Henricus Ludovicus (Louis) Ludwig - Schilder beeldhouwer
Henricus Ludovicus (Louis) Ludwig werd geboren te Lith (NL) op 1 april 1856 als eerste kind van Frederik Frans Ludwig en Adriana Maria Frederica Josepha Sala (1).
Transcriptie
In het jaar een duizend acht honderd zes en vijftig, den tweeden dag der maand April is voor ons Ambtenaar van de Burgerlijken Stand der Gemeente Lith provincie Noordbrabant, verschenen Frederik Frans Ludwig, van beroep landbouwer oud vier en dertig jaren, wonende binnen deze Gemeente, welke in tegenwoordigheid van twee getuigen, als van Johannes Schijvens van beroep onderwijzer, oud acht en zestig jaren, en van Bernardus Van der Sluis, van beroep ?, oud acht en dertig jaren, beide wonende binnen deze Gemeente, ons heeft verklaard dat zijne Huisvrouw Adriana Maria Frederica Josepha Sala, oud zeven en twintig jaren, van beroep geen wonende te Lith, wijk B nommer vijf en zestig, alhier bevallen is van een kind van het mannelijk geslacht, geboren op dinsdag, den eersten der maand April een duizend acht honderd zes en vijftig, om vier ure des namiddags en aan dat kind te geven de voornamen van Henricus Ludovicus.
En hebben wij hiervan opgemaakt de tegenwoordige akte, die , na voorlezing, is geteekend door ons, de comparant en de getuigenFr. Fr. Ludwig,J. Schijvens,B. Van der Sluis De Ambtenaar van den Burgerlijken Stand voornoemd, Van Kruif (?)
In 1865 verhuist het gezin van Lith naar Velp (Gelderland). Frederik Frans staat geregistreerd als handelaar. Later, begin jaren 1870, vestigt het gezin Ludwig-Sala zich te Gent (B)(2).
Het gezin telt dan vijf kinderen (3): Henricus Ludovicus (°1856) Frederik Henricus Josephus (°1861) Ernest Marie (°1864) Casper Johan Marie Joseph (°1867) Anna (°1870)
Op 12 juni 1876 schrijft Adriana Maria (roepnaam Mimi) Sala een brief naar haar neef Constant Sala die in Moeskroen (West-Vlaanderen) woont (4). Uit deze brief vernemen we dat haar echtgenoot handelt in sigaren.
Transcriptie
Je profite en même temps mon cher Constant de vous témoigner notre plus vive reconnaissance pour tous (sic) les peines que vous avez bien voulu (sic) vous donner pour présenter nos échantillons de cigares.
Vertaling
Ik maak meteen ook gebruik van de gelegenheid, mijn beste Constant, om u onze erkentelijkheid uit te drukken voor alle inspanningen die u gedaan heeft om onze sigaren voor te stellen.
Frederik Frans staat vermeld in de Wegwijzer der Stad Gent (5) onder de rubriek ‘Tabak en Cigaren - magazijnen en fabriekanten'. In 1878 zijn de magazijnen gevestigd aan de Kortrijksesteenweg 134/29 en een jaar later aan de Boulevard van 't begijnhof 2. In de volgende edities van de Wegwijzer komt zijn handelszaak niet meer voor. Uit diezelfde brief van 12 juni 1876 vernemen we tevens dat Louis, de oudste zoon van Frederik Frans en Adriana Maria, beeldhouwer is.
Transcriptie:
Louis a reçu le portret (sic) de notre chère tante. Il fera tout son possible pour le faire en buste.
Vertaling:
Louis heeft het portret van onze lieve tante (6) ontvangen. Hij zal zijn uiterste best doen om er een borstbeeld van te maken.
Een bezoekje aan ‘de Zwarte Doos', archief te Gent, heeft ons meer doen vernemen over de opleiding van Louis Ludwig.
In dit gebouw worden de archieven van de Academie voor Schone Kunsten bewaard. Aan de hand van de ‘registers der leerlingen' (7) hebben we kunnen vaststellen dat Louis Ludwig zich in 1875 heeft ingeschreven als leerling aan de Academie voor Schone Kunsten te Gent om zich te vervolmaken in de beeldhouwkunst.
Zijn naam komt meermaals voor in de leerlingenregisters van 1875 tot 1879: 1875 - 1876 Beeldhouwkunde - Levend model, Kunstgeschiedenis, Ontleedkunde, Bouwkunde 1876 - 1877 Beeldhouwkunde - Levend model, Ontleedkunde.
In de registers worden twee woonplaatsen vermeld: Roodentorenkaai 24 en Drapstraat (mogelijk Drabstraat bedoeld) 32. Louis Ludwig en Constant Sala, twee jaar ouder, worden goede vrienden.
Zij vatten het plan op om samen naar Italië te gaan waar Louis zich verder zou kunnen specialiseren in de beeldhouwkunde. Het voornemen van deze reis wordt toegejuicht door Luigi Folatelli, hun gemeenschappelijke neef in Canzo (It).
Transcriptie:
A noi tutti fa molto piacere sentire dell'intenzione che avete di venire presto in Italia col cucino Luigi di Gand. Puó essere ch'egli ritrova dell'occupazione per perfezionarsi come dite nell'arte sua, e cosi faremo la cara sua conoscienza come bramiamo fare di presenza la vostra e cosi fare di tutti i nostri cari sia del Belgio che d'Ollanda (8).
Vertaling:
Het doet ons allemaal heel veel plezier te horen dat u het voornemen heeft binnenkort naar Italië te komen samen met neef Luigi van Gent. Het zou kunnen dat hij hier werk vindt om, zoals u zegt, zich te vervolmaken in zijn kunst en zo zullen we met hem dierbaar kennismaken zoals we hunkeren ook met u kennis te maken en zoals we zullen kennismaken met al onze dierbaren hetzij uit België hetzij uit Nederland.
Of Constant Sala en Louis Ludwig ooit het land van hun vader of van hun grootvader bezocht hebben is onbekend.
Louis Ludwig heeft in de loop der jaren vooral naambekendheid verworven als kunstschilder. Hij is in de leer gegaan bij zijn oom Emmanuel van der Ven (9), echtgenoot van Nathalie Sala, oudste zus van zijn moeder.
Emmanuel van der Ven Nathalie Sala
Louis (Henri Louis) Ludwig (Lith/Nederland 1856 - Brugge 1925) was een Nederlandse postimpressionistische schilder en beeldhouwer. Hij kreeg zijn artistieke opleiding bij E. van der Ven ('s-Hertogenbosch 1821-1883) en aan de Academies van Antwerpen en Gent. Hij werd lid van L'Union des Arts, een Brusselse vereniging van beeldende kunstenaars die bestond van 1876 tot 1885 en gaf met deze leden een tentoonstelling.
Na tal van omzwervingen in Nederland vestigde hij zich rond 1910 in Brussel. Hij werd er lid van Labeur, was een vereniging van beeldende kunstenaars die actief was in Brussel tijdens de jaren 1898-1907.Hij vestigde zich vanaf 1919 in de Polderweg te Knokke. De dorpsgezichten van Knokke die hij toen schilderde zijn nu iconografisch zeer belangrijk. Wikipedia
Enkele van zijn schilderijen
Berechting in de Oude-Kerkstraat Foto: Catalogus ‘Impressionisten in Knocke en Heyst (1870-1914)' (10)
De oude smidse van het Kalf Foto: Catalogus ‘Impressionisten in Knocke en Heyst (1870-1914)' (10)
Duivelsput Foto: Catalogus ‘Impressionisten in Knocke en Heyst (1870-1914)' (10) Deze schilderijen worden permanent tentoongesteld in het stadhuis van Knokke-Heist in de Zaal Louis Ludwig.
De meeste schilderijen van Louis Ludwig zijn echter nog in privébezit.
Portret van Jenny Sala (1923) door Louis Ludwig (11) In 1919 heeft Louis Ludwig zich samen met zijn echtgenote Félicie Van Durme gevestigd in Knokke aan de vroegere Polderweg:
Louis Ludwig is overleden in 1925 te Brugge. Hij werd begraven te Knokke op het kerkhof bij de ‘oude' kerk. Bij de bouw van de nieuwe kerk, ingewijd in 1958, werden een aantal graven overgebracht naar het nieuwe kerkhof ‘Sint Helenabegraafplaats'. Zo geschiedde ook met het graf van Louis Ludwig op vraag van zijn echtgenote.
Sint-Helenabegraafplaats te Knokke
Grafmonument Louis Ludwig - Knokke
Grafmonument Louis Ludwig - Knokke
Ook zijn echtgenote werd hier begraven.
Met dank aan de huidige bewoners van de villa Ludwig.
Met dank aan de heer R. Janssens, administratief medewerker Dienst Erfgoed
(2)De bevolkingsregisters van de stad Gent zijn niet toegankelijk voor het publiek. Alle aanvragen dienen schriftelijk te gebeuren en worden tegen betaling uitgevoerd. Het is dus wachten op een kopie van deze registers op microfilm...
(3)Twee andere kinderen, Frederik Frans Josephus (°1859) en Joséphine Henriëtte Louise (°? - 1868), zijn overleden op jonge leeftijd.
(4)Zie inleiding Sala-Frigerio: ‘Ook in Nederland zoeken Constant en zijn zussen naar verwanten. In 1874 ontvangen zij een brief uit Rotterdam geschreven door Hélène Boeracker, echtgenote van Louis Sala en schoondochter van Luigi. Later volgt er ook nieuws uit Gent waar Adriana Maria (Mimi) Sala zich gevestigd heeft met haar echtgenoot Frederik Frans Ludwig en hun kinderen.'
(5)Archief Gent ‘de Zwarte Doos'.
(6)Mogelijk een zus van Constant
(7)Archief Gent ‘de Zwarte Doos' - ASK 150-153
(8)Brief Luigi Folatelli 28 november 1876. Luigi is de zoon van Serafina Sala, zus van Giuseppe Sala, vader van Constant, en van Luigi Sala, grootvader van Louis Ludwig. Zie verwijzing naar stamboom op startpagina van de weblog.
(9)Zie categorie Sala-Frigerio - Emmanuel Van der Ven
(10) Catalogus samengesteld ter gelegenheid van de tentoonstelling die plaatsvond in het Cultuurcentrum Scharpoord te Knokke, eind 2007 - begin 2008.
(11) Jenny Sala is het eerste kleinkind van Constant Sala.
Categorie:2 E HENRICUS LUDOVICUS LUDWIG SCHILDER BEELDHOUWER
15-02-2010
I figli di Omobono Sala e Maria Sormano - De kinderen van Omobono Sala en Maria Sormano
De kinderen van Omobono Sala en Maria Sormano (Sormana / Sormani)
Omobono en Maria zijn getrouwd op 7 februari 1786 te Visino ( zie cat. 2 huw akte IT). Samen hadden ze vier kinderen:
Giuseppe Carlo Antonio 1788-1788
Gioachimo 1790-1791
Giovachimo Giacomo Antonio 1792-1793
Giovana Margarita Fortunata 1794-1794
Maria is kort na de geboorte van haar vierde kind overleden.
Sala Giuseppe Carlo Antonio - geboorteakte 1788
Mille sette cento ottant'otto alli tre de settembre.
Sala Giuseppe Carlo Antonio figlio di Bono e di Maria Sormani legitimi consorti abitanti in Vicino nato il sudetto giorno circa alle ore sette della mattina, è stato battezzato da me infrascritto curato il sudetto giorno in questa chiesa parrochiale di San Michele Arcangelo di Vicino. Il compadre fú il Signore Carlo Antonio Sala figlio di Giuseppe, la comadre Marta Sala figlia del sudetto Giuseppe tutti due di Vicino.
In fede io Reverendo Signore Giuseppe Antonio Erra curato di Vicino.
Duizend zevenhonderd achtentachtig de derde van september
Sala Giuseppe Carlo Antonio zoon van Bono en van Maria Sormani wettige echtgenoten wonend in Vicino geboren op de bovenvermelde dag rond zeven uur 's morgens werd gedoopt door mij ondergetekende pastoor op de bovenvermelde dag in deze parochiekerk San Michele Arcangelo te Vicino. De peter is de heer Carlo Antonio Sala zoon van Giuseppe, de meter Marta Sala dochter van de bovenvermelde Giuseppe beiden wonend in Vicino.
In fede ik Eerwaarde Heer Giuseppe Antonio Erra pastoor van Vicino.
Sala Gioachimo Geboorteakte 1790
Mille sette cento novanta alli dieci sette di Febraio
Sala Gioachimo figlio di Bono e di Maria Sormana (o ?) legitimi consorti abitanti in Vicino nato il sudetto giorno circa alle ore sei della mattina e stato battezzato il sudetto giorno da me infrascritto curato in questa chiesa parrochiale di San Michele Arcangelo di Vicino. Il compare fu Giovanni Battista Sormani figlio del fú Marck'Antonio. La comadre Costanza Sormana figlia di Michele tutti due di Vicino.
(?) In fede Reverendo Signore Giuseppe Antonio Erra curato di Vicino
Duizend zevenhonderd negentig de zeventiende van februari
Sala Gioachimo zoon van Bono en van Maria Sormana (o ?) wettige echtgenoten woonachtig in Vicino geboren op de bovenvermelde dag rond zes uur ‘s morgens werd door mij ondergetekende pastoor in deze parochiekerk San Michele Arcangelo te Vicino gedoopt op de bovenvermelde dag. De peter is Giovanni Battista Sormani zoon van wijlen Marck'Antonio. De meter is Costanza Sormana dochter van Michele beiden van Vicino.
(?) In fede Eerwaarde Heer Giuseppe Antonio Erra pastoor van Vicino
Sala Giovachimo Giacomo Antonio Geboorteakte 1792
Mille settecento novanta due alli diecisette di gennaio.
Sala Giovachimo Giacomo Antonio figlio di Homobono e di Maria Sormana legitimi consorti abitanti in Vicino nato il giorno antecedente al giorno sudetto circa alle ore undici della matina e stato battezzato il sudetto giorno in questa chiesa parochiale di San Michele Arcangelo di Vicino da me infrascritto curato. Il compadre fù il Signore Giacomo Erra figlio del fu Signore Carlo abitante in Vicino.
In fede io Reverendo Signore Giuseppe Antonio Erra curato di Vicino
Duizend zevenhonderd tweeënnegentig de 17de januari
Sala Giovachimo Giacomo Antonio zoon van Homobono en van Maria Sormana wettige echtgenoten woonachtig in Vicino werd geboren de dag voorafgaand aan de bovenvermelde dag rond 11 uur in de voormiddag en werd door mij ondergetekende pastoor gedoopt op de bovenvermelde dag in deze parochiekerk van San Michele Arcangelo te Visino. De peter is de heer Giacomo Erra zoon van wijlen de heer Carlo woonachtig in Vicino.
In fede ik Eerwaarde Heer Giuseppe Antonio Erra pastoor van Vicino
Sala Giovana Margarita Fortunata Geboorteakte 1794
Mille settecento novanta quattro alli tredici di marzo.
Sala Giovana Margarita Fortunata figlia di Bono e di Maria Sormana legitimi consorti abitanti in Vicino nata il sudetto giorno circa ad un ora della mattina non constandomi della validita del battesimo amministrato li da Margarita Sormana e stata battezzata sotto condizione da me infrascritto il sudetto giorno in questa chiesa parocchiale di San Michele Arcangelo di Vicino. Il compadre fu Tomaso Gori figlio del fù Francesco di Vicino.
In fede io Reverendo Signore Giuseppe Antonio Erra Curato di Vicino.
Duizend zevenhonderd vierennegentig de dertiende van maart Sala Giovana Margarita Fortunata dochter van Bono en van Maria Sormana wettige echtgenoten en woonachtig te Vicino geboren op bovenvermelde dag rond een uur 's morgens de geldigheid van het haar toegediend doopsel door Margarita Sormana niet tegensprekend werd door mij ondergetekende onder voorwaarde gedoopt op de bovenvermelde dag in deze parochiekerk San Michele Arcangelo di Vicino. De peter is Tomaso Gori zoon van wijlen Francesco van Vicino.
In fede ik Eerwaarde Heer Giuseppe Antonio Erra pastoor van Vicino.
Nota: dopen onder voorwaarde. Het kwam niet zelden voor dat de baby in slechte toestand ter wereld kwam. Dan werd het kind voor alle zekerheid door de vroedvrouw (hier: Margarita Sormana) gedoopt, uit vrees dat het kind zou sterven nog voor het gedoopt zou zijn door een priester. Als het kind bleef leven kon het later nog door een priester gedoopt worden "onder voorwaarde" dat de eerste doop niet toegediend werd volgens de normen van de kerk. Werd de nooddoop toch toegediend volgens de voorschriften dan was en bleef deze eerste doop de enig geldige.
Sormani Maria Akte overlijden 1794
Mille settecento novanta quattro alli dodici di Giugno.
Sormani Maria altre volta moglia di Buono Sala munita dei SS Sacramenti di Penitenza, Eucharistia ed Estrema onzione premessi gli atti di Fede, Speranza, Carita, e Pentimento, li fù compartita la Benedizione Pontificia col l'applicazione dell' Indulgenze, li fù raccomandata l'anima al Signore, passo da questa all' altra vita il giorno antecedente al giorno sudetto circa alle ore quattro della mattina in etta d'anni vent'otto circa. Fu sepolta nel campo santo di questa chiesa parocchiale di Vicino coll'intervento al suo Funerale e settimo di sei sacerdoti compreso io infrascritto.
In fede io Reverendo Signore Giuseppe Antonio Erra Curato di Vicino.
Duizend zevenhonderd vierennegentig de twaalfde van juni
Maria Sormani in leven echtgenote van Buono Sala voorzien van de Heilige Sacramenten van Biecht, Communie en Heilig Oliesel, na uitgesproken te hebben de akten van Geloof, Hoop, Liefde en van Berouw, werd de Pauselijke Zegen gegeven met kwijtschelding van alle zonden, werd haar ziel aanbevolen aan de Heer, zij is van dit leven overgegaan naar het andere leven de dag voorafgaand aan de boven- vermelde dag rond vier 's morgens in de leeftijd van ongeveer achtentwintig jaar. Zij werd begraven op het kerkhof van deze parochiekerk te Vicino met de tussenkomst bij haar begrafenis en 7-dagenmis van zes priesters ondergetekende inbegrepen.
In fede ik Eerwaarde Heer Giuseppe Antonio Erra Pastoor van Vicino
Nota: coll'intervento al suo Funerale e settimo. De begrafenis omvatte de uitvaartplechtigheid in de kerk, de teraardebestelling op het kerkhof en een plechtige viering met meerdere priesters, afhankelijk van het aanzien van de overledene, zeven dagen na het overlijden.
We hebben de vraag gesteld aan een medewerker van het Archivio Storico Diocesano van Milaan. Dit was het antwoord:
"fatte le esequie di corpo e settimo con l'intervento di cinque sacerdoti", significa che sono stati celebrati il rito esequiale, cioè il funerale, e anche la messa che si sarebbe dovuta celebrare in die septima, cioè 7 giorni dopo la morte, con l'intervento di più sacerdoti, nel suo caso 5. Tale uso era piuttosto comune sia a Visino che a Sormano, dove si trovano le espressioni "intervento al funerale e settimo di otto sacerdoti", "intervento al funerale e settimo di sei religiosi" etc., e più in generale in tutta la diocesi. ma perdura anche ai giorni nostri in alcune località della Liguria.
Categorie:1z 5 I FIGLI DI OMOBONO SALA E MARIA SORMANO IT - NL
05-02-2010
Nieuwkoop profileren als kunstdorp 20-04-2005
Leidenaar Alexander Rosemeier maakte in zijn leven meer dan duizend schilderijen, waaronder dit 'Gezicht op Nieuwkoop'. Foto: Rien Bloemberg
'Nieuwkoop profileren als kunstdorp' -Leidse kunsthandelaar en lijstenmaker Simon Sala zette schilders op spoor van plassengebied
door Theo de With
NIEUWKOOP
Met alle schilderijen die ooit in Nieuwkoop zijn gemaakt, zou een flink museum te vullen zijn. De schilders van de Haagse School vertoefden graag in het plassengebied, maar in zeventiende eeuw werd het landschap van Nieuwkoop ook al op doek gezet en nog altijd wonen en werken er relatief veel kunstenaars. Dat museum is er niet en daarom heeft galeriehoudster Loekie Rijlaarsdam het initiatief genomen voor een overzichtstentoonstelling en een boek over 'Schilders van de Nieuwkoopse Plassen'.
„In de twintig jaar dat Hoeve Rijlaarsdam bestaat, hebben we veel mensen aan de deur gehad die schilderijen van Nieuwkoop of Noorden hadden geërfd. Zij wonen vaak elders in het land en daarmee verdwijnt steeds meer kunst uit de gemeente", vertelt Loekie Rijlaarsdam.
„Daarom zijn wij deze werken gaan verzamelen, met het oog op een grote tentoonstelling. In de loop der jaren hebben we al exposities gehad over Nieuwkoopse schilders als Toon Koster en Henricus Rol." Het totaaloverzicht had er in 2003 moeten komen, precies een eeuw na het sterfjaar van Jan Weissenbruch en Paul Gabriël, twee schilders die veel in het plassengebied hebben gewerkt. Het is twee jaar later geworden. Er zijn bergen werk verzet.
Het historisch genootschap is erbij betrokken, kunsthistorici hebben onderzoek gedaan, schilderijen zijn opgespoord, journaliste Leny van den Belt heeft hedendaagse kunstenaars geïnterviewd en auteur Bert Reesinck heeft er voor het boek een afgerond verhaal van gemaakt. „Ik vind het belangrijk dat Nieuwkoop zich profileert als kunstdorp", zegt de galeriehoudster ter verklaring van het werk dat ze zich op de hals heeft gehaald. „Het gemeentebestuur heeft naar mijn mening te weinig oog voor het culturele aspect van Nieuwkoop."
Voor zover te achterhalen valt, hebben Jan de Bisschop en Jo-han Abrahamsz. Beerstraten zo rond 1660 als eerste schilders het Nieuwkoopse landschap vastgelegd. Bert Reesinck: „Nederland was toen gigarijk. De meeste kooplieden woonden in de steden, maar haalden het landschap in huis door schilderijen aan de muur te hangen. Deze twee kunstenaars hebben waarschijnlijk ter plekke zitten schetsen en die later in hun atelier op doek uitgewerkt."
Op de tentoonstelling zijn ze niet vertegenwoordigd. „Beerstraten heeft een prachtig schilderij van Nieuwkoop gemaakt met de kerk, het Reghthuys en de toren. Het hangt echter in een museum in Budapest en dat leent het niet uit."
In de achttiende eeuw ging het Nederland financieel en maatschappelijk minder voor de wind en is de hausse aan landschapsschilders voorbij. Pas aan het einde van de negentiende eeuw melden ze zich weer in Nieuwkoop en Noorden. Vooral schilders van de Haagse School strijken hier neer. Door de ongebreidelde groei van Den Haag zoeken ze de natuur elders.
Volgens de overlevering is het de Leidse kunsthandelaar en lijstenmaker Simon Sala die ze op het spoor van Nieuwkoop zet. Hij heeft een zeilboot en vaart regelmatig naar de plassen om te vissen. Metgezel Jan Weissenbruch wordt op slag verliefd op het landschap en keert twintig jaar lang elk voor- en najaar terug om te schilderen. In zijn kielzog komen ook collega's als Willem Roelofs, Paul Gabriël en de gebroeders Maris naar de door turfwinning ontstane plassen.
De kunstenaars verblijven meestal in herberg Het Vliegend Paard in Nieuwkoop of het pension van 'Moeke Verzijden' in Noorden. Soms moet uit geldgebrek in natura worden betaald en wordt een Nieuwkoops tafereeltje op een wand of deur geschilderd. „Vooral Weissenbruch kon goed met de arbeiders en de boeren overweg", weet Reesinck. „Hij dronk geregeld een glas met de plaatselijke bevolking of ging mee vissen."
In de eerste helft van de twintigste eeuw krijgen schilders van de Leidse School het plassengebied in het vizier. De in Leiden geboren Abraham Segaar laat aan de plas een atelier bouwen, waar hij veertig jaar woont en werkt.
Geregeld gaat hij op pad met vroegere stadgenoten als Arend Jan van Driesten en Chris van der Windt. De vertegenwoordigers van de Leidse School werken kleurrijker dan hun voorgangers van de Haagse School. Reesinck: „Het is niet helemaal duidelijk waarom Nieuwkoop zo in trek was. De natuur rond Leiden is ook mooi. De gezelligheid en saamhorigheid zal zeker een rol hebben gespeeld." Van Driesten schrijft in brieven aan zijn pensionhoudster zelfs dat de tijd die hij in Noorden doorbracht - van 1905 tot 1911 - de mooiste van zijn leven is geweest.
Leidenaar Alexander Rosemeier werd 104 jaar en werkt er dus het langst van iedereen. Hij logeert bij moeder Verzijden en heeft enige tijd een eigen zomerhuisje. Het gebeurt ook dat hij met Van Driesten, Van der Windt en Willem van der Nat 's ochtends om vijf uur in Leiden op de fiets stapt om naar Nieuwkoop te gaan. Ze laten speciale fietstassen maken, waarin kleine doeken gaan, die precies in het frame passen. Nieuwkoop is tot op de dag van vandaag in trek gebleven als kunstenaarsdorp. Loekie Rijlaarsdam zegt daarover:
„Nieuwkoop is nooit een watersportcentrum geworden, zoals de Vinkeveense of Kager Plassen. Het ligt stiekem mooi te wezen. Dat trekt nog steeds schilders aan. Alleen is tegenwoordig ieder voor zich bezig. Ik probeer de saamhorigheid nieuw leven in te blazen door kunstcafés te houden en volgende maand een atelierroute te organiseren." Werk van hedendaagse kunstenaars wordt in het Reghthuys - sinds de jaren zestig het domein van het plaatselijke kunstgenootschap - tentoongesteld. -'Schilders van de Nieuwkoopse Plassen', t/m 29 mei (do t/m zo), Hoeve Rijlaarsdam, Nieuwveenseweg 59 en Reghthuys, Reghthuysplein 1, Nieuwkoop.
Het boek is verschenen bij uitgeverij Bert Post en kost 35 euro.
Marinus Adrianus Koene en Geertruida Catharina Assink
Hendrikus Marinus Koene werd te Amsterdam geboren op 28-05-1890. Zijn ouders waren Marinus Adrianus Koene (adj. onderofficier) en Geertruida Catharina Assink.
Hij trouwde op 24 jarige leeftijd met de in Amsterdam geboren 19 jarige Maria Henrica Philippo.
Haar ouders waren Henricus Philippo en Theresia Theodora Sala. Het huwelijk met volmacht (Koene was waarschijnlijk al in oost Indie) werd voltrokken op 29-10-1914 te Schoten. Hij was toen onderbaas havenwerken. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen bekend.
Uit een tweede huwelijk in Oost Indië met een onbekende vrouw zijn twee kinderen bekend waarvan één dochter bij naam.
Uit een derde huwelijk met Mathilda Frederika Ungerer, voltrokken in Manado Oost Indië, zijn drie kinderen bekend (in leven) uit welk huwelijk de eerste zoon in 1929 werd geboren.
Op 10 januari 1942 werd Hendrikus Marinus Koene door de Nederlandse overheid van zijn bed gelicht vanwege zijn deskundigheid met explosieven. In de rang van Kapitein van de genie moest hij bruggen in en om Manado richting Tomohon opblazen om de opmars van de japanners te vertragen.
Hij werd door de japanners gevangen genomen tijdens het uitvoeren van zijn gedwongen taak.
Uiteindelijk is hij bezweken aan een darmziekte in het jappenkamp Teling te Manado te Indonesië op 19 maart 1942.
De rest van het gezin is in 1946 overgevaren naar Nederland.
Mathilda Frederika Urger overleed op 20 mei 1962 te Santpoort Noord.
Er is bij de familie Koene niets bekend over Hendrikus Marinus Koene uit de tijd voordat hij naar Indonesie vertrok.
Wie zou Johanna Petronella Louisa Koene kunnen zijn op deze foto? Staat Theodorus Sala er misschien ook op?
Zittend vooraan: Geertruida Catharina Assink en Marinus Adrianus Koene (ouders van Hendrikus Marinus Koene)
Mille sette cento settanta tré alli venti sette di Decembre
Giuseppa Madalena Sala figlia di Giuseppe e di Gioanna Erra legitimi consorti habitanti in Vicino nata il giorno antecedente alle hore venti due in circa è stata battezzata da me infrascritto curato in questa chiesa parochiale di San Michele Arcangelo di Vicino. Il compadre fu Agnilino Riva figlio di (?); la comadre Giuseppa Sala figlia di Filippe della prepositura de Asso. L'ostetrice Giulia Sormani aprovata.
In (?) fede io R. Carlo Antonio Baij curato di Vicino
???
Giuseppa Madalena Sala - Geboorteakte 1773
Duizend zevenhonderd drieënzeventig de zevenentwintigste van december
Giuseppa Madalena Sala dochter van Giuseppe en van Gioanna Erra wettige echtgenoten en woonachtig te Vicino werd geboren de dag voordien rond tweeëntwintig uur en werd gedoopt door mij ondergetekende pastoor in deze parochiekerk San Michele Arcangelo te Vicino. De peter is Agnilino Riva zoon van (?); de meter is Giuseppa Sala dochter van Filippe van de proosdij Asso. Giulia Sormani is de erkende vroedvrouw..
In(?) fede ik Eerwaarde Carlo Antonio Baij pastoor van Vicino
19-05-1820 Giovanni Battista Luigi Sala actief in Goes
19-05-1820 Giovanni Battista Luigi Sala actief in Goes
L. SALA, is alhier gearriveerd met een assortiment fijne GALANTERIE WAREN, fijne VERLAKTE en POSTELEINE GOEDEREN, en allerlei soorten van BARROMETERS en THERMOMETERS, maakt en repareert dezelve, op de proef, tot zeer civiele prijzen. Is uitgepakt bij Mejufvr. de wed. Vaes, in de Goude Zwaan
NB. In de vorige courant was abusivelijk geplaatst: Is uitgepakt bijden Heer J. van Ham in de Nieuwe Zoutkeet.
Secondo la tradizione orale, la famiglia Sala sarebbe originaria di Pusiano (Italia - Lombardia) e si sarebbe più tardi stabilita a Visino (Italia - Lombardia) (1). Dalla lettura dei registri catastali conservati nell'Archivio di Stato di Como apprendiamo che Giuseppe Antonio Sala acquista boschi, campi, vicino ad una casa a Pusiano tra il 1726 e il 1756.
Tuttavia nei registri parrocchiali di Pusiano conservati a partire dal 1770 (2) nell' ArchivioStoricoDiocesano di Milano, il nome Sala non è menzionato da nessuna parte, nè per una nascita, o un matrimonio o un decesso. Dai registri parrocchiali di Visino (nella parrocchia stessa e nell' A.S.D. di Milano) la prima menzione (3) del nome Sala risale al 1773. Si tratta dell'atto di nascita di Giuseppa Madalena, figlia di Giuseppe Maria Sala (4) e di Giovanna Erra. Nell'atto di matrimonio di un'altra figlia, Marta Maria Sala, leggiamo che suo marito, Giuseppe Frigerio, è nato a Pusiano. Anche Catterina Frigerio, la seconda moglie di Omobono Sala (5), è nata a Pusiano (6).
La parentela tra Giuseppe Antonio Sala (abitante a Pusiano) da una parte, e Giuseppe Maria Sala (7) (domiciliato a Visino) dall'altra, resta da provare. E' possibile che la famiglia Sala si sia stabilita a Visino nel corso della seconda metà del 18° secolo.
Foto: Elisabetta Rurali - La Chiesa di S. Michele a Visino di Valbrona
Giuseppe Maria compra dei terreni a Visino. I registri di questi acquisti (Archivio di Stato di Como) ci mostrano che Giuseppe Maria (1733) è figlio di Carl'Antonio Sala. Quest'ultimo è fino ad oggi il nostro capostipite e la sua data di nascita dovrebbe situarsi intorno al 1700.
Omobono, figlio di Giuseppe Maria, compra anche lui a più riprese dei terreni a Visino. E' benestante; lo testimoniano i lasciti del suo testamento e il fatto che i suoi funerali siano celebrati da cinque preti. Omobono sposa Maria Sormano nel 1786. Avranno 4 figli che raggiungeranno a mala pena l'età di un anno. Maria muore nel 1794 poco dopo la nascita del suo quarto bambino. Omobono sposa in seconde nozze Catterina Frigerio nel 1795. Avranno undici figli. Giuseppe Maria Sebastiano (1796) e Giovanni Battista Luigi (1797) sono i maggiori, Paolo Luigi (1816) era il minore.
Foto: Elisabetta Rurali - La Chiesa di S. Michele a Visino di Valbrona
Giuseppe e Giovanni Battista Luigi lasciano l'Italia nel 1814. Se ne ignora il perchè. Nel 1820 Giuseppe fa la dichiarazione di nascita di sua figlia Marie Louise Josephine a Anversa. Dichiara anche di essere sposato con Anne Maria Markx. Suo fratello Luigi, domiciliato a Goes (Paesi Bassi - Zeeland) è presente come testimone (8).
Un anno più tardi Luigi si fa domiciliare a ‘s-Hertogenbosch (Paesi Bassi - Brabant) (9) con la sua sposa Josepha Jacoba Muskeyn. E' commerciante di gioielli. Giuseppe raggiunge qui il fratello, ma non si fa domiciliare fino al 1826. In questo atto dichiara di aver soggiornato anche ad Amsterdam e a Rotterdam nei quattro anni precedenti. Dopo Cock Rijerkerk (www.rijerkerk.net) si può aggiungere Den Haag a questa lista. Lì Giuseppe avrebbe avuto una relazione con Domina Moriggia. Malgrado la mancanza di prove formali, notiamo che Luigi cita questa famiglia in una lettera del 1828 indirizzata a suo fratello. Nello stesso atto di iscrizione è scritto che Giuseppe ha trent'anni, è disoccupato e celibe. Anne Maria Markx e sua figlia Marie Louise Josephine si ritrovano a Heusden (Paesi Bassi - Brabant). Sia nell'atto di matrimonio di Marie Louise che nell'atto di morte di Anne Maria, si menziona Giuseppe rispettivamente come padre e sposo legale (10).
Foto: Frans van Gaal en Peter Verhagen's - Hertogenbosch binnen de Veste een historische verkenningstocht
Omobono Sala muore abbastanza bruscamente il 19 maggio 1825 a Visino (11). La presenza dei suoi due figli maggiori, Giuseppe e Luigi, è indispensabile ai fini dell'eredità. Le lettere inviate dalla loro madre e anche dal sindaco di Visino restano senza risposta e la loro procura non arriva. La situazione della famiglia Sala - Frigerio diventa difficile e la famiglia conosce problemi finanziari. Finalmente l'eredità potrà essere liquidata nel 1837 attraverso la giustizia e in assenza dei figli maggiori.
Giuseppe soggiornerà a Moorsele (Belgio - Fiandre Occidentali) nel 1827 come doganiere al servizio del Regno Unito dei Paesi Bassi (12). Dopo l'indipendenza del Belgio (1830) i due fratelli abitano in due stati diversi: Luigi abita nei Paesi Bassi, mentre Giuseppe da allora è al servizio del Regno del Belgio.
Giuseppe sposa Amélie Sophie Six (1812) nel 1834. Avranno nove bambini: tre maschi e sei femmine. Désiré e Jean Louis moriranno bambini. Constant nasce nel 1854 ed è il loro figlio minore. Avrà appena tre anni alla morte di suo padre Giuseppe.
Dopo la morte della loro mamma (1871) Constant e le sue sorelle trovano un certo numero di lettere tra le quali sicuramente le quattro lettere scritte in italiano e conservate per la discendenza. Constant fa tradurre le lettere in francese dal Sig. Caffeux che lavorava nell'impresa di trasporti Gondrand Frères (13) con filiali in particolare a Mouscron (Belgio - Fiandre Occidentali) e a Milano.
Il contenuto di queste lettere rappresenta l'inizio di una ricerca di parenti nei Paesi Bassi (lo zio Luigi Sala e i suoi figli) e in Italia (zii e zie). Alcune lettere vengono inviate in diversi luoghi in Lombardia. A certe viene risposto che la famiglia ricercata risulta sconosciuta. Come sempre il Sig. Caffeux si fa carico delle traduzioni. La risposta tanto attesa è datata 2 maggio 1874. Angelina Sala-Nessi ha consultato i registri parrocchiali di Visino e unisce alla lettera una nota con i nomi di tutti i bambini nati dal matrimonio di Omobono e Catterina Frigerio. I contatti con l'Italia sono ristabiliti. La gioia e l'emozione sono intense, sia da parte belga che da parte italiana. Qualche lettera dello zio Paolo Luigi, fratello minore di Giuseppe e di Luigi, e di Luigi Folatelli, figlio maggiore di Serafina Sala (14), sono state conservate fino ad oggi.
Constant e le sue sorelle cercano i loro parenti anche nei Paesi Bassi. Nel 1874 ricevono una lettera da Rotterdam scritta da Hélène Boeracker, moglie di Luigi Sala e nuora di Luigi. Poi arriveranno ancora notizie da Gand, dove vivono Adriana Maria (Mimi) Sala, suo marito Frederik Frans Ludwig e i loro figli.
Queste lettere riappariranno circa 140 anni più tardi. Infatti, attraverso Françoise Van Geluwe ci è pervenuta la versione dattilografata (15) di queste lettere, conservata per anni nel granaio in una scatola delle scarpe. Come per miracolo ci troviamo in mano le lettere originali, conservate con cura prima da Aline Sala, figlia di Constant, poi dalla nipote, Juliette, che abita a Milano.
Le lettere contengono delle informazioni preziose sulla famiglia, su genitori e figli, sui problemi finanziari sorti dopo la morte di Omobono, sul dolore che ha provocato l'assenza di notizie da parte di Giuseppe e Luigi...
E' grazie a queste lettere che ci è venuta voglia di fare un viaggetto a Visino e dove alloggiare, in qualità di discendenti di Omobono Sala, se non all'Albergo Sala a Valbrona? Questo albergo è stato fondato nel 1860 da Paolo Luigi Sala, fratello minore di Giuseppe e Luigi, ed è tuttora gestito dalla famiglia Sala.
1 Parole di Franco Sala (°1944 - Valbrona)
2 Gli atti anteriori al 1770 sono conservati nelle Parrochie.
3 Sotto riserva.
4 Vedere categoria 2 Rapporto
5 Fratello di Giuseppe e di Marta Maria
6 Catterina e Giuseppe non sono fratello e sorella.
7 Il luogo di nascita non è menzionato nell'atto di morte (1805).
8 Vedere cat. 2 Geb. Akte BE
9 Vedi cat. 2 Bev. Reg.
10 Vedi Pelikaan 1Ovl Heusden et Pelikaan 1Huw Heusden
15 La versione francese delle lettere è stata fatta dal figlio o nipote di Virginie Sala, sorella di Constant. Francoise è una discendente di questo ramo. Si troverà copia di queste lettere dattilografate sotto categorie 2 Brieven a en 2 Brieven b.
Categorie:1z 2 ITALIANO INTRODUZIONE FAMIGLIA SALA FRIGERIO
05-01-2010
Introduction Famille Sala – Frigerio
Introduction Famille Sala - Frigerio
Selon la tradition orale, la famille Sala serait originaire de Pusiano (Italie - Lombardie) et se serait installée plus tard à Visino (Italie - Lombardie)(1). A la lecture des registres cadastraux conservés aux archives d'Etat de Como, nous apprenons que Giuseppe Antonio Sala fait l'acquisition de bois, champs, prés et d'une maison à Pusiano entre 1726 et 1756. Cependant, dans les registres paroissiaux de Pusiano conservés depuis 1770 (2) aux Archives Historiques Diocésaines de Milan, il n'est mentionné nulle part le nom Sala, que ce soit pour une naissance, un mariage ou un décès.
Dans les registres paroissiaux de Visino (à la paroisse même et aux A.H.D. de Milan) la première mention (3) du nom Sala est faite en 1773. Il s'agit de l'acte de naissance de Giuseppa Madalena, fille de Giuseppe Maria Sala (4) et de Giovanna Erra. Dans l'acte de mariage d'une autre fille, Marta Maria Sala, nous lisons que son mari, Giuseppe Frigerio, est né à Pusiano. Catterina Frigerio, la seconde épouse d'Omobono Sala(5), est née aussi à Pusiano (6).
La parenté entre Giuseppe Antonio Sala (habitant de Pusiano) d'une part et Giuseppe Maria Sala (7) (domicilié à Visino) d'autre part, reste à prouver. Il est possible que la famille Sala se soit établie à Visino au cours de la seconde moitié du 18e siècle.
Photo: Elisabetta Rurali - La Chiesa di S. Michele a Visino di Valbrona
Giuseppe Maria achète des terrains à Visino. Les enregistrements de ces acquisitions (Archives d'Etat de Como) nous apprennent que Giuseppe Maria (°1733) est le fils de Carl' Antonio Sala. Ce dernier est jusqu' aujourd'hui notre souche et sa date de naissance devrait se situer vers 1700.
Omobono, fils de Giuseppe Maria, achète lui aussi à plusieurs reprises des terrains à Visino. Il est aisé. Ainsi en témoignent les données du testament et le fait que ses funérailles sont célébrées par cinq curés. Omobono épouse Maria Sormano en 1786. Ils auront 4 enfants qui atteindront à peine l'âge d'un an. Maria meurt en 1794 peu après la naissance de son quatrième enfant. Omobono épouse en secondes noces Catterina Frigerio en 1795. Ils auront onze enfants. Giuseppe Maria Sebastiano (°1796) et Giovanni Battista Luigi (°1797) sont les aînés, Paolo Luigi (°1816) étant le cadet.
Photo: Elisabetta Rurali - La Chiesa di S. Michele a Visino di Valbrona
Giuseppe et Luigi quittent l'Italie en 1814. Nous ignorons pourquoi. En 1820 Giuseppe fait déclaration de la naissance de sa fille Marie Louise Joséphine à Anvers. Il déclare aussi être marié avec Anne Maria Markx. Son frère Luigi, domicilié à Goes (Pays-Bas - Zélande), est présent en tant que témoin (8).
Un an plus tard Luigi se fait domicilier à Bois-le-Duc (Pays-Bas-Brabant) (9), avec son épouse Josepha Jacoba Muskeyn. Il est marchand en bijoux. Giuseppe y rejoint son frère, mais ne se fait domicilier qu'en 1826. Dans cet acte il déclare également avoir séjourné à Amsterdam et à Rotterdam les quatre années précédentes. D'après Cock Rijerkerk (www.rijerkerk.net) on peut ajouter La Haie à cette liste. Giuseppe y aurait eu une relation avec Domina Moriggia. Malgré le manque de preuves formelles, notons que Luigi réfère à cette famille dans une lettre de 1828 adressée à son frère. Dans le même acte d'inscription est écrit que Giuseppe a trente ans, qu'il est sans emploi et célibataire. On retrouve Anne Maria Markx et sa fille Marie Louise Josephine à Heusden (Pays-Bas - Brabant). Dans l'acte de mariage de Marie Louise comme dans l'acte de décès d'Anne Maria, on mentionne Giuseppe en tant que respectivement père et époux légal (10).
Photo: Frans van Gaal en Peter Verhagen's - Hertogenbosch binnen de Veste een historische verkenningstocht
Omobono Sala meurt assez brusquement le 19 mai 1825 à Visino (11). La présence de ses deux aînés, Giuseppe et Luigi, est indispensable afin de régler l'héritage. Les lettres que leur mère et même le maire de Visino leur envoient restent sans réponse et leur procuration n'arrive pas. La situation de la famille Sala-Frigerio devient pénible et la famille connaît des problèmes financiers. Finalement, l'héritage pourra être réglé en 1837 par voie de la justice et ce en l'absence des fils aînés.
Giuseppe sera stationné à Moorsele (Belgique - Flandre Occidentale) en 1827 comme douanier au service du Royaume-Uni des Pays-Bas (12). Après l'indépendance de la Belgique (1830) les deux frères habitent dans deux pays différents: Luigi habite aux Pays-Bas, tandis que dorénavant Giuseppe est au service du Royaume de Belgique.
Giuseppe épouse Amélie Sophie Six (°1812) en 1834. Ils auront neuf enfants: trois garçons et six filles. Désiré et Jean Louis mourront en bas âge. Constant naît en 1854 et est leur cadet. Il aura à peine trois ans à la mort de son père Giuseppe.
Après le décès de leur mère (1871), Constant et ses soeurs trouvent un certain nombre de lettres parmi lesquelles certainement les quatre lettres écrites en italien et conservées pour la descendance.
Constant fait traduire les lettres en français par monsieur Caffeux, travaillant à l'entreprise de transports Gondrand Frères (13) avec des filiales notamment à Mouscron (Belgique - Flandre Occidentale) et à Milan.
Le contenu de ces lettres signifie l'amorce d'une recherche de parents aux Pays-Bas (l'oncle Luigi Sala et enfants) et en Italie (oncles et tantes). Des lettres sont envoyées à divers endroits en Lombardie. A certaines on répond que la famille recherchée est inconnue. Comme toujours, Monsieur Caffeux se charge des traductions. La réponse tant attendue est datée du 2 mai 1874. Angelina Sala-Nessi a consulté les registres paroissiaux à Visino et joint à la lettre un relevé des noms de tous les enfants issus du mariage d' Omobono et Catterina Frigerio. Les contacts avec l'Italie sont rétablis. La joie et l'émotion sont intenses tant du côté belge que du côté italien. Quelques lettres de l'oncle Paolo Luigi, le frère cadet de Giuseppe et de Luigi, et de Luigi Folatelli, le fils aîné de Serafina Sala (14), ont été conservées jusqu' aujourd'hui.
Constant et ses soeurs cherchent leurs parents aux Pays-Bas aussi. En 1874 ils reçoivent une lettre de Rotterdam écrite par Hélène Boeracker, épouse de Louis Sala et belle-fille de Luigi. Après, il y aura encore des nouvelles de Gand où vivent Adriana Maria (Mimi) Sala, son époux Frederik Frans Ludwig et leurs enfants.
Ces lettres réapparaîtront quelque 140 ans plus tard. En effet, par le biais de Françoise Van Geluwe nous est parvenue la version dactylographiée (15) de ces lettres, gardée de longues années au grenier, dans une boîte à chaussures. Comme par miracle nous tombent sous la main les lettres originales, soigneusement gardées d'abord par Aline Sala, fille de Constant, puis par sa nièce Juliette habitant à Milan.
Les lettres contiennent des informations précieuses sur la famille, sur les parents et les enfants, sur les problèmes surgis au décès d'Omobono, sur la peine qu'a provoquée l'absence de nouvelles de la part de Giuseppe et Luigi...
C'est par ces mêmes lettres que l'envie nous est venue de faire un petit voyage à Visino. Et où, en tant que descendant d'Omobono Sala, peut-on être mieux logé qu'à l'Albergo Sala à Valbrona? Cet hôtel a été fondé en 1860 par Paolo Luigi Sala, frère cadet de Giuseppe et Luigi, et est toujours exploité par la famille Sala.
Merci Philippe pour la traduction!
1 Paroles de Franco Sala (Valbrona °1944).
2 Les actes d'avant 1770 sont conservés dans les paroisses.
3 Sous réserve
4 Voir catégorie 2 Rapporto
5 Frère de Giuseppa et de Marta Maria
6 Catterina et Giuseppe ne sont pas frère et sœur.
7 Le lieu de naissance n'est pas mentionné dans l'acte de décès (1805).
15 La version française des lettres a été faite par le fils ou petit-fils de Virginie Sala, soeur de Constant. Françoise est une descendante de cette branche. On trouvera une copie de ces lettres dactylographiées sous categorie 2 Brieven a en 2 Brieven b.
Categorie:1z 3 FRANÇAIS INTRODUCTION FAMILLE SALA FRIGERIO
04-01-2010
Inleiding Familie Sala – Frigerio
Inleiding Familie Sala - Frigerio
Volgens de mondelinge overlevering zou de familie Sala afkomstig zijn van Pusiano (Italië - Lombardije) en zou ze zich pas later gevestigd hebben in Visino (Italië - Lombardije) (1). Uit de kadastrale registers bewaard in het Staatsarchief te Como vernemen we dat Giuseppe Antonio Sala tussen 1726 en 1756 bossen, akkers, weilanden en een huis aankoopt in Pusiano. In de parochieregisters van Pusiano, vanaf het jaar 1770 (2) bewaard in het Archivio Storico Diocesano te Milaan, wordt echter geen melding gemaakt van geboorte, huwelijk of overlijden van personen met de naam Sala.
In de parochieregisters van Visino (parochie en Archivio) dateert de eerste vermelding (3) van de naam Sala uit 1773. Het betreft de geboorteakte van Giuseppa Madalena, dochter van Giuseppe Maria Sala (4) en van Giovanna Erra. In de huwelijksakte van een andere dochter, Marta Maria, lezen we dat haar echtgenoot, Giuseppe Frigerio afkomstig is van Pusiano. Ook Catterina Frigerio, de tweede echtgenote van Omobono Sala (5), is geboren in Pusiano (6).
Of er verwantschap bestaat tussen enerzijds Giuseppe Antonio Sala woonachtig te Pusiano en anderzijds Giuseppe Maria Sala (7) woonachtig te Visino moet nog aangetoond worden. Mogelijk heeft de familie Sala zich in de loop van de tweede helft van de 18de eeuw in Visino gevestigd.
Foto: Elisabetta Rurali - La Chiesa di S. Michele a Visino di Valbrona
Giuseppe Maria koopt gronden aan in Visino. De registraties van deze aankopen (Staatsarchief Como) leren ons dat Giuseppe Maria (°1733) de zoon is van Carl' Antonio Sala. Deze Carl'Antonio Sala is tot op heden onze stamvader en mogelijk situeert zijn geboortedatum zich omstreeks 1700.
Ook de zoon van Giuseppe Maria, Omobono, koopt meermaals gronden aan in Visino. Hij is een welstellend man. Dat mag blijken uit de erfenisgegevens en uit het feit dat zijn uitvaart verzorgd wordt door vijf priesters. Omobono huwt met Maria Sormano in 1786. Samen hebben ze vier kinderen. De kinderen bereiken nauwelijks de leeftijd van een jaar. Maria overlijdt in 1794 kort na de geboorte van het vierde kind. Omobono hertrouwt in 1795 met Catterina Frigerio. Het gezin telt elf kinderen. Giuseppe Maria Sebastiano (°1796) en Giovanni Battista Luigi (°1797) zijn de twee oudste kinderen, Paolo Luigi (°1816) is de jongste.
Foto: Elisabetta Rurali - La Chiesa di S. Michele a Visino di Valbrona
In 1814 vertrekken Giuseppe en Luigi uit Italië. De reden van dit vertrek is ons onbekend. In 1820 doet Giuseppe in Antwerpen aangifte van de geboorte van zijn dochter Marie Louise Josephine. Hij verklaart gehuwd te zijn met Anne Maria Markx . Zijn broer Luigi, woonachtig te Goes (Nederland - Zeeland) is aanwezig als getuige (8)
Een jaar later laat Luigi zich samen met zijn echtgenote Josepha Jacoba Muskeyn registreren als inwoners van 's-Hertogenbosch (Nederland - Brabant) (9). Hij is koopman in bijouteriën. Giuseppe volgt zijn broer maar laat zich maar eerst inschrijven in 1826. Hij verklaart de voorbije vier jaar ook in Amsterdam en in Rotterdam te hebben vertoefd. Volgens Cock Rijerkerk (www.rijerkerk.net) mag men Den Haag aan het rijtje toevoegen. Giuseppe zou daar een relatie hebben gehad met Domina Moriggia. Harde bewijzen ontbreken. Toch is het opmerkelijk dat Luigi later in 1828 in een brief gericht aan zijn broer verwijst naar deze familie. Verder lezen we in het inschrijvingsdocument dat Giuseppe dertig jaar oud is, geen beroep heeft en ongehuwd is. Anne Maria Markx en haar dochter Marie Louise Josephine vinden we terug in Heusden (Nederland - Brabant). Zowel in de huwelijksakte van Marie Louise als in de akte van overlijden van Anne Maria staat Giuseppe vermeld als vader of wettige echtgenoot (10).
Foto: Frans van Gaal en Peter Verhagen
's-Hertogenbosch binnen de Veste een historische verkenningstocht
Omobono Sala overlijdt vrij plots op 19 mei 1825 in Visino (11). De aanwezigheid van de twee oudste zonen, Giuseppe en Luigi, is noodzakelijk om de erfenis te regelen. Ondanks de brieven van hun moeder en van de burgemeester van Visino reageren zij niet en blijft hun volmacht uit. Het gezin Sala-Frigerio belandt in een benarde situatie en heeft het financieel erg moeilijk. De erfenis zal uiteindelijk in 1837 via tussenkomst van het gerecht geregeld worden in afwezigheid van de oudste zonen.
Giuseppe wordt als douanier in dienst van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden gestationeerd in Moorsele (België - West-Vlaanderen) in 1827 (12). Na de onafhankelijkheid van België (1830) wonen de twee broers in twee verschillende landen: Luigi woont in Nederland en Giuseppe staat nu in dienst van het Koninkrijk België.
In 1834 huwt Giuseppe met Amélie Sophie Six (°1812). Samen hebben ze negen kinderen: drie jongens en zes meisjes. Désiré en Jean Louis overlijden op zeer jonge leeftijd. Constant wordt geboren in 1854 en is het jongste kind. Hij is amper drie jaar oud bij het overlijden van zijn vader Giuseppe.
Na het overlijden van hun moeder (1871) vinden Constant en zijn zussen een aantal brieven waaronder zeker de vier brieven in het Italiaans geschreven en voor het nageslacht bewaard.
Constant laat de brieven in het Frans vertalen door de heer Caffeux, werkzaam bij het transportbedrijf Gondrand Frères (13) met filialen o.a. te Moeskroen (België -West-Vlaanderen) en Milaan.
De inhoud van de brieven geven de aanzet tot een zoektocht naar de familie in Nederland (oom Luigi Sala en kinderen) en in Italië (ooms en tantes). Er worden brieven verstuurd naar verschillende plaatsen in Lombardije. Een aantal brieven worden beantwoord met de mededeling dat de gezochte familie onbekend is. De heer Caffeux zorgt steeds voor de vertalingen. Het verlossende antwoord volgt op 2 mei 1874. Angelina Sala-Nessi heeft in Visino de parochieregisters geraadpleegd en voegt een overzicht van de namen van alle kinderen uit het huwelijk van Omobono en Catterina Frigerio bij haar brief. De contacten met Italië worden hersteld. De vreugde en de ontroering zijn intens zowel langs Belgische als langs Italiaanse zijde. Enkele brieven van oom Paolo Luigi, jongste broer van Giuseppe en van Luigi, en van Luigi Folatelli, oudste zoon van Serafina Sala (14), bleven bewaard.
Ook in Nederland zoeken Constant en zijn zussen naar verwanten. In 1874 ontvangen zij een brief uit Rotterdam geschreven door Hélène Boeracker, echtgenote van Louis Sala en schoondochter van Luigi. Later volgt er ook nieuws uit Gent waar Adriana Maria (Mimi) Sala zich gevestigd heeft met haar echtgenoot Frederik Frans Ludwig en hun kinderen.
Zo'n 140 jaar later bieden de brieven zich weer aan. Via Françoise Van Geluwe bereiken ons de getypte versies (15) van de brieven, jarenlang in een schoendoos op zolder bewaard. In Milaan vinden we als bij wonder de originele brieven, zorgvuldig bewaard eerst door Aline Sala, dochter van Constant, en later door haar nichtje Juliette verblijvend te Milaan.
De brieven bevatten kostbare informatie over de familie, over ouders en kinderen, over de problemen na het overlijden van Omobono, over het verdriet bij het uitblijven van nieuws vanwege Giuseppe en Luigi...
Ook voor ons de aanzet om een reisje te ondernemen naar Visino. En waar kun je als afstammeling van Omobono Sala beter logeren dan in de Albergo Sala te Valbrona? Deze Albergo werd in 1860 opgericht door Paolo Luigi Sala, jongste broer van Giuseppe en Luigi, en wordt tot op heden uitgebaat door de familie Sala.
1 Zo vertelde Franco Sala (Valbrona - °1944) ons het verhaal.
2 Akten daterend van voor 1770 worden in de parochies bewaard.
3 Onder voorbehoud...
4 Zie categorie 2 Rapporto
5 broer van Giuseppa en Marta Maria
6 Catterina en Giuseppe zijn geen broer en zus.
7 In de akte van overlijden (1805) wordt de geboorteplaats niet vermeld.
15 Franse vertaling van de brieven gemaakt door zoon of kleinzoon van Virginie Sala, zus van Constant. Françoise is een afstammeling van deze tak. Deze getypte brieven vindt men onder de categorie 2 Brieven a en 2 Brieven b.
Categorie:1z 4 NEDERLANDS INLEIDING FAMILIE SALA FRIGERIO GENEALOGIE
19-10-2009
21-07-1824 C.F. Sala van Hogewoerd naar Breedestraat
*** BURGEMEESTER en WETHOUDERS der Stad LEYDEN, zijn van mening voor den tijd van vijf jaren en vijf maanden, ingaande primo Augustus 1824, en zullende, eindigen ultimo December1829, in het openbaar te verpachten: Het invorderen der Pasage of poort -, boom-, Brug- en Haven-gelden aan de ZIJLPOORT derzelver Stad betaald wordende. De voorschrevene Verpachting zal geschieden ter Kamer van H.H. Burgemeester en Wethouders, op het Raadhuis der Stad Leyden, eerst bij inschrijving en daarna bij opbod op Maandag den zes en twintigsten Juli 1824, des middag ten twaalf ure, volgens Conditien en Voorwaarden, bij den Ed. Achtb. Raad dezer Stad goedgekeurd, welke van heden af ter Rekenkamer derzelve Stad kunnen worden gezien en gelezen.
*** N. en J. en R. van STAPHORST adverteeren, dit ten hunnen Kantoore met primo Augustus aanstaande, dagelijks, behalve des Zaturdags , op denzelfden voet als bij vorlge Advertentiën is gemeld, zal worden gevaceerd ter AFLOSSING van drie en veertig AANDEELEN van de ASSOCIATIEN op AMER1CAANSCHE FONDSEN. In de Jaren 1805 en 1807 gedaan, met Negen Honderd Vijf en Tachtig Guldens Aandeel en bijbetaling van f 31. 13. -voor ZEVEN MAANDEN INTREST, alsdan op ieder derzelve verschenen. Zijnde Uitgeloot van de Associatie van 1805, 24 AANDEELEN. N°. 104. l06. 129. 364. 454. 615. 823. 897. 1034. 1202. 1204. 1327. 1724. 2050. 2098. 2269. 2286. 2431. 2456. 2616. 2673. 2772. 2773. en 2880. En van de Associatie van 1807, 19 AANDEELEN. N° 75. 78. 153. 309. 333. 505. 563. 635. 880. 937. 973. 1051. 1466. 1544. 1581. 1973.1859. 1894 en 1969.
*** De Ondergeteekende heeft de eer, het geacht Publiek van Leyden te Verwittigen, dat hij voornemens is, hier ter stede aan Dames onderrigt te geven in het maken van PARYSSCHE BLOEMEN, alsmede in het Verwen in verschillende kleuren van Zijde en Mousselinen, welke tot Bloemen gebruikt worden, doch daar zijn verblijf alhier, van een genoegzaam aantal deelnemers afhangt, zoo verzoekt hij minzaam die geene, welke genegen zijn dit onderrigt te erlangen, hem ten eersten hier mede te willen begunstigen. In verscheide groote Steden van Duitschland had hij het genoegen zijne leerlingen in weinig tijds zoo verre te brengen dat zij in staat waren om alle Bloemen na te maken; hij vleid zich derhalve ook, hier dit doel te bereiken. Ook geeft hij onderrigt in alle mogelijke papier, bordpapier en wasch-arbeid, en hersteld ook oude Bloemen. De prijs der lessen zijn bepaald, per uur, voor vier Personen, eenGulden, doch echter is het nodig, dat de Leerlingen twee achtereenvolgende uren onderwijs genieten, terwijl de tijd van één uur tot het fabriceeren van Bloemen, te kort is. Hij is gelogeerd hij de Wed: hooyman. op de St. Pieters Kerkgragt W. van der. HOOP, Bloemen- Fabrikant van Brunswyk.
*** De Winkel van C. F. SALA, Vergulder en Spiegelmaker, gewoond hebbende op de Hoogewoerd. te Leyden, is verhuisd naar de Breedestraat, Wijk IV. No. 335, over de Vrouwesteeg. Recommandeert zich verder in ieders gunst.
*** PAARDEN MARKT binnen de Stad LEYDEN, op DINSDAG den 13 SEPTEMBER 1825
*** POSTWAGEN-BERIGT. - NIEUWE ONDERNEMING. De Ondergetekenden, Ondernemers der KONINKLIJKE DILIGENCES van Utrecht, door Harmelen , Woerden, Bodegraven , Zwammerdam, Alphen en Leyden naar 's Hage vice verfa, berigten het geëerd Publiek en den Koophlandel, dat met dezen dienst eenen aanvang zal worden gemaakt, op Donderdag den 1ften September aanftaande; zullende dezelve alzoo dagelijks vertrekken van 's Hage, des namiddags precies ten 3 ure, om des avonds vóór 9 ure te Utrecht te arriveeren; en van Utrecht des namiddags precies ten half vijf ure, om des avonds vóór half elf ure in 's Hage aan te komen.
Doch met den 1ften October en gedurende het winter- faifoen, zal dezelve des morgens ten 7 ure van Utrecht vertrekken, om des middags ten één uur te 's Hage te arriveeren, en weder van daar ten 2 ure retourneeren om des avonds vóór 8 ure te Utrecht aan te komen. Deze Diligence zal afreiden te 's Hage ten huize van Schreuder in de Hooge Nieuwftraat, en te Utrecht voor het Logement het Zutphenfche Posthuis, alwaar de plaatfen befproken, en de goederen, gelden enz., ter verzending afgegeven kunnen worden.
De prijzen der plaatzen voor pasfagiers, zoo wel als de vracht der goederen, gelden enz., zijn zeer matig gefteld, en men zal in alle opzigten eene folide bediening in dezen dienst ondervinden. LOUIS VERMEULEN, te Utrecht, en J. DEN DEKKER, te 's Hage.
*** Er wordt gevraagd een BOVEN-HUIS, met niet minder dan vijf appartementen, bij fatfoenlijke Burgerlieden binnen de Stad Leyden; iemand tot de verhuring hiervan inclinerende, adresfere zich ten fpoedigften bij den Heer C.F. SALA, op de Breedeftraat, te Leyden voornoemd, onder letter G.
*** Door verandering van Affaire UIT DE HAND TE KOOP, een zeer goed doortimmerd HUIS, zijnde een wel beklante Kruideniers- en Tapperswinkel, ftaande op een der volkrijkfte ftraten der Stad Leyden, voorzien, van alle tot een wel ingerigte Woning behoorende gemakken, als ook behange boven-Kamers, zeer gefchikt tot verhuring. Nadere informatie bij de Boekhandelaars J. J. THYSSENS EN ZOON, te Leyden voornt.
*** Bij den Boekhandelaar C.C. VAN DER HOEK te Leyden, wordt heden uitgegeven: DE PLATTE GROND DER STAD LEYDEN, volgens opneming in den Jare 1825, zijnde gedrukt op roijaal velin papier; de prijs derzelve is in 't zwart f 1 - 50 cents, en gecouleurd ƒ 1 - 80 cents.
*** LEIDEN. - De Gezigtkundige Glazen- en Brillenflijper MAGNUS MORIS, berigt het geëerde Publiek, dat hij alhier te fpreeken of te ontbieden is in het Logement de gouden Leeuw, op de Breedeftraat, op Heden, Maandag en Morgen, Dingsdag den 22 en 23 dezer; zijne ervarenheid in dit vak, bij de voornaamfte Oculisten bekend, laat geen twijfel over of zij, die zich van eene goede BRIL bedienen willen, tot conferveering van het Gezicht tot in den hoogfte ouderdom, zullen hem met hunne gunst vereeren.
4-11-1850 - 11-11-1850 Overname Brouwerij GEBs. SALA
De Ondergeteekenden, hunne BIERBROUWERIJ, genaamd: 't Hert, aan de Heerengracht alhier, met den eersten November 1850, aan den Heer G.W. VAN DER SPRUYT overgedaan hebbende, geven zich de eer dit ter kennis hunner geëerde Stadgenooten en verdere Begunstigers te brengen, hen tevens vriendelijk bedankende voor het vertrouwen, dat zij gedurende tien jaren, zoo ruimschoots mogten genieten; terwijl zij deze gelegenheid waarnemen hunnen Opvolger in diezelfde begunstiging aan te hevelen. LEYDEN, l November 1850. GEBs. SALA.
De Ondergeteekende, de BIERBROUWERIJ, genaamd: 't Hert, aan de Heerengracht alhier van de Heeren GEBRs. SALA, op heden overgenomen hebbende, zal die zaak voor zijne rekening, onder de leiding van den Heer C.F. SALA voortzetten; terwijl hij de vrijheid neemt zich in de welwillende attentie zijner geëerde Stadgenooten en verdere Begunstigers aan te bevelen, belovende door eene prompte en soliede bediening, zich het vertrouwen waardig te maken, dat zijne Voorgangers een' geruimen tijd mogten ondervinden. LEYDEN, 12 November 1850. G. W. VAN DER SPRUYT.
10-06-1859 Leiden: Diverse verslagen anno 1859 waaronder het welvaren van de bedrijven Sala en Schretlen
Leiden: Diverse verslagen anno 1859 waaronder het welvaren van de bedrijven Sala en Schretlen.
BINNENLANDSCHE BERIGTEN.
LEYDEN, 9 Juni.
De maatschappij tot Nut van 't Algemeen zal hare 75sten algemeene vergadering openen op Dingsdag 9 Augustus, des morgens ten 10 ure, in het kerkgebouw der doopsgezinde gemeente te Amsterdam. De werkzaamheden der vergadering zullen geleid worden door den heer mr. M.J. de Lange.
- De synodale commissie der herv. kerk heeft den 28sten Mei de werkzaamheden harer voorjaars-zittingen geëindigd. Volgens haar laatste officieel berigt heeft zij, onder anderen, overeenkomstig het mandaat, haar door de synode gegeven, met alle mogelijke zorg het concept- reglement ter uitvoering van art. 23 algemeen reglement, met de noodige toelichtingen, ontworpen, hetwelk alzoo aan de synode zal worden aangeboden. Ten opzigte van den somwijlen te lang gewenschten abnormalen toestand der diaconiën zal de synodale commissie, door een voorstel deswegens aan de snyode, trachten dien, in den regel, te doen ophouden.
- De Staats-Cour. van heden bevat het rapport aan den minisier van binnenl. zaken van de jury benoemd voor de toekenning der rijks- en gemeente-medailles aan in- en buitenlandsche kunstbeoefenaren, die wegens hunne op de thans geopende tentoonstelling van schilderijen te 's Gravenhage geplaatste werken daarop aanspraak kunnen maken. Die jury bestond uit de hh. Practorius, Büchler, Mock, Steengracht d'Oosterland, Vis Blokhuyzen, de Vos Jz. en Schutze van Houten. In dit rapport zegt de jury het volgende:
Wij zijn na nauwkeurig onderzoek en onderlinge vergelijking der verschillende verdiensten van de ten toon gestelde werken en na ernstige en rijpe overweging, welk een en ander door de even gewigtige als teedere belangen, die aan ons waren toevertrouwd, van ons geëischt werden, tot het besluit gekomen aan Uwe Exc. voor te stellen, de bedoelde medailles aan de hierna alphabetisch gestelde kunstenaars toe te kennen, als: de rijks-medaille, aan de hh. II. A. de Bloeme, te 's Gravenhage; A. Waldorp, te Amsterdam; J. Weissenbruch, te 's Gravenhage; E. Hildebrandt, te Berlijn; J. van Severdonck, te Brussel, en E. Tschaggeny, te Brussel. De gemeente-medaille, aan de hh. M. Calisch, te Amsterdam; W.A. van Deventer, te Amsterdam; J.H.L. de Haas, te Oosterbeek; L. Hanedoes, te 's Gravenhage; D.F. Jamin, te Amsterdam; J.B. Torn, te 's Graven-hage; W. Verschuur, te Haarlem; J. Coomans, te Brussel; L. de Cuyper, te Antwerpen, en C.H. D'Unker, te Dusseldorp.
- Over de gemeente Wouw (Noordbrabant) is Zondag een hevig onweder losgebarsten. De bliksem sloeg in den kerktoren, nam een gedeelte van de spits en het schaliëndak weg, drong vervolgens naar binnen door, kwam het voorportaal uit en trof aldaar eenige kinderen, waarvan een 14-jarig knaapje gedood werd en vier andere gekwetst zijn. -
Uit het Verslag van den toestand dezer gemeente, door burgemeester en wethouders aan den gemeente-raad gedaan, nemen wij de volgende bijzonderheden over:
Hoofdst. XIV. Ambachts- en fabrieksnijverheid. Omtrent den staat van het fabriekwezen over het afgeloopen jaar wordt verwezen naar het verslag der kamer van koophandel en fabrieken dat onder de bijlagen is opgenomen. In verband daarmede slaan twee andere bijlagen, houdende een overzigt van de hoeveelheid manufacturen, geheel of gedeeltelijk van wolle zamengesteld, waarvan de weefattesten bij directeuren der Leydsche halle zijn geviseerd en geregistreerd, benevens eene opgave der voornaamste binnen deze gemeente aanwezige fabrieken, met het aantal der daarin geplaatste stoomwerkluigen.
- Het aantal der in de lakenfabrieken vervaardigde stukken laken was in dit jaar grooter dan in het vorige jaar.
- Het massive getal stukken polemieten. in 1858 vervaardigd, is ongeveer hetzelfde als dat der vorige jaren geweest.
- De wollengreinen hebben vooral debiet gevonden aan het Indische leger. - De wollen en zijden-damastfabriek heeft ten gevolge der nieuwe en goedkoopere mode-artikelen een minder ruim debiet en het fabrikaat zelf wordt uit Frankrijk, Oostenrijk en Engeland hier boven de behoefte ingevoerd.
- Daar de reederijen ongunstige resultaten opleveren, heeft dit noodwendig invloed op het vertier der vlaggedoek-fabrieken gehad.
- De dekenfabrieken hebben, niettegenstaande de Limburgsche en Belgische concurrentie, een niet verwacht debiet gehad. De goede qualiteit der Leydsche dekens, gepaard aan de weinige variatie der grondstof voor dit fabriekaat, ontstaat doordien meer en meer Oost-Indische wollen gebruikt worden.
- De saaifabrieken werken uitsluitend voor het leger hier te lande, de marine en het koloniale leger; de fabrikatie regelt zich naar de meerdere of mindere aanvraag daarvoor. Het debiet der saaijetfabrieken is niet toegenomen. Door de buitengewone duurte van de wol is er zonder voordeel gewerkt; de prijzen, die voor het fabrikaat te bedingen waren, stonden niet in evenredigheid tot den prijs van de grondstof. De wollengarens zijn niet achteruit gegaan.
- De kousenfabrieken vonden ruimen aftrek; doch door de groote concurrentie van buiten 's lands waren de fabrikanten meer tot algemeen welzijn dan tot eigen voordeel werkzaam, hoewel de werkloonen niet hoog zijn.
- Ofschoon het tweede gedeelte van het jaar zich voor de loonspinnerijen door meer bedrijvigheid heeft gekenmerkt dan de eerste helft, is het geheele jaar als minder dan middelmatig te beschouwen.
- De katoendrukkerij en Adrianopelroodverwerij heeft het geheele jaar onafgebroken voortgewerkt; terwijl de in het vorige jaar plaats gehad hebbende vergrooting der gebouwen en het steeds toegenomen debiet van het fabriekwerk aanleiding heeft gegeven tot het maken van eenen nieuwen stoomketel van 75 paardekracht, benevens het leggen van de fondamenten voor eene nieuwe stoommachine met twee cilinders van 40 paardekracht. Het getal der werklieden bedraagt tusschen 530 en 540.
- De twee wattenfabrieken, waarvan de een ook lampen- en kaarsenkatoen spint, hebben geregeld gewerkt.
De perserij van vlaggedoek, saai, greinen enz. houdt zich staande.
- De hoedenfabriek is steeds toenemende in uitgebreidheid en deugdelijkheid.
- De wol- en zijdeverwerijen hebben over het geheel niet genoegzaam regelmatig werk, om de verwloonen lager en gelijk
(zie volgende hieronder)
met die van het buitenland te kunnen stellen; echter dient opgemerkt te worden dat de Leydsche verwerijen zich onderscheiden door solide en goede kleuren.
- De koffijsiroopfabriek werkt geregeld.
- De twee door stoom gedreven maroquin- en gekleurd-lederfabrieken vinden een geregelden aftrek voor hun fabriekaat.
- De zeemtouwerij , lijmziederij en traankokerij hadden een goed debiet.
- De vellenblooterijen zijn op denzelfden voet blijven werken.
- De boezels hebben een vrij goed debiet gehad; doch door de toenemende weelde onder de landlieden, wordt dit artikel al meer en meer door fijnere stoffen vervangen.
- De behangselfabriek werkt met zeer bevredigend resultaat.
SALA
- De spiegel- en spiegellijstenfabriek onder de firma D. Sala en Zoon, heeft een nieuw vak ingevoerd, namelijk de machinaal getrokken lijsten en het vervaardigen van ornamenten van Cartonpierre. De tot nu toe aan deze firma verbonden fabriekatie van sommige physische en chemische instrumenten zal daarvan afgescheiden en, onder de firma D.A. Sala, uitgebreid worden.
- De pottenfabriek heeft onafgebroken doorgewerkt.
- Ofschoon de meubelmakerijen den algemeenen invloed ondervonden van de mindere bedrijvigheid in het eerste gedeelte van 1858, mag de toestand over het geheel niet ongunstig genoemd worden. Veel wordt hier gewerkt voor magazijnen in andere gemeenten en provinciën, hetgeen de verklaring geeft van het groot getal (66) werkbazen. Gelijk de nijverheid hier geheel gevestigd schijnt ie zijn op de lage dagloonen, zoo worden ook de prijzen van het fabrikaat door onder-aanbesteding zeer gedrukt en schijnen de verdiensten zeer matig te zijn.
- De tras- en pleisterfabriek is, gelijk reeds sints vele jaren, druk werkzaam geweest.
- Wat de scheepmakerijen betreft, zoo hebben de binnenwerven, zes in getal, zich goed kunnen staande houden.
- De laatste fabriek van zeildoek is naar België verplaatst.
- De stedelijke gaz-fabriek heeft ook in 1858 haar debiet steeds zien toenemen.
SCHRETLEN
- De ijzergieterij en fabriek van werktuigen van D.A. Schrellen en Co., heeft haren werkkring uitgebreid door de oprigting eener stoomketel-makerij. In het jaar 1858 is in deze fabriek de grootste der hier te lande gemaakte gaz-houders voor de nieuwe gaz-fabriek te Rotterdam vervaardigd, welke niets te wenschen overlaat. Hij was 90 Engelsche voeten wijd, bij eene hoogte van 20 Engelsche voeten en alleen het beweegbaar gedeelte was 54000 Nederl. of 120.000 Engelsche ? zwaar.
- De koninklijke Nederl. grofsmederij heeft steeds aan hare werklieden voldoend werk kunnen verschaffen. Het vervaardigen van eene kapitale ijzeren brug over de Westerhaven te Rotlerdam, en van een klokbakenschip, welke beide voorwerpen de volkomene goedkeuring wegdroegen, heeft het gebrek aan navraag om knieën en andere scheepsbenoodigdheden minder gevoelig gemaakt.
- Bij de rijstpeillerij, die goed gewerkt heeft, is gevoegd het malen van mout voor de branderijen.
- Van de vier branderijen 1ste klasse, hebben er twee door verandering van eigenaars niet onafgebroken doorgewerkt; de vier branderijen 6de klasse (distilleerderijen) schijnen hun debiet staande te houden.
- De twee hier gevestigde bierbrouwerijen schijnen meer voor- dan achteruit te gaan.
- De kuiperijen hebben in den regel goed kunnen doorwerken, hoezeer het getal geijkt botervaatwerk 10,000 stuks minder is geweest dan in 1857. Ter ijk namelijk zijn aangeboden 514 stuks ¼ vaten, 22682 stuks ⅛ vaten , 6246 stuks1/16e, vaten. Het minder debiet in botervaatwerk is vergoed door eene buitengemeen groote aanvraag om vaten voor ansjovis.
- De boekdrukkerijen schijnen op de hoogte van elders te staan, zoowel wat uitvoering als prijzen betreft. Slechts ééne steendrukkerij, waaraan ook een kleur-atelier verbonden is, neemt in belangrijkheid toe en werkt ook voor de Indische bezittingen.
- Het debiet der zeepziederijen is toegenomen.
- De wolhandel was niet minder dan dan vroeger; er hebben weder groote uitvoeren naar Frankrijk plaats gehad, terwijl er meer vreemde wolsoorten van elders in deze gemeente zijn ingevoerd en verwerkt.
- De veemarkt is ook dit jaar toegenomen.
- Veraccijnsd zijn 113.741½ ton spon- of baggerturf en 474.042 ton lange of steekturf. Ten behoeve van fabrieken of lakken van nijverheid zijn ingeslagen 111.707 ton turf 2de soort 3de klasse, 408.549 pondschaalkolen, 109.878½ mud maatkolen, 5838 mud coaks, 83.650 pondruwzout, 20.367 pond zachte zeep, 3829 pondharde zeep.
- In 1858 zijn hier aangekomen uit België 30 schepen en uit Pruissen 20 schepen.
- Aan de halle van manufacturen werden geviseerd en geregistreerd 2192 weefattesten voor fijne lakensche casimieren, 3565 voor greinen, 946 voor vlaggedoeken, 1790 voor dekens en duffels, 718 voor baaijen, saaijen en andere wollen manufacturen.
De afdeeling Leyden van de Nederl. maatsch. ter bevordering van nijverheid, gevestigd te Haarlem, telt thans 126 leden, die van de Nederl. vereen. ter bevordering van fabrieks- en handwerknijverheid, gevestigd te 's Gravenhage, 40 leden, terwijl de maandelijksche vergaderingen van hunne belangstelling doen blijken.
- De openbare lessen over de scheikunde, toegepast op de nijverheid en de behoefte van het dagelijksch leven werden ook in dit jaar weder geregeld gegeven en door een aanzienlijk getal toehoorders bijgewoond.
Hoofdst. XV. Handel en scheepvaart. De weekmarkten worden druk bezocht, om de uitgebreidheid van den handel in boter, graan en vee; maar de kermis of jaarmarkt vermindert in belangrijkheid.
In 1858 is voor het vervoer van reizigers langs den Hollandschen ijzeren spoorweg aan het station te Leyden ontvangen de som van ƒ 106716.98½ of 4382.81½ meer dan in 1857. Het vervoer van goederen bragt op ƒ24143.40. Het getal reizigers, dat naar Leyden werd vervoerd, beliep 111303 of 1/10e van het totaal; terwijl met den spoorweg-telegraaf van Leyden 1952 en naar Leyden 2260 berigten werden gezonden.
Hoofdst. XVI. Inrigtingen, in verband staande met de uitoefening van handel en andere bedrijven. Een streng toezigt op de bestaande verordeningen, voor den ijk der maten en gewigten gehouden, heeft aanleiding tot het ontdekken en straffen van onderscheidene overtredingen gegeven.
De meeste lezers dezer Courant zullen voorzeker met belangstelling kennis hebben genomen van het oordeel der jury van deskundigen over de uit Leyden ingezondene voorwerpen op de Algemeene Nationale Tentoonstelling van Nijverheid te Haarlem; met gespannen verwachting werd dit oordeel door menig inzender tegemoet gezien, en, zooals doorgaans, zijn de verwachtingen van den een verwezenlijkt, terwijl de ander daarin werd teleur gesteld.
Moesten wij in der tijd de juistheid der klagt erkennen "wat zijn er weinige inzenders uit Leyden," toch meenden wij regt te hebben om zeggen, dat Leyden's industrie in menig opzigt waardiglijk op de Algemeene Nationale Tentoonstelling werd vertegenwoordigd; en thans wordt de waarheid dezer bewering door het oordeel der jury gestaafd.
Immers van 57 inzenders, aan wie eene 1e of zilveren medaille is toegewezen of aan wie deze zoude zijn toegekend, indien zij geene leden der jury waren geweest; zijn 5 leden van het Leydsche departement, waarvan 4, t.w. de heeren J. Scheltema, J.C. Zaalberg, W. Wolters en B.F. Kranz inwoners van Leyden, terwijl de vijfde, de heer J.M. van Kempen zijne belangrijke Fabriek in het naburige Voorschoten gevestigd heeft.
Elf tweede of bronzen medailles werden aan inzenders uit Leyden toegekend, namelijk aan de heeren P.L. Paters, Sanders & Co, J.H. Noortveen & Co, J. en A. le Poole, J.J. Hoogeboom & Zoon, Gebr. van Wijk & Co, Jan Zuurdeeg & Zoon, P. van der Meer & Zonen, H.A. Schmier, D. Sala & Zonen en A.W. Sythoff.
Eindelijk nog werd het fabriekaat van 7 inzenders uit Leyden, t.w. van de heeren F. Hakkaert, J.C. van Vuuren, L.H. Vervoort & Co, Gebs. ven Wijk & Co, J.E. Zirkzee, D. Noothoven van Goor en C.A. Emeis eene eervolle vermelding waardig gekeurd.
Voorwaar! wij mogen dit oordeel over de voortbrengselen van Leyden's industrie alleszins verblijdend noemen, wij mogen trotsch zijn op de inzenders uit Leyden, en hun dank weten, dat zij den naam en de eer onzer stad op de Haarlemsche Tentoonstelling naar eisch hebben gehandhaafd.
De onderscheiding, aan de meesten van hen te beurt gevallen, zij hun ten spoorslag, om voort te gaan met hunnen ijver en hunne krachten aan de ontwikkeling der nijverheid te wijden! Het is ons niet onbelangrijk voorgekomen, na te gaan hoe de verhouding der bekrooningen tot het aantal der inzenders hier en elders is.
Daartoe hebben wij uit de alphabetische naamlijst, achter den catalogus geplaatst, het aantal der inzenders uit verschillende plaatsen in ons vaderland opgemaakt en de uitkomsten van het oordeel der jury over het ingezondene uit die plaatsen, welke 10 of meer inzenders geleverd hebben, vergeleken.
Wij vertrouwen, dat wij den lezers dezer Courant geene ondienst doen door hen hiermede bekend te maken.
15-05-1862 Ingezonden voorwerpen Alemeene tentoonstelling Londen D Sala & Zonen
Uit de officieeïe catalogus der ingezonden voorwerpen van nijverheid op de Algemeene Tentoonstelling te Londen, zien wij dat van hier te lande en de Koloniën zijn tentoongesteld 387 nommers, die ieder weder verschillende voorwerpen bevatten.
Slechts Dr. Junghuhn van Java heeft de nijverheid onzer koloniën vertegenwoordigd door de inzending van eenige soorten van de kinaboom en de daarvan afkomstige kinabast.
Uit Leiden treft men aan: tafelzout van den heer Brandhoff Isselman , verfwaren van den heer Noortveen en Comp, boekweitenmeel en grutten van den heer P. L. Paters, gebakken steen van den heer W.F.K.A. Truffino en van de firma Muller en Comp te Valkenburg, wollen manufacturen van de heeren J.J. Krantz en Zn, J. Scheltema Jz., Gebr, van Wijk en Comp, P.P.J. IJsselsteyn, J.C. Zaalberg en Zn. en J. Zuurdeeg en Zn. en wollen garens van de heeren P. van der Meer en Zoon; Boekwerken , in de Japansche, Chinesche en andere talen van den heer A.W. Sythoff; vergulde lijsten van de heeren D. Sala en Zonen en geschilderde transparant- gordijnen van den heer J.E. Zirkzee.
14-07-1862 Een eervolle vermelding voor D Sala & Zonen
Leydse Courant
Leidsch Dagblad
BINNENLANDSCHE BERIGTEN. - Door de jury, aan wie de beoordeeling was opgedragen der voorwerpen, ingezonden op de tentoonstelling: van meubelen enz. te Zwolle, is o. a. eene eervolle vermelding toegekend aan de hh. D. Sala en Zonen alhier.
20-09-1862 Londense tentoonstelling Een dronk door den heer Sala op de werklieden
- De koninklijke commissarissen der Londensche tentoonstelling hebben in een Maandag 11. gehouden vergadering het besluit genomen, om het gebouw nog gedurende de geheele maand October geopend te laten en de tentoonstelling op 1 November te sluiten.
Op dien dag is het gebouw door 50,682 personen bezocht geworden. Men vermoedt, dat de onderneming een tekort van ₤ 20 a 25,000 zal vertoonen, in weerwil dat men berekent dat bij de sluiting plus minus £ 500,000 (ƒ 6,000,000) te zullen hebben ontvangen.
- De Engelsche commissie, die zich, bij gelegenheid der tentoonstelling, heeft belast met de ontvangst van vreemde arbeiders, die Londen bezoeken, heeft in de groote zaal der restauratie, tot het gebouw der tentoonstelling behoorende, een groot feest gegeven, hetwelk door omstreeks 200 personen is bijgewoond.
De heer Sala, de voorzitter van het feest, heeft een dronk ingesteld op de werklieden, en het nut der groote algemeene tentoonstellingen doen uitkomen.
De heer Jerold, secretaris der commissie, heeft aan al de aanwezigen een medaille tot aandenken aan de feestviering uitgereikt.