Naar de inhoud

Terugblikken

akke.beakke.be

Archief

Jantjes broekie



Jantjes broekie

Er was eens een haveloos ventje
Die vroeg aan z'n moeder een broek
Maar moeder verdiende geen centje
En vader was wekenlang zoek.
Ach moedertje, geef me geen standje
Er zit in me broekie een scheur!
De jongens op school roepen "Jantje,
Jouw bille die zien we d'r deur".

De moeder werd ziek van de zorgen
Lag stil en bedrukt in een hoek
Geen mens die haar centen wou borgen
En Jantje vroeg toch om z'n broek.
Toen heeft ze haar rok uitgetrokken
De enigste die ze bezat
En ze maakte van stukken en brokken
Een broek voor haar enigste schat.

Nou konden ze Jantje niet plagen
Nou waren zijn billen niet bloot
Maar voor die zijn broekie kon dragen
Ging moeder van narigheid dood.
Ze stierf van het sjouwen en slaven
Vervloekt en verwenst door haar man
Toen Jantje haar mee ging begraven
Toen had ie z'n broekie pas an.

De belhamel



De belhamel

Ied're avond trok bij buurman,
een kwajongen aan de bel.
Buurman werd daar o zoo boos om,
maar hij dacht:"ik krijg hem wel".
's Avonds ging hij op de loer staan,
eind'lijk wist hij wie het deed.
Toen sprak buurman bij zichzelve:
"morgen hebben wij den deugniet beet".

Toen de jongen d'and're avond,
weer de bel te pakken had.
Gooide buurman uit het venster,
knaapjelief met water nat!
Druipend van het koude water,
is hij op de loop gegaan.
En hij heeft het na dien avond,
nooit bij buurman meer gedaan.

In den regen



In den regen

Onder Moeders paraplu
Liepen eens twee kindjes,
Hanneke en Janneke,
Dat waren dikke vrindjes.
En de klompjes gingen klik, klak, klik,
En de regen deed van tik,tak,tik,
Op Moeders paraplu.
En de klompjes gingen klik, klak, klik,
En de regen deed van tik,tak,tik,
Op Moeders paraplu.
Op Moeders paraplu.

Toen kwam Jan-de-Wind er bij,
Die joeg eerst heel zoetjes,
Toen al hard en harder maar,
De regen in hun snoetjes.
En Jan-de-Wind, die rukte en trok,
En op en neder ging de stok,
Van Moeders paraplu.
En Jan-de-Wind, die rukte en trok,
En op en neder ging de stok,
Van Moeders paraplu.
Van Moeders paraplu.

Maar Hanneke en Janneke,
Dat waren flinke klantjes,
Die hielden stijf de paraplu,
In allebei hun handjes.
En ze lachten blij van hi, ha, hi,
En ze riepen: Jan, jij krijgt hem ni,
't Is Moeders paraplu.
En ze lachten blij van hi, ha, hi,
En ze riepen: Jan, jij krijgt hem ni,
't Is Moeders paraplu.
't Is Moeders paraplu.

Honderd schaapjes



Honderd schaapjes

Eenentwintig, tweeëntwintig...
Willemijntje kan niet slapen.
Daarom telt ze honderd schapen.

Drieëndertig, vierendertig...
Wil je weten hoe het kòmt?
Mammie heeft op haar gebròmd!

Vijfenveertig, zesenveertig...
Willemijn is blijven mokken.
Ze is boos naar bed getrokken.

Vijfenvijftig, achtenvijftig...
Daar is ze de tel al kwijt!
Willemijntje heeft zo'n spijt.

Vierenzestig, vijfenzestig...
"Mammie, mammie, kòm eens even.
Ik...wou...u...een...zoentje...geven...."

Nù kan Willemijntje slapen.
Welterusten zegt de klok.
Alle schaapjes zijn in 't hok.

Snoepwinkel



Snoepwinkel

Een dappere vent
in zijn vuistje een cent
komt naar voren en blijft grinnekend zwijgen.
Tot de koopvrouw geleerd,
zijn fortuin inspecteerd
en verteld wat hij daarvoor kan krijgen.

't Is een reep zwarte drop
koek met suiker erop,
een kleurbal, een zuurbal, een wafel,
een zoethouten stok
en een kleurige brok
't ligt alles bijeen op de tafel.

Als de kapitalist
zich wat dikwijls vergist
en de koek met de suiker verkruimelt.
Zegt de juffrouw verwoed
dat hij 't kostlijke goed
met zijn smerige vingers beduimelt.

De kleuter verbaast
dat de juffrouw zo raast
smoest stiekum wat met zijn kornuiten.
De keus wordt bepaald
en de kleurbal betaald
en dan slenteren ze schooierend naar buiten.

In de donkere straat
waar het groepje nu gaat
wordt hevig gewikt en gewogen.
Dan zuigen ze om beurt
tot de bal is verkleurd
en de droom en illusie vervlogen.

Zeg moeder waar is Jan



Zeg moeder, waar is Jan?

Zeg moeder, waar is Jan?
Daar ginder, daar ginder.
Zeg moeder, waar is Jan?
Daar ginder komt hij an.

Waar is hij dan geweest?
Bij tante, bij tante.
Waar is hij dan geweest?
Bij tante op het feest.

Wat heeft hij daar gehad?
Een koekje, een koekje!
Wat heeft hij daar gehad?
Een koekje met een gat!

Wat kreeg hij daar nog na?
een kopje, een kopje
Wat kreeg hij daar nog na?
Een kopje chocola!

Wie waren daar nog meer?
Twee dames, twee dames
Wie waren daar nog meer?
Twee dames en een heer!

Theevisite



Theevisite

Er zitten vier kleine jufjes,
Gezellige, wijze nufjes
Te keuv'len bij de thee;
Wat smaken die colombijntjes,
Die flikjes en koekjes fijntjes,
Zij eten elk voor twee.

Ze wiegen haar liefste popje,
Bij 't drinken van 't lekker kopje,
Op 't schootje heen en weer;
Want mocht er soms Toos gaan huilen,
Marietje of Lijs gaan pruilen,
Dan slapen zij niet weer.

"Mevrouwtje, U nog een kopje?
Een flikje, een lekker mopje?"
Zo gaat het al maar door.
En eer de mevrouwtjes 't weten,
Is 't trommeltje leeg gegeten
Maar kom, het was er voor.

Op een grote paddestoel



Op een grote paddestoel

Op een grote paddestoel,
Rood met witte stippen,
Zat kabouter Spillebeen,
Heen en weer te wippen.
Krak, zei toen de paddestoel,
Met een diepe zucht,
Allebei de beentjes,
Hoepla in de lucht!

Maar kabouter Spillebeen
Ging toch door met wippen.
Op die grote paddestoel,
Rood met witte stippen.
Daar kwam Vader Langbaard aan
En die zei toen luid:
"Moet dat stoeltje ook kapot?
Spillebeen, schei uit!"

Meer van Terugblikken

↑ Terug naar de berichten