Foto's van het fort van Troyon










Foto's van het fort van Troyon









Fort de Troyon als sperfort in september 1914De Duitse opmars mislukt. Ze slagen er niet in om via de Maashoogten de Maas te bereiken en de rivier over te steken. Deze mislukking is voor een groot deel te danken aan de hardnekkige tegenstand van de bemanning van het sperfort Troyon. Dit wapenfeit vindt plaats in de kritieke eerste dagen van de Duitse opmars van 8 tot 14 september.
De taken van de forten langs de Maas zijn:
· Het beveiligen van bepaalde gebieden ten westen van de Maas waarin het eigen veldleger bij mobilisatie gaat concentreren
· Verhinderen dat de vijand in de zwak verdedigde frontsectoren ten oosten van de Maas troepen kan concentreren voor een aanval in de richting van de rivier en zijn bruggen. Zo heeft Troyon onder meer de taak de bruggen bij Ambly en La-croix-sur-Meuse te beveiligen.
· Het kanaliseren van een vijandelijke aanval in deze richting.
Le fort de TROYON : Le fort de Troyon est de type "à massif central" ou encore "à batterie basse", conçu par le général SERE de RIVIERE, construit en 1878.
Dimensions :largeur 320m,longueur 270m, surface 5 ha
Garnison : 800 hommes, mais 450 en 1914
Le fort de TROYON : Armement
Protection des fossés:
6 canons de 12 culasse d´assaut
6 canons révolver Hotchkiss de 40mm
Plates-formes de tir :
12 canon de 90mm en 3 batteries de 4
4 canons de 120mm
Armes de tir indirect:
2 mortiers-bouches "Louis-Philippe" de 15cm en bronze
Le fort disposait de 2 sections de mitrailleuses "Saint Etienne" de 1907 ainsi que 3 observatoires périscopiques. Il n´y avait pas de coupole blindée mais 18 plates-formes doubles pour 2 pièces à l´air libre.
Het fort de Troyon is zoals reeds gezegd een onderdeel van de defensieve linie "rideau défensif des Hauts de Meuse".Het is een ontwerp van Général Séré de Rivières en is gelegen tussen de vesting Verdun en de vesting van Toul.
De bouw start in 1878 en wordt voltooid in 1879. In theorie is dit een bouwtijd van 20 maanden maar in praktijk is het niet meer dan 14 -16 maanden, want 's winters word er niet gebouwd. Het fort, gebouwd in de jaren 1878 -1879, is geheel uit metselsteen opgetrokken en afgedekt met een laag aarde van vijf meter dik. Het metselwerk is later niet met beton versterkt zoals de forten Douaumont, Vaux en Moulainville. Wel zijn er drie uit gewapend beton bestaande infanteriewaarnemingsposten boven op het fort gebouwd. Onder in het fort zijn er enkele bomvrije ruimten in de rotsachtige ondergrond uitgehouwen. Deze doen dienst als schuilplaats voor de fortbemanning en voor de opslag van munitie.
Het project verbruikt 160 000 m3 stenen 40 000 m3 metselwerk. Meer dan 1000 vakmensen hebben dagelijks gewerkt aan de bouw. Dit ingewikkelde bouwwerk, op de top van de heuvel, vereist 240 ton materiaal en meer dan 40 m3 water per dag.
Oorspronkelijk voorziet het fort de huisvesting van een garnizoen van 800 man en 40 vuurmonden, maar ten tijde van de herhaaldelijke aanvallen in september 1914 is het voorzien van een bezetting van 450 man en een dertigtal oude kanonnen. Gesitueerd langs de weg te midden van "Place forte de Verdun" en de "Saillant de Saint-Mihiel", bezorgt het fort een plaats in de eerste linie van het front.
Het fort beschikt dus zoals reeds vermeld over verouderde kanonnen van het type De Bange en heeft geen gepantserde geschutskoepels en artilleriewaarnemingsposten. Er zijn 4 kanonnen van 120mm, 12 kanonnen van 90 mm, 2 gladde mortieren, 4 mitrailleurs en 6 kanonnen van 12mm en 6 revolver kanonnen Hotchkiss van 40mm
Een aantal kanonnen is boven op het fort opgesteld. Ze staan tussen hoge, met aarde gevulde manden en zullen dan ook, zoals later blijkt, bij de Duitse beschieting direct uitgeschakeld worden.
In het centrale deel van het fort bevindt zich de kazerne. Daarin bevindt zich de, de stafsectie, de keukens, de messes, de infirmerie de slaapzalen enz…. Verder zijn er ruimten voor opslag van munitie, levensmiddelen en voor reparatiewerkzaamheden aan bewapening en uitrusting.
Het polygonaal-vormig Fort de Troyon is bijna 320 meter breed en 270 meter diep. Zijn vorm lijkt op een pijlpunt met de punt gericht naar het Noord-Oosten. Het wordt omringd door droge gracht van tien meter diep. Hierin bevinden zich vier caponnières. Deze hebben in totaal zes kanonnen van 12cm en zes revolverkanonnen met een kaliber van 40mm. Een caponnière is een bunker die in de fortgracht, meestal aan de buitenzijde tegenover een hoekpunt van het fort is gebouwd. Ze zijn doormiddel van tunnels met het fort is verbonden. Vanuit een caponnière kan de gehele fortgracht beschoten worden. Zo probeert men te verhinderen dat vijandelijke troepen hierin beschutting komen zoeken of dat ze via de fortgracht op het fort kunnen klimmen.
De keelzijde van het fort wordt verdedigd door zes 12cm kanonnen. Deze zijn in een halve cirkelvorm in het ravelin achter een borstwering opgesteld en onderling door aarden wallen van elkaar gescheiden zijn. Een ravelin is een ongeveer driehoekig buitenwerk dat midden voor het fort gelegen is en dient ter dekking van o.a. de toegangspoort.
Voorts zijn erboven de gracht op het fort achter een borstwering 18 opstellingsplaatsen voor 12cm kanonnen, deze worden gescheiden door met aarde gevulde hoge korven.
In september bestaat de fortbezetting uit 150 artilleristen van het 5e artillerie à pied onder bevel van onderluitenant Semoux en uit 300 infanteristen van het 166e R.I. die staan onder het bevel van kapitein Heym, die tevens de fortcommandant is. De infanterie heeft onder andere de taak om een doorgebroken vijandelijke eenheid te stoppen en te voorkomen dat deze het fort kan aanvallen. Kanonnen van het type Bange worden opgetakeld om op het fort in stelling te worden gebracht.
In de vroege morgen van 8 september wordt Heym door een paar burgers gewaarschuwd. Ze vertellen de kapitein dat er een sterke vijandelijke eenheid, waaronder artillerie, in de richting van Troyon oprukt. Maar zo wie zo is hij al verontrust. Een uitgezonden rijwielpatrouille en een aantal vooruitgeschoven luisterposten, in totaal 31 man, zijn niet op de vastgestelde tijd teruggekeerd.
Op 8 september om 08.20 uur start de beschieting. Het Fort krijgt het bevel om minstens 48 uur stand te houden. Dit verzet is van het grootste belang als men wil voorkomen dat de Duitsers Verdun in hun greep krijgen.
