Naar de inhoud

FAMILIE IDING TEN BOSCH

Familie Iding ten Bosch - Varsseveld - Heurne - Huissen - Westervoort - Lichtenvoorde
seniorennet.beseniorennet.be

Ernst Klee

 

Ernst Klee, geboren 1942, studierte Theologie und Sozialpädagogik. Lehrauftrag für Behindertenpädagogik an der VHS in Frankfurt/Main (1973 bis 1982) und an der FHS in Wiesbaden (1978-1979). Er publiziert bei der Wochenzeitung DIE ZEIT und arbeitet als Dokumentarfilmer für den Hessischen Rundfunk. 1996 wurde sein Fernsehfeature »Ärzte ohne Gewissen« von der ARD ausgestrahlt: Ernst Klee wurde dafür von der Münchener Abendzeitung mit dem »Stern des Jahres 1996« ausgezeichnet (sein Fernsehfilm »Verspottet« über das Leben einer Kleinwüchsigen wurde 1981 mit dem »Adolf-Grimme-Preis« sowie von der Deutschen Akademie der darstellenden Künste in Frankfurt am Main ausgezeichnet). 1997 erhielt Ernst Klee den Geschwister-Scholl-Preis.

 

http://www.antipsychiatrieverlag.de/versand/titel/klee.htm

 

http://www.shoa.de/content/view/240/46/

Stuur door Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

1939 Duitsland. Augustus 18


 

   1939 Duitsland. Augustus 18 Uittreksel uit een rondschrijven betreffende meldplicht van mismaakte nieuwgeborenen.

1. Ter opheldering van wetenschappelijke vragen op het terrein van ongeboren mismaakten en verstandelijke onderontwikkeling is een zo vroegtijdig mogelijke aanpak van voorkomende gevallen noodzakelijk.

2. Daartoe beschik ik, dat de vroedvrouw, die bij de geboorte bijstand heeft verleend, ook in het geval dat uit de bevalling de betrokkenheid van een arts voortvloeide een aangifte doet bij de voor de geboorteplaats van het kind bevoegde geneeskundige dienst, met een zoals bijgaand, bij de geneeskundige diensten voorradig gehouden formulier, indien het nieuwgeboren kind verdacht is behept te zijn met het volgende ernstig lijden:

   1. Idioten zoals mongolisme (in het bijzonder gevallen die met blindheid en doofheid gepaard gaan)

   2. Microcefalie (abnormale kleinheid van de kop, in het bijzonder de hersenschedels)

   3. Hydrocephalus (waterkop) zware, bijz. in voortschrijdende graad.

   4. Misvormingen van elke aard, bijzonder het ontbreken van hele ledematen, ernstige splijtvormen van de kop en de wervelkom.

   5. Verlammingen en andere ziektegevallen.

  Voor verlossingsklinieken en kraamafdelingen van ziekenhuizen ligt de meldplicht aan vroedvrouwen alleen dan op, als een leidende arts niet voorhanden of voor de melding verhinderd is.

   3. Voorts zijn de door alle artsen aan te geven kinderen, in geval de artsen die kinderen, die met een van de onder art.2 punt 1-5 genoemd lijden behept zijn en het 3e levensjaar nog niet hebben bereikt, aantreffen tijdens de uitoefening van hun beroep.

4. De vroedvrouw verkrijgt voor haar plichtsinspanning een vergoeding van 2 R.M. De uitbetaling van dit bedrag moet door het geneeskundig bureau worden gedaan. Daarnaast worden door haar voorgeschoten onkosten vergoed.

5. De Rijksgezondheid leider heeft op grond van §46. Art.2. punt 3 en 4 van de Rijksartsen verordening van 13.12.35 (RCBl. l. 1433) bij beschikking per 23 Maart 1940 (Duits artsenblad hfst.12) de leidende artsen van verlossingsklinieken en kraamafdelingen verplicht de vereiste meldingen, van de in de door hen geleide instelling of afdeling geboren kinderen, bij het voor de geboorteplaats van het kind bevoegde gezondheidsbureau aan te brengen.

Door deze algemene beschikking vanwege de Rijksgezondheid leider zijn vanaf heden alle artsen verplicht geworden aangifte te doen aan het in de woonplaats van het kind bevoegd geneeskundig bureau indien in hun beroepsuitoefening kinderen bekend worden, die onder art. 2 van dit rondschrijven vallen en die het 3e levensjaar nog niet hebben overschreden.

6. Voor de Aangevers (Arts Vroedvrouw) is de verplichting tot aangifte m.b.t. art.3. de primaire verordening tot uitvoering van het bevel, de zieken ervoor te behoeden dat zij door deze melding vervuld worden van wraakwoekering. Verdere aangifteverplichtingen […] blijven als voorheen van kracht. [Dokumente zur Euthanasie Ernst Klee]

Vertaling Toekan

Reageer op dit bericht Stuur door

1939 Duitsland


 

1939 Duitsland. Professor Nitsche over de pogingen tot onopvallende liquidatie van zieken.

“Medio 1939, toen de oorlog aanstaande was, heb ik voor de aanvang van mijn vakantie de leiders van de geneeskundige instellingen in Sachsen in het ministerie samen laten roepen om hen voor het uitbreken van de oorlog, gedragsvoorschriften te geven. Deze bespreking heeft Ob. Med. Rat Dr. Plange destijds voorgezeten. Ik heb uitgevaardigd dat bij gebrek aan geschikt en toerijkend personeel, krachtiger narcotica moest worden aangewend.[…] Voor 7 november 1939 ben ik uit de  Führerkanzlei in Pirna naar Berlijn ontboden. Daar had ik een onderhoud met de leider van het domein, Brack, een SS-Oberführer die in de euthanasie aangelegenheid van rijksleider Bouhler, benevens prof. Brandt met deze kwestie belast was. Bij gelegenheid van die bewuste bespreking werd ik door Brack mondeling belast, in mijn inrichting te trachten, zoveel mogelijk met de geschikte narcotica te werken. Daarna heb ik in het eerste kwartaal van 1940 voor ongeveer 60 ernstig, hoofdzakelijk aan Seniele en zwaar geestelijk en lichamelijk afgezakte chronisch schizofrene geesteszieken, de stervenshulp met Luminal in de rails gezet. Giften van dagelijks drie keer 0,3 gram gedurende drie dagen volstonden meestal.” […]

[Dokumente zur Euthanasie Ernst Klee]

Vertaling Toekan

Reageer op dit bericht Stuur door

1938 Duitsland


  

1938 Duitsland…in de Berliner >Kanzlei des Führers der NDSAP< (KdF) komen enkele verzoeken van ernstig zieken binnen, die om stervenshulp vragen. Deze verzoeken worden behandeld in bureau II b, dat door de in 1931 in de partij ingetreden gediplomeerde boer Dr. Hans Hefelmans […] geleid wordt. De KdF staat onder bevel van rijksleider Phillipp Bouhler, een voormalige beroepsofficier en zogenaamd oud strijder van de partij.  […] Bouler, tot dat tijdstip SS-Obergruppenführer, draagt het hoogmoedig ledennummer 12 alsook de bloedorde. Van de vijf hoofdbureau’s van de Partei-Kanzlei wordt Hoofdbureau 2 (Aangelegenheden betr. staat en partij) bevoegd tot het uitvoeren van het doden van zieken. De leiding is in handen van de Oberdienstleiter Viktor Brack. De […] bedrijfsingenieur is tot dit tijdstip SS-Standartenführer (uitvaardiging van richtlijnen). Zijn waarnemer aan hoofdbureau 2 der Kdf […] is Werner Blankenburg die zich tevoren reeds als vervanger omhoog gewerkt heeft. Tot dat tijdstip is Blankenburg SA-Obersturmführer […] Uit de persoonlijke gegevens van de drie leiders van de “Actie” (Bouler, Brack, Blankenburg) blijkt dat het om oudgediende partijgenoten gaat. Eind 1938 komt een verzoek om stervenshulp binnen voor een kind namens ene Knauwer. Het kind dat in de universiteitskliniek bij Prof. Werner Catel ligt wordt gedood, nadat Hitlers lijfarts Dr. Karl Brandt daarvoor toestemming heeft gegeven. Hitler machtigt Brandt en Bouler in gelijksoortige gevallen overeenkomstig te handelen.

[Dokumente zur Euthanasie Ernst Klee]

Vertaling Toekan

Reageer op dit bericht Stuur door

1937 Duitsland


 

1937 Duitsland. “Tot heden is duidelijk gebleken dat Joden, Negers en Zigeuners niet aan de natuur van het Duitse bloed verwant zijn. Hun bloed verdraagt zich niet met het Duitse en een vermenging van het bloed brengt lichamelijke en psychische verscheurdheid en ongezondheid.” (Werner Wallner, Duitse beschermingsvoorschriften inzake de huwelijken en onze meisjes.) [Dokumente zur Euthanasie Ernst Klee]

Vertaling Toekan

Reageer op dit bericht Stuur door

1933 Duitsland


 

1933 Duitsland “Door de gewestarts Wagner, hoofd van het ministerie van gezondheid in Sachsen in de jaren 1933 tot 1937, ben ik echter met toenemende duidelijkheid tot het aanwenden van stervenshulp gedrongen, waarbij hij mij met aanvang van 1937 verklaarde dat elke psychiater die in gemotiveerde gevallen stervenshulp biedt tegen bestraffing beschermd wordt.” (Professor Paul Nitsche 1946 voor het volksgerecht te Sachsen) [Dokumente zur Euthanasie Ernst Klee]

Vertaling Toekan

Reageer op dit bericht Stuur door

Een voorbode van donkere tijden


Een voorbode van donkere tijden

1922 Leipzig S.54f. (2.Aufl.) De vrijgave der vernietiging van levensonwaardige levens. Uw maat en uw vorm, van de Professoren Dr. Jur. et phil. Karl Binding und DR. Med. Alfred Hoche.

Als wij het getal van thans in Duitsland gelijktijdig aanwezige, in verpleeginrichtingen verblijvende idioten optellen, dan schatten wij het totaal op ongeveer 20-30 000. Nemen wij voor elk geval een doorsnee levensduur van 50 jaren aan, dan is het eenvoudig te begrijpen welk een ongehoord kapitaal aan voedingsmiddelen, kleding en verwarming voor een onproductief doel aan het nationaal vermogen onttrokken wordt. Daarmee is de werkelijke belasting nog geenszins uitgedrukt. De inrichtingen die ten dienste staan aan de idiotenverpleging worden aan andere doeleinden onttrokken; voor zover het privé instellingen betreft moet het rendement worden berekend; verpleegpersoneel dat vele duizenden koppen telt wordt voor deze totaal onvruchtbare taak vastgehouden en aan belangrijker arbeid onttrokken; het is een pijnlijke gedachte, dat hele generaties van verpleegkundigen naast deze lege mensenhulzen, waarvan niet weinigen 70 jaar of ouder worden, hun leven slijten. De vraag of de voor deze categorie van bestaande ballast benodigde inspanning naar alle richtingen gerechtvaardigd is, was in de achterliggende tijden van welstand niet dringend; nu ligt het anders, en we moeten ons ernstig op hen bezinnen. Onze houding is als die van een deelnemer aan een zware expeditie die met zijn grootst mogelijke inzet de beste en onvermijdelijke voorwaarde is voor het welslagen van die onderneming en waarbij geen plaats is voor half werk. Onze Duitse opgave zal voor lange tijd gelden: een maximale opvoering van alle mogelijkheden, een vrijmaken van elk beschikbaar bekwaam vermogen voor belangrijker doelen. Het verwezenlijken van deze opgave is in tegenspraak met het moderne streven, zo mogelijk alle soorten zwakkelingen te behouden, alle, ook de zware mentaal nog levende gevallen, om toch uw organisatie voor verpleging en bescherming van minderwaardige elementen te laten gedijen- inspanningen waardoor uw bijzondere draagwijdte behouden blijft zodat het tot heden niet mogelijk is, ook niet na ernstig verzoek, deze defecte mensen van de voortplanting uit te sluiten. [Dokumente zur Euthanasie Ernst Klee]

Vertaling Toekan

Reageer op dit bericht Stuur door

Foto Julia Hendrika Maria Margaretha Iding vliegt

 

134782-d391009ac87126c8e1de2416a2df885d.jpg


Foto: Julia Iding aan de stuurknuppel.

 

Julia Hendrika Maria Margaretha Iding is geboren op 18-06-1916 in Aalten, dochter van Stephanus Henricus Iding en Johanna Geertruide ten Bosch. Julia is overleden op 12-11-2000 in Eindhoven, 84 jaar oud.


134782-a9ed0c63bbbe42810c058e82595fd1e4.jpg

Aanmeldingsformulier EAC

Paul van der Wegen


Julia Maria Iding meldde zich op 21-4-1938 aan als lid van de Eindhovense Aero Club. Haar adres was toen: Binnenwiertzstraat 21 te Eindhoven.

Ook Frederik Willem van Gelder, wonende op hetzelfde adres, meldde zich aan bij de vliegclub.


134782-58e2b16f07c6e5ba54dc1e01cdb09308.jpg


Aanmeldingsformulier EAC


Naar alle waarschijnlijkheid heeft Julia reeds op 1 januari 1939 onze club weer verlaten.

Op Eindhoven werd in die tijd met passagiersvliegtuigen gevlogen. Eindhoven was toen nog een burger vliegveld. Het is jammer dat het registratienummer op het zweefvliegtuig niet leesbaar is.

De foto van Julia is waarschijnlijk genomen ter gelegenheid van een vliegfeest op Welschap in 1938 (een burgervliegtuig met vlag op de achtergrond).

Het vliegtuig is een ESG. Dat was in die tijd zelfbouw. Dit type werd gebruikt voor de elementaire opleiding. Ik heb zelf nog in de jaren vijftig een aantal vluchten op dit zweefvliegtuig gemaakt.

De allereerste opleiding bestond er uit om het vliegtuigje recht te houden terwijl het met een auto over het veld werd getrokken.

Als je dit onder de knie had werd de snelheid opgevoerd en begon het vliegtuigje te vliegen. Na heel veel startjes werd je dan uiteindelijk de hoogte in getrokken en moest je rechtuit landen. De volgende opdracht was om tijdens dat rechtuit vliegen heel voorzichtig wat bochtenwerk aan te leren. Als je dat dan uiteindelijk onder de knie had mocht je een hele bocht maken, en daarmee was de eerste opleiding achter de rug en had je je A en B brevet behaald. Op de dag van vandaag durft menig ervaren zweefvlieger niet in een ESG te stappen en een vliegpoging te wagen.

 

Commentaar: Paul van der Wegen, archivaris Eindhovense Aero Club

 

http://www.eaczc.nl/index.php?id=Home

Reageer op dit bericht Stuur door

Foto Aleida Iding








Foto 1. Aleida 12 jr.
Foto 2. Aleida 20 jr.

Afgegeven te Bocholt op 12. September 1979 tijdens een familiereis naar de Achterhoek

Geburtsurkunde

Slandesambt Liedern-Werth in Bocholt, jetzt -
Bocholt ./. nr 157 ./
Aleida Maria Johanna Iding ./.
ist am 25. August 1905 ./.
in Hemden, jetzt Bocholt ./.
geboren

eltern: Stephan Heinrich Iidng, katholisch, und
Johanna Gertrud Maria Iding geb. ten--
Bosch, katholisch, beide wohnhaft in
Hemden, jetzt Bocholt. ./.
vermerke: Entsprecht der Abstammungerkunde. ./.


Bocholt den 12. September 1979

Der Standesbeambte Latsel


Omstreeks 1913 gaat Aleida Iding, naar het st. Anna pensionaat te Groot Zundert.

1914. De eerste wereldoorlog breekt uit.
Aleida Maria Johanna Iding ziet vanuit het zolderraam van het st. Anna internaat te Groot Zundert, België in brand staan. Nederland is in de oorlog 1914 – 1918 neutraal.

1921. Huize ten Bosch Wijk A No 803 van de weduwnaar Antonius Aloysius Maria ten Bosch. De eenzame 82 jarige weduwnaar Antonius Aloysius vraagt zijn dochter, Johanna Geertruide Iding ten Bosch, (probante) om huishoudelijke hulp. Als hem gevraagd wordt wie van de kinderen hij hebben wil vraagt hij de 16 jarige Aleida Maria Johanna. De oude man begrijpt dat het voor zo’n jong meisje geen kleinigheid is en wil dat Leida het naar haar zin heeft. Naar de overlevering verhaalt, maakt hij met haar regelmatig ritten in een rijtuigje dat hij speciaal daarvoor aanschaft. Het is een eenzame tijd voor het meisje, maar ze zal er ook veel lachen. Antonius Aloysius beschikt over een flinke dosis humor.

Vanaf haar 16e jaar woont Aleida Maria Johanna Iding bij haar grootvader, de weduwnaar
Antonius Aloysius ten Bosch.
Op 10-03-1926 zal zij haar grootvader voor een half jaar verlaten. Waarschijnlijk is zij dan nodig bij de zakelijke activiteiten in Bladel en Hapert.
Nadat zij op 20-09-1926 is teruggekeerd zal zij tot zijn dood († 26-05-1930) bij de oude Antonius blijven en later naar het ouderlijk huis in Bladel vertrekken.

Bevolkingsregister Lichtenvoorde wijk A 1925-1940 Huis A 308
Hoofdbewoner Antonius Aloyisius Maria ten Bosch
Inwonend Aleida Maria Johanna Iding ingeschreven als dienstbode.
Uitgaand 10-03-1926 naar Hapert
Inkomend 20-09-1926 vanuit Eindhoven
Uitgeschreven 01-09-1930
naar Bladel

Reageer op dit bericht Stuur door

Versjes uit de kindertijd

 

 

 

Maria Modesta Gerharda (Marie) Iding
Eenmaal bejaard haalt zij met enige twijfel aan het geheugen versjes uit haar kindertijd op.

De paardebloem

Een kleine gele paardebloem die stond eens in de wei
Het was een héél héél ijdel ding, dat bloempje van de Mei
"Ik draag een kleed van zuiver goud", zo sprak het trotse ding
"Jij kleine meizoen zou wel graag, dat jij ook zo deftig ging"
Het madeliefje wit als sneeuw, boog schuchter blozend neer
En alle bloempjes in het rond die schudden heen en weer
Daar kwam al grazend langzaam aan een koe heel log en groot
Het jonge gras boog diep ter aard bij elke zware poot
En telkens ging bij elke stap, omlaag de dikke kop
De bloempjes zuchtten diep benauwd, och eet ons toch niet op
Zij bogen angstig naar de grond maar paardebloem riep fier "
Ik ben van goud, ik ben te mooi, ik ben niet voor zo'n dier
En nader komend dacht de koe, "wel, dat is prachtig geel"
De grote kop kwam traag omlaag, hap, weg was bloem en steel.

Het vlinderke

Vlinderke wat hindert je  om hier nog wat te toeven
Kom blijf nog wat mijn lieve schat ik zal je niet bedroeven
Ik heb een mooi huisje voor je klaar
waarin je wonen kunt, het ganse jaar
Nee jongetje, één sprongetje
en je hebt mij in je handje
Maar ik verblijf toch, lieve schat
het liefste vrij mijn kwantje

 

Reageer op dit bericht Stuur door

Lichtenvoorde 5 Oktober 1944 - Een bezorgde moeder.

Een bezorgde moeder

1944 Oktober 5. Oma Iding (Johanna Geertruide ten Bosch) schrijft aan dochter Marie.

Oma denkt dag en nacht aan haar kinderen, ze wil dan ook alles weten. Over Leida met de kinderen, over de Kuil, Johan, Leo, Adele, Frans, de ouders van Riek, Hedwig, en Sjul. “Toe Marie schrijf me, leg mijn brief maar bij je als je mij terugschrijft.”

Intussen zit Oma er warmpjes bij in een gebreide rok, vest en pantoffels van Hedwig ten Bosch. In de verte hoort ze vliegtuigen geschut en bombardementen. Vooral zondag een hevige slag. Drie boerderijen in puin. Gelukkig geen doden. En ja, moeder wil bij haar kinderen zijn, door dik en dun, dus vooral niet laten merken dat ik zo naar huis verlang, dat is niet aardig voor hen. Waar Oma schrijft; “Hedwig, ja die zal ook wel wat beleven”, heeft ze het ongetwijfeld over de bevrijding van Uden.


5 Oktober 1944 Lichtenvoorde.

Beste Kinderen,

Eindelijk dan kreeg ik jullie brief, hoe blij ik er mee was kun je wel begrijpen. Van Lies heb ik er de vorige week ook een gehad. Daarin schreef zij mij dat Leida met de kinderen uit Eindhoven vertrokken was. Zijn ze soms bij Adele geweest en zijn ze al terug? Er is toch niets ernstigs gebeurd hoop ik. Dag en nacht denk ik aan jullie allen en ga heel veel naar de kerk want die is hier heelen dagen open. Marie wat zult gij een angst uitgestaan hebben, hoe is het met je, alles hoop ik, nog goed? Ik hoop toch zoo dat ik tegen dien tijd weer bij je zal zijn. Ik stel mij dikwijls ons lief kleintje in den geert (tuin) al voor, ik ben er nu al zo blij mee en ik verlang zoo naar al mijne kinderen. Toe Marie, schrijf mij toch eens over allen en of ze gezond zijn en hun huizen nog heel zijn, over de Kuil, Johan, Leo en vooral over Adele, Leida en Frans. Zijn de ouders van Riek nog bij Frans? Hedwig, ja die zal ook wel wat beleven, toe Marie schrijf mij toch eens over allen. Ge begrijpt dat ik altijd met mijn gedachten bij jullie allen ben. En Marie, Sjul, ik dacht al toen Eindhoven vrij was, nu zal Sjul wel gauw naar Frans gaan, maar hij kan toch ook zoo die menschen niet in den steck laten. (Jules was ondergedoken bij bakkerij Nico van Casteren in het plaatsje Zeeland bij Uden. Op19 September 1944 werd Uden ontzet red.)

Schrijf mij ook daar vooral eens over. Leg mijn brief maar bij je als je mij terug schrijft, want ik verlang zoo over allen wat te weten, al duurt het lang voor ik je brief krijg, krijgen doe ik hem toch wel. Ik zie mij al weer bij je zitten in het stoeltje in de kamer. Dat de reisgelegenheid zoo vroeg en gauw afgesneden werd, wie kon dat vooruit zien, dan was ik zeker thuisgebleven al had ik het nog zoo slecht en naar gehad. Niet dat ik het hier niet altijd even best heb en bezorgd en hartelijk voor mij. Van Hedwig heb ik een warmen gebreiden rok aan, een warm vest, pantoffels, beste goede ligging, best eten en volop. Maar Moeder wil bij haar kinderen door dik en dun, dus beste goede kind schrijf mij alles en over allen, al is met hun ook iets ernstigs gebeurd laat mij alles weten. Hier is alles rustig, veel vliegen veel schieten en bombarderen, kunnen wij van verre horen. Zondagavond een hevige slag, drie boerderijen in elkaar, geen doden, een beetje gewond. Zelfs een huishuiden met 10 personen had niets gekregen, maar hier word nog eens gebeden, den geheelen dag door is de kerk niet leeg. Hoelang zouden Heerbroer en ik nog hier moeten blijven, dat weet God alleen. Marie, als je schrijft moet je in je brief niet laten merken, dat ik je erover schreef dat ik zoo naar huis verlang, dat is niet aardig voor hen. Ze doen zoo goed allen hun best voor mij. Alle kinderen heb ik een brief geschreven, Adele en Sjul al twee en alleen van jou en Lies iets terug. Jullie moeten van allen hier de hartelijke groeten hebben en hartelijk gekust en gegroet van Uwe, U zeer liefhebbende moeder.

Marie, leg dezen brief nu bij je en schrijf mij wat over allen, niet laten merken dat ik naar huis verlang, kan mij nu goed begrijpen dat alle goeds wat ’t leven bieden kan niet in staat is om het verlangen van eene moeder die naar haar kinderen verlangt tevreden te stellen. Groet ook Frans en Riek van mij en Leida en Huub als ze er zijn.

Is het nu geheel vrij en rustig bij jullie? Groeten aan Waardenburg en vrouw en aan ook allen op nr. 6.

Reageer op dit bericht Stuur door

De wonderlijke lotgevallen van Jan zonder Vrees


469998-66b1edd48c7637859670a4d5fcbbb500.jpg

469998-fb366bcbe2f6df32d97e0ca20eb1c6b3.jpg

De Wonderlijke lotgevallen van Jan zonder Vrees

 

In den tijd, toen Jan zonder Vrees over Vlaanderen en Burgondië regeerde, woonde er in het Krabbenstraatje te Antwerpen eene oude vrouw, Moeder Neeltje genaamd, met heuren kleinzoon Jan. In welk nummer het juist was, kan ik echter niet zeggen, omdat het huisje misschien al sedert drie honderd jaar afgebroken is, en ook omdat men destijds geene nummers op de huizen schilderde.

 

Jan was een kerel van ruim achttien jaar en stond bekend als de geduchtste straatkapoen, die er onder de zon liep. Daar in dien tijd alleen de geestelijken, de edelen en de rijke poorters konden lezen en schrijven, was Jan even ongeletterd als de andere kinderen der werkende klas. 't Kon hem echter bitter weinig schelen, daar hij er volstrekt geene behoefte aan had. Dat wil nochtans niet zeggen dat hij een domoor was; integendeel, hij bezat een helder hoofd en was in alles uiterst bij der hand. Levenslustiger knaap was er binnen de muren van Antwerpen niet te vinden. Verder was hij kop en hals langer dan de grootste zijner kameraden, sterker dan een os en daarbij een vechtersbaas, die voor niets terugdeinsde. De buren heetten hem ‘Jan Onversaagd’ of ‘Sterke Jan’; zijne makkers echter, die rechts en links al een en ander hadden gehoord van de geweldige daden van den Burgondischen hertog, die later heel Frankrijk in vuur en vlam zou zetten, zijne makkers, zeg ik, noemden hem nooit anders dan Jan zonder Vrees. Dien naam droeg onze held met evenveel recht als de zoon van Filips den Stoute, want hij vreesde mensch noch dier, hel noch duivel!

 

[p. 17]

 

In de middeleeuwen hadden de steden een gansch ander uitzicht dan nu. De straten, vooral in de volkswijken, waren smal en kronkelend, voor het grootste gedeelte zonder straatsteenen, zoodat de minste tocht er des zomers stofwolken deed opstijgen; in het natte jaargetijde daarentegen waren het echte modderpoelen. De huizen der rijken waren van steen opgebouwd, die der armen van steen en hout en vele zelfs geheel van hout. Riolen bestonden er niet, en het vuil en de afval werden eenvoudig op de straat gesmeten. Geen wonder dus dat de openbare gezondheid veel te wenschen liet en dat ziekten als cholera, typhus, melaatschheid of leproosheid en pest alsdan zoovele slachtoffers maakten.

 

Daar de meeste huizen van hout opgebouwd waren, zooals ik reeds gezegd heb, spreekt het van zelf, dat er toenmaals veel meer brandgevaar was dan nu, te meer omdat men geene kachels kende en er in elk huis slechts gestookt werd in een open haard, zooals men er op den buiten nu nog aantreft.

 

Des avonds, op een bepaald uur, weerklonk over de stad het gelui van de torenklokken, als waarschuwing voor de poorters dat zij hunne vuren moesten dooven en dat het licht moest uitgedaan worden; alsdan werden de stadspoorten gesloten en mochten de poorters niet meer uitgaan zonder lichtende lantaarn. Dan trok de nachtwacht door de straten om te zien of eenieder zich volgens de voorschriften gedroeg. Dit noemde men de ‘Taptoe’,.

 

Het zal u wel zonderling voorkomen, beste lezer, dat de poorters na de taptoe niet meer mochten op de straat komen dan met brandende lantaarns.

 

Dat was denkelijk opdat de wachtpost goed het onderscheid zou kunnen maken tusschen de eerzame poorters en de nachtridders, dat is de dieven en moordenaars, welke bij nacht de straten onveilig maakten. Wanneer een ingezetene zich des avonds op de straat waagde had hij niet enkel zijn lantaarn bij zich; hij was ook gewapend van kop tot teen en deed zich gewoonlijk door gewapende dienaars vergezellen, om zich tegen de aanvallen van beurzensnijders, manteltrekkers en sluipmoordenaars te kunnen verdedigen in de donkere straten der stad. Zoo ging het er in den goeden ouden tijd.

 

De kleinzoon van moeder Neeltje had echter nooit een lantaarn bezeten en kon hem goed missen.

 

Op zekeren dag, toen hij bij valavond huiswaarts keerde en de stuivers, welke hij aan de kade gewonnen had, lustig in zijn zak deed rinkelen, gebeurde het, dat hij in de Reepstraat door eenen kreupelen bedelaar om een aalmoes gevraagd werd. Jan, die van inborst goedhartig was, haalde een geldstuk te voorschijn en wilde het den man in de hand stoppen. Deze, in plaats van het stuk aan te nemen, greep Jan bij den ar men gromde:

 

- Een is niet genoeg! Ik heb er meer hooren klinken! Keer aanstonds uwe tesch om of ik breek u armen en beenen!

- Wie al te gulzig is, krijgt niets! zei Jan en liet den stuiver terug in zijn zak glijden. Daarna stiet hij den bedelaar van zich af en zette zijnen weg voort; de man, die een gauwdief en in 't geheel niet kreupel was, had hem aldra ingehaald.

- Uw geld of uw leven! riep hij met schorre stem en zwaaide daarbij dreigend met zijne kruk, terwijl hij met de andere hand Jan bij den schouder wou pakken. De kleinzoon van Moeder Neeltje was echter op zijne hoede, greep de hand van den bedelaar en neep die zoo geweldig dat de man, gillend van pijp, op de knieën stortte.

- Waarom huilt ge zoo? vroeg Jan met gemaakte deelneming. Men zou waarlijk zeggen, dat ge niet eens verdragen kunt, dat men u de hand drukt!

- Laat los, in 's hemelsnaam, laat los! Gij plettert mijne hand!

- Och, was het leuke antwoord, is het zoo erg? Ja, dat zijn van die onaangename dingen, welke een kreupelen bedelaar kunnen overkomen, wanneer hij 's avonds op zulke brutale manier eene aalmoes weigert en dan nog de menschen naloopt en met zijne kruk dreigt!

- Laat mij los! Oô! Oôô!

- Ik wist niet dat kreupele menschen zoo hard zonder krukken konden loopen, ging Jan voort. Ge zult nu stellig wel heel vermoeid zijn, en daarom ga ik u een plaatsje bezorgen, waar ge op uw gemak kunt uitrusten.

 

Hierop greep hij den gewaanden bedelaar bij zijn buis, tilde hem op, juist zooals men dit doet met een hond, dien men bestraffen wil, en liep met hem naar den hoek der straat, waar onder de nis van een Mariabeeld een lantaarn haar weifelend licht verspreidde. Daar gekomen stak hij den bandiet in de hoogte en haakte hem met zijnen gordel vast aan den ijzeren bout, waaraan de koord van de lantaarn bevestigd was.

 

[p. 146]

 

- Mag ik u vragen, Heeren, hoe het dorp heet, waarvan ik ginder den kerktoren zie?

 

Deze vraag werd door Jan gericht tot een paar edellieden, die, druk koutend, langzaam voorbijreden. De aangesprokenen, die, naar de kleedij oordeelend, onzen vriend voor iemand van hunnen rang aanzagen, hielden hunne paarden in en een hunner antwoordde:

 

- Zonnebeke!

- Een mooie naam, meende Jan.

- Gij zijt er nooit geweest? vroeg de edelman.

- Nooit!

- Dan kent gij de heeren van Zonnebeke niet?

- Van haar noch pluim.

- Ge zegt?

- Dat ik hen volstrekt niet ken!

- 't Is eene ongelukkige familie, ging de edelman voort, en de ramp, die hen heden treft, is vreeselijk.

- Welke ramp? vroeg Jan nieuwsgierig.

- De jongste der beide ridders is door melaatschheid aangetast, en wordt vandaag uitgesloten. Het is om hem een laatst vaarwel te zeggen, dat wij er heen gaan.

- Wat een verschrikkelijke slag voor zijne jonge vrouw, zuchtte de andere ruiter. De toekomst lachte hen zoo heerlijk tegen, want zij zijn beiden jong, schoon en rijk! En nu is al dat geluk voor altijd vernietigd! Ha, vreeselijker ziekte dan de melaatschheid bestaat er niet!

- Ik ken ze niet en heb er nooit van gehoord, heeren.

- Ik ken ze wel, sprak de andere ruiter. Het is eene ziekte, welke uit Azië herkomstig is. Eenige honderden jaren geleden brachten de Romeinsche legioenen haar het eerst in Europa over. Maar het was vooral tijdens de kruistochten, dat zij zich in westelijk Europa op schrikbarende

 

[p. 147]

 

wijze verspreidde. Om u een denkbeeld te geven hoe die ziekte toegenomen heeft, zal ik u zeggen dat Lodewijk VII, koning van Frankrijk, ten jare 1180 bij testament een groote som geld vermaakte aan 2000 leprozen-of lazarushuizen.

 

- Wat zijn dat, heer?

- Groote gestichten, door hooge muren omgeven, waarin de melaatschen of leprozen opgesloten worden.

- O zoo!

- De geschiedschrijver Mathieu Paris verhaalt dat er, rond het jaar 1250, meer dan 19000 zulker gasthuizen in de Kristenlanden waren.

- Maar als men genezen is, mag men er toch weer uit?

- Men geneest er niet van!

- Dat is erger! Maar als men nu eens bij vergissing in zulk leprozenhuis opgesloten wordt? Wat dan?

- Dan krijgt men er onvermijdelijk de ziekte, want deze is zeer aanstekelijk, en men blijft opgesloten! Het leprozenhuis is een levend graf!

- En waarin bestaat die leelijke ziekte? vroeg Jan verder.

- Ja, vreemdeling, leelijk is zij buiten kijf! Op de huid, vooral op die van hoofd, handen en voeten, vertoonen zich groote schubbige vlekken, welke op het daaronder liggende vleesch invreten en na zekeren tijd de vingers en teenen doen afvallen. Soms ook openbaart de ziekte zich door eene monsterachtige zwelling van een of van beide beenen, of wel door knobbels, welke zich op het gelaat en in den mond vertoonen en na korten tijd verzweren. Ik heb leprozen gezien, wier oogen en neus gansch uitgevreten waren!......

 

[p. 234]

 

De twee mannen ontblootten hunne zwaarden en traden binnen. Het duurde echter niet lang of zij kwamen weer buiten en verklaarden dat er niemand te vinden was.

 

- Ik heb u gezegd waar mijn jongen is, sprak moeder Neeltje. Hij heeft zelfs beloofd op u te wachten, en als Jan iets belooft, dan houdt hij zijn woord.

- Naar de Vrijdagmarkt! beval de Schoutet.

- Naar de Vrijdagmarkt! herhaalden de omstaanders. De stoet zette zich in beweging. Toen hij de Vrijdagmarkt bereikte was hij reeds vertiendubbeld, want in elke straat, welke hij doortrok, sloten tal van nieuwsgierigen zich bij hem aan.

- Jan zal zich niet laten inrekenen, meenden de eenen.

- Hij zal zich tegen den Schoutet niet durven verzetten, verklaarden anderen.

- Zonder gebroken ribben zal het niet afloopen, verzekerden Jan's vrienden. - En als we hem een handje kunnen helpen, morden de vurigste heethoofden, zullen wij 't niet laten!

 

Onderwijl waren de Schoutet, zijne volgelingen en moeder Neeltje de afspanning binnengetreden.

In de groote achterzaal stond de tafel gedekt, en rondom die tafel zaten Wanna, Alwina, Dokus, de paadjes en dienaars van Jan, Jan, allen in prachtkleedij.

 

De Schoutet bleef verbaasd staan en wierp daarna een toornigen blik op moeder Neeltje.

- Vrouw, sprak hij, gij hebt den spot gedreven met het gerecht, en dat doet niemand ongestraft! Wachten, neemt haar in hechtenis!

 

Nu rees Alwina op.

- Een oogenblik, Heer Schoutet! Wien zoekt gij?

- Wien ik zoek, edelvrouwe? Den kleinzoon dezer vrouw, een straatkapoen, die het ons, eenige maanden geleden, zeer lastig gemaakt heeft, en nu terug in de stad is. Men had mij verzekerd dat hij hier is, maar...

- En dat is ook zoo, klonk er eene heldere stem aan het andere einde der zaal.

 

De Schoutet keek verrast op. Daar stond Jan, niet meer in zijn havenloos plunje, maar in de prachtkleedij van edelman, de vuist rustend op

 

[p. 235]het reusachtige krijgszwaard, hem door den hertog geschonken, en waarmede hij te Sluis wonderen verricht had.

 

De Schoutet keek hem verbluft aan.

Wie zijt gij, heer? vroeg hij eindelijk.

- Wie ik ben? Vroeger was ik Jan zonder Vrees, de kleinzoon van Moeder Neeltje uit het Krabbenstraatje, thans ben ik dat nog, maar bonvendien ridder, heer van Strazeele en andere plaatsen.

- Gij zijt de heer van Strazeele, van wien men vertelt dat hij te Sluis...

- De Engelschen duchtig in 't vaarwater gezeten heeft, lachte Jan. Ja, ik ben de heer van Strazeele, en zoo gij mij niet gelooft, dan denk ik wel dat deze geschriften u zullen overtuigen.

 

Dit zeggende overreikte hij den Schoutet eenige perkamenten van zegels voorzien. Na ze gelezen te hebben, ontblootte de magistraat het hoofd voor Jan, en sprak:

- Het is voor mij eene groote eer de eerste te zijn, die u, den held van Sluis, zijne eerbiedige hulde mag bieden. Als Antwerpenaar ben ik fier over u!

- Ge houdt me dus niet aan, heer Schoutet?

- U aanhouden? Dan kon ik evengoed den hertog van Burgondië zelf aanhouden!

- Maar de zaak van Rebbe?

- Rebbe?

- Welja, gij zijt toch gekomen om mij aan te houden, daar ik beschuldigd word mijn neef Rebbe vermoord te hebben.

- Och ja...... Hebt gij hem vermoord?

- Neen! - Hij speelde spook op het kerkhof om mij bang te maken. Ik dacht met een echt spook te doen te hebben, greep hem vast en slingerde hem op den muur. Later, toen ik het witte laken voor zijn gelaat wegtrok, zag ik met wien ik eigenlijk te doen had. Zoo ik geweten had......

- Ga niet voort, heer van Strazeele! De zaak is in orde!

- Heel wel! Dan blijft er mij nog slechts over u een verzoek te doen.

- Laat hooren, ridder, en zoo ik......

- De tafel staat gedekt. Blijf met ons eten, heer Schoutet!

- Volgaarne!

 

Toen de gerechtsdienaars buiten kwamen en de toedracht der zaak aan het volk vertelden, had er een plotselinge ommekeer in de gemoederen

 

[p. 236]plaats. Wrok en haat maakten plaats voor bewondering en geestdrift. Als een rollende donder klonk het over de Vrijdagmarkt:

- Leve Jan zonder Vrees!

 

En terwijl buiten het volk juichte, zong en tierde, sloot Jan Moeder Neeltje in zijne armen en fluisterde haar in het oor:

- Grootje, nu is het toch lang geleden, niet waar?...... Wanneer krijg ik er weer eene?

- Krijgen? Wat?

- Eene ranseling, Grootjelief!

 

Einde

 

Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren

http://www.dbnl.org/ 



Reageer op dit bericht Stuur door

9 juli 1798 Een ingewikkelde knokpartij


Haarlems dagblad 1995:

 

Een ingewikkelde knokpartij

 

Maar Hendrik Idinck, ook knecht bij garenbleeker Bijvoet, hoorde toen hij die zondag even over negen thuis kwam 'een groot leven in het vertrek van het volk'.

_____________________________________

 

Kwamen er vóór 1811 over een bepaald persoon klachten binnen bij het bestuur van een stad of dorp, dan was dat een zaak voor de Schout en zijn Schepenen. Bleek het een groot kwaad, dan kwamen de Bailluw en de Leenmannen in actie.

 

Zo kwam op 9 juli 1798 het verzoek bij de Leenmannen van de Hoge Vierschaar om Jan Cornac die sinds de vorige dag in provisionele bewaring was gesteld, over te mogen brengen naar de gevangenis. Waarna men omdat zijn agressie, vooral op de openbare weg, moest worden gestraft, tegen hem wilde procederen.

 

Het mocht, en de slachtoffers en de getuigen, zij kwamen en vertelden.

 

Huybert van der Werf, een werkman op de buitenplaats Saxenburg, vertelde dat hij op zondag 8 juli in het Huis ter Spijk bij de Kleverlaan was, waar ook Toon Zijlberg, Pieter van Teggelen en Jan Cornac waren. Na enige tijd daar te hebben gezeten vertrokken de vier mannen richting Kleverlaan. Bij het eerste bruggetje ging Toontje, omdat hij zo beschonken was dat hij niet verder kon gaan, liggen. Van der Werf vroeg Van Teggelen om op zijn kameraad Toontje te passen en bij hem te blijven, waarna hij zelf doorliep in gezelschap van Cornac.

 

Enige tijd later, even over de Witte Brug, passeerde hen een manspersoon richting stad. Jan Cornac draaide zich om en zei tot de man; "Waarom spreek je niet?" Waarop de man vroeg: "Is dan eenieder verplicht om zijn referentie te maken?" Als antwoord gaf Cornac de man (Athonie de Graaf) meteen een slag waardoor zijn hoed afviel en de man het op een lopen zette. Ook Van der Werf, nog steeds in gezelschap van Cornac, liep door.

 

Maar Cornac, die zag dat er twee mannen met kinderen aankwamen, ging wat langzamer lopen, sprak hen aan en zei met veel vloeken dat zij zijn Kees moesten opzoeken. "Burger, bedaard, laat de weg vrij zijn, wij hebben niet met elkander van nooden", sprak één van de mannen. Cornac riep al vloekende: "Je zult het opzoeken". En hij gaf de man met zijn tabaksdoos een klap op het hoofd, zo erg dat er bloed vloeide.

 

Even later lagen de twee mannen samen in de sloot waar het gevecht verder ging. Het was druk op de weg en er kwamen verschillende rijtuigen voorbij. Ook Pieter Krieger en zijn vrouw, gezeten op een Chais met een paard, passeerden. Krieger hield zijn paard in bij het zien van dit slaan en riep te stoppen en uit te scheiden met dit vechten. Eén ogenblik maar stond de Chais stil, maar Cornac keek, holde, greep het paard en gaf het beest een slag, zo erg dat het paard struikelde.

Huybert van der Werf, die dit allemaal van dichtbij had meegemaakt en nu als getuige vertelde wat er allemaal gebeurd was, greep het paard bij het mondstuk vast, zodat het niet verder achteruit en dus in de sloot zou kunnen lopen.

Krieger sprong uit de Chais en greep Cornac vast. Net op dat moment kwam de man die zo geslagen was aanlopen. Hij had een stok in zijn handen en daarmee sloeg hij er op los totdat de stok brak. Cornac die waarschijnlijk dacht dat hij wel geholpen zou worden, keek Van der Werf aan en zei tegen hem: "Jij bent ook zo een slechte". Daarop draaide hij zich om en liep weg.

 

Bij de Knip aangekomen, waar enige vrouwlieden stonden, vertelde Cornac aan een ieder die het horen wilde: "Op de weg is een kaerel, die iedereen kwaad doet". Waarna hij zelf vlug doorliep. Van Rossum, die daar met een jong persoon voor de herberg stond, kreeg plotseling van de voorbij lopende 'onbekende' enige klappen. Om verder slaag te voorkomen liep hij het huis/herberg in roepende om hulp bij de vrouw uit de kroeg. Een bakkersknecht hield de man tegen en Van Rossum kon via het achterhuis ontsnappen. Later vertelde hij niet te weten wie dat was geweest maar het was iemand met een 'machtige lengte' met een blauwe rok aan en een driekanten hoed op het hoofd.

 

Na het verhaal van Huybert van der Werf kwam de volgende getuige.

 

Barend Wubbe, knecht bij de garenbleeker Nicolaas Bijvoet in Bloemendaal, vertelde dat dezelfde zondagavond rond negen uur Cornac, knecht bij smid Ruhl in Bloemendaal, bij hem op de bleek kwam. Met zijn 'rok' (een overkleed, over het hemd of blote lichaam gedragen), over de arm en een mes in zijn hand, gaf hij hem de schuld van alles en probeerde op die manier ruzie te maken. Wubbe wilde niets met hem te maken hebben en liep de stal in. Cornac verdween niet, liep hem achterna waarna Wubbe naar de hooizolder klom, Cornac riep nog iets onverstaanbaars maar verdween uiteindelijk.

 

Tenminste, dat dacht Wubbe,

Maar Hendrik Idinck, ook knecht bij garenbleeker Bijvoet, hoorde toen hij die zondag even over negen thuis kwam 'een groot leven in het vertrek van het volk'. Toen hij ging kijken zag hij Cornac 'zeer beschonken zijnde en geen rok aan hebbende' in genoemd vertrek, Idinck wilde de man verwijderen maar kreeg zware bedreigingen over zich heen. Idinck probeerde de man tot bedaren te brengen, zocht de rok op die Cornac weggeslingerd had en hielp hem om die weer aan te trekken, waarna Cornac met veel geweld door de poort heen werd geduwd.

 

Idinck had wel een mes bij de rok zien liggen maar hij had dit mes vlug de stal ingegooid om erger te voorkomen. Dan was er nog een verklaring gekomen van enkele personen in een rijtuig, die die zondagavond voorbij de vechtpartij waren gereden. Zij hadden gezien hoe Cornac midden op de weg stond met zijn tabaksdoos in de hand en zij hoorden hem dreigementen uitroepen.

 

Nu mocht de verdachte Jan Cornac, een 25-jarige smidsknecht uit Koogh, zijn verhaal vertellen.

 

Hij bekende vlot en vrijwillig 'buiten pijn en banden van ijzer' aldus de archieven.

 

Hij was door de drank overmeesterd geweest. Zijn meester had hij moeten beloven niet meer te drinken. Maar die bewuste avond in huis ter Spijk, had hij jenever en koffie gedronken. Doch toen er 'om koek gegooid werd' ging het helemaal mis.

 

Van het aanvallen van de paarden wist hij niets meer en het bloed aan zijn mes kwam toch echt van zijn duim. Hij had zich immers gesneden. De man op het rijtuig had zijn hoed verloren en de versiering die daarop zat, had Cornac tussen zijn tanden gestoken.

Daarna had hij deze zogenoemde cocuarde met tanden en handen uit elkaar getrokken terwijl hij riep: „Zoo zal ik...... al de blixemsche kleeren met de tanden van malkander scheuren". Cornac wist zelf niet meer wat hij hiermee bedoeld had, hij was toch zo dronken en had zich daarmee in het ongeluk gestort. Doch dat zal niet weer gebeuren, beloofde hij en hoopte op genade van de rechter.

 

Reeds op 24 juli 1798 hoorde Cornac wat de Mannen van Leen van de Hoge Vierschaar van Breederoode (na rijpe overweging) hadden besloten: Cornac zou gebracht worden naar het raadhuis van de stad Haarlem, ter plaatse alwaar men wegens Breederode gewoon is 'executie van criminele justitie' te doen.

 

Aldaar zal hij door de scherprechter aan een paal gebonden, en met roeden strengelijk worden gegeeseld. Voor de eerst komende vijf jaar zal hij naar het werkhuis der stad Haarlem worden gebracht om met zijne handen de kost te winnen. Na deze vijf jaar werd hij voor de volgende vijf jaar verbannen uit het voormalig Hollandsche gewest.

 

A.G.M. VAN DER OORD-WISKER Bron: Rijksarchief Haarlem

Reageer op dit bericht Stuur door

2004 Onthaasting


2004. De hedendaagse mens kent weinig verstilling. Overal hoor je de roep om “onthaasting”, terwijl diegenen die ervoor pleiten zich haasten van de ene lezing naar de andere voordracht om te zeggen dat de mens aan onthaasting toe is. Voor de hedendaagse mens moet alles snel gebeuren. Hij praat snel, eet snel. Hij is altijd met iets bezig, liefst met meerdere dingen tegelijk. Een artikel is nog niet af of hij krabbelt in zijn notitieboek een ideetje voor het volgende. Hij leest de kranten terwijl hij ontbijt en omgekeerd. Hij heeft nooit één maar altijd drie boeken tegelijk op tafel liggen. Vele daarvan leest hij slechts diagonaal, op zoek naar een gedachte die zijn eigen gedachten op dreef moet houden. De huidige mens rent… Hij rent in denken en doen en daarom “is” hij. Het “cogito ergo sum” (ik denk dus ik ben) van Descartes maakt vandaag plaats voor het “curro ergo sum” (ik loop dus ik besta). Altijd maar rennen… om zo in de waan te verkeren dat hij leeft! Blaise Pascal wist het al: “De wereld zou gered zijn als elk mens zou leren om eens rustig op zijn stoel te zitten”.

Jachten en jagen is ons lot; niet langer in de oeroude betekenis van “in het bos en op de hei” maar in de hedendaagse versie “op de snelweg en in het kantoor”. Die haast heeft van ons een jager gemaakt. Maar zijn we niet tevens het opgejaagde wild geworden, alsof we niet meer durven stilvallen! Daarom ook al die herrie. Terwijl denkers en schrijvers floreerden in de stilte en niet op de “Dance Valley”, zoeken velen doelbewust “dance tempels” en aanverwante etablissementen op. Daar betalen ze om zichzelf te laten verdoven. “Oorverdoven”. Maar voor wie of wat is die verdoving? Zijn we bang voor de stilte? Of is onze existentiële rust zo verstoord en ontworteld geraakt dat alle stilte ons als bedreigend overkomt? Ook dit ervaarde Pascal toen hij op een stille winternacht naar het hemelgewelf keek en uitriep: “De stilte van de oneindige ruimte jaagt mij schrik aan”.

(Inleiding tot een beschouwing D. Lebrun.

Reageer op dit bericht Stuur door

Meer van FAMILIE IDING TEN BOSCH

↑ Terug naar de berichten