Orpheus en Eurydicè (7)
|
Orpheus en Eurydicè (7) Als onze zielenroerselen authentiek zijn, hebben zij geen lier nodig om zich kenbaar te maken, het lichaam is de lier, het instrument van de ziel, en daarom ook kunnen ware gevoelens niet verborgen worden dan door klederdracht, burchten, handlangers of leugenachtige parabels. Echter, waar het een bard betreft, moet de lier zelf beschouwd worden als een lichaamsdeel, zoals een arm dat is, de stem of het hart. Er zijn violisten die hun instrument meenemen in bed en veel aandacht en tijd besteden zij aan de verzorging van hun bijzondere 'prothese', die in dit geval een 'correctie' is van bijvoorbeeld de stem, een verlengstuk van het lichaam zoals een voertuig dat is, een mantel of een huis. Zij praten er tegen, zij strelen het, gaan ermee naar de dokter, zij verzekeren het, inspecteren het en laten het geregeld herstellen. Het gaat deel uitmaken van het lichaam in die mate dat het lichaam mettertijd ook gaat vergroeien naar het instrument toe en zo ontwikkelen zich de vingers van een pianist of die van een bespeler van de lier, zoals het instrument dat wil. Maar niet alleen de vingers, de lippen, de armen en de andere zichtbare lichaamsdelen doen dat, ook het hele zenuwstelsel stemt zich af op het maken van muziek waarbij zich de 'prothese' ontwikkelt tot het centrale lichaamsdeel waar voortaan al de rest om draaien zal. Uiteindelijk is het de muziek die zoals de noordpool doet met elk kompas, alles naar zich toe trekt, ja, de muze regeert de muzikant zoals de ruiter met het paard doet, de muze heeft bezit genomen van zijn lichaam maar vooreerst ook van zijn ziel en wanneer de toehoorders maar aandachtig genoeg zijn, kunnen zij ook bespeuren dat op het podium niet een muzikant staat die muziek maakt want de vervoering waarin hij door de muzen wordt gebracht, transformeert zijn gedaante in die mate dat zij zich verwisselt voor de gedaante van de betrokken muze zelf. De toehoorders aanschouwen dan niet langer een medemens die speelt, maar het wezen dat van hem bezit genomen heeft en dat behoort tot een heel andere wereld dan deze waarin de bard zijn kunst vertolkt. Die kunst creëert meteen een gat in onze wereld waar doorheen wij kunnen kijken naar dat andere land, dat land dat veel fijnstoffelijker van aard is, want het is niet van stof gemaakt maar van trillingen en golven of, veel fijner nog, van gevoelens die zich zelfs onttrekken aan het bestaan van vlees en bloed. Op die manier is het dat Orpheus met zijn instrument vergroeid was en zo ook bracht zijn verschijning bij alle wezens die ze aanschouwen mochten, een extase teweeg welke ons ervan verzekert dat de stoffelijke wereld wordt gedragen door een onvergankelijkheid, dat de tijdelijkheid zelf maar tijdelijk is en dat achter alle dingen een eeuwigheid schuilt die schoon en waar en goed is. Orpheus boezemde sinds hij op aarde was en speelde, ontzag in bij alle wezens, hij werd op handen gedragen en als hij de snaren van zijn lier aansloeg, beroerden in dezelfde beweging zijn handen de zielen van de geringsten onder Gods schepselen. Derhalve, wanneer hij na het verlies van zijn gade treurde, treurde de hele natuur met hem mee. Eurydicè was niet zomaar de gemalin van een gewone mens, zij was de gelukkige beminde en de toeverlaat van een hogere entiteit en daarom ook was haar heengaan voor de wereld een catastrofe, die zich nu samen met de elegie als een donkere nacht neervlijde over de aarde, aldus herinnerend aan haar val van zo-even, veroorzaakt door het gif van de adder die haar in de hiel beet wijl zij door de lente van haar leven danste in het jonge gras, bezaaid met geurige bloemen in duizend kleuren. |