De eerste artilleriegranaat ontploft in op een dicht bij het fort gelegen weide. Een tweede granaat welke nog dichter bij het fort inslaat toont aan dat de vijandelijke artillerie aan het inschieten is. Inschieten; is met een kanon enige granaten afvuren op verschillende afstanden in de richting van het doel, de afstand tot dit doel wordt zo bepaald.Onmiddellijk hierna wordt het fort al door de eerste salvo’s getroffen, die maken een diepe indruk op de mannen in het fort. Het moreel krijgt nog een klap wanneer na het eerste salvo drie slachtoffers vallen. Een luitenant van de artillerie en een kanonnier worden ernstig verwond, een derde kanonnier wordt gedood. De op het fort opgestelde 12cm kanonnen moeten, na slechts een paar granaten te hebben afgevuurd zwijgen. Het vijandelijke vuur is er zo nauwkeurig dat het niet meer mogelijk is om de kanonnen te bedienen. Bovendien is het ook onmogelijk om de vijandelijke batterijen onder vuur te nemen omdat de plaats van hun opstelling niet bekend is. Om 09.15 uur krijgen de bedieners van de artilleriestukken het bevel om zich in de onderkomens en in het munitiemagazijn in veiligheid te gaan stellen. Na drie uren neemt de intensiteit van de Duitse beschieting af. 180 treffers van 15cm-houwitsers hebben al zeven kanonnen en de bovenbouw van het fort zwaar beschadigd. In de namiddag vuren de nog inzetbare Franse 9cm-kanonnen een aantal granaten af op het Bois des Chênots en ook op Duitse loopgraven op 1200 meter van het fort. In de nacht van 8 op 9 september kan nog een Duits zoeklicht, dat met zijn lichtspoor het fort beschijnt, uitgeschakeld worden. Een Duitse artilleriegranaat die via een luchtkoker binnendringt explodeert onder in het fort, een onderluitenant wordt ernstig verwond.
Aan het einde van de eerste gevechtsdag, 8 september, telt de fortbezetting één gesneuvelde en twaalf gewonden. Voorts zijn de 12cm kanonnen onbruikbaar en is de stalen toegangsdeur uit zijn scharnieren geblazen. De taluds hebben de beschieting redelijk goed doorstaan zodat de fortmuren geen directe treffers hebben gekregen.
In de nacht van 8 op 9 september vermindert de beschieting. De bemanning van het fort krijgt zo eindelijk de kans om zich enigszins te verzorgen. Ze kunnen wat eten en rusten. Enige noodzakelijke herstellingen, o.a. aan de bewapening, worden uitgevoerd.
Vroeg in de ochtend van 9 september hervatten de Duitsers de beschieting in alle hevigheid. Om 10.00 uur stopt de beschieting plotseling.
Om 11.00 uur naderen drie Duitse ruiters, een van hen draagt een enorme witte vlag. Kapitein Heym laat ze tot op 30 meter van de fortgracht naderen. Het zijn blijkbaar twee artillerieofficieren en een trompetter. Een van hen is Majoor Neuhoff, een Duist stafofficier van de 10e divisie. Ze zijn gestuurd als woordvoerders, ze sommeren de onvoorwaardelijke overgave van het fort met zijn bezetting en bewapening. Bovendien verlangen zij dat het op hen gericht artillerievuur onmiddellijk wordt gestaakt omdat dit in strijd is met het oorlogsrecht. Het blijkt dat een, vanuit het fort van Génicourt, afgevuurde granaat op 15 meter van de onderhandelaars is ingeslagen! Heym vertelt hen dat hij geen verbinding heeft met Génicourt en deze beschieting dus niet kan tegenhouden. Als antwoord op de Duitse eis zegt hij arrogant tegen de Duitse onderhandelaars: „Nooit! « Capituler? Ne jamais, je preferre de incinérer dans les ruines que capituler! » « Frankrijk heeft het fort aan mij toevertrouwd. Ik laat het liever in de lucht vliegen dan het over te geven”” Hij verzoekt de Duitsers op hun schreden terug te keren.
Vlak na het vertrek van de Duitse delegatie wordt de beschieting van het fort in alle hevigheid hervat. Nu gebeurt dat door de zware belegeringsartillerie, ze vuren granaten af met een kaliber van 28 en 30.5cm. Om nog meer verliezen te voorkomen beveelt Heym de fortbemanning dat ze zich moet terugtrekken in de schuilplaatsen. Deze bevinden zich onderaan in het fort, ook de gewonden worden daar ondergebracht. De waarnemingsposten op het fort en op het glacis blijven echter wel doorlopend bezet.
Tegen het vallen van de avond ontdekken de waarnemers op het glacis gecamoufleerde Duitsers die onopgemerkt de draadhindernissen voor het fort hebben kunnen bereiken. Deze zijn volop bezig om met draadscharen doorgangen te maken in de prikkeldraadversperring. Groepen infanteristen naderen in de richting van de zuidelijke caponnière. Ze zijn gecamoufleerd met strohalmen die zij uit korenschoven op de omliggende velden hebben gehaald.
Om 20.00 uur start de frontale aanval op het fort. Het fort opent het vuur op de aanvallers, dit gebeurt met alle bruikbare kanonnen, mortieren, mitrailleurs en geweren. Kapitein Heym houdt een peloton in reserve om dit indien nodig op het meest bedreigde punt te kunnen inzetten. Wanneer een sterke aanvalsgolf tot op 600 meter is genaderd, schiet de kapitein een lichtkogel af. Zo waarschuwt hij de forten Génicourt en Les Paroches dat Troyon wordt aangevallen en vuursteun nodig heeft. Beide forten openen dadelijk het vuur, maar de aanvallende Duitsers trekken zich niet terug.
De aanval gaat door tot aan het aanbreken van de dag. Met veel moeite slagen de verdedigers erin om een groep mitrailleurs op de borstwering in stelling te brengen. Deze is door de beschietingen grotendeels ingestort en ligt onder een hagel van vijandelijk vuur zowel van geweren als van mitrailleurs. De nog bruikbare kanonnen schieten in een hoog tempo. Een van de kanonnen vuurt een voltreffer af op een Duitse mitrailleur en die vliegt meters hoog de lucht in. Bij het aanbreken van de dag trekken de Duitse aanvallers zich terug. Ze doen dit om hun artillerie de gelegenheid te geven om het fort opnieuw te beschieten.
Tijdens deze aanval van 9 op 10 september tellen de Fransen tien gewonden, waaronder één stukscommandant en zes kanonniers en. Er zijn slechts nog zes 90mm-kanonnen inzetbaar.
De 10de september begint er om 04.00 uur een Duitse beschieting met 30,5cm-houwitsers. Een van de projectielen verwondt kapitein Heym aan zijn benen en rug, het is vrij ernstig. Deze beschieting duurt, met een korte onderbreking tussen 12.00 en 14.00 uur, tot 19.00 uur. Om 18.00 uur slaan twee 30,5cm-granaten zich door het gemetselde gewelf van schuilplaats nr. 9, hierdoor exploderen zes van de daar opgeslagen 90mm granaten. Tengevolge hiervan wordt de tunnel die naar de centrale caponnière leidt door puin geblokkeerd, twee soldaten zijn bedolven.
Om 19.00 uur stopt de beschieting. Franse voorposten bemerken enkele Duitse infanteristen bij de beschadigde prikkeldraadversperringen. Kapitein Heym laat een rode lichtkogel afvuren waarmee hij weer om artilleriesteun vraagt vanuit de forten Génicourt en Les Paroches. Bij het zien van deze lichtkogel trekken de Duitsers zich hals over kop terug. Op 10 september is één Franse infanterist gesneuveld en twee artilleristen verwond.
De nacht van 10 op 11 september is zeer donker en winderig, dit bemoeilijkt de waarneming, maar de verwachte vijandelijke acties blijven uit.
11 september, dag vier, om 05.00 uur beschieten 21cm-houwitsers het fort. Vele salvo’s van vier projectielen treffen het fort, het zwaartepunt van de beschieting ligt op het zuidelijke munitiemagazijn. De beschieting eindigt om 11.00 uur, geen enkel projectiel is tot in dit ondergrondse magazijn doorgedrongen.
Om 13.00 uur hervat de Duitse artillerie de beschieting. Het vuur is nu niet alleen op het zuidelijke munitiemagazijn gericht maar op het gehele fort. De schade is enorm, van twee ondergrondse kazematten zijn de gewelven ingeschoten. Twee luchtverversingskanalen zijn vernield en er ontstaan grote instortingen. De situatie wordt kritiek. Kapitein Heym heeft het bevel om alle belangrijke documenten, waaronder de codeboeken, te verbranden.
Omdat de beschieting na 18.00 uur wordt voortgezet verwacht men weer een nachtaanval. Deze verwachting wordt nog versterkt omdat de nacht van 11 op 12 september weer donker en winderig zal worden. Dat bemoeilijkt de eigen waarneming. Heym laat het voorterrein regelmatig onder vuur nemen. Hij wil zo de Duitsers beletten om ongezien de zwaar beschadigde draadversperring te passeren. Dit onder vuur nemen gebeurt door een gedeelte van de infanteriebezetting. Om de twintig minuten vuurt elke man vier patronen af op de mogelijke naderingswegen en alle nog inzetbaar kanonnen vuurden twee of drie granaten af.
De verwachte aanval komt er niet. Bij het aanbreken van de dag, 12 september, houd het nachtelijke Duitse storingsvuur op. Om 08.00 uur beschiet men andermaal het fort, maar ditmaal minder intens. Om 10.00 uur kunnen 75mm-snelvuurkanonnen van de Franse veldartillerie de Duitse vuurmonden die het fort beschieten uit schakelen. Deze veldartillerie is, tesamen met infanterie-eenheden de Maas overgestoken, dit ter versterking van de Franse troepen op de Maashoogten. Tegen de middag wordt het fort beschoten door één 30,5cm-houwitser. Deze beschieting duurt, met een paar uren onderbreking, tot in de nacht van 12 op 13 september om 02.30 uur keert de rust terug.
Het fort is nu voor het overgrote deel hervormd in een puinhoop. Alle gangen en ruimten zijn ingestort of liggen vol met stenen en vernielt materiaal. Door al dat puin kan de fortbemanning zich zo goed als onmogelijk verplaatsen.
Het tijdstip van 02.30 uur op 13 september wordt beschouwd als het einde van de Duitse poging om Troyon in handen te krijgen. Tegen 07.00 uur bereikt een Franse patrouille het fort. Deze verkenningseenheid meldt dat de Duitsers zich onder de druk van Franse tegenaanvallen hebben teruggetrokken en dat ze hierbij heel wat materiaal hebben achtergelaten. Het fort is er in geslaagd om een complete vijandelijke divisie te beletten de Maas te bereiken.
In de daarop volgende dagen wordt het fort door de overgebleven bemanning weer enigszins gevechtswaardig gemaakt, de noodzakelijke gangen en ruimten worden puinvrij gemaakt.
Tot 22 september wordt Troyon vrijwel niet meer beschoten. Op 24 september om 15.00 uur krijgt het noordelijke munitiemagazijn van het fort een voltreffer, het is geraakt door een 42cm-granaat. Bij deze explosie worden er 18 mannen gedood, ze worden onder het puin van het ingestorte magazijn bedolven. Tot op heden rusten zij nog steeds in dit “fortgraf”. Zij staan met naam en rang vermeld op een gedenkplaat, deze bevindt zich in de gang die naar het ingestorte magazijn leidt.
Het kleine garnizoen heeft de wapenspreuk welke in veel van de forten in de regio Verdun vermeld staat naar de letter: "S'ensevelir sous les ruines de fort plutôt que de le rendre" ("Liever sterven op de ruïnes van het fort dan de overgave!")
Na september 1914 wordt het fort een vooruitgeschoven post in de richting van het vier jaar door de Duitsers bezette Saint-Mihiel. Het fort doet in 1918 dienst als opvang voor de gewonde Amerikaanse soldaten na de herovering van Saint-Mihiel en de 'butte du Montsec'.
Kapitein Heym, die bij de aanval van 10 september vrij zwaar gewond is geraakt, hersteld. Vrijwillig keert hij terug naar het front, maar op 27 maart 1915 zal hij bij Marchéville sneuvelen
Besluit
Verdun was de deur voor de Duitse invasie, en Troyon was het scharnier van die deur. Voor de uiteindelijke victorie van de slag bij de Marne en het weerstaan van de eerste omsingelingspoging van de Duitsers van Verdun, was het van vitaal belang dat de het Fort de Troyon stand zou houden, en het Fort hield stand. Toen op 14 september de zege bij de Marne werd afgedwongen, trokken de Duitse troepen zich Noordelijk van Verdun terug, na een bombardement van meer dan 70 uur en ontelbare infanterieaanvallen op het Fort de Troyon. Na dit feit en het hierdoor mislukken van Oost-West verbinding der Duitse troepen besloot het Duitse 5e leger zijn aanvallen te concentreren op het bij Saint-Mihiel gelegen Fort "Camps des Romains", en bezetten de stad voor een periode van vier jaar waarbij de beroemde "Saillant de Saint-Mihiel" welke pas in 1918 door Amerikaanse troepen weer zou worden heroverd. Het was het einde van de bewegingsoorlog en het begin van de loopgravenoorlog, een voorbode van de slag om Verdun in 1916.
.
FORT TROYON HEDEN
Langzamerhand is de geschiedenis rond het Fort de Troyon, ondanks de vele publicaties na de oorlog, uit het collectieve geheugen verdwenen, met als resultaat een jarenlange leegstand van het fort. Het Fort de Troyon, zijn rol, zijn magnifieke architectuur en zijn geschiedenis kent zijn opleving dankzij de inspanningen van een stichting genaamd :"Ceux de Troyon". De vrijwilligers en donateurs steken al hun tijd en energie in hun passie. Zij willen de thans onbekende geschiedenis en rol van het fort tijdens de eerste wereldoorlog kenbaar maken aan het grote publiek. Het is hun wens om zo dit relaas uiteindelijk veilig te stellen voor toekomstige generaties.









De strijd om de saillant van Saint-Mihiel (1915-1918)
De strijd om de saillant van Saint-Mihiel (1915-1918)
Generaal Joffre wil met operaties van beperkte omvang het moreel van volk en leger op peil houden en gelijktijdig de Duitsers het leven zuur maken. Joffre komt begin 1915 af met het plan om de saillant van Saint-Mihiel te verkleinen. Hij wil dit doen door een snelle aanval die bij een eventuele mislukking binnen drie of vier dagen dient te worden afgebroken. Hoofddoel van de operatie is om de druk op Verdun te verlichten, dit door een aanval vanuit het noordwesten op de saillant te ondernemen. Een ondersteunend offensief uit het zuiden, richting Thiaucourt, moet de aandacht afleiden van de hoofdaanval. Vanuit het Bois-le-Prêtre begint in de nacht van 29 op 30 maart 1915 de aanval, terwijl de hoofdoperatie op 5 april in de Woëvre-vlakte van start gaat. Ook deze Franse poging, mede door het slechte weer, kan men opschrijven in de lange lijst van bloedige mislukkingen.
Als gevolg van de slag bij Verdun moeten de Fransen in 1916 een deel van de Woëvre-vlakte ontruimen en hun verdediging aan de voet van hoogvlakte van de Maas inrichten langs de lijn Eix - Ronvaux - Les Eparges. Verder is er tot september 1918 van dit front geen nieuws.
Vanaf 1915 zijn er Amerikanen aanwezig in de Meuse streek. Het zijn eenheden van vrijwillige ambulanciers die er gewonde ‘Poilus’ (benaming voor de Franse soldaten in de 1ste W.O.) vervoeren. Het volgende jaar is er een squadron van de Amerikaanse luchtmacht boven Verdun actief, inderdaad het fameuze Lafayette squadron.
Op 6 april 1917 start de Verenigde Staten haar deelname aan de oorlog. Op 1 juni begint in Saint-Nazaire de ontscheping van 20.000 mannen van de 1st U.S. Infantry Division. Deze divisie installeert zich eind juli in de sector van Gondrecourt-le-Château, in het zuiden van het departement Meuse. De Fransen leveren hen kanonnen, mitrailleurs, geweren, munitie… en ze zorgen voor de nodige fronttraining.
De Verenigde Staten hebben in de lente 1917 een slecht bewapend leger van 200.000 manschappen. Na de stemming van de dienstplichtwet, breidt de grootte van het V.S. expeditieleger zich uit van 77.000 manschappen begin november naar 335.000 vijf maanden later. Tegen de Wapenstilstand zijn er 42 Amerikaanse divisies aanwezig op Franse bodem, verdeeld over 3 legers, samen goed voor 1.894.000 manschappen. Hun deelname heeft zeker het einde van de oorlog versneld.
Eind maart 1918 zijn Amerikaanse eenheden betrokken bij de gevechten in de Meuse en ze leiden er vanzelfsprekend verliezen. In juli vertrouwt maarschalk Foch het Eerste Amerikaanse leger, onder leiding van generaal Pershing, de verovering van Le Saillant de Saint-Mihiel toe. De Saillant van Saint-Mihiel is nu al sinds september 1914 door de Duitsers bezet.
Met de steun van de Fransen begint de aanval op 12 september om 5 uur in de ochtend. De Amerikaanse divisies, gesteund door het Franse koloniale korps, vallen de voorruitstekende positie van Saint Mihiel aan. Meer dan 500.000 manschappen zijn erbij betrokken, ze beschikken over omvangrijke materiële middelen. Het wordt een snel succes, op 13 september treden generaal Pershing en generaal Pétain Saint-Mihiel binnen, de saillant is veroverd. Het succes is totaal in drie dagen nemen de Amerikanen het doelwit in. Zij maken daarbij 16.000 krijgsgevangenen en overmeesteren 440 kanonnen.
Aan de Maas heeft het jonge Amerikaanse leger van generaal Pershing briljant werk verricht. Het is in juni 1918 in de sector van Chateau Thierry in het Belleau-bos voor het eerst in de strijd getreden maar het is in Saint Mihiel en in de Argonne streek dat de Sammies, met het 550.000 man sterke eerste leger van de V.S., pas goed in actie zijn gekomen.
Op 26 september zet Pershing, die ondertussen over 1.200.000 manschappen, 2.500 kanonnen en 325 tanks beschikt, zijn troepen tussen de Maas en de Argonne in. Dat front is 24 kilometer breed. Op 7 november dringen de Amerikanen Sedan binnen.
In de Meuse hebben ze de eerste grootste strijd gestreden buiten de Amerikaanse landsgrenzen. Hun aanwezigheid in de Meuse laat een grote indruk na op de bevolking die er voor het eerst kennismaakt met jazzmuziek en baseball. Bovendien gaan de Amerikanen actief mee werken aan de heropbouw van meerdere dorpen in de Meuse. Rijke donateurs en diverse stichtingen financieren er de bouw van gemeentehuizen, scholen, feestzalen, opvanghuizen voor wezen en armen, watervoorziening enz…
Er zijn ontzettend veel plekken in de Meuse die de Amerikaanse aanvallen herdenken. De Amerikaanse begraafplaats van Saint-Mihiel (Thiaucourt, departement Meurthe-et-Moselle) omvat 4.153 graven. De Amerikanen bouwen indrukwekkende monumenten en gedenktekens op de plaatsen waar ze vochten, het monument van Montsec is een van deze. Het indrukwekkende monument van Montsec overschouwt de vroegere frontsector.
Deutsches Kriegsministerium: Der Weltkrieg 1914-1918
Colonel J.R.Rebold: La guerre forteresse
Heeres Artillerieschule: Deutsche Artillerie- und Minenwerfermunition
Reichsarchiv: Schlachten des Weltkrieges, Band 6: Von Nancy bis zum Camp des Romains
Otl.a.D.Herbert Jäger: German artillerie of WW 1
Marchand: Plans de concentration 1871-1914
Ian Hogg: The guns of 1914-1918
Christian Zentner; Illustrierte Geschichte des Ersten Weltkrieges.
Frossad: La fortification permanente pendant la guerre
Reichsarchiv:Die Bayern im Groszen Kriege 1914-1918
Duitse regimentsgeschiedenissen van deelnemende eenheden



Snipers WWI
Australiërs aan het Westelijk Front 1916–1918 AIF
Australiërs aan het Westelijk Front 1916–1918
Wie in Australië rondreist, ziet in elke stad of in elk dorp, hoe klein ook, een monument voor de slachtoffers uit de Eerste Wereldoorlog. ‘Opdat we niet vergeten’, is het opschrift op elke gedenksteen. De Australiërs noemen de Eerste Wereldoorlog de Great War. Veel meer dan de Tweede Wereldoorlog, geeft de Great War Australië in zijn hart en ziel getroffen
Op 1 januari 1901 sluiten de zeven staten van Australië zich aaneen tot één federatie, the Commonwealth of Australië, ze hebben één en dezelfde grondwet. Ze blijven nog steeds een onderdeel van het Britse Rijk, maar ze genieten van een vrij grote zelfstandigheid. Wanneer de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, voelen de meeste Australiërs zich nog meer Brits dan Australisch. Als het Britse Rijk in oorlog is, dan is Australië ook in oorlog! Toch zal het deze oorlog zijn die de Australiërs zal leiden tot hun nationale trots en hun nationaal gevoel.
-Voor het eerst treden alle deelstaten samen aan in een buitenlands conflict.
-Het Australische leger is gedurende héél de oorlog een vrijwilligersleger en wetten die de dienstplicht willen opleggen worden steevast weggestemd.
-Hun troepen genieten de faam van stoutmoedig te zijn. Ze veroveren meestal hun doel, ook onder de moeilijkste omstandigheden.
-In de slotmaanden van de oorlog behalen ze hun grootste successen en dit onder een eigen Australisch bevel.
De balans van de Eerste Wereldoorlog voor zal zwaar ZIJN!
Geschatte bevolking van Australië in 1911: 2.470.000.
Vrijwillige dienstneming in de loop van de oorlog: 416.808 = 38,7 % van de mannelijke bevolking tussen 18 en 44 jaar.
Verscheepte troepen van Australië naar Europa: 331.781.
Totaal aantal doden en gewonden: 215.585 = 64,98 % van de manschappen.
- In Europa (Gallipoli, Frankrijk, België) zullen er bijna 62.000 Australiërs sterven:
· ongeveer 38.500 onder hen krijgen een geïdentificeerd graf
· ongeveer 23.400 mannen blijven vermist
- In de strijd om Ieper zullen er ruim 15.000 Australiërs sterven:
· ongeveer 9.000 van hen hebben een geïdentificeerd graf in de omgeving van Ieper en 6.198 blijven vermist en staan vermeld op de Menenpoort
Op 4 augustus 1914 verklaart Groot-Brittannië de oorlog aan Duitsland. De Australische premier doet de belofte dat Australië het moederland zal bij te staan tot de laatste man en de laatste shilling. Vanaf 10 augustus richt men rekruteringsbureaus op. De rekrutering kent meteen een bijzondere enthousiaste respons.
Van 11 september tot 9 december bezet de Australian Naval and Military Expeditionary Force Duits Nieuw Guinea en andere door Duitsland geregeerde eilanden in de Bismarck-Archipel. Op 12 september sneuvelen daarbij de eerste Australiërs.
De 1ste november vertrekt de 1st Division van de Australian Imperial Force van Albany, Western Australia, naar Egypte. Tijdens de volgende maanden vertrekken steeds meer troepenschepen vanuit Australië naar Egypte. Daar wordt de opleiding van de manschappen voltooid en ze moeten er frustrerend lang wachten tot ze eindelijk ingezet worden in de strijd. De trainingskampen in Engeland zitten overvol en daarom worden de Australiërs en Nieuw-Zeelanders in Egypte ondergebracht. Samen met de troepen uit Nieuw-Zeeland vormen de Australiërs het Australian and New Zealand Army Corps, kortweg ANZAC. In de loop van de oorlog wordt dit letterwoord een begrip dat staat voor moed, vriendschap en offervaardigheid. De manschappen worden ANZACs genoemd en de Australiërs zijn te herkennen aan hun typische Slouch hat. De Slouch hat is een breedgerande hoed waarvan ze één kant kunnen opslaan. Volgens de Australische militaire humor is dit om de meisjes te kunnen kussen zonder je hoed af te nemen! Aan de opgeslagen zijde zit de rising sun-badge van de Australian Imperial Force. ( Omwille van de reputatie van de ANZACs, zijn de hoed én de badge nog steeds in gebruik in het Australische leger.)
Op 25 april 1915 is het lange wachten in Egypte voorbij, de manschappen komen voor het eerst in actie. Australische troepen landen bij dageraad op de stranden van Gallipoli, dit is een schiereiland van Turkije. De landing verloopt uiterst moeizaam en kost de eerste dag al het leven aan 2.000 Australiërs. Op 19 mei slaan de Australiërs hevige Turkse aanvallen af en behouden hun stellingen. Tijdens de slag bij Lone Pine van 6 tot 9 augustus verdienen zeven Australiërs het Victoria Cross. Dit is de hoogste onderscheiding voor moed op het slagveld. Op 07 augustus loopt de charge van de Australian Light Horse bij The Nek uit op een dramatische slachting. Pas na de oorlog kan men er de doden begraven. Op een terrein, kleiner dan een tennisveld, vindt men meer dan 300 lichamen.
December 1915, omdat de vijandelijkheden om het schiereiland niets opleveren, maar wel veel mensenlevens kost, besluit het Britse opperbevel het gebied op te geven en zich terug te trekken. De ANZACs zijn bijzonder ontgoocheld. Ze waren ervan overtuigd dat ze het schiereiland pas zouden verlaten als het doel bereikt was. Hun geloof in de Britse legeroverheid is niet bijster groot meer. Op 20 december verlaten de laatste Australische troepen het schiereiland, maar ze laten er wel 10.000 doden achter…
Januari - maart 1916, de ANZACs gaan terug naar Egypte, ze gaan er bekomen van hun expeditie in Gallipoli en gaan daar onder andere helpen met de versterkingen van de verdedigingen van het Suez kanaal. Ze bereiden zich ook voor op hun vertrek naar het westfront. In de loop van maart worden de eerste troepen naar Frankrijk gestuurd.
De Eerste Wereldoorlog, 1914 – 1918, de Grote Oorlog is zogezegd de oorlog die een eind zal maken aan alle oorlogen. In dat oorlogsgebeuren is het Westelijk Front het belangrijkste strijdtoneel. In België en Frankrijk worden er grote slagen uitgevochten, de namen van die afslachtingen klinken door tot in Australië, dagelijks spreekt men er wel ergens over Fromelles, de Somme, Bullecourt, Mesen, Passendale, Dernancourt en Villers-Bretonneux enz...
Van de 295.000 Australiërs die op dit strijdtoneel met de Australian Imperial Force, de AIF, gaan vechten, zullen er velen in de strijd gedood worden of doodgaan aan hun verwondingen. Verspreid over het landschap van België en Frankrijk liggen honderden oorlogsbegraafplaatsen waar deze Aussies begraven liggen. Er staan monumenten waarop de namen van de duizenden anderen die een onbekend graf hebben, de vermisten. in lijstvorm worden vernoemd.
Het is 133 kilometer over de weg van het Belgische Ieper naar het Franse Péronne in Frankrijk. De streek tussen die twee steden, al over het Belgische West-Vlaanderen en al over de Franse gewesten in het noorden Pas-de-Calais en de Somme, is bezaaid met herinneringen aan die oorlog. Midden in de velden of in bochten van landwegen maar ook op heuvels in dorpen of stadjes en grote steden bevinden zich honderden militaire begraafplaatsen. Hier liggen de doden van de befaamde en betreurde veldslagen, waarvan de namen in de hele Engelstalige wereld bekend zijn. Wie heeft er nog niet gehoord van de Somme, Ieper of Arras en over Vimy, Bullecourt, Loos en Amiens?
Het noordelijke derde deel van het Westelijk Front loopt van 1914 tot 1918 door deze regio. De verdediging van dit gebied ligt in handen van de troepenmacht van Groot Brittannië en het Britse Rijk die bijeen zijn gebracht in een samengevoegd leger de BEF ( British Expeditionary Force).
