maag!" riep hij. "Vertel op, wie heeft je daar gezet?"

"Ik weet nog precies wat er is gebeurd," antwoordde Kaca. "De demonen hebben me vermoord. Daarna werd ik verbrand, mijn as hebben ze tot poeder vermalen en vervolgens werd ik door de wijn gemengd die u hebt opgedronken."

"Wat wil je nu dat ik doe?" sprak Sukra tot Devajani. "Kaca kan alleen leven als ik sterf. Pas wanneer mijn maag is opengereten, zul je Kaca weer zien."

Devajani antwoordde: "Ik word verteerd door een dubbel verdriet dat brandt als vuur; uw dood en die van Kaca. Als Kaca sterft, zal ik geen troost vinden, maar zonder u wens ik ook niet verder te leven."

"Jij bent een slimmerik, zoon van Brihaspati, aan wie mijn dochter zo verknocht is," zei Sukra tegen Kaca. "Ik zal je nu het geheim leren waarmee je een dode kunt opwekken. Wanneer je door mijn maag open te splijten te voorschijn komt, zul je mijn zoon zijn. Daarna moet je mij met de toverformule weer levend maken."

Kaca deed wat Sukra hem had opgedragen, kwam zodoende achter het geheim van zijn leraar en keerde na nog eens vijfhonderd jaar weer terug onder de goden.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Betoverd. Verhalen over mensen die in dieren veranderen (en omgekeerd)
           uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           uitgegeven door Lemniscaat, Rotterdam, 1991. ISBN: 9060697219
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 8 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten