Naar de inhoud

FAMILIE IDING TEN BOSCH

Familie Iding ten Bosch - Varsseveld - Heurne - Huissen - Westervoort - Lichtenvoorde
akke.beakke.be

Categorie: Historie de Joden

Aalten, De joden in de oorlog.

 

Aalten, De joden in de oorlog.

 

In de periode 1935-1940 stonden ongeveer 25 Duitse joodse vluchtelingen ingeschreven. Zij vormden slechts een klein groepje vergeleken met het grote aantal ongelukkigen dat de grens wilde passeren. Twee Aaltense predikanten, Roobol en Schoonheven, stuurden twee weken na de Kristalnacht, op 22 november 1938 namens negen Achterhoekse kerkraden een adres aan de ministerraad. Zij verzochten “tijdelijke verlening van asielrecht aan Joodse vluchtelingen, (…) nakomelingen van Abraham en het oude Bondsvolk, waaruit onze Zaligmaker is voortgekomen (…) als wanhopige slachtoffers der Jodenvervolging in Duitsland”. Minister Goseling van justitie gaf als richtlijn dat alleen bij ‘onmiddellijk levensgevaar’ asiel verleend zou worden.

Veel kamerleden stelden hierop weer vragen en vroegen nadere uitleg omtrent de gebezigde termen. Minister Goseling sloot medio december 1938 de grenzen hermetisch af en kondigde aan dat vluchtelingen naar het land van herkomst zouden worden teruggeleid. Voor vluchtelingen die naar Nederland wilden begon een onzeker bestaan. Zij werden in ons land Als ongewenste vreemdelingen beschouwd. Toch kwamen veel vluchtelingen in Aalten terecht; officieel werden 30 Duitse joden bij de gemeente ingeschreven, slechts een klein gedeelte van wat zich aan de grens had gemeld. Hoeveel illegalen in die tijd de grens bij Hemden/Aalten passeerden, is onbekend. In mei 1940, toen de Duitsers ons land binnentrokken, woonden 80 joden ter plaatse, inclusief een aantal vluchtelingen. De bezetters waren in oktober 1941, aan de hand van geregistreerde persoonsgegevens, precies in staat om de meeste joden in Nederlandse steden en dorpen te traceren. Voor Aalten geeft dit het volgende beeld: in totaal (op een inwonertal van 12.275) verbleven of woonden 87 joden ter plaatse, waarvan er 66 de Nederlandse, 17 de Duitse en 4 een andere nationaliteit bezaten. Van die 87 joodse inwoners hadden er 83 minstens drie joodse grootouders. (Kooger)

Reageer op dit bericht Stuur door

Izak en Jödde Ten Bosch

Izak (Isaac) en Jödde Ten Bosch

 

Solemnisatie (plechtige herdenking) van het huwelijk van de Lichtenvoordse Geertruid Hansels (Anschel), geboren in 1754, met Jacob Moses, geschiedde in 1774 door rebbe Aaron Gomperts.

 

De zoon van Isaac en Roosken, Symon Izak (Isaac), geboren in 1774, trouwde in 1797 met Rachel Moses, afkomstig uit Bretsenheim/Hannover. Zij was de stammoeder van de Lichtenvoordse familie die de achternaam Ten Bosch aannam. In het dorp werden zij ‘jödde Bosch’ genoemd. "Hee kof ulkevellen en kenienevellen op" (hij koopt bunzing en konijnenhuiden op) en "Hee hef ziene beste vellen an den jödde edaone" (hij heeft zijn beste huiden aan de jood verkocht) waren gebruikelijke gezegden.

Levi Herts had in november 1803 een geschil met de Winterswijker Berend Grevink betreffende de leverantie van 30 stuks ‘rauwe vellen’

 

Naamsverandering

Op 24 december 1812 legden twee joodse familiehoofden en één vrijgezel op het Lichtenvoordse gemeentehuis verklaringen af over het aannemen of behouden van hun familie- en voornamen.

Koopman Symon Izak (Isaäks Isaac) nam de achternaam Ten Bosch aan en dat gold ook voor zijn 12-jarige zoon Mozes Symon.

Slager Saloman Philip koos Vink als achternaam evenals zijn 28-jarige zoon Philip Salomon.

Philip Hertz wilde als familienaam De Haas; zijn voornamen wilde hij behouden. Zij verklaarden allen niet te kunnen schrijven.

Op een lijst van 977 gezinshoofden uit 1811-1812 komen tevens de namen voor van koopman Manuel Levy, geboren in 1785, de eerder genoemde Levy Hertz (die capitaliste werd genoemd; geboren in 1755) en kleermaker Jackes wolf (wellicht joods).

Levy Hertz ging in mei 1812 naar Groenlo, waar hij op 30 september 1812 de achternaam Kok aannam.

 

In Bredevoort werd rond 1801 een gebouw tot sjoel ingericht (er werd waarschijnlijk al eerder een gebouw van de Winterswijkse Janner Rattemer voor f 20 per jaar gehuurd) Het gebouwtje was 30x 15 voet groot en had aan de achterzijde een kleine woning voor de voorganger annex lesruimte. Omstreeks 1828 kregen de Bredevoortse joden het gebouw in eigendom. Het complex was 268 vierkante meter groot. De familie’s de Haas, Vink  en ten Bosch kwamen al voor 1810 naar de Bredevoortse sjoel. (Inv.nrs. 188 en 1200)

 

Van de joodse familie Ten Bosch zou Mozes Symon, de zoon van Symon Izak, in maart 1836 trouwen met de in Ruurlo geboren Rachel Samuels. Achtereenvolgens werden de volgende kinderen geboren; Izaak (1837), Catharina (Kaatje; in 1838), Salomon (1839) en Jacob (1842).

Salomon zou 27 jaar later, in 1866, zijn voornamen vanwege overgang tot het roomskatholieke geloof veranderen in Antonius Aloysius Maria en vervolgens in het huwelijk treden met de boerin Johanna Hulshof. Zij kregen tien kinderen.

De broers van Salomon (Jacob en Izaak) en zijn zusje Catharina bleven het joodse geloof behouden. Jacob ten Bosch was een tijdje in huis bij de in Bredevoort wonende gepensioneerde soldaat Jozef Hartog Vogelzang. Hij ging in 1866 naar Doesburg waar hij in 1868 trouwde met Lena de Groote. Haar vader Izak Levi de Groote was bijna 40 jaar voorganger in Doesburg (1828-1868)

 

Auschwitz

Jacob en Lena Ten Bosch vertrokken later naar Aalten. Hun kleindochter Sara Lena Ten Bosch kwam in 1942 om in Auschwitz. Hun kleinzoon Jacob Ten Bosch zou in 1944 eveneens in Auschwitz sterven, na in Halle te zijn verraden. Met hen kwam meerdere ten Bosschen in de concentratiekampen om het leven.

Overwegend Ten Bosch

Een andere roomskatholieke familie Ten Bosch was die van Casparus Antonius (medicinae doctor) die was gehuwd met de Aaltense Modesta Juliana Gertruda Maria Driessen. De Ten Bosch-families kregen vele kinderen. Ter plaatse is de Ten Boschstraat op initiatief van de plaatselijke ULO genoemd naar Frans Ten Bosch, missionaris in Congo. Slager Philip Vink was getrouwd met Hendrika de Vries.

 

In de negentiende eeuw hebben nooit meer dan enkele joodse families in Lichtenvoorde gewoond. In 1809 waren het er 11 en in 1830 zes; in 1849 woonden er slechts drie joden. Omstreeks 1850 woonde behalve de familie Ten Bosch, ook ter plaatse; Derschen, Harmina Rebecca, Dela Hendrika en Philip Vink. Na 1860 waren er geen Vinken meer in Lichtenvoorde te bekennen. Uit een volkstelling uit 1860 komen de volgende namen naar voren. Elisabeth (tijdens de telling 51 jaar) en Symon Izak Ten Bosch (69 jaar) beide wonende in de Rentenierstraat. In de wijk Bosch woonden Kaatje (2 jaar), Mozes Symon (39 jaar) en Salomon Ten Bosch (10 mnd.). Ook Philip Vink (58 jaar en wellicht de laatste) woonde er.

 

In 1880 woonden er nog korte tijd de volgende joodse families in Lichtenvoorde: Rosendal, Zeehandelaar (afkomstig uit Joure) en Spier uit Eibergen. Een synagoge hebben de Lichtenvoordse joden nooit gehad.

 

Wellicht zijn wel godsdienstlessen ergens bij een joodse familie thuis gegeven, maar het ligt meer voor de hand te veronderstellen dat de joodse kinderen les kregen in het joodse schooltje dat in 1865 in Groenlo werd gebouwd. Voor de joodse feestdagen gingen de joden naar de sjoel in de schoolstraat in Groenlo. De vee, boter en warenmarkt in Lichtenvoorde, die al dateert van voor 1900, werd elke veertien dagen gehouden. Bekende kooplieden waren de Arnhemse IJzerketel met hamers, nijptangen, enzovoort en de "dinsdagsjood" Heijmans uit Groenlo die lappen verkocht. Bestellingen konden destijds in de loop van de week bij café Kruip worden afgehaald.

 

Hans Kooger "Het Oude Volk"

Reageer op dit bericht Stuur door

Historie - Ontwikkelingen binnen joods Nederland


 

Ontwikkelingen binnen joods Nederland

 

In de praktijk bleef Amsterdam gedurende vrijwel de gehele achttiende eeuw het zwaartepunt van joods Nederland. Grote veranderingen traden op na 1796. Met het verlenen van gelijke burgerrechten aan alle inwoners van de Republiek der Verenigde Nederlanden werd de politieke emancipatie een feit. Eén van de gevolgen was dat joden zich overal vrij konden vestigen. Daardoor ontstond in de eerste helft van de negentiende eeuw verspreid over Nederland een groot aantal joodse gemeenten.

 

Joods Nederland werd ingedeeld in twaalf hoofdsynagogen, die op hun beurt weer in ringsynagogen en bijkerken verdeeld werden. Aanvankelijk stonden deze gemeenten onder een sterk centraal gezag, maar gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw ontwikkelde zich de scheiding tussen kerk en staat. Dit had tot gevolg dat de autonomie van de gemeenten wederom toenam.

 

 

Rond 1885 bereikte het joodse leven in de mediene zijn hoogtepunt, daarna begon de neergang. Behalve in de plaatsen die een duidelijke industriële ontwikkeling doormaakten nam het aantal leden van de killes vrijwel overal af. Emancipatie en integratie speelden ook een rol in de organisatievorm van de diverse joodse gemeenten; naast de bestaande liefdadigheidsinstellingen ontstond een ander joods verenigingsleven, gebaseerd op politieke of culturele gronden.

 

 

In de eerste decennia van de twintigste eeuw verliest een groot aantal van de kleinere joodse gemeenten zijn zelfstandigheid of wordt opgeheven. Amsterdam wordt nog meer dan tevoren het centrum en zwaartepunt van joods Nederland. De nazi-terreur in de bezettingsjaren heeft ook het joodse leven in de provincie vrijwel vernietigd. Ook in de naoorlogse jaren maakte het joodse leven in de mediene een verdere neergang door.

Reageer op dit bericht Stuur door

Historie - De joden te Groenlo 2


 

De joden te Groenlo

 

In de tweede helft van de zeventiende eeuw vestigden de eerste joden zich blijvend in Groenlo. Tussen 1674 en 1895 pachtten zij de Stedelijke Bank van Lening. Hans Kooger die 25 jaar lang onderzoek verrichtte naar de joden in de Achterhoek en Liemers geeft voor de vroegste vestigingen het jaartal 1285 voor Groenlo en overigens voor Bergh 1296, Lochem 1332, Zutphen 1340 en Wish 1342. In Doesburg vestigde zich de familie Godschalck al in 1185.

 

 

Van een georganiseerde joodse gemeente was pas vanaf het einde van de 18de eeuw sprake. Aanvankelijk werden de synagogediensten in een gehuurd huis gehouden. Mede door een ruime donatie van koning Lodewijk Napoleon was het mogelijk een synagoge te bouwen aan de Noteboomstraat.

 

 

Bij de ressortale herindeling van 1814 kreeg Groenlo, met inbegrip van Lichtenvoorde, de status van Ringsynagoge. Ook Winterswijk en Aalten ressorteerden tot 1862 als bijkerk onder Groenlo. In 1822 werd een nieuwe synagoge aan de Schoolstraat ingewijd. Dit gebouw werd in 1878 in oriëntaalse stijl gerenoveerd.

 

 

De joodse gemeente van Groenlo had de beschikking over twee begraafplaatsen; de ene lag buiten het dorp Lichtenvoorde en was tot 1909 in gebruik, de ander lag in een park aan de Kanonswal. Naast het kerkbestuur en de kerkenraad was er een penningmeester voor het Heilige Land en was er zowel voor vrouwen als voor mannen een begrafenis- en studiegenootschap.

Reageer op dit bericht Stuur door

Historie - De vestiging van joden in Nederland


 

De vestiging van joden in Nederland

 

De eerste joden die zich blijvend in Nederland vestigden waren afstammelingen van Spaanse en Portugese joden. Hun komst werd voorafgegaan door een reeks ingrijpende veranderingen op het Iberisch schiereiland. In 1492 werden de Spaanse joden onder druk van de inquisitie voor de keus gesteld zich tot het katholicisme te bekeren of het land te verlaten. Veel joden vluchtten naar Portugal, waar ze in 1497 en masse gedoopt werden. Zowel in Spanje als in Portugal bleven sommige van deze bekeerden in het geheim thuis het jodendom belijden, terwijl ze voor de buitenwereld als katholieken leefden.

 

 

In 1536 werd ook in Portugal de Inquisitie ingesteld die de onder dwang gedoopte joden scherp in de gaten hield. Dit was voor velen een reden het land te ontvluchten, ondermeer naar Brazilië en Frankrijk. Een halve eeuw later kwamen sommige afstammelingen als kooplieden naar de Republiek der Verenigde Nederlanden. Zij vestigden zich in Amsterdam, van waaruit zij via Lissabon handel dreven in suiker en tabak uit Brazilië en diamant en katoen uit India.

 

Eenmaal in Amsterdam gevestigd keerden ze vaak terug tot hun oorspronkelijke joodse geloof. Gezien hun gemengde Spaans-Portugese afkomst noemen wij hen sefardische joden. Ook wordt de term Portugese joden gebruikt, omdat Portugees hun voertaal was.

 

 

Omstreeks 1630 bereikten joden uit Midden- en Oost-Europa, Hoogduitse of asjkenazische joden genoemd, de Republiek. Ze spraken Jiddisj, een vroege vorm van Duits gemengd met Hebreeuwse, Slavische en Romaanse woorden en in Hebreeuwse letters geschreven. De Asjkenazische joden waren gevlucht voor het geweld van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) en voor de vervolgingen van de kozakkenhoofdman Chmielniki in Polen in 1648.

 

Berooid kwamen zij in Amsterdam aan; ze konden blijven omdat joden zich hier vrij konden vestigen en omdat zij op ondersteuning mochten rekenen van hun sefardische broeders.

 

 

De Portugese en Hoogduitse joden brachten zeer verschillende culturele achtergronden mee. Zij spraken een verschillende taal en vormden ook in sociaal opzicht verschillende groepen. Voor de buitenwacht telde echter voornamelijk hun gemeenschappelijke religie en werden ze als één (geloofs)gemeenschap gezien.

 

 

Aan het begin van de zeventiende eeuw had de vestiging van joden in Amsterdam aanvankelijk niet tot problemen geleid. Oogluikend werd hun toegestaan hun afwijkende religie in privé-woningen te belijden, maar van volledige burgerrechten was geen sprake. Vooral op economisch gebied werden hen vele beperkingen opgelegd. Rond 1615 ontstonden er wrijvingen op sociaal en religieus gebied, wat leidde tot overleg in de Staten van Holland en een poging om een jodenreglement vast te leggen. Zover is het nooit gekomen, maar wel werd in 1619 besloten dat het iedere stad vrijstond zelf te bepalen of zij joden wilde toelaten of niet en onder welke voorwaarden.

 

Wanneer de plaatselijke autoriteiten de joden toestemming hadden gegeven zich in de stad te vestigen, was het verboden hen een uiterlijk kenteken te laten dragen. Wel werd het de Hollandse steden toegestaan een afzonderlijk stadsdeel als woongebied voor de joden verplicht te stellen, maar in de praktijk is dit nooit gebeurd.

Reageer op dit bericht Stuur door

Historie - Het ontstaan van de mediene


 

Het ontstaan van de mediene

 

In de 18de eeuw vestigden zich joden in verschillende plaatsen buiten Amsterdam. Zo ontstond er naast Mokum (=Amsterdam) een mediene, waartoe alle joodse gemeenschappen buiten de hoofdstad gerekend werden. De sefardische gemeenten, die onder andere in Den Haag, Rotterdam en Middelburg ontstonden, ontwikkelden zich volgens het voorbeeld van de Amsterdamse ‘moedergemeente’. Heel anders verliep de vestiging van de eerste Hoogduitse joden in de mediene. Ze kwamen vaak rechtstreeks uit het Duitse grensgebied naar Groningen, Gelderland en Overijssel en kozen een woonplaats op economische gronden. Ook in de westelijke handelssteden en in de plaatsen langs de Zuiderzee ontstonden asjkenazische gemeenten, die een hoge mate van zelfstandigheid kenden. Voordat een dergelijke gemeente (kehilla of kille) daadwerkelijk opgericht kon worden moest er aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Zo moet er een quorum van tien mannen van dertien jaar of ouder zijn, een zogenaamde minjan, voordat er een volledige gebedsdienst gehouden kan worden.

 

 

Vaak diende eerst een kamer in een woonhuis of boerderij als plaats van samenkomst, voordat er een synagoge gebouwd mocht of kon gebouwd worden. Naast een synagoge behoorde ook een ritueel bad ofwel mikwe tot de noodzakelijkheden, terwijl ook een schoollokaal wenselijk was. Een van de eerste vereisten was tevens een begraafplaats, omdat joodse overledenen apart te rusten gelegd moeten worden, met de zekerheid dat deze rust voor eeuwig geldt.

 

 

Iedere joodse gemeente werd geacht om als autonome organisatie met behulp van een intern stelsel van belastingen, offergelden en boetes haar voorzieningen als synagoge, leerhuis, mikwe en begraafplaats aan te kopen en te beheren. Gekozen bestuurders (parnassiem) stelden de reglementen (takkanot) op, die door de plaatselijke overheid goedgekeurd moesten worden. Ook waren de parnassiem verantwoordelijk voor het handhaven van de orde en voor het sociale en economische reilen en zeilen van het onder hun gezag staande deel van de zogenoemde ‘Joodsche Natie’. Tevens droegen zij de plaatselijke belasting af.

 

 

Afhankelijk van de financiële middelen beschikte de joodse gemeente over een rabbijn, een voorzanger, een onderwijzer en een schrijver. In verband met de voedselvoorschriften was de aanwezigheid van een ritueel slachter en een toezichthouder noodzakelijk. In de meeste kleinere gemeenten werden deze functies gecombineerd. Diverse liefdadigheidsinstellingen vervulden een belangrijke sociale en religieuze rol. De zorg voor armen, zieken, stervenden, doden, aanstaande bruiden, zwangere vrouwen, weduwen, wezen, behoeftige studenten en leraren ging steeds gepaard met religieuze studie. Het merendeel van de joden in de mediene was werkzaam in de handel, als slager of als kleine neringdoende.

Reageer op dit bericht Stuur door

De Joden te Lichtenvoorde

De Joden te Lichtenvoorde

 

In 1713 woonde Moijses Walg te Lichtenvoorde. Zijn naam komt voor in een gerechtelijk protocol waarin wordt geschreven dat hij in maart 1713 in arrest was genomen door Hendrik Kalf en in bewaring gesteld "sonder eenige redenen en oirsaken".

 

De Winterswijkse jood Isaac Jacobs betaalde een borgtocht om Moijses weer vrij te krijgen.

 

Glazenmaker Ansel Sijmon zette in 1740 en 1741 glazen in loden roeden onder meer in de poort, de kerk en in het huis van de heer van Harreveld. In 1740 diende Ansel een rekening van 8 gulden en 1 stuiver in. In het jaar erop kreeg hij 7 gulden en 19 stuivers voor zijn werk betaald.

 

Een andere Lichtenvoordse jood was Selig Salomon, die in maart 1743 met Hester Jacobs te Ringenberg was getrouwd.

 

Herts Levi bezat een uit 1553 daterend octrooi, dat hem was verleend door Frederik Otto van Dornburg, genaamd Heijden, die tussen 1738 en 1768 op het hof in Lichtenvoorde woonde. Herts levi was in 1947 te Kleef met Mindele Emanuel getrouwd. De broers Levi Meijer (een slachter die ook een schutsbrief had van van Dornberg) en Isaac Meijer STAM (een lompen koopman) trouwden respectievelijk in 1769 en 1768 te Kamen en te Enschede. Isaac Meijer huwde Roosken Jacobs. Deze voormelde huwlijken zijn in maart 1777 bevestigd te Lichtenvoorde. De weduwe van Levi Meijer trouwde later met salomon Philip Vink.

 

Uit - Hans Kooger's "Het Oude Volk"

Reageer op dit bericht Stuur door

De joden in de oorlogsjaren


 

De Oorlogsjaren.

 

Op 1 oktober 1941 verbleven nog vier joden te Lichtenvoorde, waarvan één met drie joodse voorouders. Vóór 1937 was het aantal groter: 7 askenazische en 2 sefardische joden woonden ter plaatse op een totaal van 3422 zielen.

 

In 1942 was te Lievelde één van de 42 werkkampen voor joden gevestigd met Nederlandse leiding en toezicht op het werk door employés van de Nederlandse Heidemaatschappij. Op 12 augustus 1942 arriveerden ca. 50 joden uit Dinxperlo, Lochem, Zutphen, Silvolde, Raalte, Deventer en Amsterdam in het Rijkswerkkamp Lievelde nabij de Schansdijk en de oude Lievelderweg. Houten barakken dienden als huisvesting. Voorts was er een toiletgebouw en een kleine waterinstallatie aanwezig. Het kamp was omgeven door prikkeldraad. De joden moesten de bovenlaag van een zandweg afgraven om een betere afwatering te krijgen. De joodse dwangarbeiders bleven kort in Lievelde; op 2 oktober 1942 werden zij naar het station in Lievelde gebracht. Een man probeerde tevergeefs te ontsnappen. Van de groep uit Lievelde zijn er ongetwijfeld velen in de vernietigingskampen in Polen omgekomen.

 

In het voorjaar van 1943 maakten de toenmalige burgemeester van Lichtenvoorde, Lamers, en enige politiemannen jacht op joden in de buurtschap De Wolboom. Zij hadden een tip van de Nederlandse nationaal-socialist Heuthorst gekregen. De 56-jarige Abraham Jessurun (geboren Amsterdammer) werd aangetroffen bij Hofijzer van de ‘Venneschuur’ en niet bij zijn oorspronkelijke onderduikadres bij Wikkerink van de ‘Mossel’. Hij werd gearresteerd maar zijn vrouw kon ontvluchten. De in de illegaliteit bekende ‘Zwarte Kees’ (marechaussee Ruizendaal) zorgde er later voor dat de verrader Heuthorst werd neergeschoten. Behalve Bram Jessurun werden nog acht andere joden opgepakt: het echtpaar Isaac en Henriette Aleng-Salomon uit Amsterdam, de Aaltense veekoopman Moritz Israel Cohen en zijn zoon Bernhard Cohen en de familie Menko (afkomstig uit Twente, wonende te Apeldoorn): Jacob, Rozetta en hun twee kinderen Truitje Louise en Siegfried Bernard.

 

Alle gearresteerde joden werden naar Westerbork overgebracht en vandaar naar de concentratiekampen. Helena, Maurits en Leonardus Menco, allen geboren in Lichtenvoorde, werden toen zij respectievelijk 51, 47, en 50 jaar oud waren uit Amsterdam, Eibergen en Winterswijk (hun laatste woonplaatsen) gedeporteerd.

 

Helena en Leonardus kwamen in 1943 in Sobibor om. Maurits stierf in 1944 ergens in Midden-Europa. De complete familie Menko werd op 23 juli 1943 in Sobibor vermoord. In Auschwitz stierven, zoals al is gemeld, Jacob en zijn zus Sara Lene ten Bosch, respectievelijk op 31 maart 1944 en december 1942.

 

(Bron: Het oude volk, Kroniek van joods leven in de Achterhoek, Liemers en het grensgebied. (auteur Hans Kooger) Staringinstituut.

Reageer op dit bericht Stuur door

Historie - de joden in Groenlo

Aanvankelijk kregen de kinderen les van een godsdienstonderwijzer, in de loop van de 19de eeuw werd een joodse school opgezet. De school was in de zestiger jaren op zijn grootst en werd toen in een nieuw gebouw gehuisvest. Door de slechte financiële situatie en interne conflicten nam de belangstelling voor de school na die tijd zienderogen af.

 

In de tweede helft van de 19de eeuw verbeterde de economische en maatschappelijke omstandigheden, waardoor Groenlo uitgroeide tot een betrekkelijk welvarende joodse gemeente. In het begin van de 20ste eeuw was het merendeel van de gemeenteleden werkzaam in boekverkoop en textiel- en veehandel. De joden van Groenlo waren tevens actief in het openbare leven en een aantal van hen was lid van algemene verenigingen.

 

Toch liep de joodse gemeenschap van Groenlo in die periode enigszins terug. Tijdens de Duitse bezetting wist ruim een kwart van de joodse inwoners onder te duiken, de anderen zijn gedeporteerd naar Polen en daar vermoord. De synagoge diende tijdens de bezetting als opslagplaats voor de bezittingen van de gedeporteerde joden. Na de oorlog is het gebouw verkocht en uiteindelijk als woonhuis in gebruik genomen. Het interieur van de synagoge, de Tora-rollen en de rituele voorwerpen zijn bewaard gebleven.

 

In 1950 werd de joodse gemeente van Groenlo officieel opgeheven en bij die van Borculo gevoegd. Na de opheffing van Borculo kwam Groenlo bij Winterswijk.

 

Ter nagedachtenis aan de verdwenen joodse gemeenschap is in 1986 een monument onthuld. De joodse begraafplaats van Groenlo staat op de monumentenlijst en wordt door de plaatselijke gemeente onderhouden.

 

De joodse gemeenschap van Lichtenvoorde, waarvan al in 1740 melding wordt gemaakt, was te klein om synagogediensten en onderwijs te organiseren. Men was voor deze voorzieningen afhankelijk van Groenlo. Wel was er een joodse begraafplaats aan de Kerkdijk in het gehucht Vragende, die aanvankelijk ook in gebruik was bij de joodse inwoners van Groenlo. De laatste joden van Lichtenvoorde zijn in de oorlog weggevoerd en omgebracht. Ook een tiental onderduikers van elders, die verraden werden, deelden hun lot. De plaatselijke gemeente onderhoudt de begraafplaats.

 

Het “Joodse bloed” in de familie heeft in de tweede wereldoorlog voor de Idings geen consequenties gehad, maar het was de Duitsers niet ontgaan. Johanna Geertruide en haar dochters  moesten een ster dragen.





 

Reageer op dit bericht Stuur door

De joden in Winterswijk

De joodse gemeenschap van Winterswijk was voor 1940 aanzienlijk van omvang.

 

Rabbi Schielaar was een bekend persoon in Winterswijk. Helaas is hij, zoals zovelen van zijn geloofsgenoten, door de nazi's vermoord.

De Winterswijkse synagoge werd tijdens de Tweede Wereldoorlog vernield.

 

Op 28 april 2002 werd in Winterswijk een monument onthuld ter herinnering aan de Winterswijkse en joodse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Het monument is tot stand gekomen op initiatief van een breed samengestelde werkgroep uit de Winterswijkse samenleving. Het staat aan het Mevr. Kuipers-Rietbergplein tegenover het gemeentehuis.

 

Vermoord

 

Lena Baer (75)
Mina Baer (83)
Helena Bamberg (54)
Eva Baum (69)
Eva Dina Berg (42)
Erna van Bingen (41)
Willem Blom (56)
Abraham Bouwman (24)
Abraham Braunhut (4)
Matisjahu Ben Artzi Braunhut (6)
Augusta Bruch (41)
Bertha Sara Cahn (71)
Dina Cohen (70)
Theodora Cohen (56)
Emma Drievoet (77)
Albert Emmering (23)
Johanna Sara Eppenheim (63)
Aaltje Franken (33)
Cato Bertha Franken (31)
Lore Gerta Sara Frankenberg (28)
Adolf Fuldauer (64)
Alfred Philip Fuldauer (20)
David Fuldauer (56)
Karel Fuldauer (16)
Sara Fuldauer (67)
Abraham Gans (78)
Abraham Karel Gans (12)
Abraham Nathan Gans (9)
Alexander Gans (25)
Alexander Emanuel Gans (45)Betje Gans (73)
Debora Gans (51)
Emma Antje Gans (5)
Harrij Gans (34)
Harrij Alexander Gans (6 maanden)
Jacob Gans (62)
Josef Gans (40)
Judith Emma Gans (16)
Louise Emma Gans (7)
Maurits Gans (58)
Amalia van Gelder (57)
Aron Alexander van Gelder (42)
Henriette van Gelder (46)
Joseph Goedhart (21)
Louis Goedhart (73)
Leo Goldschmidt (40)
Margot Goldschmidt (10)
Max Goldschmidt (69)
Bella Goldstein (52)
Jetta Groenheim(* 1888)
Elieser Leo Gumpert (67)
Ernst Otto Israel Gumpert (25)
Lena Hakker (53)
Benedictus Hamburger (43)
Elisabeth Hamburger (28)
Ernst Hamburger (10)
Nelly Sophia Hamburger (7)
Samuel Hamburger (74)
Siegfried Hamburger (38)
Johanna Hamme (13)
Samuel Hamme (47)
Kurt Handgriff (21)
Dina Dorothea Heide (33)
Hugo Israel Heide (62)
Sophie Heilbronn (49)
Hijman Hemelrijk (21)
Isidor Hemelrijk (53)
Lodewijk Hemelrijk (20)
Mina Hemelrijk (59)
Karolina Sara Honi (84)
Frieda Honij (63)
Selma Hony (56)
Jacob Abraham Humberg (8)
Margot Humberg (14)
Vera Rosalia Amalia Humberg(10)
Wilhelm Humberg (48)
Herbert de Jong (20)
Marianne Sara Joseph (* 1912)
Mozes Simon Kan (66)
Sientje Kaufman (49)
Sidonia Sara Kirschner (43)
Jozeph Adolf van Klaveren (3)
Magdalena Johanna van Klaveren (12)
Mozes Jozeph van Klaveren (41)
Jakobine Klejnman (20)
Louis Landau (* 1936)
Isabelle Laufer (64)
Abraham de Leeuw (56)
Arend de Leeuw(* 1916)
Arie de Leeuw (26)
Belia de Leeuw (4 maanden)
Hartog Israel de Leeuw (28)
Jacob de Leeuw (61)
Karel de Leeuw (15)
Marcus Joseph de Leeuw (60)
Marianne de Leeuw (58)
Rosetta de Leeuw (62)
Rudolf Maurits de Leeuw (26)
Sallie de Leeuw (18)
Sara de Leeuw (22)
Rika Levie (63)
Simon Maas (47)
Wolfgang Wilhelm Maas (24)
Jacob Magnus (57)
Martha Antje Magnus (35)
Clara Sara Marx (71)
Abraham Menco (69)
Bertha Menco (15)
Harri Menco (48)
Herman Samuel Menco(* 1925)
Ida Menco (20)
Mourits Menco (49)
Bernard Nathan Jacob Menko(34)
Jacob Menko (63)
Jacob Menko (3)
Rose Amalia Menko (3)
Rosette Helene Menko (35)
Estella Gesina J.F. Metz (22)
David Meijer (35)
Emilie Philippine Meijer (3)
Hester Granade Meijer (55)
Rositta Beatrix Meijer (4)
Ida Jeanette Meijers (28)
Joseph Max Meijers (21)
Madelene Henriette Meijers (37)
Ruben Meijers (66)
Elisabeth Mesritz (55)
Adolf Meijler (63)
Harriette Johanna Meijler(34)
Rosa Sophia Meijler (8 maanden)
Salli Meijler (34)
Heiman Mogendorff (48)
Henry Donald Mogendorff (14)
Johanna Mok (33)
Hermann Moses (65)
Grete Nathan (41)
Dani Nihom (6)
Elisabeth Nihom (44)
Gretha Nihom (* 1925) Volgens een bezoeker op 16-09-2012 heeft Gretha Nihom als enige van het gezin de oorlog overleefd, woont in Israël en is 87 jaar.
Joseph Nihom (20)
Karel Nihom (10)
Michael Nihom (19)
Bertha Northeimer (51)
Belia Philip (57)
Henri Philip (27)
Levie Israel Philip (62)
Abraham Philips (49)
Benjamin Philips (49)
Ehazar Philips (23)
Heiman Philips (56)
Jacob Philips (21)
Johanna Philips (19)
Karla Philips (15)
Kitty Philips (23)
Pauline Amalia Philips (20)
Simon Philips (56)
Helena Martina Polak (* 1919)
Adelheid Rosette Poppers (1)
Anna Poppers (55)
Betje Poppers (62)
Betti Poppers (42)
Meijer Poppers (72)
Samuel Poppers (70)
Anna Prins (65)
Frieda Romann (33)
Paul Romann (31)
Rosi Romann (* 1907)
Amalia Rosenbaum (76)
Mathilde Rosenbaum (74)
Berta Sara Rosenthal (* 1882)
Gerda Rosenthal (20)
Helmut Rosenthal (6)
Hildegard Rosenthal (16)
Netta Salomons (70)
Hars Schaap (57)
Aron Schielaar (31)
David Schielaar (59)
Izaäk Abraham Schielaar (27)
Louis Schielaar (26)
Berta Sara Schlachter (69)
Gertrud Schreiber (42)
Malka Schupper (22)
Hanna Schwab (* 1923)
David Abraham Schwarz (42)
Mathilde Rosette Schwarz (8)
Nathan Schwarz (38)
Philip Schwarz (42)
Robert Louis Schwarz (4)
Izaak Leo Slager (14)
Jacob Izaak Slager (21)
Philip Slager (47)
Sophie Spanjar (47)
Sophia Spier (45)
Georg Stein (39)
Herz I. Stern (84)
Irene Johanna Recha Stern (2)
Pauline Stern (78)
Sally Stern (35)
Clara Margaretha
Vischschraper (32)
Getta Voos (57)
Sibilla Sara Voos (61)
Albert Weber (42)
Rosa Weber (39)
Johanna Sara Weil (61)
Klara Weil (62)
Marga Wertheim (14)
Jozeph Windmuller (65)
Lieze Windmuller (35)
Albert Wolf (49)

Reageer op dit bericht Stuur door

Meer van FAMILIE IDING TEN BOSCH

↑ Terug naar de berichten