De mannen van de Australian Imperial Force komen in april 1916 naar het Westelijk Front. Ze ruilen hun herkenbare slouch hat voor de Britse Brodie staalhelm. Althans aan het front want achter het front wordt de slouch hat een steeds vaker gezien beeld. De Britten zien de Australiërs als en stel ongedisciplineerde boeren en hebben geen positieve indruk van hun kunnen. Een groot verschil tussen het Brits leger en de Australiërs is natuurlijk dat al de Aussies vrijwilligers zijn. En dat er ook geen doodstraf voorzien is, en dat is zeker een doorn in het oog bij Sir Douglas Haig. De Australiërs zijn niet blij met het feit dat ze onder leiding staan van Britse bevelhebbers. Dit komt in deze begin periode van aankomst in Frankrijk tot onenigheden tussen de Australiërs en Britten.
De Aussies gaan ten zuiden van de Franse stad Armentières de loopgraven in. In begin April 1916 gaan de eerste Australiërs, 6de en 7de brigade, naar het front. Ze komen in de buurt van Armentiers waar ze de linies tegen over het Bois Grenier overnemen van de Britten. Op de gebruikelijke bombardementen na is dit een redelijk rustige sector. In het begin bestaan de werkzaamheden voornamelijk uit het aanleggen van versterkingen en loopgraven. Pas aan het einde van de maand April krijgen de Australiërs hun echte vuurdoop, in de buurt van Armentiers verrichten ze hun de eerste “trenchraids”. Op 26 April krijgen ze voor het eerst te maken met gas, dit wanneer de Duitsers traangas lossen als voorbereiding voor een raid.
Van die tijd tot begin oktober 1918 vechten ze in bijna mee in alle grote militaire acties van de BEF tegen het Duitse keizerlijke leger.
Op 11 november 1918 wanneer de wapenstilstand wordt afgekondigd, is de AIF voorbereidingen aan het maken voor een nieuwe aanval. Gedurende twee en een half jaar zijn er 295.000 Australische militairen, aan het Westelijk Front, in de gevechten betrokken. Er zijn 179.537 (60 procent) slachtoffers. Meer dan 46.000 van hen zijn in de strijd gedood of zijn later door hun opgelopen verwondingen overleden.
Langs het vroegere Westelijk Front liggen er 28.512 Australiërs op Commonwealth War Cemeteries begraven. Ze hebben allemaal een grafsteen waarop hun naam, eenheid en overlijdensdatum is gegraveerd.
Maar er liggen ook 7.200 mannen begraven die niet geïdentificeerd zijn, op hun grafstenen staan opschriften als: AN AUSTRALIAN SOLDIER OF THE GREAT WAR– KOWN UNTO GOD of AN AUSTRALIAN OFFICER OF THE GREAT WAR– KOWN UNTO GOD en zo verder…. Deze mannen vormen een deel van de vermisten die een onbekend graf hebben. Het andere gedeelte van vermisten bestaat uit 11.078 Australiërs waarvan nooit iets is terug gevonden dat kon begraven worden. Samen zijn dit 18.278 mannen die in een onbekend graf of die nog ergens onder de grond van een vroeger slagveld begraven liggen. Hun namen worden op monumenten vermeld.
In de tijd na de Eerste Wereldoorlog rouwt men in duizenden huizen in heel Australië. Mensen treuren om het verlies van iemand die naar de oorlog vertrok en nooit meer is teruggekeerd. Die generatie lijdt enorme persoonlijke verliezen. De echtgenotes, moeders, vaders, broers, zussen, neven, nichten en vrienden van diegenen waarvan de graven en monumenten duizenden kilometers ver weg liggen, leven dan in een tijd waarin buitenlandse reizen ver buiten het bereik van gewone mensen ligt.
De wereld is ondertussen enorm veranderd de mensen zijn mobieler geworden. Duizenden mensen kunnen nu wel naar Gallipoli gaan, velen komen ook het oude Westelijk Front bekijken. Terwijl ze begraafplaatsen en monumenten bezoeken, leggen ze een kruisje of een klaproos in naam van degenen die nooit de gelegenheid hadden om zelf een bezoek te brengen aan hun familielid of vriend die ze verloren. Bij ieder monument en op elke begraafplaats wijzen de herdachte namen op persoonlijke verhalen en op wat het verdriet dat het dood gaan van elke man zijn verre familie en vrienden aandeed.









De slagvelden waar Australiërs vochten AIF
De slagvelden waar Australiërs vochten
Chronologische volgorde van de veldslagen waarin Australiërs strijd leveren. Dit vanaf hun aankomst op het Westelijk Front in april 1916 tot in de laatste gevechten van 1918.
In de maanden maart en juni worden ze getraind voor de oorlog tegen een “sterkere” vijand dan de turken. Op 20 maart arriveren de eerste Australiërs in Marseille dit is het eerste ANZAC corps onder bevel van Luitenant generaal Bridwood. In de weken nadat de Australiërs aangekomen zijn in Frankrijk worden ze getraind voor de oorlog in de loopgraven en ook voor de gasoorlog of ze voeren er werkzaamheden uit achter het front
13 juli 1916 aanval op het Duitse loopgraafsysteem genaamd “The Lozenge” ten westen van het plaatsje Le Bridoux. De aanval wordt uitgevoerd door het 6de Bataljon van de 1ste AIF Divisie en de raid staat onder leiding van Luitenant Hyde en Laughlin. De groep bestaat uit 50 vrijwilligers gekozen uit de 400 man die zich hebben opgegeven. Het inleidende bombardement begint om 5 uur in de middag en de raid begint om 01 uur in de nacht. De raid Is een redelijk succes. De Australiërs tellen maar een paar doden en gewonden, ze komen redelijk ongeschonden uit de strijd. ze nemen 6 Duitse gevangen mee, de raid kost 10 Duitsers het leven.
Enkele dagen later zal het serieuze werk beginnen.
Fromelles 19 – 20 juli 1916: de Britten plannen een tweede poging om de salient bij Sugar Loaf te veroveren en vragen de Australiërs om hulp. Van dit plan word afgezien, maar het bericht komt te laat om de Australiërs te doen stoppen met de voorbereidingen voor een tweede aanval. Een aanval met rampzalige gevolgen, de Australische en Britse pogingen om de ‘Sugar Loaf’ in te nemen mislukken volledig. De strijd schakelde de 5de Australische Divisie vele maanden voor aanvallende actie uit.
Pozières 23 juli – 05 augustus 1916: tussen 23 juli en 5 augustus 1916 veroveren de Australische Eerste en Tweede Divisie Pozières en de heuvelrug van Pozières. Gedurende vijf dagen verliest de Eerste Divisie er 5285 man, gedood en gewond. De Tweede Divisie telt 6848 slachtoffers. Dit is het grootste verlies dat er ooit door een Australische divisie tijdens één tocht aan de frontlinie geleden is.
Mouquet Farm 08 augustus – 03 september 1916: in minder dan zeven weken verliezen in de gevechten bij Pozières en Mouquet Farm drie Australische divisies 23.000 man. Van hen zijn er 6800 mannendood of sterven aan hun verwondingen. Dit verlies is vergelijkbaar met de slachtoffers die de Australiërs leden tijdens de acht maanden bij Gallipoli in 1915.
Winter van Flers en de Somme oktober 1916 – februari 1917: de strijd gaat nu vooral om de inname van bruikbare stellingen tijdens de winter, want het is nu onmogelijk om grote militaire operaties uit te voeren … Deze gevechten verlopen in de slechtste omstandigheden die de Australiërs aan het Westelijk Front zullen meemaken, maar het grootste gevecht is de strijd tegen de modder en het afzien in de regen en het voorkomen van bevriezing.
Royal Australian Navy 1916 - 1918: Schepen van de Royal Australian Navy voegen zich in de Noordzee bij de Britse vloot en nemen deel aan de economische blokkade van Duitsland.
Opmars naar de Hindenburglinie februari – april 1917: de Duitsers trekken zich begin 1917 terug in de Hindenburglinie. De nieuwe linie moet rechter en korter zijn waardoor er minder mannen nodig zijn om deze te bemannen.
Eerste Slag om Bullecourt 11 april 1917: de tank is langzamer dan een lopende man, het staal ervan is dun. Het dodelijke vuren van de Duitse artillerie betekent dat er geen enkele tank het prikkeldraad voor de Australische infanterie bereikt. Stafleden van de hogere rangen geloven dat de opmars vooruitgang boekt en niet tegengehouden word. Daarom geeft men de artillerie geen toestemming om te vuren en kunnen de Duitsers moeiteloos tegenaanvallen uitvoeren.
Tweede slag om Bullecourt 03 – 15 mei 1917: zowel Britse als Franse leiders komen overeen om een gezamenlijke Britse en Australische aanval uit te voeren op de Hindenburglinie en dit weer bij Bullecourt waar de vorige attaque zo tragisch mislukte. Eén Australische historicus zal de strijd in Bullecourt beschrijven als de nutteloze inname van een dorpje zonder enig tactisch belan. Dit ten koste van meer dan 7.000 Australische slachtoffers.
De Slag om Mesen 07 juni 1917: de Slag om Mesen wordt een welslagen. Deze verwijdert de Duitse salient ten zuiden van Ieper en effent de weg voor het grote offensief dat op 31 juli 1917 zal beginnen. De twee Australische Divisies tellen er wel bijna 6800 slachtoffers.
De Slag om Menin Road 20 september 1917: op 20 september 1917 vallen er bij de Australiërs 5.000 doden en gewonden, maar de pakken en vasthouden tactiek levert zijn bewij. Het laatste doelwit, op 1.500 meter afstand van de startlinie, word bemachtigd. Tegen de middag hebben de Aussies alle doelen ingenomen en bevinden ze zich aan de westkant van Polygon Wood.
De Slag om Polygon Wood 26 september 1917: de grond is droog waardoor de granaatontploffingen een muur van stof en rook veroorzaken … Zeven divisies, vijf Britse en twee Australische, rukken achter het scherm van granaten op en nemen de meeste doelen in.
De Slag om Broodseinde 04 oktober 1917: de Australiërs nemen al hun doelwitten in op de heuvelrug. Langs de hele linie is de aanval een succesvol. Voor het eerst sinds mei 1915 vangen de Britse strijdkrachten een glimp op van de lage gebieden die achter de top van de heuvelrug liggen.
Passendale 09 en 12 oktober 1917: vooral de Nieuw-Zeelandse Divisie herinnert zich deze strijd als een afslachting. Bij de Aussies vallen er op 12 oktober 3.000 slachtoffers bij de Derde Divisi. 1.000 bij de Vierde Divisie en dit terwijl er geen terrein gewonnen wordt.
Winter 1917-1918: de Australiërs bezetten de sector van Mesen.
Dernancourt 28 maart en 05 april 1918: op 28 maart trachten de Duitsers hun opmars voort te zetten. De gevechten verspreiden zich langs het gehele frontgebied gelegen tussen Dernancourt en Albert. Op 5 april 1918 proberen de Duitsers het opnieuw. De Australiërs gaan in de tegenaanval en slagen erin om de Duitsers terug te dringen.
Morlancourt maart - mei 1918: op 27 maart lossen eenheden van de Australische Derde Divisie, in de driehoek tussen de Somme en de Ancre, er uitgeputte Britse infanteristen af. Ze houden in dit gebied de Duitse opmars op effectieve wijze tegen. Verdere gevechten bij Morlancourt tussen 4 en 9 mei leiden tot de inname van de nieuwe Duitse frontlinie.
Villers-Bretonneux april 1918: de Duitsers proberen om Villers-Bretonneux te veroveren en de rand van het plateau te bereiken dat Amiens binnen hun bereik van hun artillerie kan brengen. Villers-Bretonneux wordt op 25 april 1918 van vijandelijke troepen gezuiverd, dit op de derde verjaardag van de landing van de Anzacs bij Gallipoli. De Australische troepen brengen er in Villers-Bretonneux (Frankrijk) het Duitse lenteoffensief tot stilstand.
De Slag om Hamel 04 juli 1918: wanneer het Duitse offensief eind april 1918 in de richting van Amiens eindigt, vragen de Geallieerde legers zich af waar de Duitsers de volgende keer gaan aanvallen. De Australiërs moeten de linie ten oosten van Villers-Bretonneux bewaken. Vandaar blijven ze de Duitsers tussen april en juli 1918 bestoken met een tactiek die ‘vriendelijke inname’ word genoemd. Alle Australische divisies vechten voortaan onder een eigen Australisch bevel van Sir John Monash. De slag is een voorbeeld van schitterend tijdschema en tactiek.
De Slag om Amiens 08 augustus 1918: de Canadese en Franse aanvallen verlopen goed, net als die van de Australiërs. 25 kilometers van het Duitse front ten zuiden van de Somme worden weggevaagd in een overwinning die alle voorgaande successen van het Britse leger aan het Westelijk Front verreweg overtreft.
Mont St Quentin – Péronne 31 augustus – 02 september 1918: de militairen zijn uitgeput ze hebben dagenlang gemarcheerd en zware gevechten gestreden tegen een vijand die nog lang niet verslagen is. Monash gaat nu nog meer van hen verlangen door Mont St Quentin en Péronne in te nemen. Op deze drie dagen delen de Australiërs - met een verlies van 3.000 slachtoffers - een geweldige klap uit aan vijf Duitse divisies en brengen een algemene Duitse terugtocht teweeg.
Voorpost van de Hindenburglinie: Bellenglise – St Quentinkanaal 18 september 1918: op 18 september 1918 nemen de Australiërs 4300 krijgsgevangenen en veroveren 76 kanonnen, maar dit wel ten koste van 1260 slachtoffers. Ze tonen aan hoe zwak de verdediging van de Hindenburglinie is. Het lijkt nu of het eindelijk mogelijk zal zijn om de oorlog nog voor de winter van 1918-19 tot een einde te brengen.
Hindenburglinie en Montbrehain 27 september – 05 oktober 1918: gedurende de laatste Australische infanteriegevechten aan het Westelijk Front vechten de troepen hevig om de Hindenburglinie te doorbreken en om Montbrehain te veroveren, dit ondanks hun uitputting en onderbemanning 29 september: bestorming van de Hindenburglinie.
11 november: einde van de Eerste Wereldoorlog
Bezetting van Duitsland: de Aussies nemen geen deel aan de bezetting van Duitsland (op één squadron van het Australian Flying Corps en een Casualty Clearing Station na.)In afwachting van hun repatriëring verblijven de Australische troepen nog maandenlang in de omgeving van Charleroi, waar goede vriendschapsbanden met de lokale bevolking ontstaan. De laatste ANZACs verlaten België in mei 1919.









AIF foto 2


AIF foto's








TRIBUTE TO Major Richard 'Dick' Winters
TRIBUTE TO Major Richard 'Dick' Winters
Majoor Winters overleed al op 2 januari 2011. Maar de familie gaf er, mede op verzoek van Winters zelf, geen ruchtbaarheid aan. "Het tekent de bescheidenheid van Dick Winters", zegt kolonel b.d. Cole C. Kingseed, die in 2006 Winters' memoires publiceerde. Winters is zaterdag in besloten kring begraven in zijn woonplaats Hershey in Pennsylvania. Richard (Dick) Winters werd geboren te Lancaster (Pennsylvania) op 21 januari 1918 en hij stierf op 2 januari in het nabijgelegen Palmyra. De veteraan werd 92 jaar en laat een vrouw en twee kinderen achter.
Hij was een voormalig Amerikaans militair. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij officier bij Easy Company van het 506th Parachute Infantry Regiment, 101st Airborne, beschreven in het boek Band of Brothers en de televisieserie Band of Brothers. Winters groeide op in de regio van zijn geboorteplaats. Hij genoot een opleiding aan het Franklin and Marshall College en slaagde daarvoor in 1941.Tweede wereldoorlog. Nadat hij zijn 3 maand durende opleiding tot officier in Fort Benning had voltooid kwam Winters als tweede luitenant terecht bij Easy Company in Camp Toccoa in de staat Georgia. In eerste instantie had Winters kapitein Herbert Sobel als directe superieur boven zich, maar deze werd kort voor D-Day vervangen door eerste luitenant Thomas Meehan. Toen Meehan op D-Day omkwam bij de crash van de C-47 waarin hij zat, kreeg Winters het bevel over Easy Company. Op D-Day leidde Winters de acties in Manoir de Brécourt, waarbij een batterij Duitse 105mm kanonnen die gericht waren op Utah Beach onschadelijk werden gemaakt. Sink droeg Winters hiervoor de hoogste Amerikaanse onderscheiding, de Medal of Honor. De Medal of Honor werd voor de campagne in Normandië slechts uitgereikt aan één man per divisie. In de divisie van Winters ging deze eer naar luitenant-kolonel Robert G. Cole, die een bajonetaanval leidde. Richard Winters kreeg wel een Distinguished Service Cross toegekend, dat is de op een na hoogste onderscheiding in het Amerikaanse leger. Later vocht hij mee tijdens Operatie Market Garden in Nederland en in de Slag om de Ardennen. Voor de Operatie Market Garden werd Winters bevorderd tot kapitein. Een van de meest memorabele acties van Winters in Nederland was de succesvolle aanval met ongeveer twintig paratroepers op twee Duitse Volksgrenadiers-compagnieën (circa 175 soldaten) in het gebied van de grote rivieren ("The Island"). Door zijn inspanningen in de Slag om de Ardennen waarin hij en zijn bataljon vochten in de pocket van Bastenaken bij Noville en Foy, werd Winters gepromoveerd tot majoor. Winters werd uiteindelijk bataljonscommandant en kwam eind 1946 terug naar de VS. Na afloop van de oorlog werkte Winters enige tijd voor het familiebedrijf van zijn goede oorlogsvriend Lewis Nixon. In aanloop tot de Korea-Oorlog werd Winters opgeroepen om als ervaren officier een rol in die oorlog te gaan betekenen voor de VS. Maar voordat hij uitgezonden werd kreeg hij de kans om deze rol op te geven, Winters had genoeg van oorlog. Hij was tot 1997 gastdocent op de militaire academie van West Point. Als research voor het boek Band of Brothers bezocht hij o.a. Nederland, waaronder de Hoeve 'Schoonderlogt' in de Betuwe waar een bekende foto van hem gemaakt is tijdens de actie in de Betuwe (najaar 1944). ,.
Uiteindelijk trok Richard Winters zich terug op zijn boerderij in de staat Pennsylvania. Begin 2006 verscheen er een memo van de familie van Dick Winters dat hij "zich terugtrok uit het publieke leven" en geen brieven meer beantwoordt of op verzoek boeken signeert. Hij is nu voorgoed met pensioen. Zijn gezondheid is achteruit gegaan en tijdens het afronden van zijn autobiografie werden de geruchten over zijn slechte gezondheid steeds sterker. Dick Winters werd in 2007 het ereburgerschap van Eindhoven verleend. Op 28 februari 2007 ontving Dick Winters uit handen van de burgemeester van Eindhoven, Alexander Sakkers, het ereteken van de stad Eindhoven en het daarbij behorende certificaat. Daarvoor reisde de toenmalige burgemeester A. Sakkers naar Hershey.
Winters en Easy Company waren een belangrijke inspiratiebron voor het boek 'Band of Brothers' en de gelijknamige televisieserie. De Amerikaanse historicus Stephen Ambrose publiceerde in 1992 een boek over Winters en de soldaten van Easy Company. 'Band of Brothers' werd later door Steven Spielberg en Tom Hanks verwerkt tot een succesvolle televisieserie. De Engelse acteur Damian Lewis vertolkte daarin de rol van Winters, maar de veteraan was ook zelf te zien in enkele interviewfragmenten. In 2006 publiceerde Majoor Winters zelf zijn memoires: 'Beyond Band of Brothers'.
Easy Company, 2nd Battalion, 506th Parachute Infantry Regiment. Easy Company werd in 1942 opgericht en werd tijdens de landing in Normandië voor het eerst ingezet. Haar eerste echte gevechtshandeling voerde ze uit in de vroege morgen van D-Day. Er moest een Duitse batterij, met vier 105mm kannonen die op UTAH Beach waren gericht, onschadelijk worden gemaakt. Hierna leidde de compagnie de aanval op Carentan, nam deel aan Operatie Market Garden, hield stand tijdens de slag om Bastenaken, leidde het tegenoffensief tijdens de slag om de Ardennen, vocht mee in de Rijnlandcampagne en nam Hitlers Kehlsteinhaus in.
http://www.omroepgelderland.nl/web/Nieuws/nieuwsartikel/831551/Held-Market-Garden-overleden.htm
Major Richard "Dick" D. Winters (January 21, 1918 - January 2, 2011° was a United States Army officer and decorated war veteran. He commanded Company "E", 2nd Battalion, 506th Parachute Infantry Regiment, 101st Airborne Division, during World War II.Winters parachuted into Normandy in the early hours of D-Day, and fought across France, Belgium, the Netherlands, and eventually into Germany. Later in the war, Winters rose to command the 2nd Battalion. Following the end of hostilities Winters was discharged from the army and returned to civilian life, working in New Jersey.In 1951, during the Korean War, Winters was recalled to the Army from the inactive list and briefly served as a regimental planning and training officer on staff at Fort Dix, New Jersey. Although issued orders for deployment, he was not sent to Korea. After his discharge he worked at a few different jobs before founding his own company and selling farming products. Winters was featured in a number of books and was portrayed in the 2001 HBO mini-series Band of Brothers by Damian Lewis. He was a regular guest lecturer at the United States Military Academy at West Point. He retired in 1997.








